Terugtrekken?

(c) Inaya photography


Er is een opmerkelijke evolutie aan de gang, diep in mij.

Zoveel in mijn leven heeft de laatste jaren in het teken gestaan van naar buiten treden. Mijn kin een beetje hoger heffen en durven zeggen: dit is wat ik doe en dit is waar ik voor sta en hier word ik gelukkig van. En daarmee gezien worden. Daar appreciatie voor krijgen, ook (soms).
Maar vooral: voelen wat en wie ik ben, en wat mijn plek in de wereld is. Eindelijk.

Een van mijn favoriete motieven is: alles is een ademhaling, een onbewust maar krachtig ritme van expansie en contractie. De natuur met haar seizoenen, ons uitdijend universum, de manier waarop wij – individuen, groepen, culturen, continenten, planeten – leren en groeien en vervolgens uiteenvallen en sterven: sommige patronen gaan op voor elk aspect van dit universum. En dat is prachtig.

(c) Inaya photography


Het verbaast mij dus niet dat ik nu, na een aantal jaren van sterke expansie, de drang voel om mij terug te trekken. Niet per se uit de publieke sfeer, niet uit schrijven of blogs publiceren of werken of mijn gezin of wat dan ook. Dit is een psychologisch proces, een ondergrondse stroming. Misschien word ik de komende jaren juist nog zichtbaarder en trek ik verder de wereld in. Maar binnen in mij is de richting onmiskenbaar de omgekeerde.

Die roep tot terugtrekken heeft gedeeltelijk te maken met het feit dat onze mondiale cultuur op zoveel vlakken de grenzen van haar draagkracht aan het overschrijden is.
De planeet en de natuur, waar wij allen deel van uitmaken, is waar mijn loyaliteit ligt. In vergelijking daarmee zijn de besognes van individuele mensen zo onbeduidend als die van mieren in een mierenhoop ergens in een groot regenwoud op een nog veel groter continent. We wanen ons de meesters van de schepping, dat wel. En we jagen de illusie van almachtigheid na, net als Icarus die dacht dat hij kon vliegen. Maar hoeveel technologie we er ook tegenaan gooien, we zullen neerstorten. En de val zal zeer pijnlijk zijn.

(c) Inaya photography


Ik voel de trekkracht van iets dieps, iets fundamenteels, dat als een soort sourdine bromt en ruist onder onze voeten, de stem van de aarde zelf. We hoeven de sterren niet te koloniseren om te begrijpen hoe het leven in dit universum in elkaar zit. We zouden gewoon beter een paar uur onder een boom gaan zitten en alles wat er om ons heen gebeurt op ons laten inwerken.

De grondstoffen die we opsouperen om die Icarusvleugels te maken, doden al het leven om ons heen. En onze droom om aan ‘de natuur’ te ontsnappen, zoals zovelen in dit digitale tijdperk maar al te graag geloven – maar eigenlijk is die droom veel ouder – is ronduit een waanbeeld. We kunnen niet aan de natuur ontsnappen, we zijn de natuur. We zijn gekoloniseerd door bacteriën, we staan in intieme verbinding met elk levend organisme om ons heen. Als we in het leven landschap om ons heen snijden, hakken we in onszelf.

We zijn ons daarvan misschien nauwelijks nog bewust, omdat ons hoofd vol zit met abstracte ideeën, religieuze of zogenaamd ‘rationele’ theorieën over hoe uitzonderlijk de mens wel niet is en ander fraais, maar er hoeft maar een vloedgolf, een aardbeving of een ander natuurfenomeen ons leven door elkaar te gooien, en we weten tot in onze kern weer heel goed wat we zijn: mensdieren die klauwen om te overleven. Probeer het eens zonder huis, zonder verwarming, zonder veiligheid. Er blijft niet veel meer over, en bedrading alleen zal ons niet helpen.

(c) Inaya photography

Oké, misschien is dit allemaal onkarakteristiek scherp van mij. Een beetje te veel Paul Kingsnorth gelezen, de laatste tijd. Zelden een boek gehad dat zo glashelder en pijnlijk de vinger legde op al mijn persoonlijke wonden als Bekentenissen van een afvallig milieuactivist.

In The Lord of the Rings noemen de elfen hun trage maar onontkoombare evacuatie uit uit Middle Earth the slow defeat. En dat is het precies: de trage, tragische nederlaag van wie deze levende planeet in ere wil houden. De overmacht voelt bij momenten gigantisch, en hoop is een luxe die steeds schaarser wordt.

Ben ik één haar beter dan degenen op wie ik mij soms machteloos woedend maak? Ik ben een kind van mijn tijd, opgevoed in een cultuur die mij gekneed heeft tot een door en door energie-afhankelijk wezen. Ik zou geen drie weken overleven in de wilde natuur, op mezelf aangewezen. Met mijn fragiele gezondheid zou ik honderd jaar terug waarschijnlijk niet eens de twintig gehaald hebben. Het is een ontnuchterende gedachte. Maar het is geen excuus om door te gaan zoals we bezig zijn.

(c) Inaya photography


Dus luister ik naar die diepe roep in mij. Ze heeft iets van de klank van wortels, van het wijd vertakte mycelium dat oerbossen met elkaar verbindt tot één groot, levend organisme. Ze fluistert over gesteentelagen, geologische tijd, stof van sterren en de (on)eindigheid. Ze is alle behalve het kleine menselijke verhaal van jezelf vleugels aanmeten en denken dat je de zwaartekracht kunt uitlachen.

Diep en oprecht luisteren naar dit soort stem vraagt een vorm van stilte. Terugtrekking, dus.

Dat ga ik doen. Dat ben ik al aan het doen. Je ziet het misschien niet aan mij, je hoort het niet in de toon van mijn stem. Maar het is een levend en actief proces, het ontplooit zich stilzwijgend onder alles wat mijn dagelijks leven van mij vraagt. Ik eindig in de praktijk misschien niet als een kluizenaar op een bergtop, maar in gedachten en symbolisch ben ik dat al lang, en dat gevoel wordt alleen maar sterker.

En wat zou ik dan nog willen doen, vraag je je misschien af (en ik mezelf soms ook), vanop die bergtop, tussen de smeltende gletsjers, met het geraas van kettingzagen op de achtergrond, die de laatste moederbomen van het oerbos vellen?

Schoonheid zaaien. Betoverend en fragiel als zeepbellen. Verbondenheid een stem geven. Want wat ons bijeen houdt, is sterker dan verhaal, of verval.

De ademhaling gaat door.

(c) Inaya photography

Een kwestie van perspectief #2

Het universum omhelzen

(c) Inaya photography

Als luchtbellen in donker water, aangedreven door een onzichtbare kracht, wentelen werelden om elkaar heen in wat wij het heelal noemen. Dat heelal deint uit. Of het een uiterste punt heeft, weten we niet. Mogelijk krimpt het op een dag weer in, en zuigt het alle wervelende materie, van meteoriet tot supernova, van sterrenstof tot zwart gat, weer naar zich toe, om steeds dichter en hechter samen te drukken en samen te smelten. Het is niet eens onrealistisch om te veronderstellen dat de Big Bang zichzelf om de zoveel miljoenen eeuwen herhaalt.

Ik heb bij dit denkbeeld altijd aan een ademhaling moeten denken.
Alles, werkelijk alles in de levende wereld, van het allerkleinste tot het onmetelijk grootste, werkt volgens dezelfde wetten: fractale expansie en implosie, groeien en krimpen, verbranden en transformeren, ontvouwen en terugplooien. Het is van een onwaarschijnlijke en vooral een waanzinnig simpele schoonheid.

In die enorme zwarte uitdijende oceaan vol luchtbellen is er eentje die wij intiem kennen omdat we erop leven: een ademende groene planeet, bevolkt met ontelbaar veel organismen. Een van die organismen is het menselijk ras. En van die miljarden mensen, zijn jij en ik een uniek, minuscuul, exemplaar.

(c) Inaya photography

Hoe langer je erover nadenkt, hoe onbevattelijker het wordt. Of hoe tastbaarder, misschien. Maar meer dan ooit verankert het ons, kleine mens, als weinig meer dan onbenullig sprankeltje stof in een onmetelijk universum.

Ik vind dat een prachtig idee, ik voel hoe diep het in mij resoneert. Want hoe minuscuul ook, wij zijn gemaakt van dezelfde stof als de sterren en alles om ons heen in dat enorme, ademende heelal. Dat is een fysiek feit, maar het voelt ook spiritueel, bijna religieus.

De katholieke liturgie stelt dat de mens God niet kan kennen omdat hij fundamenteel anders zou zijn dan wij. Ik heb me altijd tegen dat idee verzet, zelfs als kind, zelfs nog voor ik precies begreep wat er bedoeld werd of hoe het christendom ontstond als spirituele maar vooral politieke stroming. Het klopte niet voor mij, het voelde anders. Ik had altijd de diepe overtuiging dat er een diepe verbinding liep tussen ons en de schepper van het universum, dat wij een deel van hem/haar/het waren en dat er helemaal geen scheiding bestond.

De fysica lijkt me gelijk te geven. En de bron van alle leven hoeft voor mij geen menselijk gezicht te hebben, integendeel. Ik weet mij veel makkelijker verbonden met een alles doordringend energieveld dan met een of ander superbrein. Menselijke verhalen zijn per definitie veel te klein bemeten om de immense rijkdom van het bestaan te vatten. Wat ons en alles in het universum verbindt, is dezelfde levenskracht als waar varens zichzelf uit optrekken, waar bomen uit groeien, embryo’s hun cellen uit delen en planeten hun momentum in vinden om te wentelen.

Rest ons nog een laatste, praktische kwestie, bijna als een voetnoot: wat met de betekenis van ons eigen leven? Dat oplichtende speldenprikje, een vuurvliegje onder de Melkweg dat één keer oplicht en vervolgens verdwijnt?
Het is alles wat we hebben, en voor ons is het, begrijpelijk, van het allergrootste belang. Maar met al het bovenstaande in gedachten wacht ons zacht gezegd een oefening in bescheidenheid.

Bescheidenheid hoeft natuurlijk nog geen zinloosheid te zijn. We mogen dan onooglijk klein zijn in het perspectief van het universum dat zich uitstrekt voorbij elk mogelijk referentiepunt, dit leven, hier en nu, is waar we liefst iets van willen maken. En tijd is relatief, dat is een van de inzichten die Einstein ons gaf. We meten ze af aan onze eigen referentiepunten, zo zitten we in elkaar. En zelfs de eendagsvlieg leeft een volwaardig bestaan in minder dan een etmaal.

(c) Inaya photography

Waar dit spoor eindigt – in de oneindige leegte tussen de sterren misschien, tussen de diepste wortels van een mammoetboom, of in het kleinste alledaagse gebaar naar iemand die ik liefheb – is mij niet duidelijk. En het is ook niet belangrijk. Want alles, hoe je het ook draait of keert, is op het diepste niveau opgetrokken uit gemeenschappelijke resonantie, uit dezelfde energie – al dan niet waarneembaar voor onze dierbare, maar zeer grove menselijke zintuigen. We mogen het God noemen, of fysica. Of het heelal dat langzaam ademt en ons meeneemt op zijn stroom.

Daar kan ik wel mee leven, geloof ik.

De eenzame uren

Het is avond, hier in de VS, en ik voel mij nogal eenzaam.

Van reisblogs is nog niet zo veel terecht gekomen voorlopig, maar ik heb besloten het mij niet aan te trekken. Verhalen kun je altijd later nog inhalen. En ik heb al een hele tijd het het gevoel dat ik eigenlijk niet zoveel te vertellen heb. Sterker nog, ik voel me een beetje vreemd. Ontworteld. Verplaatst, zonder de mogelijkheid om hier te wortelen. Als een afgeknipte veldbloem.

Mijn gevoel van ontworteling heeft verschillende oorzaken.

(c) Inaya photography

Vervreemding zit er zeker voor iets tussen. In dit land herken ik niets van de lokale fauna, op de herten na die in Keene, waar we de tweede week van ons verblijf logeren, zelfs tot bij het huis durven naderen. De vogelgeluiden zijn me vreemd en de roofvogels in deze luchten zijn schaars. Ik ben er wel al in geslaagd gieren te spotten, al wist ik op het moment zelf niet dat ze dat waren.

De Amerikaanse cultuur is een tweede factor, maar die verdient in feite een heel eigen blog (en ik weet niet of ik daar veel zin in heb).

Een derde facet, dat mij nu veel sterker opvalt dan het ooit deed tijdens eerdere bezoeken, is het tijdsverschil.
Verbondenheid met mensen is belangrijk voor mij. Dat is altijd zo geweest, hoewel ik het als jongvolwassene nog niet zo goed besefte. In die zin hebben de sociale media van deze tijd mij een geschenk gebracht: hoewel er niks op kan tegen een goed, diep gesprek van mens tot mens, hebben die webtoepassingen de wereld op een aantal vlakken toch ook dichterbij gebracht.

Ik merk nu dat ik verankerd ben in mijn tijdzone. Of beter: dat ik een gemis voel als dat niet zo is. Want als ik iets post/deel/schrijf/inspreek, dan weet ik dat ik vanaf een uur of vier in de namiddag niet veel respons meer hoef te verwachten. Dan gaan de mensen met wie ik normaal verbonden ben immers naar bed.
Het levert leuke ochtenden op, zoveel is zeker: een heleboel reacties en vormen van contact tegelijk. Maar mijn avonden zijn eenzamer.

Ik neem de eenzame uren voor lief. Ik ben dankbaar om het geschenk dat ze mij brengen: het bewustzijn dat een deel van mijn verbondenheid zich heel bewust ‘in real time’ afspeelt. Dat ik wortels nodig heb op de plek waar ik mij bevind, om mij te verbinden met het landschap én de mensen. Dat mij dat hier, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, niet echt zal lukken. Dat dat niet erg is. En dat het een van de redenen zal zijn waarom ik blij zal zijn om aan het einde van deze vakantie terug te keren naar huis: om mijn wortels te voelen, en het netwerk waartoe ze behoren, op meer dan één manier.

(c) Inaya photography

Mini Nieuwjaarswens

(c) KV

wat mag je wensen
als meest bevoorrechte mens op aarde
als je geluk kunt scheppen
met twee harten en vier handen
als je onder je de draagkracht weet
van een snelstromende rivier
en de thermiek onder je vleugels voelt zwellen

wat mag je wensen
als je de ogen niet wil sluiten
voor de kilte die door de kieren sijpelt
kortzichtigheid wil grijpen bij de wortel
als de wurgplant die ze is
de ijskappen sneller weet smelten dan je dessert
in de zomerzon en de vogels ziet
verdwijnen uit een alsmaar zwijgzamer hemel

verbinding misschien
tussen onze wortels nog meer
dan tussen onze takken
een gezamenlijke bloedbaan
een levensader en een hart
dat leert hoe het moet koesteren

(c) KV