Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Advertenties

Je wortel, je verhaal

(c) Inaya photography



We worden wakker als bloem
maar we kunnen niet volwaardig bloeien
tot we geleerd hebben waar onze wortel schiet
tot we voelen hoe diep we reiken en wat
ons voorziet van voeding en kracht.
Vind die wortel, in het duister van de diepte,
in je vindt je verhaal, je richting, je betekenis.

Het licht doet de rest.

(c) Inaya photography

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #57 – Belofte


We slaan het blad van zoveel dagen om.
De herinneringen, dierbaar en voldragen, mogen langzaam vervagen tot schimmen in zwart-wit, gestolde silhouetten in de ochtendnevel die we achter ons laten.

De zon kondigt zich aan met lichtlijnen langs de horizon. Het natte gras prikt onder onze voeten. Alles is scherp en helder op een ochtend als deze. Het is alsof de bodem zelf dampt en ademt, zich loswoelt onder de roep van merel, vink en spreeuw.

Wat zich voor ons uitstrekt, bergt de belofte aan warmere dagen. We snuiven de kruidige lucht en voelen onze longen vollopen met iets wat wil uitbotten.
Zonlicht priemt tussen de takken door. Als we de ogen sluiten, krijgt alles wat we liefhebben vanzelf meer gloed.

(c) Jurgen Walschot







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography

De weg die voor ons ligt

(c) KV


Er is iets aan het veranderen.
Of het een subtiele kalibratie is dan wel een aardverschuiving valt nog niet te zeggen. Persoonlijk mik ik op een kruising tussen de beide.

Het is een beetje zoals wat ik deze dagen aan het doen ben: een nieuw programma gebruiken om foto’s te bewerken.
Je kende de basiskneepjes al, maar met dit nieuwe speelgoed komen er opeens een heleboel extra mogelijkheden in beeld. Kleuren worden meer uitgesproken, contrasten worden scherper. Je voelt de lokroep van iets wat belofte inhoudt. Je wil je erin verdiepen, er voluit voor gaan. Het voelt als water waarin je van nature thuishoort.

(c) KV – Eerste probeersel in slechte lichtomstandigheden… Met dank aan de gevleugelde gast die een paar seconden wilde blijven zitten…


Vinnen kweken, zo schreef ik het in Zaailing #48. Daar lijkt het wel op. En wie weet: misschien van de eerste keer ook kieuwen… In ieder geval: ik begin me voor te bereiden op leven in een andere habitat. Het is niet eens een volledig bewuste keuze. Een stuk van mij heeft al lang haar schoenen uitgetrokken en is het water in gelopen. Ik hoef alleen nog écht te duiken.

Ik ben vast niet de enige die de lokroep van nieuwe horizonten en nieuwe mogelijkheden hoort. Want de wereld staat op een kantelpunt. Van oud naar nieuw, van cynisch naar geëngagneerd, van business-as-usual naar hoop voor de toekomst.

Geen idee of hoop genoeg is. Maar het is zoveel beter dan wanhoop.

Confucius zei het al, eeuwen terug: ‘Het is beter om één kaars aan te steken dan te vloeken om het duister.’
Waar ik ook sta, ik zal ze blijven aansteken, die kaars.

En nu: op naar de toekomst.
Het is de weg die voor ons ligt. Er is geen andere.

Het keren van de getijden

Zweden_757 ed klein
(c) KV

De herfst slaagt er altijd in mij uit mijn evenwicht te brengen.

Het ene jaar geniet ik intens van zijn adembenemende schoonheid, het volgende heb ik gevoel getuige te zijn van een langzame, pijnlijke aftakeling. En onvermijdelijk zie ik op tegen wat er volgt: de winter is mijn minst favoriete seizoen, en duurt altijd langer dan mij lief is.

Mijn lente, zomer en nazomer waren gevuld met een enorme dynamiek en positieve energie. In mijn gezin loopt alles mooi naar wens en zonder complicaties. Er zijn veel kleine en grote geluksmomenten. Creatief en professioneel heb ik het beste jaar van mijn leven achter de rug.

Vorig jaar schreef ik iets gelijkaardigs, en toen zag ik er behoorlijk tegenop om de herfst te zien arriveren. Ik wilde dat de zomer nog wat langer duurde, het was zo’n goeie geweest.
Dit keer, na een jaar dat het vorige op elk vlak overklast, ben ik niet bang om de bladeren te zien vallen. Ik ben tot de rand gevuld met zonlicht en yang-kracht. En ik ben moe, zoals een fruitboom waarvan de takken tot op de grond hangen onder het gewicht van oogstrijp fruit.
Ik ben méér dan klaar om los te laten.

Zweden_712 ed cut klein
(c) KV

Sinds ik ‘het plateau’ verliet en voelde hoe datgene wat ik de Ziel noem mij naar zich toe trok, voelt mijn leven nogal als een boottocht. De stroming is niet te ontkennen en niet te weerstaan.

Dit jaar heb ik wel stevig geroeid. Niet omdat er sprake was van stroomopwaarts varen of van onverwachte tegenvallers, maar eerder omdat positieve energie meer energie genereert, omdat investeren in de stroom meer stroom voortbrengt, en omdat werk steken in de Ziel spontaan meer, en beter, resultaat oplevert. Het is nogal een trip geweest.

Maar nu zijn mijn armen moe. In plaats van door te roeien wil ik graag opnieuw op de stroming vertrouwen en mijn bootje mee laten nemen. Het heeft niet meer die constante, gefocuste investering nodig – voor een tijdje, tenminste. Het afgelopen jaar heeft de rivier die ik bevaar ook alleen maar aan kracht gewonnen. Ik heb hem leren kennen op alle mogelijke manieren en momenten, ik ben hem gaan vertrouwen en liefhebben.

Nu zou ik graag het donker in dobberen met een lamp vóór op mijn boeg. Ik wil me ontspannen uitstrekken en, ingeduffeld onder een warm deken, naar de sterren kijken en me verbinden met de mij verwante zielen, dichtbij en veraf.
We maken allemaal, meer dan ooit, deel uit van dezelfde stroom.

Zweden_706 ed klein
(c) KV

Thuis is waar je je veilig voelt, toch?*

*maar Kopenhagen vond ik best oké

Als HSP door de wereld navigeren

Zweden_880 klein
Nyhavn, 17e-eeuwse wijk in Kopenhagen (c) KV

Ik heb al eerder geschreven over hoogsensitief zijn (meer bepaald hier). Ik hoorde een paar jaar geleden pas voor het eerst over dit type mensen, en het duurde even voor ik begreep dat dit ook op mij sloeg. Ik ben mezelf sindsdien op allerlei vlakken een heel stuk beter gaan begrijpen.

En toch zijn er nog momenten waarop het besef mij overvalt, als een waarheid die ik helemaal opnieuw ontdek: ik ben echt hoogsensitief.
Ik zou het intussen toch wel moeten weten, nietwaar? Maar die dunne wandjes van mij blijven heel glibberig en moeilijk te vatten. Ik kan een overdosis prikkels binnen hebben voor ik het zelf door heb. Dat komt omdat het proces vaak nogal ongrijpbaar is. Het zijn niet zozeer geuren of geluiden of andere zintuiglijke ervaringen die al te hard binnen komen, het is iets anders. Drukte. Het humeur of de uitstraling van mensen. De sfeer van een plek. Vage, onvatbare dingen die niettemin een grote impact op mij hebben.

Heel lang had ik geen woorden om dit gevoel in te vatten, en ook geen werkelijk inzicht in wat er gebeurde. En ik was het zo gewend om ‘anders’ te zijn (waarmee gewoonlijk ook ‘lastig’, ‘zwak’ of ‘vreemd’ werd bedoeld) dat ik mezelf tot op vandaag betrap op de neiging om mijn gedrag of mijn voorkeuren te bekijken door een lens die lichtjes (ver)oordeelt, waardoor ik mezelf in feite subtiel ondermijn.

Ik heb een zeer actief hoofd, en daarin zetelt een zeer actieve Rechter voor het leven. Alles wat op mij afkomt, elke fysieke, emotionele of psychologische prikkel, houdt hij tegen het licht om uit te maken of die goedaardig is, dan wel een bedreiging, of misschien gewoon hinderlijk. Gezien mijn membranen en grenzen voor prikkels zo dun zijn, betekent dit dat ik niet alleen onophoudelijk belaagd word door de wereld om mij heen, maar ook nog eens non-stop in gesprek ben met de stem in mijn hoofd die op alles commentaar heeft, in een poging te bepalen of het wel ‘veilig’ is.

Dat is behoorlijk uitputtend.

Zweden_868 klein
Fontein in Kopenhagen (c) KV

Dat is ook waarom – begin ik nu eindelijk te begrijpen – bepaalde situaties waarin ik te maken krijg met veel nieuwe, onvoorspelbare factoren, zoals ergens naartoe gaan waar ik nog nooit eerder geweest ben, zo taxerend voor mij kunnen zijn. Ik heb geen pleinvrees of zo, zo erg is het echt niet. Maar ik ben nooit op mijn gemak. Zal ik de weg wel vinden? Zal ik op tijd zijn? Zal ik de ingang/uitgang/juiste metrolijn/straat/conferentiezaal… wel vinden? Wat als ik de weg kwijtraak? Wat als er iets anders fout loopt?
Dit zijn allemaal praktische onnozelheden (en dat probeert mijn verstand mij ook echt wel duidelijk te maken), en ze zijn onschuldig en ongevaarlijk. Maar ze betekenen ook een bombardement aan onvoorspelbare prikkels – en daarom dus evenzoveel onzekerheden – waarmee ik op een of andere manier moet omgaan als ik me begeef op onbekend terrein.

Op zulke momenten is elk nieuw element een subtiele bedreiging, en ik functioneer in een continue vecht-of-vluchtmodus. Ik ben constant angstig. Niet zó bang dat ik niet meer functioneer, ik kan door die angst heen gaan, en dat doe ik ook voortdurend. Ik ben alleen juist angstig genoeg om me constant ongemakkelijk te voelen.

Zeker, het zou makkelijker zijn als ik me kon ontspannen en mee surfte op het idee dat het onbekende een avontuur is dat je aanpakt als een vorm van improvisatie. En misschien is het ook wel een beetje een mindset – zoals mij bij gelegenheid al gesuggereerd werd. Maar ik weet niet of het echt wel een keuze is, een knop die je kunt omdraaien gewoon door het te willen.
Wat ik wel weet, is dat het iets is wat heel diep gaat.

‘Ik zag dat je veel minder in je element was toen we aankwamen in Kopenhagen’, zei Jurgen. We hadden besloten om na onze residentie in Zweden nog 36 uur in de hoofdstad van Denemarken door te brengen voor we naar huis zouden vliegen. ‘Steden zijn echt niet jouw natuurlijk habitat, niet?’

Steden zijn een fantastisch voorbeeld van alles wat mij droef en bang maakt. Te veel geluid, te veel verkeer, te veel mensen (en alles wat ze uitstralen, van euforie tot duistere wanhoop, door elkaar), belabberde lucht (als astmalijder ondervind ik altijd meteen een effect van verminderde luchtkwaliteit). Ik doe oprecht mijn best om steden te appreciëren als ik daar rondloop, maar ik kan er doorgaans pas echt van genieten als ik er de weg een beetje ken, of als ik me comfortabel genoeg voel om me te ontspannen.

Zweden_877 ed klein
Haven van Kopenhagen (c) KV

Ik ben geboren in november. Zelfs als zuigeling had ik moeite om binnen te slapen. Mijn mama zette de kinderwagen in de tuin, onder onze populieren, met mij erin, ingeduffeld onder een driedubbele laag dekens, als het nodig was zelfs met een warmwaterkruik erbij. In het midden van de winter, drie maanden oud, lag ik buiten onder die bomen te slapen als een roos.

Ik heb intussen begrepen dat mijn verbondenheid met de natuur – waar ik nu op een veel bewustere manier contact mee maak, zowel fysiek als spiritueel – een van mijn belangrijkste voedingsbronnen is. In wat voor omgeving dan ook, stedelijk of landelijk, zal ik zoeken naar iets van groen, soms zoals een drenkeling klauwt naar een boei of een reddingsvest. Als ik me kan verbinden met iets levends, iets groens en gewortelds, dan heb ik het gevoel dat alles wel in orde komt. Bomen, struiken en mossen zijn mijn levenslijn naar die laag van de planeet die aanvoelt als mijn natuurlijke habitat. Het is de sjamaan in mij die thuiskomt, vermoed ik. Of het dier in mij.

Maar als er niets organisch in de nabije omgeving te bespeuren is, of het beetje groen dat er staat wordt gewurgd, gekortwiekt of in veel te beperkte hoekjes gedwongen, dan voel ik mijn luchtkraan dichtgedraaid worden.

Onnodig om uit te leggen waarom zoveel steden zo’n uitdaging vormen.
Of waarom de vernietiging van ons ecosysteem een constante aanval op mijn zenuwstelsel is.

Zweden_932 ed klein
Meta-sequoia, botanisch tuin, Kopenhagen (c) KV

Maar Kopenhagen vond ik best oké. Echt waar.

Het is een aangename stad, met veel groen en water, en ruime voetgangerszones. Er zijn overal fietsen, en niet té veel verkeer. De luchtkwaliteit valt mee. Er zijn prachtige parken en een sublieme botanische tuin. Er is mooie kunst, en lekker eten. Het lijkt me er fijn leven voor de mensen daar. Ik vond het zelfs leuk om de stad te bezoeken, en ik ben blij dat ik er geweest ben.

Maar mijn thuis, en mijn roeping, is de natuur. Zo diep en wild als ze maar kan komen. Zelfs als ik er niet voor gemaakt ben om op een of andere eenzame bergtop te gaan wonen – en tot die conclusie kwam ik deze zomer na mijn bezoek aan Gavarnie – ik heb er wel een vorm van verbinding mee nodig, op een permanente basis. Het ecosysteem is het enige niveau in dit veelgelaagde universum dat zuiver en authentiek genoeg is om mij werkelijk te voeden. Zonder dat contact kwijn ik langzaam weg. De menselijke samenleving komt voor mij in de verste verte niet in de buurt.

Het werk van David Abram leerde me dat een sjamaan niet in het dorp woont, want zijn loyauteit ligt niet bij de mensheid, of bij een volk, maar bij het grotere geheel, het evenwicht tussen alles van menselijke, dierlijke, natuurlijke en spirituele aard.
Zo werkt het ook voor mij, geloof ik. Ik zal er altijd van genieten om bij mensen te zijn, maar ik ga dood als ik verplicht word daar permanent te blijven.

Letterlijk of figuurlijk zal ik altijd de paden tussen de werelden bewandelen, en mijn loyauteit ligt bij iets onnoemelijk veel groters en levenders.

Thuis is waar je je veilig voelt, toch?
Al mijn hooggevoelige tentakeltjes ontspannen zich wanneer ik verbinding kan maken met die diepe bodem die tegelijk onze moeder is, onze levensbron en de kern van ons bestaan.

Voor mij is er geen andere plek die ik thuis kan noemen.

Zweden_936 ed klein
Meta-sequoia, botanische tuin, Kopenhagen (c) KV