Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Advertenties

Een decennium

Dat de wereld verandert.
En hoe.

Ze zeggen dat je liefde voelt voor je kinderen. Dat is ook zo.
Maar de emotie is maar het topje van de ijsberg.

We noemen het liefde omdat het ons hart meesleurt, en omdat we het niet gewend zijn over onszelf te denken in termen van dierlijk instinct. Nochtans is dat wat ik het eerste voelde, kort na de geboorte al.
Mijn emoties zaten nog achter slot en grendel, op het achterplan gedrongen door het trauma van een bevalling die niet bepaald in de top tien van mijn levensgebeurtenissen prijkt. Ik had in de weken die volgden niet echt baby blues, maar van een roze wolk was totaal geen sprake.

Wat er wel was, was dat instinct. Ik herkende het, en ik moest denken aan onze kater. Ik herinnerde me hoe die vechtersbaas, die geen enkele andere kat in zijn buurt toeliet, zijn eigen jongen voor het eerst besnuffelde en vervolgens minzaam aanvaardde. Hij voelde dat ze van hem waren.

Nu begrijp ik hoe dat werkt, dacht ik. Want ik voelde het ook. Een oerstroom, een verbondenheid die ging tot in het bloed. Een energetische verbondenheid ook, waar dat kleine wezentje zich in nestelde, zijn aura binnen de mijne, veilig, omhuld.

Hij doet het nog altijd: bij mij op schoot komen zitten en zich warmen binnen mijn energieveld. Op momenten dat hij nood heeft aan bevestiging, of een knuffel, of nabijheid. Ik geniet ervan tot in de diepste vezel van mijn lichaam.

En dan springt hij op en is hij weer weg, in zijn eigen ruimte, blij met zijn plek in de wereld, klaar om die te veroveren. Met enthousiasme. Met bedachtzaamheid. Met humor.

Tien jaar.
Ja, de wereld is veranderd. En hoe.

Middeleeuws riddergevecht aanmoedigen (c) KV 2012


Openbarsten

Net zoals de gezwollen knop uiteindelijk barst onder de almaar toenemende druk van wat hij de hele winter heeft beschermd, zo splijt mijn leven zichzelf open.

Ik heb mijn job opgezegd op de redactie waar ik al meer dan vijf jaar werk. De structuur die mij lange tijd als gegoten had gezeten, voelde steeds beknelder aan. Was hij gekrompen? Was ik gegroeid?
Beide.

(c) KV

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik helemaal ‘voor mezelf’ ga rijden. Dat ik met open armen de deur uit stap en het leven zeg: ‘laat maar komen, ik ben er klaar voor’.

Of nee, eigenlijk is dat niet de eerste keer. Ik heb best al wat ervaring met vertrouwen en springen, blind zelfs. Mijn allereerste job is zelfs zonder solliciteren letterlijk aan de deur komen aanbellen – een smakelijk verhaal dat ik nog altijd met plezier vertel.
Het is wél zo dat ik altijd nog een vorm van vangnet achter de hand had, als niet materieel dan toch psychologisch. Of dat ik zo snel mogelijk van één vorm van vangnet naar een andere toe wilde. Dit keer niet. Het zou goed kunnen dat ik nooit meer in vaste loondienst treed, denk ik nu.

(Behalve dan wat mijn lessen op de academie betreft, die uiteraard doorlopen en waar ik heel goed op mijn plek ben. Om een of andere reden voelen die helemaal niet beknellend aan, juist vrij en creatief. Bij deze is ook mijn directeur, die zich bij het lezen van bovenstaande misschien even in zijn koffie verslikte, hopelijk gerustgesteld.)

Maar wat een groeiproces, voor iemand die zich nog maar een jaar of drie geleden niet kon voorstellen dat er mensen waren die de onzekerheid van een zelfstandig bestaan verkozen boven de veiligheid van een vaste baan. Ik sta zelf een beetje verbaasd te bekijken.

Het voelt nog wat rillerig, zoals naar buiten gaan zonder jas. Er staat een frisse bries. Maar de zon breekt door de wolken, en ik heb er goesting in.

(c) KV

P.S. Mijn leven is niet het enige wat openbarst. Terwijl ik dit schrijf, is mijn zusje aan het bevallen: haar buik opent zich om twee rijpe vruchtjes op de wereld te zetten. Voor ons allebei is vandaag het begin van een nieuw hoofdstuk. En wat voor één.

Een bronervaring

FILE1187 ed klein
(c) KV

“I remember one morning getting up at dawn. There was such a sense of possibility. You know, that feeling. And I… I remember thinking to myself: So this is the beginning of happiness, this is where it starts. And of course there will always be more… never occurred to me it wasn’t the beginning. It was happiness. It was the moment, right then.”

Aan het woord is Clarissa Dalloway, in Michael Cunninghams boek The hours (De uren). Het boek maakte een grote indruk op mij toen ik het las, de fraaie verfilming een paar jaar later deed wat mij betreft het werk eer aan. En bij deze bewuste passage, toen ik ze uitgesproken zag door Meryl Streep, dacht ik: die fout ga ik niet maken.

Geluk is een moment, kortstondig, sprankelend en diep. We hebben vaak meer van die momenten dan we beseffen. Het enige wat we moeten doen, is er ons bewust van zijn. Dan kun je het ogenblik opzuigen als nectar, je erin onderdompelen als zonlicht, jezelf er helemaal mee verbinden. Te vaak jagen we geluk na dat er nooit zal zijn, omdat we het ons voorstellen als een droom die nooit ophoudt, een eeuwige zaligheid.
Maar zo werkt het helemaal niet. Sinds ik dat begreep, heb ik geprobeerd om op elk moment van oprecht geluk te herkennen wat ik beleefde, en er dankbaar voor te zijn.

FILE1209 ed klein
(c) KV

Natuurlijk ken ik uitdagingen, en slechte dagen. Maar ik zie mijn leven toch vooral als een aaneenschakeling van kleine geluksmomenten, oplichtende stippen op een soms somber pad, die mij de weg wijzen, en die mij, als ik terugkijk, heel duidelijk tonen waar ik vandaan kom en welke weg ik heb gevolgd om hier te geraken. En elke nieuwe oplichtende stip herken ik als een moment van diep geluk.

Zonlicht dat door bladerdek breekt.
Hartelijk lachen met mijn man, om een grapje dat alleen wij twee begrijpen.
Een Zaailing schrijven waarbij alles moeiteloos op zijn plaats valt.
Een kop koffie met een dierbare vriendin.
De zonsopgang op de trein naar Brussel.

Geluksmomenten. Bronervaringen.

Dat tweede concept, de bronervaring, is bijzonder. Het woord komt uit de psychodynamica, en het betekent zoveel als: een ervaring die zo weldadig en voedend is en zo diep aansluit bij je diepste wezen dat je er voor altijd uit kunt blijven putten. Je eigen persoonlijke oplaadbatterijtje, je meest oprechte geluksmoment en een bron van diepe, authentieke kracht.

Geluksmomenten zijn redelijk frequent, als je ze leert herkennen. Echte bronervaringen zijn zeldzaam.

FILE1223 ed klein
(c) KV

Ik beschouw mezelf als bijzonder bevoorrecht dat ik in mijn leven een paar zulke bronervaringen kan benoemen. Ik aarzel om ze hier te beschrijven, ze zijn té persoonlijk, en ik kan ze met woorden eigenlijk geen recht aandoen. Ze zouden dan alleen maar gaan klinken als zweverige prietpraat, of als mooie toevalstreffers waarvan de diepere betekenis niet zomaar te vatten is. Wel is het zo, dat ze mij diep voeden. En dat ik, net als bij de geluksmomenten die ik pluk wanneer ze zich voordoen, of dat nu op mijn pendeltrein is of aan mijn keukentafel, besef wat ik meemaak op het moment dat het gebeurt.

Eén poging waag ik hier toch.
Hoe mijn zoon zich op mijn schoot nestelt – na het eten, bij het voorlezen, tijdens een mooie film. Niet dát hij zich, negen jaar oud, nog altijd op mijn schoot nestelt, maar hóe.
Opgekruld, als een klein beestje, als een bolletje kind dat volledig in mijn lichaam of mijn energieveld wil opgaan. Hij komt helemaal in mijn persoonlijke ruimte zitten en versmelt ermee. Ik ben eventjes, met lijf en ledematen en emoties en energetische ruimte, het bad waarin hij zich komt onderdompelen, zoals hij ooit negen maanden lang heel diep in mij was ondergedompeld.

Misschien hebben we op dat moment een gesprek. Misschien maken we een grapje. Misschien leg ik hem uit waarom iets wat hij deed niet zo fijn was, of waarom ik kwaad werd en me wil verontschuldigen. Wat er aan de oppervlakte gebeurt, maakt niet zoveel uit. Maar wat er daaronder stroomt, is van een kracht die mij nog altijd verrast.

Ik houd hem niet krampachtig vast. Ik doe geen enkele poging om hem bij me te houden, langer dan goed voelt voor een van ons beiden. Ik voel alleen een diepe rust en immense liefde, en ik weet: ik ben op dit moment de fysieke plek op aarde waarbinnen hij zich veilig voelt en gekoesterd weet. Ik ben zijn bronervaring. En precies daarom is hij ook de mijne, want zo’n innige verbondenheid, voorbij woorden of rationeel verstand, kruipt dieper dan wat dan ook.

FILE1224 ed klein
(c) KV

 

Ik hou van Clarissa Dalloway omdat ze zo’n mooi en tragisch literair personage is. Maar ik ben haar niet, ik zal haar nooit zijn. Ik zal niet terugkijken op mijn leven en denken: dat, daar, toen, was geluk – alleen zag ik het niet.

Met open armen en wijdopen hart omarm ik elk geluksmoment dat zich aandient op mijn pad. En ik ken mijn bronnen. Ik bemin ze en laaf mij eraan, en ik weet mij gezegend.

Het enige wat ik kan doen om hen te bedanken zoals ze verdienen, is de kracht en de schoonheid die ik dankzij hen ervaar naar buiten te brengen en in de wereld te zetten. En op een onverwacht moment iemand anders’ bron te zijn, misschien.

Loskoppelen

IMG_0958 ed cut.jpg
Torenvalk (c) KV

 

Het was even geleden dat ik het nog bewust gedaan had, maar ik heb me een tijdje losgekoppeld. Te moe om op consequente basis te schrijven, tot de rand gevuld met al het werk van het afgelopen jaar, op zoveel vlakken tegelijk, en veel daarvan via digitale kanalen. Een mensenhoofd heeft nu eenmaal grenzen.

Mezelf toestaan om een paar dagen alleen maar te lezen was al deugddoend, om maar iets te zeggen. En aangezien de plaats waar dat kon mijn ouderlijk huis in Fauch (Zuid-Frankrijk) was, met het weergaloos mooie uitzicht en omringd door een stilte zo diep dat elk geluid er drie keer scherper klinkt, was dat best een weldadige ervaring.

 

IMG_1087 (2).JPG
Zonsondergang met stormwolken en regen, van op het terras in Fauch (c) KV

 

Maar mij terugtrekken uit de wereld van werk en routine betekent gewoonlijk ook duidelijker tegen mijzelf aan lopen.

Hoe verloopt mijn leven voor het moment? Waar steek ik mijn energie in, beroepshalve en persoonlijk, creatief en emotioneel, en hoe waardevol zijn die keuzes gebleken? Verschijnen er opties aan de horizon die ik tot nu toe nog niet serieus overwogen had, maar die toch ernstig potentieel lijken in te houden?

Je moet vertragen en wat afstand nemen om de dingen helderder te zien en betere beslissingen te kunnen nemen, met een frisse geest.

Tijd doorbrengen met mijn ouders houdt ook onvermijdelijk de evenwichtsoefening in tussen oude patronen en nieuwe manieren om elkaar te omarmen. We hebben allemaal behoorlijk wat weg afgelegd om de ander te leren begrijpen en respecteren, maar soms betrap ik mezelf toch op de heimelijke wens dat ik mij op een of andere manier ook van deze vertrouwde gezinsdynamiek kon loskoppelen.
Hoe zou het zijn om iemand helemaal anders te zijn, vraag ik mij af, iemand die opgroeide in een totaal andere context en heel andere ervaringen had opgedaan? Hoeveel van mij is van mijzelf, en hoeveel is een antwoord op mijn omgeving – met haar schoonheid en liefde, met haar uitdagingen?

Het is een onmogelijke vraag, omdat we nooit stoppen om de kinderen van onze ouders te zijn, en zij houden er nooit mee op onze ouders te zijn. Als er een web is dat niet ontward kan worden, een draad die nooit echt ontkoppeld kan worden, dat is het deze.
Maar het is geen belachelijke vraag, want ze laat mij dieper in mijzelf graven. Ze zorgt ervoor dat ik mezelf en mijn persoonlijke gedragingen in vraag stel, op een manier die alles behalve zinloos is.

We trekken er een paar dagen op uit naar de Pyreneeën: mijn man, onze zoon van negen en ik. Ik kijk er naar uit om nieuwe horizonten te ontdekken.

Nog een voordeel van jezelf loskoppelen: er zijn geen kabels meer waaraan je voor anker ligt, geen draden meer om je tegen te houden.

Ik ben nieuwsgierig waar deze vrije vlucht me heen zal brengen, en welke nieuwe vergezichten hij voor mij in petto heeft.

 

IMG_0943 ed cut.jpg
Rode wouw, een veel voorkomende roofvogel in de streek van Albi, maar pas dit jaar slaagde ik er in om een deftige foto te maken (c) KV

 

Zonder angst bestaan

 

Rookkwarts_024 ed cut klein
(c) KV

 

Je kunt het vreemd noemen, dat ik bang opgroeide. Want ik was slim en getalenteerd, en ik woonde in een liefdevol gezin dat mij koesterde en ondersteunde, in een land dat meisjes zoveel rechten en vrijheden geeft als er deze dagen op de planeet maar te krijgen zijn. Maar zelfs slimme, getalenteerde meisjes hebben angsten, en zelfs liefdevolle gezinnen hebben scherpe kantjes. In ons geval was een daarvan perfectionisme en alle oordelen die daarbij kwamen kijken. Ik schreef al eerder over die uitdaging.

Terwijl we opgroeien, interioriseren we bepaalde waarden op basis waarvan we onszelf ten slotte gaan beoordelen. We vrezen dingen die mogelijk nooit echt zullen plaatsvinden omdat ze intussen zo diep in ons geloofssysteem verankerd zijn als werkelijke doemscenario’s.

Een van mijn oude angsten, die behoorlijk stevig verankerd ligt, is dat ik de mensen die ik graag zie zal verliezen als ik mijn ware kleuren blootleg, mezelf toon aan de wereld zoals ik werkelijk ben.
Nu is dat niet bepaald iets uitzonderlijks. Dit is een angst die ‘maar’ gedeeld wordt door pakweg de halve planeet, schat ik… (als het niet de hele is). Maar zoals iedereen die ze kent en er op zijn of haar eigen manier mee kampt je kan vertellen: het is een uitdaging van formaat.

Ik heb de afgelopen weken een paar gelegenheden gekregen om ze te overstijgen.

Een daarvan gaat over een kwestie binnen de familie. Misschien schrijf ik daar later nog over, maar nu is het daarvoor niet het moment. En andere had te maken met de hele heisa rond de werkbeurzen van het Vlaams Fonds voor de Letteren.

In beide gevallen voelde het als een uitdaging om mijn plaats in te nemen. Niet om een of ander gevecht aan te gaan, wat mij betreft was er geen sprake van Juist of Fout. Maar beide voorvallen waren persoonlijk belangrijk voor mij, omdat ze de uitdaging inhielden om mezelf te tonen en mijn mening onder woorden te brengen. Zonder anderen aan te vallen, maar ook zonder verontschuldigingen of mezelf dubbel te plooien.

Wat betreft de storm in Letterenland kwam het wat mij betreft hierop neer: ik kon de frustraties en teleurstelling van een aantal schrijvers die zich ten onrechte aan de kant gezet voelden begrijpen, maar ik wilde ook het systeem verdedigen. Elke procedure kan doorgelicht en verbeterd worden, elke organisatie moet de fairness hebben om zaken te verbeteren als blijkt dat er fouten gemaakt worden, en de stemmen van sommigen mogen in dit debat beslist luider klinken. Maar ik wilde vooral pleiten voor nuance, wederzijds begrip, en bruggen proberen te bouwen.

Een lang antwoord op een Facebookbericht vormde de basis voor wat een nog veel langere blog werd. In beide gevallen had ik het gevoel dat op de ‘publiceer’-knop duwen ongeveer hetzelfde was als mijn hoofd op het hakblok leggen. Maar dankzij die strubbelingen in de familie was er wel iets veranderd in mij. Ik voelde me sterker verbonden met mijn innerlijke kern dan ik ooit gedaan had, met een nieuw soort kracht die door mij heen stroomde, en ik besloot gewoon mijn ogen dicht te doen en te springen. Ik postte het antwoord op Facebook, ik schreef de blog.

 

Rookkwarts_008 ed cut klein
(c) KV

 

In de loop van de dagen die volgden, bekeek ik de antwoorden en lezersaantallen met iets van ongeloof, en daagde het besef dat ik hiervoor níet afgeschoten zou worden. Integendeel: de online conversaties bleven grotendeels beschaafd, en ik kreeg berichten van collega-schrijvers die me prezen voor mijn genuanceerde benadering van een stekelige discussie.

Van de andere kant kon ik een aardig logboek bijhouden van hoe onzeker ik nog altijd was om op deze manier in het openbaar mijn mond open te trekken, en bij momenten snakte ik naar een of andere Externe Autoriteit die een oordeel zou vellen over juist of fout. Ik kan het aantal keren niet meer tellen dat ik dacht: ‘Ging ik nu niet te ver? Zou die-en-die nu niet kwaad worden op mij? Gaat die-en-die nu niet denken dat ik gewoon een grote amateur ben, of op zijn best een dwaze idealist? Wat voor recht van spreken heb ik eigenlijk?’

Maar op een of andere manier was die kern van kracht vanbinnen wel sterker dan al het innerlijk geklets – dat feitelijk gewoon mijn goeie ouwe Rechter was die nog eens een triomfdagje had en zich daarvoor bewapende met de meningen en commentaren van anderen.
Maar ik besefte, beter dan ooit, dat het hier gewoon een kwestie was van mijzelf en mijn geweten, en dat ik oprecht probeerde om eerlijk te zijn. Ik had het recht om mijn mening te verwoorden, in mijn eigen naam, en daarvoor te staan, of ze nu perfect was of niet, en wat de gevolgen ook waren.

Niet elk verhaal heeft een happy end. Het mag niet verbazen dat een aantal mensen niet zo blij waren met wat ik te vertellen had, hoewel er ook behoorlijk wat (onverwachte) blijken van steun en appreciatie kwamen. Maar mijn gevoel van overwinning was van heel persoonlijke aard.
Ben je ooit al eens zo lang onder water gebleven dat naar boven komen en door het wateroppervlak breken, snakkend naar adem, aanvoelt als een levensreddende bevrijding? Dit komt in de buurt.

Er is een lied van Bram Vermeulen waar ik van hou, een nummer dat ik pas leerde kennen op de anthologie die kort na zijn dood werd uitgebracht. Het heet Boven op de berg. Daarin beschrijft hij hoe hij, zelf een diep verlegen en aarzelend man, hoog op een bergflank de wolken boven zijn hoofd voorbij ziet drijven, de vallei onder zijn voeten ziet liggen, de wind voelt en de onverzettelijkheid van de rotsen waarop hij rust, en bewust tot een inzicht komt dat hij, naar eigen zeggen ‘al lang weet’: “Ik kan ook zonder angst bestaan.”

Dat is het punt dat ik stilaan bereik. Zo voelt het.

 

Rookkwarts_010 ed cut klein
(c) KV

 

 


Bovenstaande beelden zijn foto’s van een bol rookkwarts van ongeveer twee centimeter diameter, beschenen door de ochtendzon.

 

 

Het lied van Bram Vermeulen:

“Wat ben je lelijk, nu”

 

Zomerlijnen BXL_052 klein
(c) KV

 

Kun je je voorstellen dat iemand die woorden in je gezicht zegt?
Zou jij ze ooit durven uitspreken?

Tenzij ze horen bij een hartelijke giechel- en proestbui tussen beste vriendinnen, kunen ze moeilijk als onschadelijk beschouwd worden. Wat mij betreft, beledig je mensen gewoon niet op die manier, wie je ook denkt te zijn en wat je ook denkt te weten.

Maar onlangs vertelde een vriendin me dat haar schoonvader exact dit had gezegd tegen haar vierjarig dochtertje, zijn kleinkind, toen ze een huilbui had.
En gisteren hoorde ik iemand in een van de naburige tuinen precies hetzelfde nog een keer zeggen, alweer tegen een jengelende peuter, die een lastig moment had en huilend lucht gaf aan haar frustratie.

Mijn haren gingen ervan overeind staan. Ik kon gewoon niet geloven wat ik hoorde.

Wat voor boodschap geven we in hemelsnaam aan kinderen (van welk geslacht dan ook, maar zeker aan meisjes) als we ze zeggen dat ze lelijk zijn wanneer ze hun gevoelens uiten?

 

Zomerlijnen BXL_042 ed klein
(c) KV

 

Natuurlijk kunnen kinderen overreageren, en niet elke huilbui is verantwoord. Vermoeide peuters huilen om alles en niks, elke ouder kan je dat vertellen. Maar er zijn andere manieren om dat huilen te laten ophouden. Dit was niets meer of minder dan een rondje goeie ouwe misogynie die meisjes inprent dat mooi zijn belangrijker is dan oprecht zijn, en dat je je diepere zelf maar beter verbergt om de goedkeuring van anderen te krijgen.

Het feit dat de stem uit de buurtuin niet eens boos klonk, maakte het nog erger. Dit was geen uitval van een uitgeputte zorgfiguur die even de controle over de eigen emoties verloor. Het werd gesteld als een valabel argument.
(Ik kan me trouwens niet meer herinneren of het de opa dan wel de oma van de peuter was die ik hoorde spreken. Ze waren samen bezig met het kind. De andere partij sprak de partner alvast niet tegen.)

Het wenende meisje werd in bed gestopt (prima beslissing), maar toen de stilte neerdaalde over de tuinen kon ik me alleen maar droef en boos voelen. Staan we werkelijk nog altijd niet verder dan dít?

 

Zomerlijnen BXL_054 ed cut klein
(c) KV

 

Toch wel, gelukkig. Maar dit kleine incident toont wel aan dat het een voortdurende, dagelijkse strijd is tegen onwetendheid en ongezonde, oubollige maar zeer diep ingesleten denkbeelden.
Mijn vriendin, een taaie voorvechtster van vrouwenrechten, vertelde dat ze er achteraf een hartig woordje over had gesproken met haar schoonvader (waarbij haar man, zijn zoon, vierkant achter haar stond). Ik kan me voorstellen dat die grootvader zijn schoondochter best een moeilijke vrouw vindt. Maar hij zal waarschijnlijk ook wel twee keer nadenken voor hij weer zoiets tegen zijn kleinkind zegt.

Ik hoop dat het kleine meisje bij de buren, en zoveel anderen net als zij, hier in dit land waar we zo graag luidkeels verkondigen met hoe ernstig wij de gelijkwaardigheid tussen de seksen wel niet vinden, ook mensen in haar leven heeft die haar vertellen dat ze wél mag huilen, en dat ze niet de hele tijd haar sterkste, mooiste, best opgeblonken zelf moet zijn. Ik hoop dat ze te horen krijgt dat eerlijk zijn over wat ze voelt belangrijker is, en dat ze er niet minder graag om zal worden gezien.

Ik hoop het echt.

 

Zomerlijnen BXL_044 ed klein
(c) KV

Orde en harmonie – vanbinnen of vanbuiten?

Waarom ik mijn huis niet zo grondig opruim als ik wel zou willen

 

Prelente_085 ed cut klein
(c) KV

 

De lente is in het land – met een kleine maand vertraging, maar ze is er tenminste!

Lentschoonmaak is aan mij nooit echt besteed geweest. De meeste van onze spullen hebben een vaste stek (kamer, kast, plank, lade), maar er slingert altijd een milde hoeveelheid rommel die illustreert dat de prioriteit bij ons in huis leven is, en niet opruimen.

Clean
Bordje bij ons in de gang

Laatst keek ik het huis en de tuin rond. En ik merkte dat een aantal dingen toch niet helemaal waren zoals ik ze graag had. Ik zou wat meer moeten opruimen. Ik zou onkruid moeten wieden. Ik zou mezelf en mijn zaakjes beter in de hand moeten hebben.
Alleen had ik niet genoeg energie voorradig om het me echt aan te trekken. De inspanning die het zou vragen om mijn omgeving een heel klein beetje te verbeteren, woog veel meer door dan het voordeel dat ik zou halen uit al die moeite.

Het is niet dat ik niet houd van een proper huis. Soms voelt zo’n woonst wel eens té netjes voor mij, alsof je per ongeluk een bladzijde uit een interieurmagazine binnen bent gewandeld, een huis waarin niemand echt lijkt te wonen, maar ik geniet van schoonheid, harmonie en rust. En in de algemene zin houden we ons huis ook wel schoon. Oké, van de vloer eten zou ik niet aanraden. En er staan overal veel te veel planten en kunstvoorwerpen en stenen om het ooit te laten doorgaan voor een meditatieruimte in zen-stijl, maar dat is prima. Alleen wilde ik soms dat het een heel klein beetje ordelijker was, beter gestructureerd, meer… iets.
Tot ik me begin voor te stellen dat ik effectief aan dat schoonmaken en opruimen begin…

Laat maar.
Het is al lang prima zo.

En dat is ook zo. Dus waarom die gemengde gevoelens?

 

Prelente_089 ed cut klein
(c) KV

 

Twee jaar geleden ging Christophe voor twee weken naar de VS, een congres bijwonen en dierbare oude AFS-vrienden opzoeken. Het was de langste periode dat we niet samen waren waarbij ik degene was die thuis achterbleef, en het was een stevige uitdaging.

Ik ben geen huishoudelijke prinses, en voltijds voor alles alleen instaan, ook de zorg voor onze zoon van (toen) zeven, drukte mij met de neus op het feit hoe hecht mijn leven verweven was geraakt met dat van die andere persoon waar ik al vijftien jaar mee samenwoonde. Ik beken eerlijk dat ik minder moeite heb om het zonder mijn zoon te stellen als hij de halve zomer in Frankrijk bij zijn grootouders doorbrengt, dan om mijn man twee weken te missen.

Het is me wel gelukt, natuurlijk (jeezes, wie ben ik om te klagen!?) en ik hervond ook een soort innerlijke kracht waarvan ik had gedacht dat die misschien verdwenen was. En die twee weken hadden ook een paar onverwachte geschenken voor me. Ik merkte interessante veranderingen in mijn gedrag. Ze kwamen onbewust tot stand, in de zin dat ik niet beslist had om de dingen plots anders te gaan aanpakken. Maar aangezien ik op een zeer bewuste manier leef, en ze zeer aanwezig waren, kon ik niet anders dan ze opmerken, in al hun onverwachtheid.

Christophe zucht wel eens dat ik een meester ben in het negeren van de afwas die op hem staat te wachten op het aanrecht (ik kook, hij wast af, en het klopt: ik kan die to-taal negeren). Maar toen hij er niet was, slaagde ik daar eenvoudigweg niet in. Dat had niet eens zoveel te maken met de wetenschap dat alles wat ik zich liet opstapelen later alleen maar een groter en lastiger karwei werd. Het had iets te maken met de orde en schoonheid die ontstond als ik het achter de rug had. Die had ik nodig. Het was bijna alsof ik, nu de liefde van mijn leven er niet was, een zekere vorm van troost uit mijn omgeving wilde halen. Ik voelde me beter als de dingen schoon en opgeruimd waren. Dus deed ik dat, grondiger dan in lange tijd. De bezigheid zelf bezorgde me niet bepaald veel vreugde, maar het resultaat was om een of andere reden belangrijker. Ik had het gevoel dat ik mijn leven beter aankon met een schonere keuken, een beter opgeruimde woonkamer.

Toen mijn man terugkwam, omhelsde ik hem als de verloren en teruggevonden schat die hij was. En het leven werd weer normaal.

Nu kijk ik mijn huis en mijn tuin rond, in dit vroege lenteweer, en ik herken mijn nood voor wat meer properheid, orde en schoonheid. En dan weeg ik die af tegen het rijke gevoel van harmonie en ‘thuiskomen’ dat ik al heb, de verbondenheid met mijn geliefden, de energie die ik investeer in mijn gezin en mijn professionele bezigheden.
Ik vraag me af wat de meerwaarde van die extra inspanning zou zijn. En ik betrap mezelf op de gedacht: ja, het zou wel leuk zijn. Maar de meerwaarde weegt niet op tegen de moeite.

Zo lang ik omringd ben door mijn geliefden in een warme cocon van harmonie, kan ik wel tegen een beetje rommel. Uitgebreid opruimen zou me niet gelukkiger maken. Die tijd steek ik veel liever in creatief bezig zijn, een goede gesprekspartner en klankbord zijn voor mijn man, en een mama die er staat voor haar zoon.

Ik keer de rommel die zich zachtjes opbouwt de rug toe. Dat grondiger opruimen spaar ik wel voor de dag, hopelijk in een heel verre toekomst, dat ik alleen woon op een plek die thuis zou willen noemen.

 

Prelente_080 ed cut klein
(c) KV

Verjaardagsbloesems

Toen jij je komst op deze wereld aankondigde, keek ik op naar de slanke vingers van de treurwilg die langs het raam naar beneden hingen. Ze waren groen van de eerste aarzelende blaadjes die kwamen piepen. In de tuin aan de andere kant van het huis, waar ik ze tijdens onze arbeid niet kon zien, bloeiden de eerste bloesems van de Japanse kerselaar in roomwit.

Toen je het uitkraaide van plezier omdat mijn papa je hoog de lucht in gooide, en je je eerste driewielertje kreeg, was de lentelucht zo zacht dat de kersenbloesems er al uitbundig bij waren, dansend tegen de de stralend blauwe hemel. We vierden jouw tweede verjaardag in de tuin, en er kwamen zelfs geen jassen aan te pas.

Voor we naar je grootouders trokken om je negende verjaardag te vieren, schoot ik een paar foto’s van de kersenbloesems. Net als de groene vingertoppen van de treurwilg waren ze naar goede gewoonte op jouw jaarlijkse geboorteafspraak. Maar ik heb intussen al lang geleerd dat elk jaar, net als elke afzonderlijke dag, telkens een heel ander verhaal is.

 

Sobran 9_001 ed cut klein
Kersenbloesems na de sneeuwbui (c) KV

Het kreupelhout

Wat een ingewikkeld kluwen lijkt dit leven van mij soms. Hoe geraakt een mens daar wijs uit?

 

Prelente_125 ed klein.jpg
(c) KV

 

Werk — vroeg opstaan, tien kilometer op de fiets, de trein halen, naar kantoor, het blad maken, collega’s spreken, ideeën uitwisselen, overeenkomen, van mening verschillen, het artikel schrijven, de trein terug nemen, nog tien kilometer op de trappers; thuis.

Thuis — helpen met het ontbijt, de zoon naar school brengen (op sommige dagen), geliefden omhelzen, luisteren naar verhalen, boodschappen doen, eindeloze bergen was en strijk, koken, organiseren, opruimen, rozen snoeien, hilarische acts voor het slapengaan met de kleine (aan mij is een stand-up comedian verloren gegaan).

Schrijven — Zaailingen en romans en verhalen op de trein van en naar het werk en in andere vrije momenten; mails en blogs veel te laat op de avond voor mijn computerscherm; dagboek waar en wanneer het kan en overal tussenin.

Lezen — veel minder dan vroeger, maar ik heb dan ook het gevoel dat ik zo boordevol zit met alles wat ik in de voorbije vier decennia heb gelezen en dat het nu tijd is om nu voor een tijdje vooral mijn eigen werk te maken, eerder dan nog wat meer van andermans werk te gaan lezen. Natuurlijk lees ik nog altijd. Maar minder, en alleen als iets me écht aanspreekt.

Foto’s maken  — waar en wanneer het maar mogelijk is.

Afspraken en engagementen — repetitie met de band, werk aan een optreden met een enthousiaste gelijkgestemde ziel rond het belang van kinder- en jeugdliteratuur onder de titel BoekJe Bestemming; een sofagesprek/interview en een key note lezing voor een studiedag voor bibliotheekmedewerkers voorbereiden; een tentoonstelling in de pijplijn rond werk van vluchtelingen waar Jurgen en ik een handvol Zaailingen rond het thema mogen gaan tonen, waaronder Dageraad.

Publicaties en Residenties — praktische dingen allerhande. Het officiële nieuws over de residentie in Zweden is intussen de wereld in, maar er is nog nieuws op komst. Ik kijk er al naar uit om het daarover te hebben. Maar nu nog niet. Nog even.

 

Prelente_126 ed klein
(c) KV

 

Ja, het is druk. Maar ik wil niet klinken alsof ik klaag. Want ik weet mijzelf ongelooflijk bevoorrecht.
Geen grote tegenslagen, geen ziektes, geen geliefden die stervend zijn of in hoge nood, geen financiële kopzorgen, geen oorlogen of dictaturen (voorlopig). Dit is leven van overvloed.

En als het allemaal toch een beetje te veel wordt, voor een ogenblik of twee, dan blijven de beste dingen altijd duidelijk zichtbaar doorheen de wirwar van kreupelhout en complicaties. Getekend met de scherpste pen, gesneden uit het diepste hout.

Eén enkele heldere noot, die klinkt als thuis.