De ligstoeltoestand

(c) Inaya photography



Ik kreeg niets gedaan deze vakantie.

Is dat niet waar vakanties voor dienen, hoor ik u denken. Om achterover te liggen in een strandstoel en niets gedaan te krijgen?

Meestal wel, inderdaad. Het was ook lang zo voor mij. De openingspassage van Anne Morrow Lindberghs Gift from the sea beschrijft bijzonder treffend het gevoel dat ik als adolescent en later als volwassene vaak had als ik op vakantie ging aan zee: hoe de immense ruimte die gecreëerd wordt door strand en water, de getijden en de wind, alles wegspoelt van concrete gedachten en plannen die je misschien nog heimelijk op zak had. Ik ben vaak aan vakanties begonnen met het idee: dan ga ik eindelijk schrijven. En na twee dagen gaf ik het op, of er nu zee aan te pas kwam of niet. Er lukte totaal niets. En dat was niet erg.

Lindberghs woorden zijn zó mooi, en zó juist, dat ik ze hier graag deel in een gelegenheidsvertaling.

(c) Inaya photography



“Het strand is niet de plaats om te werken; om te lezen, te schrijven noch te denken. Dat had ik moeten weten van vorige jaren. Te warm, te vochtig, te vormeloos voor werkelijk mentale discipline of scherpe scheervluchten van de geest. Maar je leert het nooit. Hoopvol zeul je de verschoten rieten mand mee, uitpuilend met boeken, wit papier, achterstallige correspondentie, vers geslepen potloden, lijstjes, en goede voornemens. De boeken blijven ongelezen, de potloden breken hun punten, en de papieren blijven even blank en smetteloos als de wolkeloze lucht. Er wordt niet gelezen, niet geschreven, zelfs niet helder nagedacht – tenminste, niet meteen.

Eerst neemt het vermoeide lichaam het over. Cruisegewijs laat je je zakken in de apathie van de ligstoel. Je wordt tegen je eigen hoofd en al je keurige voornemens in teruggedrongen in de oeroude ritmes van de kustlijn. De golven die aanspoelen op het strand, de wind in de pijnbomen, de trage vleugelslag van reigers over de duinen, ze overstemmen de hectische ritmes van stad en verkaveling, van uurroosters en schema’s. Je bezwijkt onder hun bezwering, je ontspant, gaat languit liggen. Je wordt in feite zoals dat element waarop je ligt, uitgevlakt door de zee; bloot, open, leeg als het strand, door de getijden van vandaag blank gegomd van alle krabbels van gisteren.

En dan, ergens in de loop van de tweede week, wordt de geest wakker, komt weer tot leven. Niet in de stadse zin – nee – zoals de zee. Hij begint te zwalpen, te spelen, om en om te rollen in zachte, achteloze tuimelingen zoals die lome golven in de branding. Je weet nooit welke toevallige schatten deze onbewuste deining naar boven zal woelen en tot op het gladde witte zand van de bewuste geest zal dragen; een perfect gepolijste steen, een zeldzame schelp die rustte op de zeebodem. Een wentelwulk misschien, een maanschelp, of wie weet zelfs een papiernautilus.

Maar je mag er niet naar zoeken, of – godbetert! – naar graven. Nee, geen gebagger op de zeebodem hier. Dat zou de hele onderneming zinloos maken. De zee beloont niet wie te gehaast is, te hebberig, te ongeduldig. Naar schatten graven is niet alleen een teken van ongeduld en hebzucht, maar ook van een gebrek aan vertrouwen. Geduld, geduld, geduld, dat is wat de zee leert. Geduld en vertrouwen. Je moet leeg liggen, open, blank van keuze als een strand – en wachten op een geschenk van de zee.”

(Anne Morrow Lindbergh – Gift from the sea, Chatto & Windus Publishers, p. 21-23 – mijn vertaling. Engels origineel: zie onderaan deze blog)


(c) Inaya photography



En zo was het dus ook voor mij, heel lang. Vakantie was: overal de stekker uit trekken. Het was aanvaarden dat ik er bijvoorbeeld niet in zou slagen om te schrijven, dat dat vreemd genoeg beter lukte in de scherpte van het dagelijkse werkleven, zelfs al leek er dan juist minder tijd voor te zijn. Ik had Anne Morrow Lindbergh toen nog niet gelezen, maar elk woord dat ze schrijft, komt overeen met mijn ervaring.

Alleen de laatste jaren was daar wat verandering in gekomen. Dat viel samen met het steeds regelmatiger schrijven van deze blog, en het (her)ontdekken van het artistieke proces aan de hand van de Zaailingen. Die creatieve dialoog luwde wel een beetje tijdens de zomermaanden, maar viel nooit echt stil. En omdat ik op mijn blog zoveel te vertellen had dat altijd bruggen sloeg tussen mijn dagelijks leven, mijn innerlijke omzwervingen en mijn ambacht, gingen werk en leven steeds meer in elkaar overvloeien en ging de blog gewoon mee op vakantie. Mijn hoofd en mijn creatieve drive stonden in feite nooit meer af.

Dit jaar lukte het niet. Ik ging met mijn gezin naar mijn ouders, heel blij hen terug te zien en een paar weken uit de benauwde Covid-bubbel van Vlaanderen te kunnen ontsnappen naar de uitgestrekte vergezichten van het Franse platteland. Het was er warm en weldadig. We kozen onze zeer schaarse ontmoetingen zorgvuldig en genoten daarvan. Op de markt droeg iedereen mondkapjes, maar het was gezellig. Ik hielp mijn mama met de planten en het eten, we praatten, we lazen, speelden spelletjes, redden beestjes uit het zwembad waarin mijn zoon elke dag rond plonsde en ik nu en dan eens ging zwemmen. Er moest niets, er was tijd en ruimte.

(c) Inaya photography



Ik voelde me prima, maar for the life of me kreeg ik geen blog uit mijn pen gewrongen. Ik maakte wel een paar krachtige momenten mee, maar ik voelde dat ik ze zelf eerst moest laten bezinken voor ik er iets over zou kunnen schrijven. Ik werkte één Zaailing af, omdat ik met een vormelement wilde experimenteren (die delen we misschien nog, of misschien ook niet), maar het had veel weg van kleine brokjes taal weghakken uit massief en ontoegeeflijk graniet, en nadien had ik totaal geen fut meer om woorden te formuleren, er stroomde niets.

Dat was best bevreemdend en het duurde even voor ik het door had: ik was op vakantie gegaan. Echt, dit keer. Mijn geest was overgegaan op ruis, zoals het geluid van de wind in de eiken aan het zwembad, en vervolgens op zachtjes zwalpen en dobberen.
Ik verwelkomde de ligstoeltoestand, de warme, aardige vorm van apathie. Dan registreer je, voel je, laat je alles komen en gaan. Dan geniet je en kom je tot rust. Maar dan schrijf je geen heldere stukken.

Dus dat is wat ik deed, de afgelopen weken. Niets. Het was nodig. Het mocht.

En nu ben ik er weer. Met goesting. Met een vers geslepen potlood, zoals Anne Morrow Lindberg het zegt, en mijn geest verfrist en gescherpt.

Er staat heel wat te gebeuren. En de woorden zijn er ook klaar voor.

(c) Inaya photography





Anne Morrow Lindbergh – Gift from the Sea (p.21-23)
The beach is not the place to work; to read, write or think. I should have remembered that from other years. Too warm, too damp, too soft for any real mental discipline or sharp flights of spirit. One never learns. Hopefully, one carries down the faded straw bag, lumpy with books, clean paper, long over-due unanswered letters, freshly sharpened pencils, lists, and good intentions. The books remain unread, the pencils break their points, and the pads rest smooth and unblemished as the cloudless sky. No reading, no writing, no thoughts even – at least, not at first.
At first, the tired body takes over completey. As on shipboard, one descends into a deck-chair apathy. One is forced against one’s mind, against all tidy resolutions, back into the primeval rhythms of the sea-shore. Rollers on the beach, wind in the pines, the slow flapping of herons across sand dunes, drown out the hectic rhythms of city and suburb, time tables and schedules. One falls under their spell, relaxes, stretches out prone. One becomes, in fact, like the element on which one lies, flattened by the sea; bare, open, empty as the beach, erased by today’s tides of all yesterday’s scribblings.
And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no – but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a chanelled whelk, a moon shell, or even an argonaut.
But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach—waiting for a gift from the sea.

Het grote afscheid

Breuklijnen, een verlopen visum en een cadeautje

Ik sta al aan de auto met het pannetje als ik me bedenk. Ik keer op mijn stappen terug.

(c) Inaya photography



Ik kan het niet helpen, maar dit voelt als de zomer van het Grote Afscheid.

Het verleden is een land waar we plots niet meer naar terug kunnen. Ons visum ervoor is definitief verlopen en de enige manier waarop we het nog kunnen bezoeken, is in herinnering.

Natuurlijk staat het leven nooit echt stil. Er zijn onophoudelijk verschuivingen, er komen dingen bij en er verdwijnen andere. Maar wat ik nu voel, is dieper, breder, definitiever.

Covid-19 is een aardverschuiving die een barst in het landschap heeft laten ontstaan, zoveel is zeker. Maar er is meer aan de hand. Onderhuids voelt het alsof er een veel grotere verschuiving bezig is, waarvan het virus en al wat het meebracht slechts een zeer zichtbaar en goed herkenbaar symptoom aan de oppervlakte is.

Ik zie het overal, in grote en kleine dingen.



Ik neem afscheid van de jonge kindertijd van mijn zoon die onherroepelijk voorbij is.
Mijn relatie met (schoon) ouders bevindt zich op het kantelpunt van wie precies voor wie moet beginnen zorgen. De omslag is nog niet gemaakt, maar de robuustheid en kracht om alles te torsen die we vroeger bij hen vonden, ligt nu bij ons.
Het is duidelijk dat we voor het laatst naar de vakantieplek van mijn jeugd zijn geweest, die mij al sinds mijn kindertijd dierbaar is en waar we met onze zoon als zuigeling nog heengingen omdat het er zo weldadig rustig was. Ze is in naam van zogenaamde ‘ontwikkeling’ onder de voet gelopen door geld en vastgoed, en ik werd verscheurd door diepe heimwee naar de vroegere oase van kalmte en soberheid.

Ik mis de manier waarop we vorig jaar de boekvoorstelling van De serres van Mendel voorbereidden, en ik mis de dierbare mensen die ons begeleidden doorheen de eindredactie van dat boek. Ik mis het gevoel dat alles mogelijk was, en hoe vanzelfsprekend het toen was om een evenement te organiseren voor een kleine honderd man in een gesloten locatie.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot op de Boekenbeurs van 2019, een event dat dit jaar niet doorgaat en vorig jaar misschien voor het laatst in die vorm heeft plaatsgevonden.



Ik mis de samenleving zoals ik ze kende. Niet omdat ze perfect was, maar omdat ze vertrouwd was en het vertrouwde is altijd makkelijker dan iets nieuws, zeker als dat nieuwe gehavend aanvoelt.

En ik kan me niet van het idee ontdoen dat er heel veel mensen aan gelijkaardige processen bezig zijn. Mensen die onverwacht geliefden verloren en nu met uitstel moeten rouwen. Die plots hun werk kwijt zijn of van wie de jobsector op apegapen ligt en die een gedwongen nieuw begin moeten maken. Die van hoge tronen vallen en heel diep landen. Die plots zieke of behoeftige familieleden moeten verzorgen. Die omwille van de veiligheidsmaatregelen essentiële stukjes van hun leven nog altijd niet kunnen opnemen. Die de trauma’s van hun kindertijd onder ogen zien en de wereld en zichzelf met andere ogen bekijken.

Ik zie bewustzijn groeien, als een vlam in het duister. Ik zie een krachtige massa in opstand komen tegen de structurele onrechtvaardigheid die diepe, oude, etterende wonden heeft geslagen en verandering eisen. Ik zie hoe even diepe en oude angst en onwetendheid en onverdraagzaamheid zich steeds dieper uitzaaien als een ziekte.

Dit zijn geen kleine verschuivingen, dit zijn breuklijnen.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot



Soms hebben boeken, net als films, een tagline: een zin die een diep motief uit het verhaal blootlegt. Tijdens het schrijven van De wortels van de wereld werd het me geleidelijk duidelijk dat dit boek er niet één heeft, maar drie. En ze zijn alle drie even relevant voor ons leven vandaag.

  • Alles is met alles verbonden.
  • Sommige dingen kun je niet meten in lengte, maar in diepte.
  • Doodgaan is niet altijd slecht. Zo komt er ruimte voor iets nieuws.

De eerste is een echo van een idee dat geplant werd in De serres van Mendel en nu alleen maar pertinenter geworden is. De tweede raakte ik eerder al even aan in een eerdere blog. De derde is waarover het hier gaat.

Er komt ruimte voor iets nieuws. Of dat iets moois wordt of niet, dat weten we nog niet. We zullen het ermee moeten doen. Ik voel geen angst, en als ik al ongemak ervaar, dan is dat het gevolg van een niet-weten in verband met de toekomst.
Op dit moment voel ik alleen afscheid. Ik bezoek het land van mijn herinneringen, ik kijk naar de onverwacht afgesneden paden om mij heen. Ik zie het stof neerdalen en maak een inventaris op van wat er nog kan, of niet meer. Ik voel heimwee of verdriet of gemis, en ik laat dat toe. Dat volstaat voorlopig.

En soms komt het in de vorm van een cadeautje.

Het pannetje (c) Inaya photography



Mijn zus en haar man verhuizen van een mooi huurhuis naar een eigen woonst. Nog een fase die ten einde loopt, realiseer ik me terwijl ik ze help inpakken. Ze geven allerlei dingen weg. Potten en pannen onder andere, niet geschikt voor de inductieplaten van de keuken waar ze heen gaan.
In hun uitzet bevinden zich nog twee kleine steelpannetjes van gietijzer en twee kookpotten uit mijn moeders servies. Die wil ik graag. Ze vervolledigen het gedeelte van mama’s keukengerief dat ik zelf ooit kreeg.

Bij de pannetjes aarzel ik. Ik ben geen sausmens, ik zal ze nooit gebruiken, zeker niet in tweevoud. Maar ik wil er toch eentje. Een is wat blanker van bodem. Ik herken het donkerder patroon op de bodem van het andere, en ik sta weer als adolescent melk te warmen in dat pannetje, dat altijd op het randje van aanbrandde, en dat zwaar en heet was in mijn onervaren handen als ik de melk zonder morsen probeerde over te hevelen in een kop.

Het pannetje van mijn jeugd is een beetje gehavend, er is hier en daar wat verf weg, misschien iets wat lijkt op een roestplek. Ik kies het blankere pannetje. Als ik toch nog eens saus zou gaan maken, dan is dat misschien beter bruikbaar.

Ik sta al aan de auto als ik voel dat het niet klopt. Ik gá geen saus maken. Ik wil gewoon dat donkere bodempatroon kunnen blijven zien, omdat ik het herken, omdat het een tastbaar aandenken is van het land waarvoor ik geen visum meer heb. Ik keer op mijn passen terug en ga recht naar de keuken. Mijn zus knikt en glimlacht als ze ziet wat ik doe. ‘Ik herken het ook’, zegt ze.

Er mag ruimte komen voor iets nieuws. Dat is onvermijdelijk, en vaak ook wenselijk. Maar zelfs in een landschap van breuklijnen en versperde wegen, van ingestorte muren en neerdalend stof, wil dat niet zeggen dat er geen kleine aandenkens blijven om te koesteren.

Op de weg naar huis heb ik het pannetje op schoot. Mijn duim glijdt over een van de bekjes waarlangs je de vloeistof kunt uitgieten. De verflaag is glad. Ik aai erover, heel de weg naar huis. Ik neem afscheid.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot

Ziende blind

1 // Verandering van perspectief

De maatregelen om de verspreiding maar vooral een drastische piek in het Covid-19 virus tegen te gaan, zijn amper een paar dagen actief. Toch merk ik de impact ervan overal. De kracht van een verhaal, denk ik glimlachend bij mezelf. Ziedaar in levende lijve bewezen hoe het werkt.

Niet dat de informatie die we krijgen over het virus of de maatregelen die in het kielzog daarvan worden opgelegd verzinsels zouden zijn. Integendeel, zo bedoel ik het woord ‘verhaal’ niet. Ik observeer gewoon hoe snel een samenleving kan draaien van ‘het is een sprookje’ naar ‘het is bittere ernst’ en navenant zijn gedrag aanpast. Tot nu toe zijn de mensen die rechtstreeks in contact kwamen met Covid-19 in België op de spreekwoordelijke hand te tellen. Maar we nemen de berichtgeving erover serieus, en we passen ons gedrag aan. Ziedaar de kracht van een goed verteld verhaal.


2 // Hoe herorganiseren we ons leven?

En wat moeten we nu aan met die toestand thuis? Aan de reacties te merken zou je denken dat nogal wat volwassenen in dit land bang zijn van hun kinderen.
Dat klopt natuurlijk niet, ze zijn vooral ongerust over de combinatie werkdruk-van-thuis-uit en kinderen-die-intussen-rondlopen-en-beziggehouden-moeten-worden.

Als we er voor openstaan, laat ons dit de ruimte om bijzonder interessante vragen te stellen over de manier waarop we ons leven tot nu toe geleefd hebben. Was het echt allemaal zo noodzakelijk, die drukte, dat heen-en-weer geren?
In een zeer eerlijk opiniestuk legde een leerkracht vandaag hét grote pijnpunt van ons hedendaags onderwijs bloot: wat is de belangrijkste reden waarom we we eigenlijk lesgeven aan kinderen? En waarom schieten we zo in een kramp bij de gedachte dat er drie weken (3!!) verloren zouden gaan?


3 // Hoe herbekijken we onszelf?

Ik herken de echo’s hiervan in de talloze Facebookposts van schrijvers, kunstenaars, theatermakers, zelfstandigen, die oproepen om iets te doen, iets te maken, iets in te lezen, iets te filmen.
Natuurlijk zijn er handenvol mensen in deze samenleving die nu een aantal weken niets zinnigs (of betaalds) meer om handen hebben. Dat kan dramatische proporties aannemen en ik houd mijn hart vast voor wat de gevolgen zullen zijn voor sectoren in de samenleving die het van nature al moeilijk hebben. Dus uiteraard kunnen we nog een boek kopen, een plantje aan huis laten komen, een klein gebaar stellen. We willen graag dat iedereen dit – ook economisch – overleeft.

Maar de manier waarop deze berichten de wereld in worden gestuurd, zeker als het over kinderen gaat, heeft me toch iets te veel van het krampachtige. Houd ze bezig! lijkt de tendens te zijn. Ocharme het kind dat zich een uur zou vervelen. Wee de ouder die intussen moet proberen even productief te zijn als anders. Sleep aan, de voorleessessies, de raadseltjes, de filmpjes om te posten, de Bingels, de Netflix-abonnementen.

Als we nu nog niet door hebben dat er iets fundamenteels schort aan dit systeem zijn we ziende blind.

“The future’s so bright, he’s gotta wear shades” – Als de ochtendzon te fel is om bij te ontbijten
(c) Inayaphotography

Het so(m)bere seizoen

(c) Inaya photography


Dit is een seizoen van soberheid. De bomen zijn uitgekleed, de dagen zijn spaarzaam met hun licht. Alleen de belangrijke dingen spreken nog, omdat alleen het belangrijke zich nog toont.

(c) Inaya photography


Dit is ook wel een seizoen van somberheid.
Kerst in Fauch, noem ik de reeks foto’s die ik deze week op Instagram en Facebook zet, omdat we de eerste week van het winterverlof bij mijn ouders doorbrengen. Maar dit jaar zal ik geen kerst vieren. Niet omdat we niet met familie aan tafel zitten, niet omdat we de feestdagen overslaan, maar omdat het niet genoeg wintert om het gevoel op te roepen dat voor mij bij Kerstmis hoort.
Twintig jaar geleden lag de sneeuw natuurlijk ook al niet elke winter metersdik, maar ten laatste midden november waren de bomen bladvrij en het was een lange, koude, kale maand in aanloop naar de feestdagen. Midwinter voelde als – effectief – het midden van de winter. Nu is de herfst pas goed voorbij. Het mag dan wel donker zijn, daar hoort wat mij betreft nog niet al te veel glühwein bij.

(c) Inaya photography

De winkelcentra staan vol nepkerstbomen en overal klinkt belletjesmuziek, maar dat is geen troost. Ik betreur het gebrek aan diepe wintersfeer, zoals ik veel betreur aan de manier waarop de zaken zich de laatste jaren steeds duidelijker aan het ontwikkelen zijn. Alleen de commercie en de stemmingmakerij draaien op volle toeren. We leven in tijden waarin licht en donker nog nooit zo sterk gepolariseerd waren, aan welke kant van het kleurenspectrum je je ook bevindt.

Ook in onze families houden we het, alsof het zo afgesproken is, dit jaar erg sober. Geen uitpuilende stapels cadeautjes onder enorme kerstbomen. Een paar kaarsen en een helpende hand bij het eten zullen ruimschoots volstaan.

(c) Inaya photography


Ik keer mij naar de natuur en laat alles los wat mij niet meer dient. Oude ideeën rijp om te vergaan, hardnekkig krappe patronen die langzaam barsten als bolsters om af te werpen. Kerstmis zelf ook, desnoods, of toch zoals ik daar warme herinneringen aan koester uit mijn kindertijd.

Ik graaf me in tussen het mos en de zwammen, ik word stil als de lucht tussen het web van wachtende takken.
De dagen zijn, hoe onmerkbaar ook, alweer aan het lengen.

(c) Inaya photography

Normale mensen

“Volgens mij gebruik jij nog niet de helft van je fysieke krachten”, zegt mijn man.
Het is niet de eerste keer dat hij dit zegt.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Vroeger maakte die uitspraak me kwaad. Probeer het maar eens, dacht ik, om je lichamelijke uithoudingsvermogen op te bouwen als je de helft van je kindertijd in bed doorbrengt, koortsig en ziek van onnozelheden waar andere kinderen niks van weten, tussen de eindeloze verkoudheden en bronchitissen (een paar keer op het randje van longontsteking, vermoed ik zelfs) door ook nog eens snakkend naar adem door astmaopstoten.
Mijn symptomen waren nooit mild, mijn lichaam overreageerde altijd. Ziek zijn betekende voor mij altijd platgeslagen worden, niets meer of minder. Het maakte mij erg bewust van en voorzichtig met hoe ik mijn energie doseerde. Waar anderen – normale mensen, naar mijn gevoel – fluitend bergen gingen beklimmen, was ik al blij als ik eens niet ziek werd.

Zoiets was erg moeilijk duidelijk te maken aan iemand die qua fysieke robuustheid in mijn ogen zo’n beetje in de buurt kwam van Iron Man: gewend 24-shifts te draaien in het ziekenhuis, in staat tot stevige sportprestaties, zelden ziek (en als dat al eens voorkomt met zulke milde symptomen dat je er amper iets aan zag en hij in elk geval gewoon dóór kon blijven gaan met wat er moest gebeuren). Voor hem was dát normaal, voor mij voelde dat als een bijna bovenmenselijke en in elk geval ongekende luxe.

Mijn man was wel de eerste om grif toe te geven dat ik de atleet van ons twee was op een ander gebied dat ik (misschien zelfs wel dankzij die eindeloze weken ziek in bed liggen) heel sterk had ontwikkeld: mentaal en emotioneel ben ik een langeafstandsloper. Mijn hoofd is het laatste wat ermee stopt. Ik kan moeiteloos lange, glasheldere filosofische discussies hebben terwijl mijn lichaam zo ziek is dat het nauwelijks uit de zetel kan komen.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Naarmate ik ouder werd, had ik betere periodes, maar net zo goed slechte. Klierkoorts, om maar iets te zeggen, ironisch genoeg juist nadat wij een stel werden. Ik was elk schooljaar minstens drie weken out omdat een banale verkoudheid bij mij altijd gepaard ging met de complicaties.
Later ook, toen ik door een diep dal ging in een combinatie van burn-out, depressie en totale post-partumuitputting met een kind dat het eerste jaar constant ziek was en ons makkelijk tien keer per nacht uit bed haalde. Elk onnozel virus raapte ik op, en het kluisterde mij telkens een week in bed of aan huis. Ik kreeg een échte longontsteking. Keer op keer moest mijn man zowat het hele huishouden overnemen omdat ik al mijn energie nodig had om te genezen en aan te sterken. Ik werd er moedeloos van. Kon ik dan niks?

Hij stelde een behandeling voor zoals hij ze met zijn robuust lijf zou willen: stevige medicatie om een aantal symptomen onder controle te krijgen en sportieve duurtraining, om mijn fysiek energieniveau op te krikken. Hij bedoelde het goed en voor hem zou dat vast werken, maar mij streek het heel erg tegen mijn haren in, een beetje alsof je een Monet wilde restaureren met fauvistische technieken. Het moet zachter voor mij, wist ik, geleidelijker.
Ik deed het omgekeerde van wat hij in gedachten had: ik schroefde terug tot ik het gevoel had dat ik werkelijk op alles nee zei – mijn jaar van de schildpad, zoals ik dat later noemde. Traag, trager, net geen stilstand. Maar ik kreeg wel de tijd om te bekomen, en ik voelde hoe, heel geleidelijk, mijn grenzen weer wat breder werden, mijn immuunsysteem wat sterker.

En stilaan begon er iets te veranderen.
De afgelopen drie jaren waren zeer intens. Ik schreef meer dan ooit, lange tijd naast een job en een gezin, ik hield er allerlei nevenactiviteiten op na en flirtte regelmatig met slaaptekort.
En ik hield stand.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Als ik het vanop een afstandje bekijk, merk ik dat mijn toenemende energieniveau en mijn robuustere immuunsysteem gelijke tred houden met mijn geluksgevoel. Ik ben de laatste jaren gewoon veel gelukkiger – persoonlijk, professioneel, artistiek, spiritueel – dan vroeger. Ik heb op al die vlakken mijn plek gevonden en ik ervaar diepe zingeving.
Het fysieke effect daarvan lijkt nog het meest op dat van een stevige, makkelijk herlaadbare batterij. Ik respecteer nog altijd mijn grenzen, en dat doe ik heel bewust. Maar die grenzen zijn veel rekbaarder dan vroeger, en de laatste jaren presteer ik fysiek dingen die ik eerder niet voor mogelijk had gehouden.

Misschien had mijn man al die jaren geleden dus ook wel een beetje gelijk. En intussen gebruik ik echt wel meer dan de helft van mijn krachten, en ik voel dat ik, mocht het nodig zijn, nog dieper in mijn reserves kan gaan. Dat is een ongekende luxe voor het ziekelijke vogeltje dat ik ooit was.
Hij van zijn kant mag dan wel van uitstekende genetische stock zijn en een broer hebben die effectief Iron Man-triatleet is, zelf voelt hij zijn onuitputtelijke energie met de leeftijd wel wat afnemen. “Je wordt nog een normaal mens”, grap ik. Hij moet de laatste jaren ook al eens uitzieken en het rustiger aandoen. Zijn grenzen, ooit zowat onbestaande, tekenen zich wat scherper af.

Ik weet precies hoe dat voelt. En nu ben ik sterk genoeg om het werk even van hem over te nemen, als dat nodig is.
Ook dat is een luxe.

Hout of steen? (c) Inaya photography

Wat wil je betekenen?


We stellen kinderen de verkeerde vraag.

(c) Inaya photography


“Wat wil je later worden?”
Aan een vijfjarige vragen we het met vertedering, aan een twaalfjarige met mogelijke schoolkeuzes in het achterhoofd. In het geval van een adolescent stellen we de vraag met oprechte interesse en in de hoop op een interessant antwoord.

We bedoelen het goed, maar eigenlijk zetten we kinderen van in het begin op het verkeerde been. We weten zelf niet beter, natuurlijk. We willen hen het gevoel geven dat ze vrij zijn om te doen wat ze willen en niet verplicht zijn, om wat voor reden dan ook, in de voetsporen van hun ouders te treden.

Maar de vraag heeft ook iets van een valstrik. Ze lokt zelden meer uit dan wensdromen (prinses, brandweerman) of door de samenleving naar voren geschoven streefdoelen (rijk zijn, beroemd worden). Tegen dat de vraag de adolescentie bereikt, wordt ze bijna altijd beantwoord met ofwel een beredeneerde keuze waarvan de jongere vermoedt dat ze hem professioneel vooruit zal helpen ofwel, steeds vaker, met niets meer dan een geërgerde, schouderophalende zucht (‘weet ik veel’).

Ik ben met mijn gezin in het noordoosten van de VS, waar we familie bezoeken. Onze eerste stop is het Amerikaanse gastgezin waar mijn man op zijn achttiende een heel jaar woonde. Mom en Dad zijn nog altijd écht moeder en vader. We zijn er (schoon)kind aan huis. Dad leert Sobran papieren vliegtuigjes plooien en gaat met zoon en kleinzoon op fietstocht, Mom zorgt voor ons als haar eigen kroost.


Het is een gesprek over dat tweede antwoord (‘weet ik veel’), in een stampvol restaurantje met uitzicht over de oceaan, met fantastisch eten voor onze neus en het gekletter van borden en de commando’s van het personeel op de achtergrond, dat mij plotseling een inzicht brengt.
Want we klagen wat af over onze jongeren, de jeugd ‘van tegenwoordig’, van wie we zeggen dat ze niks meer kunnen, zich nergens meer voor willen inzetten. We maken ons zorgen om hen, als we zien hoeveel uren ze aan een of ander scherm gekluisterd zitten en weinig meer doen dan spelen en chatten, en geen oog lijken hebben voor de noden of geneugten van het echte leven.
Ze weten niet wat ze met hun leven aanmoeten, zucht Mom.

Eigenlijk is het niet echt eerlijk van ons om van onze kinderen een zinnig antwoord te verwachten. Hoe moet een puber die dagelijks om de oren geslagen wordt met overvloed, quick wins, consumptiecultuur en the survival of the sexiest nu in godsnaam weten wat hij zou willen gaan doen, écht zou willen gaan doen, met zijn leven?

Daar heb je een gevoel van motivatie voor nodig, om te beginnen. De verwezenlijkingen van de voorgaande generaties zijn in dat opzicht vaak geen cadeau voor onze kinderen. Als zelfs de sterren al binnen handbereik liggen, waar kunnen zij dan in ’s hemelsnaam nog naar streven? Het zou ons niet mogen verbazen dat onze jongeren zich terugplooien op comfort of genot, en al helemaal niet omdat we hen geen beter alternatief weten te bieden.

Net zoals we kinderen stap voor stap moeten leren om op een sociaal wenselijke manier om te gaan met andere mensen, is het onze taak als ouder om hen te begeleiden in de ontdekkingstocht naar zichzelf en wat hun diepere zingeving in het leven kan zijn. Want in tegenstelling tot wat we, eens zelf volwassen, lijken te denken, kom je daar als kind echt niet zomaar achter. Zonder die ene grootouder, ouderfiguur, leerkracht, die in ons geloofde en op het juiste moment de juiste dingen zei, waren ook wij waarschijnlijk niet geworden wie we nu zijn.

En dat is in het beste geval. Want laten we eerlijk zijn, velen van ons weten tot op vandaag eigenlijk óók nog niet wat we eigenlijk willen of gewild hadden. We hebben het ons redelijk goed naar de zin gemaakt in het leven dat we hebben, een beetje zoals een kind zich verschanst in een speelgoedkasteel, en doet alsof de zandgebakjes echt voedsel zijn.

Home @ Dartmouth, USA


De bezorgdheid om onze jongeren kan ons zelf ook een stevige spiegel voorhouden. Want de diepere zingeving van iemands leven ligt lang niet altijd in de job die we uitoefenen – wat we ‘geworden’ zijn, dus. Integendeel, meer dan ooit zijn volwassenen in de westerse wereld zelf op zoek naar betekenis in hun leven. We beginnen steeds meer te beseffen dat we onszelf hebben vastgereden in het najagen van puur materieel comfort.

Waar we behoefte aan hebben, is werkelijke, diepere zingeving, zoals die te vinden is in menselijke verbondenheid, of in en het gevoel iets voor de wereld te kunnen betekenen, op een fundamenteel niveau, hoe klein ook. Want er bestaat een punt waarop wat ons hart verlangt en wat de wereld nodig heeft elkaar vinden, een van de ontelbare snijpunten van de kaleidoskoop die het leven is.

Ook al worstelen we als volwassene zelf misschien nog met de antwoorden, wat mij betreft is dat wel het pad waarop we onze kinderen moeten helpen om de eerste stappen te zetten.
Vragen aan het kind wat het wil worden, leidt niet tot een beter zelfinzicht. Het creëert zowel bij ouder als kind alleen verwachtingen, wensdromen of schuldgevoel, hoe sympathiek verpakt ook.

Een juistere vraag om te stellen, zodra een kind rijp genoeg is om daarover na te denken (of misschien beter zelfs: erover te voelen), is: wat wil jij graag betekenen in de wereld? Wat is het unieke talent waarmee je in de wereld een verschil kan maken?

Dat hoeft niets groots te zijn, en het antwoord kan op het eerste zicht schijnbaar onbeduidend lijken. Het vraagt ook van ons als volwassenen een mentale ommezwaai: je kunt niet meteen een carrière bedenken die voortvloeit uit ‘voor mijn hondje zorgen’, ‘met mijn vriendjes spelen’ of ‘een mooie tekening maken’. Maar eigenlijk is dat precies waar alles wél begint. Want in die onschuldige antwoorden liggen veel diepere waarden verscholen, die wijzen op talenten of bijzondere gaven: zorgzaamheid, sociale vaardigheid, artistieke of esthetische creativiteit.

Als we kinderen durven vragen naar wat zij zelf aanvoelen als bijzondere gave die ze aan de wereld kunnen schenken, en op wat voor manier zij, gewoon door zichzelf te zijn, misschien wel een verschil kunnen maken, dan helpen we hen vooruit op meer dan één manier.
We helpen hen in contact komen met zichzelf, en met de dingen waar ze goed in zijn. We helpen hen begrijpen dat iedereen een eigen unieke plaats heeft, waarin elk talent een verschil kan maken. En vooral: we vragen hen niet om een rol in te vullen die wij als ouders of samenleving voor hen voorgekauwd hebben. We geven hen de opening om te luisteren naar de stem van hun hart en ziel. Ze hoeven helemaal niemand te ‘worden’, behalve wie ze diep vanbinnen al lang zijn.

En wie weet weet, als wij hen durven vragen wie zij zijn, kunnen we in de spiegel die zij ons voorhouden ook een stukje zien van wie wij al die tijd al waren – ongeacht wat we denken geworden te zijn.

Inaya photography

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Een decennium

Dat de wereld verandert.
En hoe.

Ze zeggen dat je liefde voelt voor je kinderen. Dat is ook zo.
Maar de emotie is maar het topje van de ijsberg.

We noemen het liefde omdat het ons hart meesleurt, en omdat we het niet gewend zijn over onszelf te denken in termen van dierlijk instinct. Nochtans is dat wat ik het eerste voelde, kort na de geboorte al.
Mijn emoties zaten nog achter slot en grendel, op het achterplan gedrongen door het trauma van een bevalling die niet bepaald in de top tien van mijn levensgebeurtenissen prijkt. Ik had in de weken die volgden niet echt baby blues, maar van een roze wolk was totaal geen sprake.

Wat er wel was, was dat instinct. Ik herkende het, en ik moest denken aan onze kater. Ik herinnerde me hoe die vechtersbaas, die geen enkele andere kat in zijn buurt toeliet, zijn eigen jongen voor het eerst besnuffelde en vervolgens minzaam aanvaardde. Hij voelde dat ze van hem waren.

Nu begrijp ik hoe dat werkt, dacht ik. Want ik voelde het ook. Een oerstroom, een verbondenheid die ging tot in het bloed. Een energetische verbondenheid ook, waar dat kleine wezentje zich in nestelde, zijn aura binnen de mijne, veilig, omhuld.

Hij doet het nog altijd: bij mij op schoot komen zitten en zich warmen binnen mijn energieveld. Op momenten dat hij nood heeft aan bevestiging, of een knuffel, of nabijheid. Ik geniet ervan tot in de diepste vezel van mijn lichaam.

En dan springt hij op en is hij weer weg, in zijn eigen ruimte, blij met zijn plek in de wereld, klaar om die te veroveren. Met enthousiasme. Met bedachtzaamheid. Met humor.

Tien jaar.
Ja, de wereld is veranderd. En hoe.

Middeleeuws riddergevecht aanmoedigen (c) KV 2012


Openbarsten

Net zoals de gezwollen knop uiteindelijk barst onder de almaar toenemende druk van wat hij de hele winter heeft beschermd, zo splijt mijn leven zichzelf open.

Ik heb mijn job opgezegd op de redactie waar ik al meer dan vijf jaar werk. De structuur die mij lange tijd als gegoten had gezeten, voelde steeds beknelder aan. Was hij gekrompen? Was ik gegroeid?
Beide.

(c) KV

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik helemaal ‘voor mezelf’ ga rijden. Dat ik met open armen de deur uit stap en het leven zeg: ‘laat maar komen, ik ben er klaar voor’.

Of nee, eigenlijk is dat niet de eerste keer. Ik heb best al wat ervaring met vertrouwen en springen, blind zelfs. Mijn allereerste job is zelfs zonder solliciteren letterlijk aan de deur komen aanbellen – een smakelijk verhaal dat ik nog altijd met plezier vertel.
Het is wél zo dat ik altijd nog een vorm van vangnet achter de hand had, als niet materieel dan toch psychologisch. Of dat ik zo snel mogelijk van één vorm van vangnet naar een andere toe wilde. Dit keer niet. Het zou goed kunnen dat ik nooit meer in vaste loondienst treed, denk ik nu.

(Behalve dan wat mijn lessen op de academie betreft, die uiteraard doorlopen en waar ik heel goed op mijn plek ben. Om een of andere reden voelen die helemaal niet beknellend aan, juist vrij en creatief. Bij deze is ook mijn directeur, die zich bij het lezen van bovenstaande misschien even in zijn koffie verslikte, hopelijk gerustgesteld.)

Maar wat een groeiproces, voor iemand die zich nog maar een jaar of drie geleden niet kon voorstellen dat er mensen waren die de onzekerheid van een zelfstandig bestaan verkozen boven de veiligheid van een vaste baan. Ik sta zelf een beetje verbaasd te bekijken.

Het voelt nog wat rillerig, zoals naar buiten gaan zonder jas. Er staat een frisse bries. Maar de zon breekt door de wolken, en ik heb er goesting in.

(c) KV

P.S. Mijn leven is niet het enige wat openbarst. Terwijl ik dit schrijf, is mijn zusje aan het bevallen: haar buik opent zich om twee rijpe vruchtjes op de wereld te zetten. Voor ons allebei is vandaag het begin van een nieuw hoofdstuk. En wat voor één.

Een bronervaring

FILE1187 ed klein
(c) KV

“I remember one morning getting up at dawn. There was such a sense of possibility. You know, that feeling. And I… I remember thinking to myself: So this is the beginning of happiness, this is where it starts. And of course there will always be more… never occurred to me it wasn’t the beginning. It was happiness. It was the moment, right then.”

Aan het woord is Clarissa Dalloway, in Michael Cunninghams boek The hours (De uren). Het boek maakte een grote indruk op mij toen ik het las, de fraaie verfilming een paar jaar later deed wat mij betreft het werk eer aan. En bij deze bewuste passage, toen ik ze uitgesproken zag door Meryl Streep, dacht ik: die fout ga ik niet maken.

Geluk is een moment, kortstondig, sprankelend en diep. We hebben vaak meer van die momenten dan we beseffen. Het enige wat we moeten doen, is er ons bewust van zijn. Dan kun je het ogenblik opzuigen als nectar, je erin onderdompelen als zonlicht, jezelf er helemaal mee verbinden. Te vaak jagen we geluk na dat er nooit zal zijn, omdat we het ons voorstellen als een droom die nooit ophoudt, een eeuwige zaligheid.
Maar zo werkt het helemaal niet. Sinds ik dat begreep, heb ik geprobeerd om op elk moment van oprecht geluk te herkennen wat ik beleefde, en er dankbaar voor te zijn.

FILE1209 ed klein
(c) KV

Natuurlijk ken ik uitdagingen, en slechte dagen. Maar ik zie mijn leven toch vooral als een aaneenschakeling van kleine geluksmomenten, oplichtende stippen op een soms somber pad, die mij de weg wijzen, en die mij, als ik terugkijk, heel duidelijk tonen waar ik vandaan kom en welke weg ik heb gevolgd om hier te geraken. En elke nieuwe oplichtende stip herken ik als een moment van diep geluk.

Zonlicht dat door bladerdek breekt.
Hartelijk lachen met mijn man, om een grapje dat alleen wij twee begrijpen.
Een Zaailing schrijven waarbij alles moeiteloos op zijn plaats valt.
Een kop koffie met een dierbare vriendin.
De zonsopgang op de trein naar Brussel.

Geluksmomenten. Bronervaringen.

Dat tweede concept, de bronervaring, is bijzonder. Het woord komt uit de psychodynamica, en het betekent zoveel als: een ervaring die zo weldadig en voedend is en zo diep aansluit bij je diepste wezen dat je er voor altijd uit kunt blijven putten. Je eigen persoonlijke oplaadbatterijtje, je meest oprechte geluksmoment en een bron van diepe, authentieke kracht.

Geluksmomenten zijn redelijk frequent, als je ze leert herkennen. Echte bronervaringen zijn zeldzaam.

FILE1223 ed klein
(c) KV

Ik beschouw mezelf als bijzonder bevoorrecht dat ik in mijn leven een paar zulke bronervaringen kan benoemen. Ik aarzel om ze hier te beschrijven, ze zijn té persoonlijk, en ik kan ze met woorden eigenlijk geen recht aandoen. Ze zouden dan alleen maar gaan klinken als zweverige prietpraat, of als mooie toevalstreffers waarvan de diepere betekenis niet zomaar te vatten is. Wel is het zo, dat ze mij diep voeden. En dat ik, net als bij de geluksmomenten die ik pluk wanneer ze zich voordoen, of dat nu op mijn pendeltrein is of aan mijn keukentafel, besef wat ik meemaak op het moment dat het gebeurt.

Eén poging waag ik hier toch.
Hoe mijn zoon zich op mijn schoot nestelt – na het eten, bij het voorlezen, tijdens een mooie film. Niet dát hij zich, negen jaar oud, nog altijd op mijn schoot nestelt, maar hóe.
Opgekruld, als een klein beestje, als een bolletje kind dat volledig in mijn lichaam of mijn energieveld wil opgaan. Hij komt helemaal in mijn persoonlijke ruimte zitten en versmelt ermee. Ik ben eventjes, met lijf en ledematen en emoties en energetische ruimte, het bad waarin hij zich komt onderdompelen, zoals hij ooit negen maanden lang heel diep in mij was ondergedompeld.

Misschien hebben we op dat moment een gesprek. Misschien maken we een grapje. Misschien leg ik hem uit waarom iets wat hij deed niet zo fijn was, of waarom ik kwaad werd en me wil verontschuldigen. Wat er aan de oppervlakte gebeurt, maakt niet zoveel uit. Maar wat er daaronder stroomt, is van een kracht die mij nog altijd verrast.

Ik houd hem niet krampachtig vast. Ik doe geen enkele poging om hem bij me te houden, langer dan goed voelt voor een van ons beiden. Ik voel alleen een diepe rust en immense liefde, en ik weet: ik ben op dit moment de fysieke plek op aarde waarbinnen hij zich veilig voelt en gekoesterd weet. Ik ben zijn bronervaring. En precies daarom is hij ook de mijne, want zo’n innige verbondenheid, voorbij woorden of rationeel verstand, kruipt dieper dan wat dan ook.

FILE1224 ed klein
(c) KV

 

Ik hou van Clarissa Dalloway omdat ze zo’n mooi en tragisch literair personage is. Maar ik ben haar niet, ik zal haar nooit zijn. Ik zal niet terugkijken op mijn leven en denken: dat, daar, toen, was geluk – alleen zag ik het niet.

Met open armen en wijdopen hart omarm ik elk geluksmoment dat zich aandient op mijn pad. En ik ken mijn bronnen. Ik bemin ze en laaf mij eraan, en ik weet mij gezegend.

Het enige wat ik kan doen om hen te bedanken zoals ze verdienen, is de kracht en de schoonheid die ik dankzij hen ervaar naar buiten te brengen en in de wereld te zetten. En op een onverwacht moment iemand anders’ bron te zijn, misschien.