Céciles overtocht

Een ontmoeting dertien jaar geleden, een andere ontmoeting een maand geleden, twee bewogen weken, en de culminatie…

Ben je ooit al ergens binnen gewandeld waarbij je het gevoel kreeg dat je omringd werd door de energie van de persoon die daar leefde?
En wilde je toen weg? Of voelde je je net thuis?

 

Moerheidewerken_011
Ik in de woonkamer van onze nieuwe huis, nadat we nieuwe ramen gestoken hadden (2006)

 

Christophe en ik kochten het huis waar we nu wonen bijna dertien jaar geleden. Het was laten we zeggen niet de meest degelijke constructie (zie het eufemismelampje knipperen…).
Het was gezet door een amateur-ingenieur. Het was tochtig, vochtig en viel zowat uit elkaar: er was nood aan een serieuze opknapbeurt. Sinds we erin getrokken zijn, hebben we de muren behandeld tegen opstijgend vocht, alle plaaster van de benedenverdieping weggekapt en vervangen, bijna alle vloeren en vloerbedekkingen veranderd (tevergeefs, op regendagen zijn ze nog steeds klam), zowat alle ramen vervangen, een nieuw dak gelegd, de badkamer heraangelegd, een zolder ingericht, een extra kamer beneden toegevoegd waarop het zomerterras rust, en een stuk van de tuin onder handen genomen.
Bij momenten voelt het alsof we nog maar halfweg zijn. Tegen dat alles gebeurd is, zullen we rijp zijn om op pensioen te gaan en te verhuizen. En intussen brokkelt de façade langzaam af en verwildert de tuin alweer… Daar wil ik even niet aan denken.

We hadden niet bepaald gezocht naar een huis dat zoveel werk zou vragen. Om eerlijk te zijn werden we vooral verliefd op de tuin. Mijn mama zuchtte: ‘Mijn dochter heeft een tuin gekocht waar ook nog een huis in staat.” Al bij al niet zo’n onterecht uitspraak.

 

Ontwaken in de Moerheide_052
De Wachter, onze majestueuze treurwilg (2006)

 

Christophe en ik hebben allebei nood aan groen en bomen zoals andere mensen aan ademhalen. Betonnen muren en steriele straten verstikken ons. En zo zijn er veel in België, met hun beklinkerde opritten en strookjes gazon plat als tennisvelden en hoogstens een paar gemanicuurde struikjes langszij. Een volwassen boom wordt stilaan zo’n beetje uitzonderlijk – en dan mag je maar hopen dat de buren niet klagen. Echt groene tuinen met volgroeide bomen zijn schaars, of je moet gefortuneerd zijn – wat wij dus niet zijn. Dus toen we op dit kleine perceel stootten, van alle kanten omringd door hagen, slanke eiken, volwassen berken en een majestueuze treurwilg die alles in zijn buurt overschaduwde, inclusief het huis, vielen we er als een blok voor.

In huis was de typische volgorde van kamers letterlijk omgegooid. De badkamer en de slaapkamers beneden, de woonruimte en de keuken boven. Vanuit bijna alle woonkamerramen zag je vooral takken die zowat tot aan het raam reikten, wat een boomhutgevoel creëerde. We hielden er erg van (en doen dat nog steeds).

 

Middag in de Moerheide_013
Boomhutgevoel (2006)

 

Iets anders wat geen reden mag zijn om een huis te kopen, maar wat beslist hielp, was de eigenares. De vrouw die het verkocht, was een zeer bijzondere dame. Een kleine, ranke verschijning, onwaarschijnlijk gracieus, in excentrieke lange jurken en met wit krulhaar tot halverwege haar rug. Ze moet een jaar of zeventig geweest zijn toen, maar ze bewoog zich met de moeiteloze gratie van een danseres die half zo oud was. Ze onderwees eutonie, een lichaamsgerichte meditatie- en bewustwordingstechniek, aan de muzikanten van het Lemmensinstituut. Haar naam was Cécile.

Ze was geen makkelijke vrouw, dat was duidelijk van zodra ze de deur opende. Een scherpe blik, een hoge gevoeligheid voor geluiden. Ze mocht je en ze wilde je in haar leven, of ze wilde niets met je te maken hebben. Daar was ze zeer duidelijk in. Het leverde haar dierbare vrienden en een aantal heel kwaaie vijanden op (zoals de buurman).

Christophe en ik lagen al snel in haar bovenste schuif. We hadden een oprechte klik, en ze wilde het huis het liefst aan ons verkopen. Ze voelde dat wij we ervan hielden en ervoor zouden zorgen op een manier zoals zij het apprecieerde. (En dat hebben we hopelijk ook gedaan.)
We deelden ook een spirituele connectie, maar op dat moment hadden we er niet meteen nood aan om daar dieper op in te gaan of vanalles over de ander te ontdekken. Ik gaf haar mijn eerste twee romans cadeau, zijn schonk me een mooi Indisch beeldje van een lezende vrouw. Het houdt nog altijd de wacht op een plank van onze boekenkast.

 

Trouw 3 klein

Trouw 2 cut klein
Trouwfoto’s voor het huis en in de tuin (2005)

 

Toen we op de dag van ons huwelijk foto’s kwamen maken in de tuin van het huis (dat we toen al hadden gekocht maar dat nog notarieel moest verlijden) had ze op een subtiele manier dingen voorbereid: een lelijk putdeksel weggestopt onder een bloemenkrans, en meer van dat soort liefdevolle details.

Veel contact hadden we naderhand niet meer, maar we zijn haar nooit vergeten. Ze was een soort petemoei wiens energie nog een hele tijd in het huis bleef hangen, en dat voelde goed. Dat is uitzonderlijk voor mij, moet je weten. Na ‘intens’ bezoek krijg ik al de neiging om de ramen open te zetten of wierook te branden – nu leefden we in wat er overbleef van haar energie, en dat was helemaal oké

 

Ontwaken in de Moerheide_043
De Wachter (2006)

 

Beetje bij beetje hebben we het huis van Cécile ‘overgenomen’. Er was al het ingrijpende werk binnen, maar vooral door de tuin onder handen te nemen (meer diversiteit in aanplanting, extra bomen, de haag en de knotwilgen aan de straatkant) beïnvloedden we de interactie met het huis (dat wat minder afgesloten werd van de buitenwereld, maar tegelijk steeds meer opging in de kleine groene jungle eromheen) en veranderde ook de energie in huis. De gigantische treurwilg (gekruist met een populier, dus hij is werkelijk enorm en gaat heel hoog) was haar grote liefde. Het is ook die van ons.

We hebben sindsdien mooie en intense jaren beleefd in dit huis. Het heeft twee kinderen volwassen zien worden en een baby weten geboren worden en opgroeien tot een schitterende jongen. Het heeft ons de ritmes van de natuur nog meer leren waarderen dan we al deden. Het heeft bomen en vogels dagelijkse geschenken in ons leven gemaakt. Het heeft ons kopzorgen en slapeloze nachten bezorgd in burenruzies (ja, die erfden we samen met het huis…) en geleerd om bang te zijn voor hevige storm.

 


 

Fast forward, meer dan een decennium, naar december 2017.

Ik woon het vroege kerstfeestje van mijn voetreflexologe bij in een dorp een paar kilometer verderop, en ik ben die avond fotograaf van dienst. In Elsi’s supergezellige huisje, tot de nok gevuld met haar bonte verzameling familie, vrienden en kennissen, ontmoet ik een merkwaardig groepje mensen.

Een van hen is een veerman die al lang op pensioen had moeten zijn maar nog altijd twee dagen per week mensen over de Schelde zet. Die rivier stroomt zowat in Elsi’s achtertuin, en het veer is om de hoek. Hij vertelt me over de vrede die hij voelt als hij op het water is, en ik voel dat hier een Zaailing in zit… Ik vertel hem over mijn samenwerking met Jurgen, en hij nodigt ons uit om een keer met hem te komen meevaren. Diezelfde avond, als ik Jurgen mail om hem over de ontmoeting te vertellen, lanceert hij het idee om samen een nieuwjaarskaart te maken over thema van ‘oversteken’… Moeiteloos en intuïtief komen we een paar dagen later uit bij Dageraad (Zaailing #23), en laten er een beperkt aantal van drukken.

Maar dat was niet het enige geschenk die avond.

Naarmate we wat langer praten, word ik de vierde persoon van een kwartet buren van Elsi. Tussen hen zindert een mooie golflengte, waar ik me al snel in opgenomen voel. Er is Alin de veerman, Geert die voor Bos+ werkt, en Toni, een kinesiste met een warme uitstraling. De sfeer heeft die bijzondere kwaliteit van mensen die elkaar niet kennen het om een of andere reden toch meteen kunnen vinden, omdat er iets op een dieper niveau resoneert.

Gevraagd waar ik woon, zegt Geert: “Ah, de Moerheide, die straat ken ik, een vriendin van mij woonde daar vroeger.”
Als hij me wat later vraagt wat ik professioneel doe, en ik zeg dat ik schrijfster ben, aarzelt hij geen seconde. “Dan woon jij in het huis van Cécile! En je man is arts en rijdt met een ligfiets!”

Inderdaad… ‘onze’ Cécile was dezelfde vriendin over wie Geert het over had. Hij bleek zelfs nog jaren haar (nu onze) tuin te hebben onderhouden. De anderen van het groepje blijken Cécile óók allemaal te kennen. Het voelt echt als een cirkel die zich sluit, een ontmoeting die niet zomaar plaatsvindt. Het is alsof Cécile er die avond op een of andere manier zelf ook bij is.

Hoe het met haar gaat, vraag ik. “Goed”, glimlacht Geert. “Ze sukkelt met wat kwaaltjes, maar ze houdt zich kranig.” Ze hebben haar twee weken geleden nog gezien.

 


 

Aan het feestje van Elsi hield ik de contactgegevens van Geert over, een warme belofte om contact op te nemen met dat groepje mensen bij wie ik me zo op mijn gemak had gevoeld, het voornemen om Alin op te zoeken op zijn veerboot, en de inspiratie voor een van onze mooiste Zaailingen.
Twee weken later, vlak na nieuwjaar, de dag van Zaailing #23, contacteerde Geert mij per mail om me te vertellen dat Cécile overleden was.

 

Winterlucht_007 klein
(c) KV

 

Op het moment dat we elkaar allemaal ontmoetten bij Elsi was ze in feite al een paar dagen dood, alleen wist niemand van ons dat toen. Het gaf de Zaailing over oversteken, het beeld van de veerman, het gevoel dat ze er die avond bij was en ons in zekere zin bij elkaar had gebracht, een bijzondere resonantie. Er zat schoonheid in, droefheid, warmte en een vreemd en krachtig gevoel: dit is geen toeval.

Ik stuurde Geert de Zaailing, en ik schreef hem ongeveer hetzelfde. Nee, antwoordde hij, ik geloof ook niet dat dit toeval was.

Cécile werd in alle discretie begraven door haar familie, met wie ze eigenlijk geen goede verstandhouding meer had. Haar vrienden en de mensen die haar na stonden, waren niet uitgenodigd. Ze wilden evenwel op een passende manier afscheid van haar nemen, en hielden samen met andere vrienden en kennissen een ritueel afscheid voor haar in het Boeddhistisch centrum waarvoor ze zich engageerden. Ik was van harte uitgenodigd, schreef Geert.

Ik voelde onmiddellijk dat ik daar wilde zijn, bij die mensen. Dat was waar ik thuishoorde. Een ander woord was er niet.

 

Winterlucht_015 klein
(c) KV

Maar ik had die dag al een repetitie die ik onmogelijk kon afzeggen, en dat aanvaardde ik. Het maakte mijn gevoel van verbondenheid er niet minder om. En als de repetitie op tijd eindigde, kon ik misschien toch nog even binnenspringen…

De repetitie was afgelopen om vier uur, dus ik belde Geert. Het samenzijn daar liep op zijn einde maar: ja, zei hij, kom zeker nog af, het zou goed zijn je te zien. Ik kon horen dat hij het meende.

Toen ik er aankwam, was de ‘koffietafel’ zo goed als achter de rug, maar dat gaf niet. Er was een oprechte flow die met geen woorden te beschrijven valt. Ik zag de prachtige foto van Cecile op het altaar, waar de kaarsen nog brandden. Ik kreeg een kop thee, en ik werd voorgesteld aan wie er op dat moment nog was als ‘de vrouw die in het huis van Cecile woont’. Er waren verbazend veel spontane ‘oh, wat leuk, we hebben over jou gehoord!’.

Ik dronk mijn thee, ontmoette mensen, praatte een tijdje met Alin, die Amma, de Indische moederfiguur rond wie het centrum draait, nu en dan op haar reizen door Europa en India begeleidt en een tijdje doorbracht in haar klooster.

De avond kreeg de gloed van thuiskomen, op een heel vanzelfsprekende manier. Toen Christophe me kwam oppikken, voelde hij het ook meteen. Het zou fijn zijn die mensen vaker te zien, zei hij op weg naar huis.

 

26853874_10211316043964232_1799696296_o
Céciles overtocht (c) KV

 

Ik heb de foto van Cécile op onze Indische spiegel gezet, met de Dageraad-Zaailing als achtergrond. Het voelt juist.

Ik weet niet welke draden van dit enorme wandtapijt elkaar in de toekomst nog allemaal zullen kruisen, maar ik weet dat er iets belangrijks is gebeurd en ik voel dat ik en degenen die ik liefheb deel uitmaken van iets veel groters.

Ik heb pas de uitnodiging verstuurd voor de eerste van vier SeizoensCirkels die ik dit jaar wil organiseren. Wie weet wat voor ontmoetingen hier nog zullen plaatsvinden. Ik ben nu al benieuwd.

En Cécile zal glimlachend toekijken. Dat weet ik nu al.

 

Winterlucht_020 klein
(c) KV
Advertenties

De weg delen

We zien het leven nogal eens als een pad dat we lopen. Of, als we terugkijken, als een weg die we afgelegd hebben. We stellen onszelf voor in een landschap, met een bestemming – al dan niet duidelijk – ergens in de verte.

 

Lascheid_036 klein.JPG
(c) KV

 

We vergeten maar al te vaak dat er eigenlijk maar één finale bestemming bestaat, en daar zouden we beter niet te snel willen aankomen. Toch niet als we hopen op een lang leven.

Soms hebben we een kaart bij de hand. Als dat zo is, staan daar vaak een aantal belangrijke aanwijzingen op aangeduid , uitzichtpunten en onderkomens waar we (zouden) moeten langskomen. Een diploma, een relatie, een carrière en kinderen staan op nogal wat kaarten aangekruist.

Maar als het erop aankomt, zijn zelfs de meeste gedetailleerde stafkaarten, die ons werden toevertrouwd door overtuigde reisgenoten (meestal ouderfiguren), eigenlijk vaag en onduidelijk. Dat komt omdat we ons eigen pad pas echt ontdekken door het te lopen. Elke stap ervan is een onderhandeling met het landschap.

Als we achterom kijken, is het (of lijkt het) makkelijker om te zien waar we een beslissende bocht namen op een kruispunt, waar we verloren liepen en op een dood spoor terechtkwamen, waar we de juiste gok waagden. Maar op het moment zelf, terwijl we het pad lopen (nu dus, elk moment opnieuw, want we lopen het nog altijd), weten we niets. Elke bocht verbergt mogelijk een obstakel, elk kruispunt kan een gevaar of een hartverscheurend dilemma inhouden. Al wat we kunnen doen, is ons hart en ons geweten vertrouwen, en op ons buikgevoel afgaan.

Is er dan niets wat ons een beetje kan helpen? Geen enkele richtingaanwijzer op de kruispunten, geen waarschuwingsborden?

Niet echt. Maar er zijn wel mensen.

 

Lascheid_035 klein.JPG
(c) KV

 

Ze lopen voor ons uit, of achter ons. Ze lopen de weg, samen met ons. Ze wachten op ons als we achterop hinken, ze helpen ons rechtop als we struikelen. Soms gaan ze hun eigen weg, dan weer verschijnen ze, als uit het niets, op cruciale momenten.

Ze wandelen hun eigen pad, maar op een of andere manier zijn we verbonden, want we gaan dezelfde richting uit. We wijzen elkaar herkenningspunten aan in het landschap. We delen ervaringen. We leren van elkaars perspectief.

Van reisgenoten veranderen we stilaan in metgezellen.

Ik ben gezegend met een aardig aantal dierbare en trouwe hartsvrienden en gezellen op mijn pad. Sommige van hen zie ik maar één keer per jaar, of minder. Andere zijn een stabiele aanwezigheid, betrouwbaar als bakens, gloeiend als vuur op een winternacht, liefdevolle spiegels, ook als de weg lastig begaanbaar wordt.

 

Lascheid_072 zw klein.JPG
(c) KV

 

 

Sommigen van hen verloor ik in de loop van de jaren uit het oog , maar nog niet zo lang geleden maakten ze opnieuw hun opwachting aan mijn zijde, als vallende sterren, dragers van onverwachte geschenken.

Stuk voor stuk ben ik ze dankbaar. Deze levensweg is geen eenzaam pad, zoveel is duidelijk.

 

J&A SGR_009 klein.JPG
(c) KV

 

En het lijkt erop dat ik zelf ook voor anderen iets kan betekenen. Ik weet intussen wel dat ik over een portie ervaring beschik, maar ik klungel en struikel evenveel als iedereen, en het verrast me telkens weer als iemand me zegt dat wat ik hem of haar vertelde een belangrijk verschil in hun leven heeft gemaakt, omdat het van mij kwam.

Mijn eerste reactie is altijd: waarom zou dat in godsnaam een verschil maken? Maar stilaan heb ik geleerd om te aanvaarden, niet alleen met mijn hoofd maar ook met mijn hart, dat ik dat inderdaad voor anderen kan zijn, net zoals sommige van mijn dierbaren dat zijn voor mij: een belangrijke verschijning langs de weg, op een cruciaal moment. Een reisgezel, een vriend, een spiegel, bij momenten zelfs een gids, wie weet.

We worden allemaal geboren in een familie waarmee we verbonden zijn door bloed en genetica. Maar in de loop van ons leven, terwijl we onze persoonlijke reis tot een goed einde proberen te brengen, met paden die zich afsplitsen van het onze of zich er juist mee willen samenvoegen, ontmoeten we andere mensen. Soms herkennen we hen als een ander – misschien zelfs échter – soort familie. Soms zijn wij het die herkend worden, en omarmd.

Welke ontmoetingen we ook hebben, wat er zich ook voordoet, het is een onvoorstelbaar voorrecht om de weg te mogen lopen. En hem te delen.

 

J&A SGR_049 klein.JPG
(c) KV

Goede voornemens

Een domme nieuwjaarsmop, oude pijn, en een les in zwemmen – of was het verzuipen?

 

Lascheid_077 klein
(c) KV – Verdampende sneeuw

 

Mijn kleine familie (ik, echtgenoot, zoon, zus, schoonbroer) trokken ons terug in een  huisje in de Oostkantons voor de oudejaarsperiode. De woning lag ingegraven tegen een helling, met een inkom die tegelijk traphal, keuken en voorraadkast was, een kleine eetkamer waar twee tegen de zijmuren geparkeerde sofa’s aangaven dat het meteen ook de woonkamer was, een badkamer die naar diesel rook en slaapkamers met papieren muren die elke kuch glashelder doorlieten. Maar dat gaf niet, we wisten op voorhand dat we geen driesterren-spa hadden geboekt. We waren er om te wandelen, uit te rusten, samen te eten en te drinken, en de verjaardag van mijn zusje te vieren eens het oude jaar het nieuwe werd.

Ik had beloofd dat ik zou schrijven over waarom mensen patronen herhaalden die hen pijn hebben gedaan, en daarbij soms zelf de nieuwe generatie daders werden. Ik begon aan deze blog in de laatste dagen van het oude jaar maar vroeg me af of dat wel een goed moment was. Zou ik het niet beter hebben over feestvieren en lange boswandelingen, in plaats van andermaal door de innerlijke modderpoel van mensen te gaan waden?

Maar misschien was dit wel het perfecte moment. Want bij het nieuwe jaar horen onvermijdelijk de goede voornemens, de beloftes van verbetering. En hoeveel daarvan slagen we er welbeschouwd in te houden?

Er is een domme feestdagenmop die als volgt gaat: ‘Je komt geen gewicht bij van al wat je eet tussen Kerstmis en Nieuwjaar. Je komt alleen gewicht bij van wat je eet tussen Nieuwjaar en Kerstmis.’

Haha. Maar dat is wel precies hoe het ook zit met goede voornemens. We zijn ervan overtuigd dat we ons lesje geleerd hebben en dat we het in de toekomst beter zullen doen. Maar voor we het weten, is er weer een jaar voorbij en wat hebben we daar nu eigenlijk van gemaakt? Er was zoveel dat we graag (niet meer) wilden doen, maar op een of andere manier hadden we toch maar weer eens niet genoeg karakter.

In tegenstelling tot wat we graag geloven, volstaan goede voornemens, wilskracht en zelfs intellectueel inzicht niet om ons werkelijk te laten veranderen. Er is iets anders wat op één lijn moet staan met de veranderingen die we zouden willen, een diepere vorm van eerlijkheid over wat we proberen te bereiken. Want als dat diepere stuk van ons niet mee in het bad zit, ondermijnen we onbewust alles wat we proberen te verwezenlijken.

Lascheid_076 klein
(c) KV

 

In een eerdere blog heb ik uitgelegd hoe ons innerlijk geloofssysteem werkt. De overtuigingen die we hebben, stammen uit onze vroegste ervaringen met het leven en de mensen daarin, alles wat een blijvende indruk naliet op ons jonge, onbewuste en volkomen absorberende geest en hart. Want kinderen zijn sponsen. Ze pikken de subtielste signalen uit hun omgeving op, zonder te begrijpen wat die betekenen, en reageren erop. (Is het je ooit al opgevallen dat je kinderen twee keer zo hard jengelen en ruziemaken als jij zelf moe en gespannen bent? Er is een verband tussen de beide, en vaak kan je de sfeer in huis totaal veranderen door je eigen ‘frequentie’ te veranderen.)

Jonge kinderen zijn volkomen afhankelijk van de volwassenen en de sterke figuren in hun leven om te overleven. Dus zullen ze zich aanpassen aan hun omgeving, de mensen die daarin aanwezig zijn proberen te behagen, en hun eigen veiligheid zoveel mogelijk proberen te garanderen, voor zover ze daartoe in staat zijn met de beperkte middelen die ze tot hun beschikking hebben.
In een situatie van werkelijk gevaar of dreiging (zoals misbruik, geweld, een ouder die hen verlaat of sterft) zal het kind doen wat het moet om te overleven. Dit kan betekenen: de misbruiker gehoorzamen, zich niet verweren, meer verantwoordelijkheid opnemen dan het in feite aankan, maar ook: zich emotioneel afsluiten, omdat het trauma te zwaar is om op dat moment volledig doorvoeld te worden. Zo garandeert het kind zijn eigen veiligheid – het is niet ongehavend, verre van, maar het leeft tenminste nog.

Een aantal innerlijke overtuigingen over het leven ontstaan op dergelijke momenten (en in mindere mate op momenten waarbij er sprake is van minder zwaar trauma, maar van een volgehouden negatieve bekrachtiging).

Ik moet doen wat anderen zeggen als ik me veilig wil voelen

mijn diepste innerlijk mag ik niet tonen, en als ik dat wel doe, word ik gestraft/is het levensgevaarlijk…

ik ben niets waard, want mama/papa heeft het gezegd

ik ben niets waard, want waarom zou ik anders zo hard gestraft worden?

het is niet veilig om mijn gevoelens te tonen

ik moet mij in alle omstandigheden en tegen elke prijs sterk houden

ik ben er verantwoordelijk voor om mama/papa zich goed te laten voelen (bv. in het geval van kinderen die opgroeien bij een gewelddadige of niet-functionele ouder)

ik moet voor mezelf zorgen, want niemand anders zal dat doen

ik kan nooit echt rekenen op andere mensen

je kunt niemand vertrouwen

Er zijn ontelbare conclusies die kinderen trekken door op te groeien in omstandigheden die emotioneel onveilig of fysiek bedreigend zijn. En zelfs in liefdevolle en ‘veilige’ families rapen we nog wel wat van die negatieve overtuigingen op. Van denken dat het egoïstisch is om voor je eigen noden op te komen tot bang zijn voor het oordeel van de ander als je je ware kleuren toont, of vinden dat de noden van de ander altijd voorgaan op de jouwe… We hebben er allemaal wel ervaring mee, en niet zelden zijn we het gaan beschouwen als de Hele Waarheid Over Het Leven. Natuurlijk zal elke overtuiging die maar vaak genoeg bevestigd wordt zich diep in onze psyche verankeren. Een kind dat keer op keer te horen krijgt wat een mislukking het wel niet is, zal dat negatieve zelfbeeld veel sneller overnemen dan een kind van wie een ouder één keer zijn geduld verliest over een slecht gemaakt huiswerk.

We trekken méér aan van datgene wat we al geloven, schreef ik eerder. Dat is een van de redenen waarom sommige mensen een punt zetten achter een dysfunctionele relatie, om vervolgens verliefd te worden op een partner die eigenlijk heel hard lijkt op de vorige. Als we er diep vanbinnen van overtuigd zijn dat we geen liefde waard zijn, dan zullen we onbewust de signalen van mensen die ons echt graag zien niet vertrouwen, en eerder afgaan op wie het beeld dat we al hadden over onszelf nog eens bevestigt.

Er zijn honderden manieren waarop we onbewust onze eigen successen boycotten of ondermijnen. We vergeten ons boek van algebra tijdens de examens, zodat we dat examen van wiskunde al zeker niet halen. We staan op de uitkijk voor de kleinste hint van afkeuring, om onze overtuiging dat we nooit écht geapprecieerd worden te kunnen bevestigen. We reageren ons slechte humeur af op onze geliefde omdat we niet werkelijk geloven dat ze bij ons zal blijven als ze erachter komt hoe we echt in elkaar zitten.

Niets hiervan gebeurt bewust. De dissociaties en onderbewuste verdedigingsmechanismen die al eerder hun nut bewezen door ons te beschermen in vroegere fases van ons leven, zijn immer op hun hoede om hun ‘nuttige’ werk verder te zetten. Het maakt niet uit dat de situatie intussen veranderd is, dat we niet langer in een fysiek onveilige thuis of een emotionele hel leven, dat we niet langer dat jonge kind zijn dat niet voor zichzelf kon zorgen of kon opkomen voor haar eigen rechten en meningen. Ons onderbewuste gaat ermee door ons te beschermen, zoals het altijd heeft gedaan.

En soms drijft dit ons tot daden die anderen verwonden.

 

Lascheid_167 klein
(c) KV – Leisteenmijn

 

Ongetwijfeld vinden velen van ons het makkelijker om te begrijpen waarom mensen er niet in slagen zich te ontdoen van gewoontes die ongezond of schadelijk zijn voor henzelf (in die zin kan er heel weinig verschil zijn tussen zweren dat je zult stoppen met roken of zweren dat je volgende keer een betere partner wil), dan waarom mensen die zwaar gekwetst zijn op een of andere manier de volgende generatie worden die anderen beschadigen.

Als je weet hoeveel pijn je zelf gehad hebt, dan wil je dat toch zeker niet aandoen aan anderen?

Er is meer dan één probleem met die vraag.

Ten eerste beseffen mensen die als kind getraumatiseerd werden vaak niet hoe diep ze verwond zijn. De werkelijke ernst van hun pijn zit ergens heel diep weggeborgen, en daarbij in de buurt komen, laat staan ze vrij laten stromen, voelt oprecht levensbedreigend. Het is te vergelijken met de levenslang opgebouwde watermassa van een stuwmeer. We willen niet dat die in één klap over ons heen komt gespoeld, dus we blijven die dam ten allen prijze verder verstevigen. (Dat zachtjes en voorzichtig ventileren, op een gecontroleerde manier, ook een mogelijkheid is, weten we vaak niet, of willen we niet weten.)

Het volgende probleem zit hem in de dynamiek die ontstaat uit de pijn die we meemaakten, de overtuigingen die we er rond hebben opgetrokken, en de manier waarop we de ‘oplossingen’ in ons dagelijks leven zijn gaan toepassen.

Laten we het fictieve voorbeeld nemen van een jongen die van heel jonge leeftijd moet zorgen voor een aantal kleinere broertjes en zusjes, omdat zijn vader vertrokken is en zijn moeder lange werkdagen klopt om haar gezin te onderhouden. Ze komt laat thuis en is vaak te moe om echt voor hen te zorgen. De verantwoordelijkheid dat zijn broertjes en zusjes eten, zich aankleden, naar school of naar bed gaan, is veel te zwaar voor zo’n jong kind. Maar hij neemt ze toch op, omdat er gewoon niemand anders is die ze van hem kan overnemen. Het enorme gewicht van deze opdracht vermengt zich met wat hij voelt tegenover zijn ouders. Hij haat zijn vader omdat die vertrok, maar hij benijdt hem ook, want hij lijkt de beste keuze te hebben gemaakt. Hij houdt van zijn moeder en bewondert haar, maar als ze doodmoe thuiskomt, schreeuwt ze tegen hem en eist dat hij nog meer op zich neemt dan hij al doet. Ze is in geen enkel opzicht de fysieke of emotionele steun waarnaar hij hunkert. Er zijn momenten waarop hij haar haat, omdat ze er niet in geslaagd is zijn vader te laten blijven, om de toestand waarin ze hem verplicht te leven, om haar onredelijke eisen. Op een gelijkaardige manier houdt hij van zijn broers en zussen en haat hij hen ook. Zij zijn het dichtste wat hij heeft bij lotgenoten, maar voor hen moeten zorgen, voelt als een straf. Soms, als het hem allemaal te veel wordt, schreeuwt hij tegen ze (of erger), al was het maar dat ze zich dan eventjes gedroegen. Zijn gevoel van overspoeld te worden door de omstandigheden loopt over en uit zich in een moment van emotioneel of fysiek geweld tegenover diegenen die van hem afhankelijk zijn.

Hij uit dat niet tegen zijn moeder – die in alle opzichten nog altijd sterker is dan hij. Dat zou zijn situatie alleen maar verslechteren. De enige weg die de overstromende gevoelens hebben, net als water, is stroomafwaarts, naar lager gelegen gebieden – wezens die zwakker zijn dan hij.

Het bovenstaande is natuurlijk maar een mogelijk scenario. Er zijn ontelbare variaties op telkens hetzelfde basisprincipe: we trekken meer aan van datgene waaraan we gewend zijn (omdat het alles is wat we kennen, en het vertrouwde voelt veiliger dan het onbekende), en als we te maken kregen met misbruik, verwaarlozing of diepe emotionele pijn, dan bouwen de spanningen rond dit trauma zich onvermijdelijk op tot het punt waarop ze geventileerd moeten worden, op wat voor manier dan ook.

Hoe bewuster we zijn van onze emotionele bagage, hoe beter we beseffen wat er speelt, hoe we het kunnen neutraliseren en anderen niet nodeloos kwetsen. Maar hoe dieper de wonden, hoe sterker de beschermingsmechanismen, en hoe minder we doorgaans beseffen wat er nu eigenlijk aan de hand is en hoe we dit proces fundamenteel kunnen veranderen.

 

Lascheid_158 klein
(c) KV – Leisteenmijn

 

De plek waar zo’n eventuele ontploffing of evacuatie van spanning plaatsvindt, is vaker wel dan niet onze thuisbasis. De mensen met wie we samenleven – partner, kinderen, anderen – zijn de schietschijf van een leven aan gevoelens en innerlijke conflicten die vaak niet eens een naam of een gezicht hebben. En zolang als we de wortel van de pijn niet kunnen vatten, zal ze ons blijven beheersen. Natuurlijk willen we de mensen die we graag zien niet kwetsen, maar de situatie waarin we ons bevinden, raakt al onze oude pijnpunten, en wat zich heeft opgebouwd moet eruit, of het maakt ons vanbinnen uit kapot.

Ik ben niet bepaald fier om het toe te geven, maar ik had op de laatste dag van het jaar zelf zo’n oprisping van oude pijn. En ik haalde uit naar mijn geliefden.

Het stond niet gepland toen ik aan deze blog begon, maar we bezochten een leisteenmijn op ons tripje. Is er een betere plaats te bedenken wanneer je schrijft over oude, begraven lagen van trauma en emotie dan een mijn? Bedankt, universum.

In de piepkleine souvenirwinkel waar we ook de toegangstickets kochten, zag ik een steen, een sneeuwvlokobsidiaan, die tegen mij ‘sprak’. Stenen hebben een bijzondere betekenis voor mij, en deze trok aan me met een zeker soort dwingendheid. Ik vond echter dat ik die niet kon kopen voor we de mijn bezocht hadden, en zeker omdat mijn zoon al aan mijn mouw trok voor een souvenirtje. Dus zei ik dat het iets was voor wanneer we weer boven waren.

Maar toen ons mijnbezoek afgelopen was, bleek de kleine ontvangstkamer plots vol met mensen. Er was een groep toeristen aangekomen die allemaal hun toegangsticket wilden betalen. We waren even van slag: te veel geluiden en prikkels ineens. Het was overdonderderd. Al wat mijn man wilde, was zo snel mogelijk naar buiten. Hij was er zich niet bewust van dat ik graag een steen had gekocht, en ik kreeg het gevoel dat als ik mijn verlangen zou doorzetten het een hele discussie zou betekenen in een ruimte waar geen van ons tweeën eigenlijk helder kon denken omwille van de drukte en het lawaai.

Geconfronteerd met dit dilemma, schakelde een van mijn eigen oude beschermingsmechanismen in: ik trok me terug. Ik slikte zowel mijn voorkeur als mijn behoefte in, ik liet ook iemand anders (in dit geval mijn man) de leiding nemen en ons terug naar de wagen dirigeren. Ik probeerde wel uit te leggen wat ik eigenlijk had gewild, maar ik deed het slecht, en dus begreep hij niet hoe belangrijk het op dat moment voor mij was, en deed er nogal schamper over.

In mij borrelde een immense woede naar de oppervlakte. Ik had niet alleen iets wat in mijn aanvoelen belangrijk was opzij gezet, ik stond bovendien oog in oog met een partner (of een tegenstander) die dat blijkbaar niet serieus wilde nemen. Of zo voelde het in ieder geval. Op een rationeel niveau weet ik (en wist ik toen ook wel) dat we het hier niet hadden over het einde van de wereld. Maar toch raakte dit een heleboel oude pijn, een diepe wonde die terug te voeren was op mijn eigen vroege kindertijd, toen ik mij uit angst voor veroordeling al snel op de achtergrond hield en mijn stem en mijn mening inslikte, of zelfs nog verder terug dan dat, naar de gedeelde pijn van ontelbare vrouwenlevens doorgebracht in ondergeschiktheid en onderdrukking, een diepe, collectieve bron van onrechtvaardigheid…

 

Lascheid_126 klein.JPG
(c) KV – Leisteenmijn

 

Het was weinig meer dan een onbeduidende anekdote over iets wat nauwelijks belang had, als daar niet die oude, diepe pijn was wakker geworden. En voor een keer – redelijk ongewoon voor mij – had ik geen middelen om ze constructief te uiten. Toen startte meteen het ‘waarom kan hij niet…’-scenario. Waarom kon mijn man niet voelen wat er met me aan de hand was? Waarom kon hij niet attenter zijn? Waarom moest ik ‘vechten’ voor wat ik wilde?

Het voelde alsof mij iets ontnomen was zonder dat ik voor mezelf had kunnen opkomen. Ik was kwaad op mijn man omdat hij alleen maar op zijn eigen golflengte leek te zitten en zich geen vragen stelde over de mijne, kwaad op mezelf omdat ik mijn punt niet harder verdedigd had, kwaad dat ik het om te beginnen al moest verdedigen in plaats van het gewoon gerespecteerd te zien, enzovoort, enzoverder.

Dus haalde ik uit. Ik toonde mijn man overduidelijk dat de gang van zaken me niet aanstond, ik had geen greintje geduld met zijn suggesties op de terugweg, en ik was behoorlijk onaangenaam gezelschap voor het grootste stuk van de middag die volgde.

Er waren vast betere manieren om het oude jaar te beëindigen. Net als er betere manieren moeten zijn om met oude pijn om te gaan. Maar als je vastzit in het oog van de storm, dan zie je niet zo makkelijk een uitweg. De emotie is te intens, de verdedigingsmechanismes zijn te goed geolied, en je verstand heeft nauwelijks iets te zeggen.

Goddank zijn er liefhebbende gezinsleden, die je kennen, en je onmogelijke gedrag verdragen tot je wat tot rust komt, verstaat wat er nu eigenlijk precies gebeurd is en je verontschuldigt voor je al te heftige reactie – maar niet voor wat je wilde.

Ik had een andere manier moeten vinden om mijn nood op dat ene specifieke moment te respecteren, zelfs als dat had betekend dat de rest van ons gezelschap een wandelingetje door het dorp was gaan maken terwijl ik in de rij stond en wachtte tot die luidruchtige troep hun tickets hadden gekocht en verdwenen waren vooraleer ik mijn steen kon kopen. De nood zelf was niet het probleem, dat is die zelden. Wat de dingen bemoeilijkt, is het feit dat we geleerd hebben om onze behoeften te negeren, ze dwingen te buigen of te zwijgen, en in hun wanhoop halen ze uit en kwetsen anderen, in een laatste, gefrustreerde, hulpeloze, poging om gehoord te worden.

Als ik beter naar mijzelf had kunnen luisteren, daar op dat moment, en te respecteren wat ik wilde en voelde, dan had ik misschien wat organisatorische chaos gecreëerd. Maar dat was niets geweest vergeleken met de emotionele storm waar ik mezelf en mijn geliefden nu op had getrakteerd, omdat ik ervan uit ging dat mijn behoeften niet belangrijk genoeg waren en probeerde te onderdrukken wat ik voelde.

Het water achter de dam houden tot die uiteindelijk barst, of het toestaan om beetje bij beetje te stromen… – hoe het ook zij, op een gegeven ogenblik moeten we allemaal leren zwemmen.

Misschien kunnen we proberen om alleen zelf een nat pak te krijgen, en de mensen die we graag zien niet mee kopje onder te laten gaan.

 

Lascheid_174 klein
(c) KV

De patronen die we kennen

Kersttijd, familie-en-pakjestijd… Maar de meest betekenisvolle geschenken liggen zelden ingepakt onder de boom.

 

Kerstsfeer_088 ed klein.jpg
(c) KV

 

Waarom, vraagt mijn tweeëntwintigjarige stiefzoon mij, klagen we vaak over andere mensen – niet zelden omdat ze ons kwetsen – maar doen we vervolgens precies hetzelfde met anderen? Zoals mensen die klagen dat hun ouders hen nooit begrepen hebben, maar die niet luisteren als hun eigen kinderen proberen uit te leggen hoe ze zich bij iets voelen?
En waarom, ging hij door, herhalen we zo vaak iets waarvan we weten dat het slecht voor ons is, zoals geslagen vrouwen die een ongezonde relatie verlaten maar dan vallen voor de volgende kerel die hen in elkaar slaat?

Goede vragen, allebei. En volgens mij hebben ze een en hetzelfde antwoord.

We hebben de neiging om de patronen die we kennen te herhalen.

De theelichthouder op de foto hierboven is er eentje die mijn mama op tafel zette met Kerstmis. Voor de gelegenheid heb ik hem op het huisaltaar gezet. Als ik terugkijk op hoe de thuis van mijn kindertijd functioneerde, en de vele blije herinneringen en nuttige levenslessen die ik er leerde, ben ik oprecht dankbaar. Al vier ik Kerst dit jaar niet met een van mijn naaste familieleden (die zitten allemaal in het buitenland), ik voel me toch heel dicht bij hen. Ik weet dat ze mij een betere start hebben gegeven dan vele anderen. Ik kreeg veel geschenken van het gezin waarin ik opgroeide, en dan heb ik het niet over pakjes onder de boom.

Als jong kind doen we onvermijdelijk onze eerste levenservaringen op met de mensen door wie we in een familiecontext omringd worden, en uit die ervaringen trekken we conclusies die zich in de diepste zin verankeren in ons onderbewuste. Aangezien we als zuigelingen of jonge kinderen nog niet de intellectuele vaardigheden ontwikkeld hebben om wat afstand te nemen van wat er met ons gebeurt, of om in te zien dat één goede (of slechte) reeks ervaringen niet het hele verhaal vertelt, worden die eerste scenario’s goedschiks of kwaadschiks de basis voor onze innerlijke Handleiding Van Hoe Het Leven In Elkaar Zit.

We leren er dat mensen ons onvoorwaardelijk graag zien voor wie we zijn (of niet). We leren dat bepaald gedrag aanvaard wordt (en ander niet). We leren dat we mensen mogen vertrouwen (of niet). We leren openbloeien in de meest liefdevolle omstandigheden, of overleven in levensbedreigende, helse omstandigheden. We ontwikkelen verdedigingsmechanismen die ons – in het beste geval – behoeden voor te veel teleurstelling, of – in het slechtste geval – helpen overleven.

En dan trekken we de wereld in, en passen daar toe wat we geleerd hebben.

 

Kerstsfeer_003 klein
(c) KV

De Universele Wet van Aantrekking (zoals sommigen ze graag noemen) stelt dat je méér aantrekt van wat resoneert op de frequentie waarop jij je zelf bevindt. Met andere woorden: als jij gelooft dat je het niet waard bent om liefgehad te worden, hoe oneerlijk of pijnlijk dat je misschien ook vindt, als je het echt gelooft, dan trek je onbewust meer omstandigheden aan die dat idee zullen bevestigen en het dieper verankeren als een van je onbewuste innerlijke waarheden. Al je diep vanbinnen oprecht vertrouwt op het idee dat er van je gehouden zal worden, ook als je kwetsbaar bent, of dat de juiste dingen wel op het juiste moment in je leven zullen komen, dan zie je die een stuk makkelijker vorm krijgen dan als je het tegengestelde gelooft.

Ik denk dat dit klopt. Ik heb het zich keer op keer weten voordoen, in mijn eigen leven en in dat van talloze mensen om mij heen. Hier is geen persoonlijke verdienste of schuld mee gemoeid, het is een principe zo onpersoonlijk als een wet van de fysica. Het zou er voor mijn part een kunnen zijn.

Zelfs het eerste dilemma dat mijn stiefzoon naar voren bracht – waarom herhalen mensen die zichzelf, vaak met goede reden, een slachtoffer voelen zo vaak een patroon dat hen gekwetst heeft, en worden zo op hun beurt de volgende generatie van daders of agressors? – kan begrepen worden vanuit dit principe. (Het zou wat te ver leiden om dat hier uit te leggen, maar ik beloof dat ik er gauw een andere blog over schrijf.)

In zekere zin leven we dus allemaal in een bubbel van onze eigen makelij. We versterken de waarheden waarin we zijn gaan geloven, of die nu gezond en harmonieus zijn of niet. We beseffen niet eens dat we ze hebben. Ze zitten diep vanbinnen, sturen ons denkpatroon en ons gedrag, en beheersen ons leven.

Je zou kunnen denken dat er dus geen ontsnappen is aan deze bubbel, en dat deze onbewuste gedachten ons voor de rest van ons leven gevangen zullen houden, terwijl we onze kleine (of grote) drama’s telkens opnieuw opvoeren, zonder zelfs maar te beseffen dat we dat doen. En tot op zekere hoogte is dat inderdaad hoe velen van ons leven. Alleen is het niet nodig om dat te blijven doen. De onbewuste overtuigingen die we hebben, kunnen veranderd worden.

 

Kerstsfeer_103 ed klein
(c) KV

 

Dat vraagt eerst en vooral zelfbewustzijn, vertel ik mijn stiefzoon. Het besef dat we de realiteit zien doorheen een sluier van innerlijke overtuigingen. We zien dat waarvan we zelfs niet weten dat het bestaat compleet over het hoofd, terwijl we onbewust zoeken naar onze goeie ouwe vertrouwde patronen, hoe onprettig die ook zijn, om ze vervolgens te herhalen. Want het vertrouwde voelt veilig. Het is bekend terrein, en dat verlaten is doodeng.

Maar eens we beseffen wat we geloven, en dat het een overtuiging is en niet noodzakelijk een waarheid, dan kunnen we dat veranderen als het iets is wat ons ongelukkig maakt. We hoeven niet te blijven geloven dat mensen alleen maar van ons zullen houden als we ons op een bepaalde manier gedragen, of dat we ongeschikt zijn voor intieme relaties, of dat uitkomen voor onze mening gevaarlijk is, of dat er nooit sprake kan zijn van gelijkwaardigheid en elk conflict een winnaar en een verliezer moet hebben…

We zouden deze overtuigingen kunnen respecteren als cadeautjes die we van onder de kerstboom hebben gekregen. Wat ons goed van pas komt en helpt openbloeien, kunnen we houden. Maar wat ons (hopelijk met goede bedoelingen) aangesmeerd werd, kunnen we besluiten opzij te leggen, net zoals die vervelende kriebeltrui waar we ondertussen uit gegroeid zijn. We kunnen op zoek gaan naar andere ervaringen. We kunnen iets anders, iets nieuws, proberen te geloven over onszelf.

Maar waarom doen zo weinig mensen dat? wil mijn stiefzoon weten. Dat is toch logisch. Ik probeer echt mijn inzichten te veranderen als ik voel dat ik ergens vastloop.
Ik: Daar heb je wel voldoende zelfbewustzijn voor nodig, om zo naar jezelf en je leven te kijken.
Hij: Is niet iedereen zelfbewust, dan?

De schat. Hij is wijs voor zijn leeftijd. Maar hij is ook zeer intelligent en hij heeft altijd open gestaan om bij te leren over dit soort dingen. Dat wil wel eens helpen.

Een ander mogelijk gevolg van het opzij leggen van oude kriebelkleren is dat sommige mensen die ons daar beeldig in vonden staan, of op zijn minst verwachten dat we ze dragen, nogal schrikken. Misschien zijn ze er helemaal niet blij mee (vooral als zij het waren die ze ons kochten). Ze zijn het er misschien niet mee eens, en willen deze nieuwe versie van ons niet steunen.
Dat is een moeilijke. We willen niet teleurstellen. We willen geen liefde verliezen. We willen anderen niet krenken door te veranderen.

Anderzijds, als de mensen die beweren van ons te houden dat alleen maar doen in die oude kriebeltrui, wat zegt dat dan wel over hen, en hoe ongemakkelijk of ongelukkig willen we zijn om hen in ons leven te houden?
Dus misschien is het toch maar gewoon tijd om te veranderen, ongeacht de gevolgen. Ja, misschien raken we een paar mensen kwijt. En dat zouden zelfs sleutelfiguren uit ons oude leven kunnen zijn. Maar de mensen die ons echt graag ziet, die geven geen krimp. En anderen, die echt bij ons horen maar nog niet gearriveerd zijn, herkennen ons pas als we onze ware kleuren durven tonen.

Dus laten we die kerstcadeautjes maar uitpakken, en in een moeite door ook maar eens goed kijken naar de hele stapel oude geschenken. Laten we dankbaar zijn voor al wat we kregen. En alleen dat bijhouden waarvan we voelen dat het gezond en deugddoend voor ons is.

Want niets is uiteindelijk in steen gebeiteld.
En waar zouden geschenken anders voor mogen dienen dan om ons te helpen groeien, en ons pad te verlichten, op welke manier dan ook?

Kerstsfeer_105 ed cut klein
(c) KV

Het verleden en de toekomst

 

Mijn erfgoed eren – en overstijgen

 

Light & drops_110 klein
(c) KV

 

Zoals de meeste mensen leefde ik een jong leven toen ik jong was – hoewel er in het mijne waarschijnlijk minder sociale vaardigheden, minder verstand-op-nul fuiven en meer doorploeteren van zielenroerselen zat dan in veel andere. Ik leefde in boeken en schreef mijn eerste verhalen. Ik had vaak het gevoel dat niemand mij begreep, of ze moesten minstens tien jaar ouder zijn dan ik. Pas toen mijn mama thuiskwam van een cursus numerologie (ik was pakweg zestien) met de mededeling dat het cijfer dat op mijn profiel mijn innerlijk weergaf symbool stond voor de diepe en soms wereldvreemde bagage van de oude, wijze leraar, had ik het gevoel dat er iets plotseling wat duidelijker werd.
Het voelde juist om een oude ziel te zijn.

In alles waar ik me mee bezig hield, van school over universiteit tot werk zoeken of een gezin stichten, was die oude wijsheid (of beter: het gevoel daar op een of andere manier een link naar te hebben) een constante aanwezigheid in mijn achterhoofd. Intuïtief zocht ik onderwerpen op die nogal eens saai of ingewikkeld gevonden worden, vaak in de sfeer van psychologie of zelfontwikkeling. De cursussen die ik volgde, en de inzichten die ze mij opleverden, kwamen mij bijzonder goed van pas tijdens mijn jaren voor de klas, en ik wende eraan ‘te wijs voor mijn leeftijd’ te zijn, niet alleen in hoe ik mij voelde maar ook ik wat ik effectief in de wereld bracht.

In de afgelopen jaren ben ik naar mijn gevoel tot volle wasdom gekomen. Ik heb mijn plek in de wereld gevonden, de reis naar mijn plateau gemaakt en de roep van de Ziel aanvaard, en nu heb ik het gevoel dat ik toegang krijg tot mijn erfenis. De oude kennis en vaardigheden die altijd een stuk van mij waren worden nu beschikbaar om ze werkelijk te gaan gebruiken.

Dat was het moment dat ik voor het eerst het woord sjamaan gebruikte. Schrijver — Journalist — Echtgenote/Moeder — Sjamaan-in-wording schreef ik als biografische puntjes toen ik deze website in juni een ingrijpende facelift gaf, en dat was zowel doodeng als heerlijk spannend. Ik had het gevoel dat ik naakt ging voor de wereld, en tegelijk onderstreepte dat een spiritueel pad lopen mij diepe ernst was.

Ik beken dat ik aarzelde bij het woord sjamaan. Maar het was het enige wat min of meer juist klonk. Het had echo’s van magie en wijsheid, een gevoel van een dieper weten, in verbinding met de natuurkrachten, genezing en andere lagen van de werkelijkheid dan het materiële of dagdagelijkse. Dit specifieke woord gebruiken betekende mijzelf op een of andere manier steviger verankeren op het spirituele pad dat ik was ingeslagen. En een van de dingen die ik aan het verkennen was, was sjamanisme. Of juister: ik word aangetrokken tot bepaalde aspecten en praktijken, waarvan ik er sommige al jaren beoefen, en waarvan andere pas recent hun opwachting hebben gemaakt, die allemaal tot die traditie lijken te behoren of er op zijn minst mee verwant zijn.

 

Winterprik_034 zw ed cut klein
(c) KV

 

Een van de geschenken die ik op mijn Soul Circle ontving, was een boek over sjamanisme, geschreven door een ingewijde. Ik vond het – behalve slecht geschreven – tot op zekere hoogte verrijkend én confronterend. De helft van de tijd dacht ik: oh nee, dit heeft niets met mij te maken. Totaal niet. Van geen kanten. (De andere helft van de tijd zei mijn professionele zelf: een beetje redacteur zou hier een veel beter boek van hebben kunnen maken.)
Ik besloot me alleen te concentreren op de inhoud. Sommige stukken waren interessant, al gingen ze niet altijd voldoende in detail, andere maakten me een beetje ongemakkelijk. Zoals dit citaat van de hedendaagse Lakota medicijnman Steve McCullough:

“Er bestaat blijkbaar een enorm verlangen de weg van het sjamanisme op te gaan. Sommige mensen nemen dan blijkbaar het besluit om sjamaan te ‘worden’, en denken dat ze dat zijn als ze ergens een paar cursussen of een opleiding hebben gevolgd op het gebied van medicijnwerk. Sommige opleidingen pretenderen zelfs mensen op te leiden tot sjamaan.
Deze zogenaamde sjamanen, de ‘wannabees’, die hun eigen manier van werken ontwikkelen, drijven in feite de spot het met werkelijke gedachtengoed. Ik denk dat er veel mensen zijn die spelen dat ze sjamaan zijn met de daarbij horende rituelen. Dat is des te ergers als het gebeurt vanuit commerciële motieven. Je kunt geen sjamaan worden omdat je dat wilt. Je wordt daarvoor uitgekozen.”

Dit raakte me, in die zin dat ik voelde dat ik moest toegeven aan mezelf dat er, tot nu toe tenminste, geen voorouderlijke krachten of geesten of wat voor andere entiteiten ook waar sjamanen gewoonlijk mee werken mij een bezoek brachten om me te vertellen dat ik spreekwoordelijk aangenomen ben. Er is evenmin een spirituele leraar die mij benaderd heeft met de melding dat ik bij hem of haar in de leer moet gaan (wat een veel voorkomende praktijk is in traditioneel sjamanisme). Misschien gebeurt dat ooit nog – ik sluit niks bij voorbaat uit, en het is nu ook niet alsof ik er al hele drommen heb ontmoet – maar in de tussentijd vond ik wel dat ik eerlijk moest zijn met mezelf en de wereld.

Natuurlijk mag je jezelf noemen wat je maar wil, maar tezelfdertijd zijn woorden nooit geheel zonder waarde of gewicht. Ik ben sterk aangetrokken tot spiritueel werk, zozeer zelfs dat ik het eerder al een roeping noemde. Ik ben op een aantal vlakken al lang geen beginneling meer, en ik weet wat ik kan (en wat niet) met mijn vaardigheden om anderen op een veilige, respectvolle manier te helpen groeien. Maar als niet sjamaan (of op weg om het te worden), wat ben ik dan wel?

 

Winterprik_046 zw ed cut klein
(c) KV

 

Ik had er een fantastisch gesprek over met mijn lieve mama. Zij was erbij op mijn Zielskring, waar ze getuige was, zoals ze dat later zelf beschreef, van mijn ‘overgang’. Ze was in het bijzonder geraakt door het lied dat ik zong, met niets dan de trom om me te begeleiden.
De framedrum is het instrument van de sjamaan. Het is ook een van de oudste instrumenten in de geschiedenis van de mensheid, en heeft wortels in de oudste mysteriecultussen van zowel de indianen, de Egyptenaren, de Kelten en de prehistorische volkeren. Ik heb altijd heel erg gehouden van krachtige percussie, en de trillingen van de trom gaan zeer diep voor mij. Dat instrument tot het mijne maken was een van die kleine maar zeer belangrijke stappen die ik de afgelopen maanden heb gezet. Het is ook, andermaal, een link naar deze oude spirituele tradities.

Nu zei mijn mama, met die wijze helderheid die haar zo eigen is:
“Het is zeker passend om die tradities te respecteren, en hun erfenis – jouw erfenis – te eren. Maar onthoud dat jij het was die mij van in het begin vertelde dat je het gevoel had dat je oude wijsheid in nieuwe vormen in de wereld moest brengen. Je kunt je dan wel verwant voelen aan de Amerikaanse indianen of de prehistorische mens, maar in dit leven ben je geen Lakota en ook geen holbewoner. Dus natuurlijk lijkt het traditionele sjamanisme in zijn oude vorm jou niet te ‘passen’. Dat zijn je wortels, je verleden. Het is niet je toekomst. Je hebt je vrienden geroepen om de overgang naar een nieuwe fase te markeren, waarin je nieuwe inzichten in de wereld zal helpen brengen op manieren zoals dat tot nu toe nog niet gedaan is. Je vrienden zijn gekomen, en ze waren met velen. En ze zijn met nog veel meer, van veraf bij jou in gedachten, of op het punt te verschijnen. Je staat er niet alleen voor met dit werk, en het is een krachtig proces. Zo voelt het. Dus naar mijn mening is het niet meer dan logisch dat je niet ‘geroepen’ wordt door het traditionele sjamanisme. Het is nu voor jou de tijd om je over te geven en los te laten, op verschillende manieren. Misschien moet je ook dit specifieke idee maar loslaten…”

Had ik al gezegd dat ze wijs is?

Het resultaat van dit gesprek was dat ik besloot mijn buikgevoel te volgen en die bewuste frase op mijn website aan te passen. Schrijver — Journalist — Echtgenote/Moeder — Wandelaar tussen de Werelden staat er nu. Dat, voel ik, is zowel waar als juist op dit moment in mijn leven.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg was, kreeg ik wat later die week de bevestiging van identiek hetzelfde proces op een totaal ander vlak in mijn leven.

Inspiratie voor Zaailingen komt aanwaaien op allerlei manieren. Toen ik Jurgen iets stuurde over een uitgeverij die we misschien eens moesten contacteren, linkte ik naar een mooi, door hen uitgegeven schrift met daarop de gestileerde afbeelding van een vos en een raaf. Dat katapulteerde hem meteen midden in La Fontaines Le renard et le corbeau. En terwijl ik nog aan het nadenken was over een originele manier om dat overbekende thema te benaderen, had hij al een schitterende prent gemaakt.

 

vos & raaf1 klein
(c) Jurgen Walschot

 

Het was een ‘klassiek’ beeld, niks voluptueus of buitenissigs zoals ik dat in mijn hoofd aan het bekokstoven was. Het toonde gewoon de vos die opkeek naar de raaf in de boom. Maar het grote verschil met het origineel zat hem erin dat de raaf geen stuk kaas in zijn bek heeft, maar in plaats daarvan de maan – of zo lijkt het toch. Subtiel maar briljant. En alle vrijheid van de wereld om voor de dag te komen met een totaal nieuwe versie van het verhaaltje.

Alleen stapte mijn hoofd niet zo snel aan boord van de trein met bestemming Anders-en-Vernieuwend. In plaats daarvan draaide het keurig in kringetjes, terwijl ik besloot dat ik zou proberen om een nieuwe versie van de fabel te schrijven als fabel, compleet met rijmschema’s erop en eraan. De – op het eerste zicht – onschuldige stijl van Jurgens beeld, gecombineerd met mijn eigen vooroordelen over fabels en hoe dat soort teksten geacht wordt ineen te steken (met een nogal kinderlijk verhaal en een uitgesproken les) zette mij stevig vast in – ja, daar gaan we weer – een ‘traditie’.

En daar knalde ik mooi tegen een muur die ik zelf gebouwd had.

Het schrijven liep allebehalve vlot, en al kreeg ik na veel hard werk wel een paar versjes uit mijn pen gewrongen die ik niet onaardig vond, het resultaat stond me niet aan. Ik herinnerde me hoe de klassieke fabels me nooit, zelfs niet als kind, hadden kunnen bekoren. Het rijm trok me niet aan, en de moraliserende boodschap vond ik bot en overduidelijk. Personages raakten gekwetst op manieren die de lezer een lesje moesten leren maar die mij alleen maar nodeloos pijnlijk en wreed in de oren klonken.
Natuurlijk dateren fabels uit een ander tijdperk, en ik wil ze niet beoordelen met de standaarden van vandaag. Ze zijn een erfstuk, en als zulks dus beslist waardevol. Maar waarom zou ik in godsnaam proberen mijn creativiteit in hun verkrampte structuren de proppen? Dit, andermaal, was het verleden. Ik moest de dingen anders doen, om de toekomst tegemoet te gaan, wat voor vorm mijn werk dan ook zou blijken aan te nemen.

Ik stuurde Jurgen een bericht dat ik een waardevolle les geleerd had, en bedankte hem voor de spiegel die zijn beeld mij had voorgehouden.
Toen zette ik me aan een nieuwe tekst. Ik eerde het verleden door ernaar te verwijzen, maar ik herhaalde het niet. Ik maakte het van mij.

Ik deel de tekst hier niet, aangezien het een Zaailing is die we op een later moment misschien nog willen vrijgeven. Ik kan wel al verklappen dat in deze nieuwe versie de raaf niet laat vallen wat hij in zijn bek heeft…

Er is geen enkele reden om het verleden nog een keer te herhalen.
In plaats daarvan kijk ik het uit naar het licht van een spiksplinternieuwe dag.

 

Winterprik_036 ed cut2 klein
(c) KV

Oversteken – mijn Soul Circle lopen

Een rituele middag om de overgang te markeren naar de tweede – magische – helft van mijn leven

 

Ik hield dus een Zielskring.

 

Om mijn veertigste verjaardag te vieren en de grote overgang te markeren die ik zich had voelen voltrekken in de loop van het afgelopen jaar, had ik een aantal vrienden uitgenodigd, van alle hoeken van het land én daarbuiten. Sommigen kende ik al mijn hele leven, anderen waren er pas recent deel van gaan uitmaken. Dierbare, vertrouwde zielen die me op beslissende manieren hadden geholpen om uit te groeien tot de persoon die ik vandaag ben, maar ook nieuwe ontmoetingen die me omver hadden geblazen en aanvoelden alsof ze op het perfect moment gearriveerd waren om mee op de wagen te springen voor het volgende stuk van mijn reis.

We waren met een twintigtal, en een handvol anderen waren er in gedachten bij. De meesten kenden (behalve mijn man en ik) misschien maar twee mensen in de kamer, soms zelfs minder. Maar tegen het einde van de middag hadden we een web van vertrouwen en eerlijkheid geweven, een plek van kwetsbaarheid en verbinding.

Ik had de woonkamer zo herschikt dat er een kring van stoelen, banken en kussens in paste. In het midden had ik het houtblok van teakwortel geplaatst dat ik doordeweeks gebruik als een soort huisaltaar, en er de voorwerpen omheen gelegd die de vier windstreken symboliseerden.

Ik wilde samen met de groep door de vier facetten van het wiel gaan: door het te verkennen, hen te bedanken, het uit te nodigen om buiten hun veilige lijntjes te kleuren, en geschenken te ontvangen.

Dit was de eerste keer dat ik een dergelijke bijeenkomst zou leiden, en ik was iedereen die er was ongelooflijk dankbaar. Zonder hun liefdevolle medewerking, was er gewoon geen Kring.

In de weken die voorafgingen aan dit gebeuren was ik bij momenten heel angstig geweest. Het voelde als in het onbekende stappen, en een paar diepe angsten confronteren (mijn diepste gevoelens uitspreken tegen de mensen die het allermeest voor me betekenen, naar buiten treden als een spiritueel gedreven persoon, en iemand die daar bovendien een actieve rol in wilde spelen).

Maar bijna zo gauw als we eraan begonnen, voelde ik me heel erg op mijn gemak, een beetje zoals ik me al die jaren geleden had gevoeld toen ik, recht van de universiteitsbanken en zonder diploma van een lerarenopleiding, voor een klas vol pubers terechtkwam. Hoewel ik nog nooit had lesgegeven, wist ik toen gewoon: ik kan dit. En dat was ook zo.
Nu voelde dit, hier, eerder als een terugkeer naar een oude vaardigheid dan het ontdekken van een nieuwe. Alleen de setting verschilde, net als mijn intentie. Ik wilde deze mensen niets leren – ik wilde hen raken, en geraakt worden.

 

20171118_161902 ed klein.jpg

 

Het Oosten staat symbool voor een begin, onschuld en verwondering, en op ontdekking gaan. Dus na een verwelkoming deden we een rondje van de kring waarin iedereen zichzelf voorstelde, en ik gaf wat uitleg bij mijn interpretatie van de windstreken en de specifieke symbolen die ik had gekozen voor elk kwadrant. Vervolgens nodigde ik iedereen uit om bewust een zitplaats te kiezen, afhankelijk van de windstreek die hen het meest aansprak, of die het best leek te passen bij de levensfase waarin ze zich op dat moment naar hun gevoel bevonden. Sommigen bleven zitten waar ze zaten, anderen namen precies plaats waar ik het verwacht had, en een paar verrasten me.

Er was ook ruimte voor humor. Bij het voorstellingsrondje zei een van de aanwezigen dat hij alleen maar gekomen was omdat ik had beloofd dat ik een tafel zou laten zweven – niet dus! Ik had hem integendeel, omdat het hele spirituele gedoe nogal nieuw was voor hem, bij wijze van geruststelling juist het omgekeerde verzekerd. Het werd de grap van de middag, die op gezette tijden weer opdook.

Ook een zitplaats kiezen was voor sommigen een uitdaging.

 

20171118_160758 ed cut klein
Te veel gegadigden voor de sofa in het Zuiden (de lege stoel was mijn uitvalsbasis als ik niet rondliep). Mijn schoonbroer loste het op door mijn man bij zich op schoot te trekken.

 

Hiermee was het Oostelijke deel van de Kring voltooid.

Het Zuiden, symbolisch voor uitbundige groei, naar buiten treden in de wereld om te leven, te genieten, banden te smeden en je plaats in de samenleving en het leven in te nemen, bestond volledig uit bedanken. Ik liep mijn kring van het Oosten naar het Noorden, en begon bij diegenen die ik in mijn beleving in het Oosten zag staan, ging vervolgens naar de mensen waarvan ik voelde dat ze voor mij in het Zuiden stonden, enzovoort. Dat betekende dat ik zowat de hele tijd over en weer liep, dwars door de cirkel, want mensen hadden hun zitplaats gekozen op basis van hun eigen gevoel van waar ze thuishoorden, en dat was niet noodzakelijk waar ze zich vanuit mijn perspectief bevonden, gebaseerd op de rol die ze speelden in mijn evolutie. Op die manier weefde ik een bijna tastbaar web van verbindingen tussen hen onderling.

Ik dacht niet na. Ik liep gewoon telkens naar de volgende op mijn lijstje, keek hem of haar in de ogen en sprak vanuit mijn hart. De woorden kwamen.

Ik had een doos zakdoeken binnen handbereik gezet, omdat ik had verwacht dat ik het niet droog zou kunnen houden, maar ik had ze niet nodig. Ik voelde een diepe kalmte vanbinnen, en dankbaarheid naar iedereen afzonderlijk. Sommigen huilden wel, bij anderen was er vrede, of verrassing, of een diepe, gedeelde vreugde.

Sommige mensen waren diep geraakt. Anderen wisselden wensen met mij uit, of bedankten mij op hun beurt. Sommigen wilden weten waarom ik hen in een bepaald kwadrant van mijn cirkel had ingedeeld – zag ik hen zo in hun eigen leven, of lag het aan wat ze voor mij betekenden? Nu eens waren ze verrast, dan weer weerspiegelden hun gevoelens perfect de mijne.

 

 

Mijn man zei me later dat hij het Zuiden het krachtigste luik van mijn ritueel vond. Ik kan het zelf moeilijk beoordelen, zelfs niet als ik erop terugblik. Ik weet alleen dat er heel veel liefde en verbondenheid was, met elk van de aanwezigen op hun eigen manier.

Na het uitspreken van mijn dankbaarheid, betraden we het Westen. Dat is de plek waar we de roep van de Ziel en het Mysterie voelen. Ik vertelde over het plateau waar ik een tijdje had rondgedoold, en hoe ik er vervolgens in geslaagd was een totaal nieuwe reis te beginnen vanaf dat vertrekpunt, gedragen door het gevoel dat ik overgestoken was naar een doel dat op een of andere manier groter was dan ikzelf, en dat deze Kring lopen daar deel van uitmaakte.

Het Westelijk gedeelte werd afgesloten door iets waar ik een hele tijd naar uitgekeken had en zenuwen voor had: het zingen van Eivørs Trøllabundin, een lied in het Faeroers, dat ik niet zo lang geleden ontdekte dankzij de tip van een collega-schrijfster met een muzieksmaak verwant aan de mijne. Het is een uitdagend lied, uitgevoerd met niets dan stem en trom, en het gaat over de betovering van een magiër die je hart in vuur en vlam zet. Van Mysterie gesproken…
Een onwaarschijnlijk sterke uitvoering ervan door Eivør kan je hier bekijken. En voor iemand het vraagt: nee, mijn stem is niet zo spectaculair als de hare, verre van, en aan het werkelijk ongelooflijke deel, dat onaardse zuchten en grommen, waag ik me gewoon niet. Ik kan de melodie deftig brengen, maar daar houdt het op. Mijn versie was dus een stuk zachter dan deze. Maar ze ging toch diep genoeg.

Het Noorden, waar wijsheid en inzicht naar boven komen in het holst van de nacht, was het moment van geschenken. We gaven een stapel kaarten door met daarop spirituele uitspraken of gedachten, en zo ontving iedereen een persoonlijke boodschap. Naderhand deelden de meesten wat ze op hun kaart hadden met de rest van de Kring, want de geschenken die we krijgen zijn vaak ook datgene wat wij aan anderen kunnen bieden. Er was wat aarzeling, maar ook verwondering, vreugde, en bij momenten grote kwetsbaarheid. Voor sommigen ging dit moment heel diep.

 

zekomen2 klein
(c) Jurgen Walschot

 

Daarna kreeg iedere aanwezige een postkaart met Zaailing #20, de Zaailing die ik aan de  Soul Circle had gekoppeld en die online ging terwijl we de Kring hielden. De kaart had Jurgens ongelooflijk krachtige beeld op de voorkant, en achteraan stond een citaat uit mijn tekst.

Als slotritueel liep ik de kring tegen wijzerzin terwijl ik de hele tekst luidop voorlas. Mensen raakten met hun hand spontaan de mijne aan waar ik passeerde. Het was mooi.

Toen ik klaar was met lezen, was ik overgestoken.
Ik keek de Soul Circle rond.
Ik had mijn vrienden geroepen. En ze waren gekomen.

 

 

Het gedachtegoed en de beeldtaal van de oude natuurvolkeren was erg aanwezig tijdens de hele duur van de Zielskring. Boven het centrum had ik de oude dromenvanger gehangen die ik een half leven geleden had meegebracht uit Seattle, door een Amerikaanse Indiaan gemaakt van gedroogd zeewier en drijfhout.

Helemaal op het einde verraste mijn zusje mij met een geschenk. Zij en haar man waren pas terug van hun huwelijksreis in Canada, en daar hadden ze een adelaarsveer gevonden in het bos. Een vriend met indianenbloed had hen verteld dat het een voorwerp was van grote kracht, dat als geschenk kon worden weggegeven tijdens een ceremonie. Nu schonk ze hem aan mij als symbool van mijn oversteek, en van mijn schoonbroer kreeg ik een houten totemsymbool met een vogel die Harmony vertegenwoordigde. Er was geen beter geschenk te bedenken.

Een andere deelnemer, vriendin en coach had, zonder dat ze iets wist van al het voorgaande, óók een dromenvanger mee als geschenk. Deze had ze zelf gemaakt, en ze had ook kleine houtschijfjes bij die eraan bevestigd konden worden. Iedereen tekende er eentje, en zo kreeg ik een concreet en tastbaar aandenken aan het web dat we die dag samen geweven hadden.

Het wiel blijft gestaag draaien.
De weg loopt door. Een nieuwe reis begint.

Ik ben op weg.
En ik ben niet alleen.

Praten met de duivel

Waarom onze demonen doodmaken ons geen beter mens maakt – integendeel

Yamie Fort_091 ed klein
(c) KV

 

Goed en kwaad zijn concepten waar ik al heel lang mee worstel. Mijn hele leven, denk ik.

Als jongere voelde ik me aangetrokken tot sommige van de meer duistere personages in verhalen. Tegelijk probeerde ik degenen die me afstootten aardig te vinden, of op zijn minst toch te begrijpen. Niemand, vond ik, werd met een slechte inborst geboren. Iedereen, in het echte leven en in boeken, kwam met een eigen verhaal, en hun beslissingen of gedrag moesten hun oorsprong vinden in eerdere ervaringen.

Zoals zovelen van ons hier in het Westen werden mijn opvattingen lange tijd beïnvloed door het christendom. In deze traditie zit het idee dat het goede uiteindelijk het kwade overwint er diep ingebakken. Hoewel ik in de regel streef naar meer harmonie en heelheid in mijzelf, sta ik intussen huiverig tegenover deze archetypische tweespalt waarbij de helft van het spectrum een vijand zou zijn die niet zozeer gerespecteerd of weerstaan moet worden, maar wel totaal vernietigd.

Ik vrees dat hier een van onze grootste misverstanden speelt.

Begrijp me niet verkeerd. Dit is geen pleidooi voor geweld of haat, voor liefdeloze ouders, sadistische leraren, genadeloze dictators of zieke geesten van wat voor allure dan ook. Ik geloof oprecht dat we allemaal beter af zijn als we ons gelukkig en gezond voelen, en onszelf en elkaar respecteren en graag zien.
Alleen denken we dat we een aantal dingen moeten vernietigen om dat punt te bereiken.

Jaren geleden volgde mijn moeder een opleiding rond persoonlijke ontwikkeling waar ze heel veel van opstak. Hoewel ik die bewuste cursus zelf niet ging volgen, plukte ik wel de vruchten van de ideeën die ze mee naar huis bracht. Een daarvan was het concept van ‘the Judge’.

We kennen hem allemaal. Sommigen noemen hem misschien de Innerlijke Criticus, anderen zien hem (of haar) als een ouder, een vroegere leerkracht, een bang of boos stuk van henzelf. Het is dat kleine, zeurende stemmetje in ons achterhoofd dat overal kritiek op heeft en ons er mentaal van langs geeft omdat we niet goed genoeg, dapper genoeg, sterk genoeg, mooi genoeg zijn, vergeleken met een of andere onhaalbare maatstaf.

Mama’s leraar in de opleiding zei haar: ‘Kill the f*cking Judge’. Hoewel hij helemaal gelijk had dat naar die innerlijke litanie luisteren en geloven wat ze zegt niets waardevols bijdraagt en ons alleen maar diep ongelukkig maakt, verlieten we in onze familie algauw zijn concrete aanpak. In plaats daarvan benaderde mijn moeder haar Judge op een andere manier. Ze kocht een snoezig kussentje, en stelde dat tentoon in de woonkamer als een decoratief element op een bijzettafeltje, een plek waar je het absoluut niet kon verwarren met iets om op te gaan zitten. Dit was de plek waar haar Judge zich mocht ontspannen en uitrusten, telkens als hij zijn opwachting maakte. In plaats van uit alle macht te proberen hem te doden, stond ze hem een adempauze toe en zei dat hij zich daar lekker mocht nestelen.

Ik hou van die tweede aanpak. Hoe makkelijk (of moeilijk) het ook is om onze angsten, fouten en innerlijke demonen onder ogen te zien, ik kan getuigen dat ze met mildheid benaderen een veel dieper en lonender traject is dan ze proberen uit te roeien. Ze zijn een deel van ons, en vaak hebben ze ons ook op een of andere manier geholpen, door ons te beschermen, te waarschuwen of ervoor te zorgen dat we twee keer nadachten. Vaak hadden ze helemaal niet de bedoeling de hinderlijke klieren te worden die ze nu zijn. Soms duwden we ze diep weg omdat we niet naar ze wilden kijken, en in het donker voedden ze zich met al wat ze konden vinden en groeiden uit tot iets kwaadaardigs en angstaanjagends, terwijl ze eigenlijk nog altijd hunkerden naar onze liefde en begrip.

Je heelt jezelf niet door de stukken van jezelf dood te maken die je niet aanstaan. Je vindt heelheid door goed naar ze te kijken en mild voor ze te zijn.

Hetzelfde geldt voor elk gevecht tussen het zogenaamde Goed en Kwaad.

 

Yamie Fort_069 ed klein
(c) KV

 

Het behoeft geen discussie dat sommige gedachten en daden ethisch mooier of gezonder zijn dan andere. We kunnen evenmin ontkennen dat sommige daden moreel verwerpelijk zijn en zorgen voor veel lijden. Maar door ze te behandelen als iets wat uitgeroeid moet worden, voeden we alleen hun verdedigingsmechanismen. En als we vasthouden aan onze missie om ze te vernietigen, worden we geen beter mens maar de koude, harteloze, onverzoenlijke versie van onszelf. In plaats daarvan zouden we beter op zoek gaan naar een mooi kussen.

En wanneer onze angsten en fouten, onze verborgen of minder fraaie aspecten en alles wat we verafschuwen aan onszelf of de wereld daar dan plaatsnemen, omdat we ze hebben uitgenodigd en ze voelen aan dat we te vertrouwen zijn, dan moeten we ook de moed hebben om ze in de ogen te kijken en een gesprek te beginnen.

Mama kronen

Een reis naar de wortels van Oude Wijsheid

Kingley Vale_359
(c) KV – De toegang tot Kingley Vale

Na de diepe, vervullende fases van een leven in dienst van de ziel, zegt ecopsycholoog Bill Plotkin, bereikt de persoon die de roep van de ziel hoorde als Zwerver, die haar leven er als Leerling ten van dienste stelde en die de wereld het beste van haar talenten schonk in de hoedanigheid van Meester, het punt waarop ze overgaat naar het stadium van Oude Wijsheid.

Op dat moment begint het leven minder te draaien om Doen en maken, en meer om Zijn, voeden en inspireren.
Wanneer de jongvolwassene zich, geraakt door de roep van haar ziel, terugtrekt in een metaforische cocon en oversteekt naar de spirituele helft van het leven, dan gaat ze in Plotkins woorden door een proces van Zielsinitiatie. Ze voelt een verhaal, een krachtig beeld, de aantrekkingskracht van iets wat sterker is en dieper gaat dan haar ego of persoonlijkheid alleen, en ze voelt zich geroepen om zich ten dienste te stellen daarvan. Zielsinitiatie markeert het begin van de magische helft van het leven.

Een gelijkaardige monumentale overgang vindt plaats wanneer de bezielde volwassene de fase van Oude Wijze bereikt. Plotkin noemt dit de ‘Crowning’, een prachtige samentrekking van de Engelse woorden ‘crone’ (oude vrouw) and ‘crown’ (kroon), en verbindt zo meteen de charmes van hoge leeftijd en het waardige, bijna koninklijke van vergevorderde geestelijke evolutie.

Mijn moeder vierde afgelopen december haar zeventigste verjaardag. Mijn zus en ik wilden iets speciaals en symbolisch doen met haar, dus we besloten haar mee te nemen op een verrassingsreisje naar Engeland. We wilden niet alleen haar verjaardag vieren, maar ook haar overgang naar de status van Oude Wijze.

Onze moeder is een mooie, wijze en grappige vrouw met een hart groot genoeg om de hele planeet en iedereen erop te omarmen. En op sommige momenten in haar leven is dat ook precies wat ze gedaan heeft. Ons huis was altijd een haven voor mensen om te landen: voor het avondeten, voor een nacht, voor een paar jaar. Haar regenboogkinderen, noemden we ze. Sommigen waren zo oud als wij, een paar waren ouder, de meesten jonger. Ze hield van ze en vertroetelde ze en hielp ze hun leven weer op de rails krijgen als dat was wat ze nodig hadden.

Haar dagen van oeverloze zorg zijn nu enigszins voorbij. Te veel artrose en andere (godzijdank goedaardige) ouderdomskwaaltjes hebben een halt toegeroepen aan haar onafgebroken rondrennen en verzorgen – hoewel ze er soms nog wel eens in vervalt en de fysieke gevolgen achteraf voor lief neemt.

Maar tegelijkertijd is ze wijzer geworden. We hebben dezelfde opleidingen gevolgd en veel ervaringen gedeeld in de loop van de jaren, en zij is de eerste om aan iedereen te vertellen wat voor sterke vrouwen haar dochters geworden zijn, maar wij weten dat dat maar de helft van het verhaal is. Mama kan je aankijken, peilen tot diep in je ziel en naar boven komen met informatie waar je heel stil van wordt omdat ze zo ontzettend juist is. Ik heb er niets mee te maken, zegt ze, ik geef maar door wat ze mij ‘daarboven’ vertellen. Dat is geen valse bescheidenheid. Maar bescheiden zijn betekent soms ook dat je jezelf onterecht niet voldoende waardeert. Dus wilden we mama’s wijsheid vieren, haar diepe ervaring, en natuurlijk ook gewoon het feit dat ze onze moeder is.

Mama is een makkelijke persoon om te verrassen. Ze laat zich meevoeren op de stroom en vraagt zich niet te veel af. Ze is opgetogen als blijkt dat ze iets niet zag aankomen, en verwelkomt alles wat haar kant op komt – behalve misschien de tegenliggers in een land waar mensen links rijden. Omdat we reisden met onze eigen wagen, was de passagier vooraan degene die al het aankomend verkeer op zich zag afkomen. Na twee uur op de Engelse wegen ruilde mams haar plek met plezier voor eentje op de achterbank.

Kingley Vale_081
(c) KV – Storm bij The Seven Sisters

Onze eerste stop was Beachy Head, waar we uitkeken over The Seven Sisters, de adembenemende krijtkliffen van de Engelse zuidkust. Het weer was stormachtig en subliem.

Het was de perfect plek om je verbonden te weten met de elementen. We zaten met ons drieën ongestoord op een bank, en stemden ons af op wat de wind en de zee ons wilden vertellen. We luisterden naar wat gezegd werd: over onszelf, voor de ander. We deelden de boodschappen. Toen lieten we al het oude dat mocht losgelaten worden gaan, in de wind, of met de golven.

We reden door tot in West-Sussex naar the Hamblin Trust, het domein waar we twee nachten zouden verblijven in een van hun knusse chalets. Ik dwaalde door de tuin in het schemerlicht van de vallende avond, en de volgende ochtend.

Na het ontbijt hadden we maar tien minuutjes nodig tot aan de plek die de eigenlijke bestemming van deze hele trip was: Kingley Vale, waar in een bosje-in-een-bos The Watchers staan, de oudste taxusbomen ter wereld. Een aantal van deze knoestige reuzen zijn tweeduizend jaar oud. Waar konden we mama’s Crowning beter vieren?

Maar het bleek toch een beetje een uitdaging. Bij de eerste oude taxus die mama zag toen we wat dieper het bos in gingen, maakte ze bijna rechtsomkeert. Hij zag er dreigend uit, vond ze, en er hing iets donkers en gevaarlijks omheen.

Grappig genoeg was dit een boom die mij heel erg aansprak. Ik liep er naartoe om hem aan te raken, en voelde onmiddellijk hoe een diepe warmte door mijn buik ging. Mams keek huiverend toe van op een afstandje.

Toegegeven, taxussen zien er op het eerste gezicht niet erg knuffelbaar uit. In hun jeugd zijn ze op hun best elegant, maar met hun donkere stammen en naalden van een donkergroen dat soms meer wegheeft van zwart, zijn ze nogal sombere verschijningen. Hun felrode bessen fleuren het geheel misschien wat op, maar gezien het feit dat zowat elk onderdeel van de taxus dodelijk giftig is voor de mens, is dat toch maar een karig soelaas. Zoals elke zeer oude boom wordt een oude taxus knoestig, bobbelig en verwrongen, met takken die alle kanten op gaan en dode stompen die nog uitsteken. We stonden dus niet meteen oog in oog met een grote lieve omaboom, maar eerder met iets wat leek op een kruising tussen een norse oude olifant en een tentakelig monster uit een of andere horrorfilm.

Tot je ze aanraakt.

Kingley Vale_399.JPG
(c) KV

Taxussen voelen zacht onder je handen, en als je een beetje gevoelig bent voor bomen, dan is een ontmoeting met oude reuzen als deze echt wel bijzonder.

Het vroeg wat overredingskracht, maar uiteindelijk wilde mama er wel een aanraken.

Vanaf dan begon het makkelijker te gaan, hoewel het nog even duurde vooraleer mama een boom gevonden had waar ze echt een band mee voelde. Pas toen lukte het beter om de diepe, krachtige schoonheid van de ouderdom te voelen doorheen de donkere, sombere verschijning. De zon maakte nu en dan haar opwachting – dat hielp ook. (Het Engelse weer deed al wat het kon om zijn wispelturigheid te bewijzen: we schakelden op twee uur tijd drie keer van dreigende wolken naar stortbuien naar stralende blauwe hemel. Het gezegde ‘if you don’t like the weather, wait five minutes’ bleek een stevig feit.)

Na een uur van wandelen, zitten, aanraken en voelen, keerden we terug naar de ingang van het bos. Daar vonden we ‘mijn’ boom terug.
Mama was verbaasd dat ze hem eerder zo eng had gevonden. Ik van mijn kant begreep precies waarom hij voor mij zo goed werkte: oud genoeg om indrukwekkend te zijn, met een massieve stam en kroon, maar nog niet zo verweerd als zijn stokoude verwanten. En zijn plek: aan de rand, als een wachtpost op de grens tussen werelden.

Dat past bij mij.

In de namiddag na die wandeling hadden we voor mama een aromatherapie-massage geboekt bij een lieve dame waarnaar ze later verwees als haar ‘petemoei’.
We aten heerlijke Indische curry in een nabijgelegen restaurant, en namen de volgende ochtend afscheid van the Hamblin Trust.

We stopten nog bij het haventje van Bosham voor een paar cadeautjes en souvenirs uit het Arts and Crafts center (ik kocht een heerlijke cape voor alledaags gebruik, en ik kreeg een andere die ik voor het eerst zal aantrekken op de Soul Circle als geschenk van mijn zus). We lunchten in het Breeze Cafe, met een mooi zicht op de zee-inham waar het opkomend tij niet alleen naar goede gewoonte de promenade onder water zette, maar ook het busje van een nietsvermoedende kayakker, die bij zijn terugkeer duidelijk niet gerekend had op zo’n maritiem enthousiasme.

Kingley Vale_618.JPG
(c) KV – Bosham bij hoog water

Je onderschat de kracht van het vrouwelijke element maar beter niet, denk ik zo…

Onze drie moeder-en-dochter dagen hebben ons zacht gezegd een hap magie gegeven om op terug te kijken.

Op bezoek bij de gieren

Soms ben ik zo content om te mogen werken als journalist…

Gisteren bezochten we het dierenpark GaiaZOO.
Leden van de Gezinsbond krijgen daar korting, en ons blad vond het goed idee om er wat redactionele aandacht aan te besteden (morgen in sneltempo een artikel schrijven). Het park is gelegen in Nederlands Limburg, net over de grens, op ongeveer twee uur rijden van ons thuis. Maar óf het die afstand waard was.

Ik kwam er als journalist maar ik had wel mijn gezin mee. Daardoor mochten we niet alleen gratis binnen, mijn zoon kreeg ook nog een verrassingsgeschenkje: een knuffelaapje waar hij op slag verliefd op was en dat hij die dag overal mee naartoe sleepte.

GaiaZOO_216
(c) KV

Het is beslist een mooi park. En er ligt een ecologische filosofie aan ten grondslag die serieus genomen wordt. De dieren hebben heel veel ruimte, en op een aantal plaatsen delen verschillende soorten die in hun natuurlijke omgeving ook vreemdzaam naast elkaar leven een verblijf. Zo wonen de zebra’s in hun enclave samen met twee indrukwekkende neushoorns en een groepje parelhoenen.

Het landschap is verweven in het park: er staan oude bomen, en overal groeien spontaan uitgezaaide struiken, planten en kruiden. Een parkgids vertelde me dat invasief onkruid wel zo veel mogelijk gewied wordt, vaak zelfs met de hand. Behalve op het gorilla-eiland: die dieren vinden brandnetels en distels namelijk zo  lekker dat ze ze verorberen tot de laatste stengel. Ook een manier van wieden, natuurlijk…

GaiaZOO_304
(c) KV

Bezoekers kunnen heel dicht bij de dieren komen zonder ze te storen – glazen wanden, uitkijkposten, tunnels voor de kinderen. En op sommige plekken kan je werkelijk oog in oog staan met een dier. Zo kan je een paar grote volières en zelfs een heel bos in waar een troep doodskopaapjes woont, op voorwaarde dat je op de paden blijft. Bezoekers wordt wel aangeraden hun tassen goed dicht te doen.

Ik deed mijn job, stelde vragen, nam foto’s. En op het einde van de dag deed ik waar ik de hele tijd naar uitgekeken had: ik bezocht mijn vrienden de vale gieren.

Ze leven in een enorme volière (twaalf meter hoog en ik weet niet hoeveel oppervlakte, maar het is veel – ze kunnen er doorheen vliegen), en dit was er ook een waar bezoekers doorheen mogen wandelen. Met wat geluk kom je op minder dan twee meter afstand van een de twintig (!) vogelsoorten die er samen wonen.

GaiaZOO_537 ed cutGaiaZOO_512

GaiaZOO_107 ed cut2
(c) KV

 

Terwijl ik daar stond, de laatste bezoeker in de nagenoeg verlaten volière, en toekeek hoe de vale gieren geduldig zaten, met het late herfstlicht op hun veren, voelde ik een diepe rust over mij heen komen.
Ik was er met plezier de hele avond en de volgende dag blijven zitten, om naar hen te kijken, zoals ze daar op hun gemak waren, nu en dan eens een vleugel strekten, bij momenten opvlogen.

Het was een goede dag.

GaiaZOO_258
(c) KV – Mijn zoon slaagt erin de minst voor de hand liggende dieren te laten overeen komen…

 

 

Wat de gier ziet

Het werk dat ik kom doen – met een ongewone bondgenoot

Als ik mijn ogen sluit, voel ik hem achter mij op een rots. Hij strekt zijn slanke nek een beetje, alsof hij me zachtjes iets wil toevertrouwen, en hij heeft zijn gigantische vleugels gestrekt, twee en een halve meter spanwijdte die oprijzen achter mijn rug en mijn schouders, als een kroon en een beschermend schild tegelijk.

De kracht van zijn aanwezigheid leg je niet zomaar naast je neer. Hij ziet er niet lieflijk uit, eerder beangstigend. Maar hij is mijn meest onverschrokken beschermer, en met hem als rugdekking weet ik dat mij niets kan overkomen.

Zijn naam is Gier, en hij is mijn vriend.

vautour_3@Lennart Hessel
© http://www.lensman.se/

De afgelopen twintig jaar heb ik mezelf ondergedompeld in psychologische coaching, intuïtietraining en diverse manieren om de mens holistisch te benaderen. Ik ben daarmee bezig zoals anderen bezig zijn met sport, tuinieren, vogels spotten of koken: omdat ik het zo fijn vind. En als je er het maar lang genoeg doet, word je uiteindelijk een behoorlijke goede kok, of herken je vanuit je ooghoeken een ver, gevleugeld silhouet, ook als je geen droom najaagt van een carrière als ornitholoog of sterrenchef. Je liefde voor de smaak en kleur van de ervaring zelf is wat je drijft.

Zo werkt het ook voor mij in de immense wereld van de menselijke ontwikkeling. Ik beweer beslist niet dat ik een therapeut ben, maar ik ken er mijn weg vrij goed – en ik ben altijd gulzig om nog meer te leren en mijn blikveld te verruimen.

Maar wat, hoor ik je denken, heeft dat te maken met die grote, enge aaseter die oprijst achter je rug?

Gieren zweven hoog in de lucht op thermiek, vorstelijk als arenden. Maar ze vangen geen kleinere vogels in volle vlucht of plukken geen zalm uit een snelstromende rivier met een spectaculaire duikvlucht. Als ze daarentegen een kadaver zien, dalen ze af naar de grond om te eten.
Veel mensen gaan rillen van weerzin of minachting bij de gedachte. Maar gieren zijn beslist niet de enige wezens op deze planeet die dood materiaal eten. Dat doen we in feite zowat allemaal, ook wij mensen. Het verschil zit hem erin dat wij eerst een levend wezen doden, om het vervolgens op te eten. Heel weinig mensen staan te trappelen om een hap te nemen uit een levende koe, of om een appel op te peuzelen die nog aan de boom hangt. Het belangrijkste onderscheid tussen ons en gieren is gewoon dat wij roofdieren zijn (en dan nog van een specifieke soort die onze prooi eerst nog verwerkt – kookt, bijvoorbeeld – voor we ze opeten) en dat zij opruimen wat er overblijft.

Er is een goede reden waarom we onze kinderen leren om het stoffelijk overschot van aangereden dieren niet aan te raken, of hun handen te wassen als ze in aanraking kwamen met rottend materiaal. Stel je voor dat kadavers niet werden opgegeten. Het zou weken duren eer de rottende lijken ontbonden als de wormen, maden en vogels hen niet zoveel sneller hielpen verdwijnen. Zij zelf doden niet. Ze ruimen alleen op wat anderen doodden, of wat stierf van ziekte of ouderdom.

Maar waarom hou ik nu zo van gieren?

Een eerste reden – dat heb ik eerder verteld – is dat ik er ooit door een bezocht werd. Uitverkoren, zo voelde het wel. Vereerd door de aanwezigheid van een bijzonder krachtig wezen dat afdaalde tot bij het plateau waar ik stond met de camera van mijn vader in mijn handen.

Ja, dit was gierengebied. Maar voor wie denkt dat dit een alledaags fenomeen was: vergeet het maar. Mijn vader bezocht de streek later opnieuw, en wachtte er lang en vruchteloos op precies dezelfde plek. Mijn ontmoeting liet zich niet zomaar herhalen. Een extra reden om ze diep te koesteren.

Dit is de volledige reeks, alle foto’s van die ene, gracieuze afdaling. Ze zijn niet bijster goed, en ik vermoed dat ik nu veel betere foto’s zou maken. Maar dit was meer dan drie jaar geleden, voor ik een eigen camera had om mee te werken – mijn papa en ik deelden de zijne op deze trip – en de vogel leek uit het niets te komen. Het ene ogenblik was hij een stipje hoog aan de hemel, en het volgende was hij zo dichtbij. Het is een half mirakel dat ik er überhaupt in slaagde om hem vast te leggen.

Gorges & Causses 217 ed crop985cc-1p6pnygpkzxvzac82r8rz7g59761-1mr_x-9tnfsfonbzhymcwuaGorges & Causses 22553abb-1vdifzq-8ejrw6abmy7il7aGorges & Causses 231 ed

Gorges & Causses 233 ed
(c) KV

Een andere reden waarom ik van gieren hou, is de metafoor die ze vertegenwoordigen. Dat beeld werkt misschien niet voor iedereen, maar voor mij werkt het prima, en ik voel mij er sterk mee verbonden.

Net als een gier op de thermische luchtstromen hou ik ervan om de dingen te bekijken van op grote hoogte. Dat geeft je een veel breder overzicht van connecties en betekenissen. Voor mij geldt dat in het bijzonder op vlak van menselijke psychologie, gevoelens, ziekte en trauma, en alle manieren die we hebben om daar (niet) mee om te gaan. Van zo hoog herken je bepaalde gebeurtenissen makkelijker als snijpunten in een veel groter web van onderling verbonden feiten en onderstromen.

En net als de gier zie ik waar er rottende plekken zijn die opgeruimd moeten worden.

 

 

Iemand leren kennen op een holistische manier lijkt een beetje op het grondplan leren van een flatgebouw in 3D. Er zijn diverse verdiepingen (fysiek, emotioneel, rationeel, gedrag, spiritueel, onbewust en nog wel een paar andere), en allemaal hebben die op hun beurt verschillende subniveaus die in eender welke richting met elkaar in interactie kunnen gaan. Je zou het kunnen vergelijken met een zeer complex buizenstelstel dat alles in het gebouw met alles verbindt, én met de buitenwereld.

Uiteraard is elke mens uniek. Maar sommige tendenzen zijn makkelijk te herkennen omdat ze nogal vaak voorkomen. Ik ben vertrouwd met een aantal regelmatig betreden paden die – voor mij althans – makkelijk te herkennen innerlijke patronen uittekenen. Dat kan nogal opschepperig klinken, en ik durf ook niet te beweren dat ik alles kan oplossen waar iemand doorheen gaat, verre van, maar ik heb wel een talent om de verwevenheid van een aantal innerlijke processen in kaart te brengen. Ik weet, om het zo te zeggen, waar veel van de innerlijke loodgieterij op elkaar aansluit en – laten we maar volharden in de smakelijke metaforen nu we er in deze blog mee begonnen zijn – waar het vuile afwaswater en de str*nt het meest waarschijnlijk zal ophopen als een afvoerbuis verstopt geraakt.
En als dat het geval is, dan gaat het zaakje uiteindelijk altijd lekken. De leiding scheurt misschien zelfs. Niemand die ervan opkijkt als het over loodgieterij gaat. Maar als we het over emoties en gedrag hebben, dan hoor je plots van alle kanten: ‘Ik snap het niet, waar kwam dat nu opeens vandaan?’ Ik kan alleen maar stil mijn schouders ophalen. Ik had de eerste gorgelende signalen van een defect al lang gehoord, ik wist dat de spanning zich aan het opbouwen was, en ik wist ook waar de buis in kwestie uitmondde. Of als dat niet het geval was, leerde de aard van de uitbarsting me heel veel over wat vooraf ging, en waar we zouden moeten graven naar de oorzaak.

Natuurlijk praat ik met mensen over wat ik zie en voel, als ze er interesse voor hebben en openstaan om te luisteren. Maar sommige gesprekken heb je niet zo makkelijk op een werkvloer, aan een keukentafel of op een feestje, zeker niet als je de andere persoon eigenlijk niet zo heel goed kent.

Misschien vraag je je nu af: waarom is het zo belangrijk om de oorzaak te vinden van een of ander onbewust proces, of een innerlijke kwetsuur? Als we even bij de metafoor van het verstopte toilet of de lekkende waterleiding blijven, lijkt me dat nogal evident. Hoe vervelend we de hele zaak ook vinden, ze verdwijnt niet vanzelf. Als je niet telkens opnieuw de rotzooi wil opruimen nadat je de afwas gedaan hebt of het toilet hebt doorgespoeld, kun je maar beter proberen te achterhalen waar het probleem zit en er iets aan doen.

Jammer genoeg zijn we vandaag in de westerse samenleving zeer goed in symptoombeheersing. We hebben machines en robots uitgevonden die onze vloeren dweilen en onze vuilnisbakken legen. We hebben pillen en remedies voor zowat alles – behalve de diepere oorzaken. En ja, die zijn vaak angstaanjagend en weinig fraai. Het is nooit een pretje om met je arm in een plastic zak te proberen de gezwollen, verzadigde prop toiletpapier achter de kromming van de wc-afvoerbuis vandaan te vissen. Maar volgens mij is het niet alleen totaal onefficiënt om de troep bij elke overstroming maar te blijven opkuisen, ik vind het niet zelden ook een oppervlakkige en bepaald idiote vorm van verwaarlozing.

 

Gorges & Causses 315
(c) Foto: André Vanlierde

 

Oké, sorry, lieverds.
Dit was Gier die eventjes te hard opging in zijn rol.

Ik besef maar al te goed dat al het bovenstaande een zeer directe aanpak is die niet voor iedereen in elke situatie heilzaam is. Soms is het beter om je arm niet in de wc-afvoer te steken, omdat het te moeilijk is, te traumatisch of gewoon onverstandig. Er zijn altijd andere manieren om een dieper liggend probleem te benaderen en op te lossen, en om een harmonieuzere manier van leven te ondersteunen. Maar de directe aanpak spreekt mij van nature aan omdat ik, giersgewijs, er niet voor terugschrik om mijn kop in een berg ingewanden te begraven en er tot mijn nek in te verdwijnen. Daar gebeurt het echte schoonmaakwerk – snel, efficiënt. Toegegeven, het is een vuile klus, maar het resultaat mag er doorgaans zijn.

Ik begrijp heel goed dat dit een tikje te radicaal is voor sommigen. Gieren zijn uitgerust voor deze job met gladde, korte veren op hun hoofd en nek. Dat stelt hen in staat om zo diep te gaan als ze doen, en relatief schoon weer boven te komen, op het bloed na – maar dat droogt op en schilfert er gewoon weer af, niks aan de hand. Ironisch genoeg is het wel precies dit aspect dat ervoor zorgt dat ze er minder aaibaar uitzien dan bijvoorbeeld arenden of haviken, die gespecialiseerd zijn in doden eerder dan opruimen.

 

En natuurlijk heb ik ook mijn duistere hoekjes, de plekken van mijn psyche die ik heel behoedzaam nader, en soms alleen maar als ik geen andere keuze meer heb. Oude pijn, of de herinnering eraan, heeft de neiging om haar angel niet te verliezen, tenzij je weet hoe je haar kan ontwapenen. Ik weet ondertussen hoe dat moet, maar ik weet ook dat het altijd rechtstreeks contact vraagt. Lastige klus, zelfs voor een gier. Dus doe ik soms ook beroep op hulp of goede raad als ik voel dat ik er nood aan heb. En geen betere manier om er weer even aan herinnerd te worden hoe breekbaar en menselijk je bent én blijft dan je ziel blootleggen bij een andere persoon en toegeven dat je in de knoop zit.

Een stuk van wat ik hier kom doen, voel ik – weet ik – is gierwerk, zelfs al is het nog niet echt duidelijk welke vorm dat gaat aannemen in mijn dagelijks leven.
Dus ben ik heel dankbaar voor mijn machtige vriend die zijn indrukwekkende vleugels spreidt op de rots achter me. Bij momenten zullen we zweven op grote hoogte. Op andere momenten zullen we afdalen naar waar er werk gedaan moet worden.

Laat maar komen.