De ZijLijn ~ 2

Radiocolumns in coronatijden

~2~ Buiten de lijntjes

Wat doen we, als de lijntjes van ons bestaan plots heel erg strak getrokken worden?

We kunnen het een keurslijf dopen, het bevechten, het te lijf gaan als een hinderlijke beperking. Of we kunnen het voor lief nemen en kijken welke onverwachte mogelijkheden het met zich meebrengt.

Soms leveren beperkende omstandigheden fantastische innerlijke vergezichten op. Want als de buitenwereld plots erg klein wordt, is er altijd nog de binnenwereld. En die is zowat eindeloos.

Maar net zo goed vreten de dagen van eentonigheid aan ons gemoed, als een nijdig knaagdier dat hapje per hapje knabbelt aan onze weerstand, ons goed humeur, ons geloof in waar dit allemaal heen gaat.

Je kunt de wanden van je kooi – al dan niet met tralies, kies maar – voor lief nemen. Want de verhalen in ons hoofd, die kennen geen grenzen. Toch niet als wij dat niet willen. Soms is dat mooi. Soms is het triest.

Op een middag loopt er plots een vrouw in onze tuin. Als ik de schuifdeur open en haar vraag wat ze zoekt, reageert ze verbaasd en excuseert ze zich. Ze dacht dat het huis leeg stond, zegt ze, dat het misschien te koop was. Ze wilde eens kijken…

Nu is onze voorgevel inderdaad niet moeders mooiste, en onze oprit is een door onkruid overwoekerde bedoening. Per toeval is hij ook nog eens leeg. We hebben de auto namelijk een eind verderop geparkeerd omdat we met de ladder in de dakgoot aan de slag moesten. Hij stond daar niet meteen in de weg en we gaan deze dagen toch nergens heen.

Kortom: met wat goede wil kan ik het mens nog enigszins begrijpen. Maar wie helder van geest is, zou de gesnoeide struiken zien, de potplanten, de trampoline, het speelgoed en de strijkplank in de tuinkamer, het gemaaide gras, alle andere grote en kleine sporen van actieve bewoning. Om nog maar te zwijgen van het feit dat er overduidelijk geen ‘TE KOOP’-plakkaat voor onze deur staat.

De vrouw reageert oprecht verrast. Ze komt op me toe om te praten, lijkt van plan om gewoon bij ons naar binnen te stappen. Ze schrikt van mijn afwerend gebaar maar blijft dan gedwee staan. Ze schijnt mijn afwijzing niet helemaal te begrijpen. Ik voel me een hardvochtig mens.

Ze woont een eindje verderop in onze straat, zegt ze. Nadat ik haar vriendelijk verzeker dat wij hier al vijftien jaar wonen (‘Oh, echt waar? Dat wist ik niet!’), wijs ik haar hoe ze de tuin weer uit komt. Ze weet plots niet meer hoe ze die eigenlijk is binnengekomen. Ze loopt twee keer na elkaar het doodlopende boogje in, waar struiken haar van alle kanten de weg versperren.

Ten slotte vindt ze op mijn aanwijzingen het pad dat naar het tuinhek leidt. Het tuinhek geeft uit op de oprit, en dan ziet ze de straat. Van daar redt ze het wel. Hoop ik.

In betere tijden zou ik haar naar huis begeleid hebben. Nu sta ik haar na te kijken en mij zorgen te maken. Ik vrees dat er deze dagen nog meer verwarde, vereenzaamde mensen door de straten dolen, vruchteloos zoekend naar houvast.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De zaag bovenhalen

Loop je de laatste tijd soms wel eens tegen je grenzen aan? Lijkt de kamer te krap, de wereld te vreemd, het leven een film waarin je niets meer herkent?

Er komt veel op ons af. Ook op plekken en in landen die – laten we eerlijk zijn – op het eerste zicht niet bijzonder zwaar getroffen zijn door de hele coronastorm. Het is nutteloos en onwenselijk om onzekerheid en menselijk leed in honderd-en-één vormen tegen elkaar te gaan afwegen. Er zijn persoonlijke drama’s, en er is een grote, collectieve golf. Beide raken ons in meerdere of mindere mate. Op welk punt van het driedimensionaal spectrum je je ook bevindt, het is ingrijpend.

Dat is altijd het geval, als oude werelden aan het wankelen gaan.

Boomverzorger aan het werk (c) Inaya photography



Ik zit in een luxepositie. Ik hoef niet veel meer te doen dan de bordjes van gezin-werk-school-huishouden-persoonlijke behoeften in de lucht te houden, zonder dreigend faillissement, zonder zware ziektes of verliezen (voorlopig).
En toch ben ik ook al een paar keer tegen mezelf aan gelopen.

De details doen er totaal niet toe – mijn demonen en processen zijn de mijne. Maar wat ik wel leerde, is dat wat vaak het meest uitdagend is, het taaist om op een nieuwe en andere manier mee om te gaan, niet de veranderende leefomstandigheden zijn, maar mijn eigen innerlijke strategieën die een nieuwe situatie willen benaderen op een oude manier.
Ik loop niet tegen de situatie aan, maar tegen mezelf.

Vandaag kwam onze vaste boomverzorger de bomen in onze tuin snoeien. Elk gezond levend wezen moet zich van tijd tot tijd ontdoen van wildgroei. Boomverzorgers zijn geen doorsnee snoeiers. Ze weten precies welke takken op termijn een risico vormen op doorscheuren, insluipend rot, schuurschade. Ze aarzelen niet om de zaag boven te halen. Het huis dreunde van het gewicht van de takken die de grond raakten. Maar ze snoeien nooit zomaar, ze verminken niet. De bomen die zij onder hun hoede hebben, floreren.

Er is iets fundamenteel aan het schuiven in het onderbewustzijn van de mensheid, deze dagen. We voelen het allemaal. Het neemt de mooiste en de lelijkste vormen aan, en het zal blijvende impact hebben.

Maak ik mezelf groter, of juist kleiner? Houd ik mijn adem in tot morgen of neem ik ten volle bezit van vandaag? Bereken ik wat er in de toekomst misschien nog (of weer) zal kunnen, of sta ik toe dat dit proces mij wezenlijk verandert, hier en nu?

Ik geef me over aan het werk van dit tijdsgewricht als een boom onder de handen van een boomverzorger. Ik heb geen persoonlijke controle over welke takken er nu sneuvelen. Ik weet wel dat ik, dankzij wat er nu op mij inwerkt, zal groeien en bloeien op een heel nieuwe manier.

Boomverzorgers aan het werk (c) Inaya photography

De ZijLijn ~ 1

Radiocolumns in coronatijden

~1~ In de burcht

Er bestaat een fijne Engelse zegswijze: my home is my castle.

Onze huizen hebben vandaag wel wat weg van versterkte burchten. We halen de ophaalbruggen op, we zetten manschappen op de kantelen. Een flauwe grapjas die begint over toiletpapier als munitie.

Hoe ga je om met het onbekende, vraag ik me af. Het is een vraag die heel veel mensen nu bezighoudt. Sla je massa’s materiaal in en hoop je dat de storm je bunker passeert? Ga je je vragen stellen bij de wereldorde en de manier waarop je je leven tot nu geleefd hebt? Ben je intussen meer dan klaar om je kinderen achter het behang te plakken, met een zekere voldoening zelfs, en  hoop je dat ze daar liefst een hele week blijven hangen? Ben je overstelpt door digitaal werk? Of zie je de muren van je eenzaamheid op je afkomen?

We zijn met z’n allen in het scenario van een rampenfilm terechtgekomen, maar dan wel eentje van B-niveau. De toestand is hopeloos, maar niet ernstig. Of was het misschien toch omgekeerd?

Ik heb thuis de logeerkamer ingepalmd. Ik heb er wat planten voor het raam gezet en een zitzak gedropt. Als de deur dicht is, wil ik even niks met de rest van de wereld te maken hebben. We hebben allemaal nood aan een plek in ons hoofd waar het stil mag worden. In die kamer denk ik na over moeilijke vragen. Daar schrijf ik, niet om antwoorden te vinden maar om de vragen beter te begrijpen. De moeilijkste vragen zijn trouwens de interessantste. Die leveren goede verhalen op.

En nieuwe tijden hebben nieuwe verhalen nodig. Maar als onzekerheid ons dreigt te verlammen, is het soms ook goed om terug te grijpen naar de oudste, de beste.

In Ronja de roversdochter vertelt de Zweedse auteur Astrid Lindgren hoe elke avond van Ronja’s jonge leven eindigt met hetzelfde ritueel: voor het slapengaan zingt haar moeder Lovis het Wolfslied.

De wolf heeft het koud en de honger scheurt in zijn maag. Maar wolf, o wolf, kom niet naar hier, zingt Lovis. Want mijn kind, dat krijg je niet.

In de koude, tochtige burcht van haar vader de roverhoofdman slaapt Ronja in met een gerust hart. Want de burcht is sterk en de muren zijn dik, en de hongerige wolf kan, als hij toch zijn opwachting zou maken, best nog wel een varkensstaart krijgen om zijn honger te stillen.

Dus niets houdt haar tegen om de dag daarop onbevreesd de wereld te verkennen, met een open hart, een open geest.

Ik gun iedereen deze dagen een wiegelied dat de wolf op afstand houdt, en een onbevreesde blik om de wereld tegemoet te treden.

Want zoals Lovis zingt: mijn kind, wolf, dat krijg je niet. Nee, dat krijg je nooit.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

A room of one's own

(c) Inaya photography



Virginia Woolf wist het als geen ander: een vrouw moet een kamer voor zichzelf hebben als ze wil schrijven.

Nu ons dagelijks leven er plots anders uitziet, bevind ik mij 24/7 in het gezelschap van twee mannen: een grote en een kleine, die mij allebei op heel innige manieren lief zijn, maar die ook allebei een aantal eigenschappen gemeenschappelijk hebben. Waaronder: flauwe humor, een onleesbaar geschrift en een onuitputtelijke voorraad energie.

Ik ben een stiltemens. Ik was dat misschien niet van bij aanvang, maar in de loop der jaren ben ik dat steeds meer geworden. Ik hou nog altijd van muziek, en ik vind het leuk om naar interessante video’s te ‘luisteren’ terwijl ik strijk. Maar over het algemeen: hoe meer stilte, hoe liever.

(c) Inaya photography


Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger was mijn hoofd vol stemmen. Angstige, goed bedoelende stemmen, die klonken als versies van mijzelf maar het toch niet waren, die me aan alles lieten twijfelen, me over alles deden tobben, me af hielden van dingen die ik eigenlijk wilde. Ik heb ze in de loop der jaren zachtjes aan tot zwijgen kunnen brengen. Ik heb ze gekoesterd, gerespecteerd en gerustgesteld. Ze zijn ingedommeld of verdwenen.
In de diepe ruimte van mijzelf die toen helemaal beschikbaar werd, is het heerlijk toeven in de stilte. Als mijn ziel een subtiel en betoverend melodietje neuriet, heb ik het onmiddellijk gehoord.

Enter corona, en mijn twee actieve – of op zijn minst zeer aanwezige – mannen.

(c) Inaya photography


Wij leven in een belétagewoning. Woonruimte boven, slaapkamers beneden. De eerste dag dat hij thuis werkt, zit Christophe in een marathonsessie vijf uur lang aaneengesloten digitaal les te geven. Sobran houdt zich flink aan de afspraak om zich te verschansen in de speelkamer beneden en niet te storen. Maar omdat ons bureau overloopt in de leefruimte, zit ik zelf geprangd tussen het digitaal klaslokaal boven en de eindeloze schetterende luisterverhalen beneden.
In de keuken, de badkamer of onze piepkleine slaapkamer is het niet zo makkelijk schrijven. Hier moet ik een oplossing voor vinden, dit houd ik geen weken uit. Ik ben gewend het huis hele dagen voor mij alleen te hebben.

Maar ik heb daar helemaal geen heel huis voor nodig. Dankzij een nieuwe plant, die ik voor het raam van de logeerkamer posteerde omdat hij nogal groot was en ik er nergens anders plaats voor had, groeit het plan om die ongebruikte kamer (wie zou er de volgende maanden logeren??) voor de komende tijd een beetje ‘van mij’ te maken.

(c) Inaya photography


Ik ga niet sleuren met meubels, de kast en het bed laat ik staan. Meer dan een hoekje hoeft het eigenlijk niet te worden, met planten en stenen, een poef om op te zitten, zicht op de tuin, groen om mij aan te laven. Een vertrek waarvan de deur dicht kan, een holletje waar anderen mij met rust laten.

Ik breng er mijn dagen niet door, hoogstens een paar uur per dag, en dan zelfs niet altijd om te schrijven. Ik kan er ook gewoon in alle rust telefoons of andere gesprekken voeren waarmee ik de concentratie van mijn huisgenoten niet wil belasten. Maar wat een luxe! Wat een zegen om een deur te hebben die je kunt sluiten, en ruimte waar de wereld even mag stilvallen.

Hulde, waarde mevrouw Woolf. Ik bewonderde u twintig jaar geleden al, als schrijfster en als mens, toen ik voor het eerst in contact kwam met uw werk. Ik doe het nu nog veel meer. En in deze hoogst ongewone tijden apprecieer ik ten volle elke minuut van het voorrecht dat mij gegund is: een kamer voor mezelf.

(c) Inaya photography

ZAAILING #79 – De geheime tuin

(c) Jurgen Walschot


Zie mij graag, zegt ze.
Dat doe ik, zeg je. Van zo dichtbij als ik mag.
Je mag wel wat dichter komen, hoor, zegt ze.
Je knikt. Maar je doet het niet. Soms moet je iemand de ruimte geven, ook als ze zelf niet weet dat ze die nodig heeft.

Je lijkt een beetje op een madonna, zeg je.
Hoezo, vraagt ze. Heb ik geen kleren aan of zo?
Madonna’s hebben juist wel kleren aan, grijns je. In statige gewaden staan ze onder stolpen te staren naar wie hoopt hun zegen te krijgen.
Ik sta niet, zegt ze. Ik zit. Ik lees. Laat me met rust.

De wereld komt bij momenten zo hard binnen dat afstand het grootste geschenk is dat je iemand kunt geven. Dichtbij willen zijn maar toch niet binnendringen. Het gebaar van de ander laten komen, ook als dat wil zeggen dat je er misschien heel lang op moet wachten.

Hoe breek je uit een stolp van eigen makelij? Hoe leren we leven met de begrenzingen die het leven ons oplegt? Onze wanden zijn zo dun dat ze maar al te vaak vragen om bescherming. De ene maakt er een klein koninkrijk van, een geheime tuin, de ander een terrarium waaruit langzaam alle lucht weg sijpelt.

Ze kijkt op van haar boek. Ze glimlacht. Je ziet mij graag, zegt ze.
Ik voel het tot hier.



ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Groeien – naar binnen toe

(c) Inaya Photography



De afgelopen weken zat ik met een vreemd gevoel.
Ik wilde niet naar buiten. De lente kwam te vroeg, daar had ik het al over, maar er was meer aan de hand. Het voelde een beetje alsof ik kluizenaar wilden worden. Liefst zo weinig mogelijk mensen wilde ik zien, zo weinig mogelijk gedoe aan mijn hoofd hebben.

Dat was een ongewone ontwikkeling op het moment dat de lente op uitbreken stond en traditioneel overal in het land kinderboeken en hun makers naar buiten komen om zoveel mogelijk (jong) publiek te bereiken. Ik beken: ik stelde me plots vragen, bij alles inclusief mezelf.

Intussen is de wereld helemaal in overeenstemming gekomen met mijn bizarre gevoel van naar binnen keren. Veel mensen hebben het er moeilijk mee en het vraagt van bijna iedereen een enorme aanpassing. Juist voor het duidelijk werd dat de crisis rond Covid-19 ernst was en dat er maatregelen zouden komen, had ik vrede gevonden met mijn situatie.
Daarom wil ik hier nu delen wat ik een paar weken terug aangereikt kreeg.

Ik heb geleerd om te luisteren naar wat zich innerlijk aandient, ook als dat een bevreemdend gevoel is. Daarom ging ik er niet tegen in verzet, ik onderzocht het. En ik liet de antwoorden spontaan opkomen, van een diepe (of hoge) plek in mezelf.

Dit is wat ik leerde.

We zijn gewend om groei en ontplooiing, van welke soort dan ook, te associëren met een dynamiek naar buiten toe, een expansie. We willen meer doen, meer zijn, meer mensen bereiken, meer begrijpen, meer inzichten delen, meer verwezenlijken. We associëren groei met het innemen van meer terrein. Maar dat is in feite een misvatting.

Groei kan net zo goed naar binnen toe. Dan wordt het een vorm van verdieping, een brede resonantie die, als ze de kans krijgt, in alle subtiliteit zelfs veel verder reikt dan de luidruchtige en ogenschijnlijk actievere uitwaartse beweging.

(c) Inaya Photography


Net zoals bij eb het water zich terugtrekt en precies daardoor het strand veel groter en uitgestrekter wordt, is een beweging naar binnen toe een uitnodiging om een aspect van onszelf aan het licht te laten komen dat gewoonlijk schuilgaat onder de deining van de dagelijkse drukte en hectiek.

Als we onszelf niet meer (kunnen) afleiden, verdoven of bezighouden met de dynamiek van het water, worden we bijna gedwongen om te kijken naar het strand. Op het eerste zicht lijkt dat misschien leeg, een verlaten vlakte met eindeloze verveling als horizon. Dat kan beangstigen, maar het kan ook een enorm bevrijdend zijn. Veel mensen gaan niet per toeval uitwaaien aan zee en maken dan hun standwandelingen het liefst bij eb. De wind, de ruimte, het gevoel dat de vereisten van de wereld even losgelaten kunnen worden, het is er allemaal.

Hoe tegenstrijdig het ook kan klinken in deze tijden, maar precies dat gevoel is ook nu binnen handbereik. Zó groot kan onze innerlijke ruimte zijn, zelfs in een klein appartement in de stad.
Want kijk, het water trekt zich terug. Activiteiten worden geschrapt, onze bewegingsvrijheid wordt drastisch beperkt. We worden zowat verplicht – door deze hele toestand, maar ik noem het liever door het Leven Zelf – om naar binnen te keren.

Ik maak me geen illusies: er zullen nog kwade dagen komen. Medisch, sociaal, emotioneel, voor heel veel mensen persoonlijk en voor ons allen als samenleving. We zullen tegen conflicten met huisgenoten aanlopen, tegen eenzaamheid, tegen allerlei vormen van confrontatie met onszelf. We zullen ziek worden en mensen verliezen of dierbaren kennen die dat doen. We zullen als samenleving daveren op onze sociale en economische grondvesten. Maar als er één ding is wat Covid-19 ons nu al, na een paar luttele weken, scherper duidelijk heeft gemaakt dan wat ooit tevoren, dan is het dat alles met alles verbonden is, en wij allemaal met elkaar. Het is een wake-up call van formaat, en steeds meer mensen hebben ze begrepen.
Laten we vanuit die hervonden kwetsbaarheid en verbondenheid ook de inzichten verwelkomen van de weken die nog zullen volgen.

Want het water trekt zich terug. De golfslag van het gewone dagelijkse leven valt stil.
Nu kunnen we kiezen. Gaan we die ontruiming te lijf met zoveel mogelijk trucs en technieken om onszelf bezig te houden en de stem van ons innerlijk te overschreeuwen terwijl we de muren stilaan op ons zien afkomen?

Of staan we toe dat het strand bloot komt te liggen?

(c) Inaya photography