Er is loslaten, en… loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb dit jaar heel veel tijd doorgebracht op ons terras, overschaduwd door de takken van drie dicht naast elkaar groeiende eiken. Dat terras bevindt zich op de eerste verdieping en dat wil zeggen dat we letterlijk in de takken zitten. Heerlijk vind ik dat.

Dit jaar kondigde zich aan als een heel rijk eikeljaar. In de lente hingen de bomen vol, écht vol: handenvol rijpende eikeltjes aan één tak. Maar de klimaatverandering hakte erin. Begin augustus, lijdend onder de aanhoudende hitte en droogte, begonnen de eiken noodgedwongen hun kostbare oogst te lossen, veel te vroeg. Alles werd op een mum van tijd bedekt onder een tapijt van onrijpe, groene eikels. We veegden ze van het terras af, naar beneden de tuin in. Een dag of wat later zag het eruit alsof we nooit geveegd hadden.

Het was zielig en zonde, maar het leverde ook grappige taferelen op. Eikels die vallen van dik tien meter hoog doen pijn! Buiten eten (wat we heel graag en zo lang mogelijk doen) werd bij momenten een risicovolle bezigheid, je wist nooit wat je op je bord, op je hoofd of in je kopje koffie ging krijgen.

Intussen is het herfst. En de eikels vallen nog. Nu zijn ze bruin en steviger, en ze vallen ook harder. Werden ze in augustus met spijt door de boom gelost, nu worden ze bijna gekatapulteerd. Ze stuiteren van het terras, ketsen terug, een meter of hoger soms, en belanden niet zelden vanzelf in de tuin, een verdieping lager. Wie ze op zijn hoofd krijgt, weet even niet wat hem overkomt.

We genieten ervan. Hoe harder ze vallen, hoe blijer ik word. Dit is zó’n verschil met de zomer.

Zomerzonde (c) Inaya photography



Ik kan me niet ontdoen van het idee dat de eik een soort plezier heeft in dit afvuren van eikels. Er is sprake van doelgerichtheid, spunk. Ik gun hem (nee, als ik eerlijk ben voelt het als haar) elke welgemikte hoop op voorplanting. Ik bescherm wel mijn gsm als ik die meeneem naar buiten – één foute (of welgemikte?) inslag en ik kan hem vervangen, zoveel kracht hebben die projectieltjes.

Dit is geloof ik het verschil tussen loslaten omdat je niet anders kunt, uit noodzaak dus, en loslaten omdat het moment juist is en je er klaar voor bent. Het is het verschil tussen verlies en vooruitgang.

Binnenkort slaan de weersverwachtingen om en krijgen we meer kilte en regen. Prima, het werd tijd. Zo hoort dat in dit seizoen, en wie weet hoe lang kennen we hier nog iets wat op een echte herfst lijkt. Ik ga het terras wel missen, inclusief het ketsende, petsende eikelbombardement. Maar op dit moment ben ik gewoon blij dat ik het verschil tussen de beide zo bewust en zo duidelijk heb mogen meemaken.

Het brengt mij bij een derde vorm van loslaten, de mooiste misschien, degene die ik zelf verkies, als ik er iets aan te zeggen heb. Die heeft niets met eikels te maken, en alles met waterdruppels.

(c) Inaya photography



De zwartbladige moerasplant die ik meebracht uit een magische tuin in Zuid-Frankrijk koestert elke regen- of dauwdruppel als was het een parel. Hoe het water zich op de bladeren verzamelt, zwelt, schittert, en vervolgens loom en elegant naar beneden glijdt, het is een levende meditatie.

Dát is loslaten, denk ik dan.
Geen pijnlijk verlies uit schaarste, waarbij prachtig potentieel ongebruikt en met spijt moet worden gelost.
Geen ambitieus en doelgericht mikken, met een voortdurende kans op teleurstelling als het projectiel niet landt in vruchtbare grond.
Wel dit: een helder, zacht verzamelen van zichzelf, tot het zo vol is dat momentum vanzelf ontstaat: de omvang van de waterdruppel overstijgt de grip van het blad en rolt er in een laatste liefkozing vanaf, richting bestemming. Het blad houdt niets tegen, houd niets vast, en mist niets. Het laat los en ligt open voor de volgende dauw of regenbui.

Zo loslaten is schenken.
Zo losgelaten worden, is gratie.

(c) Inaya photography

Meer dan één waarheid, meer dan één antwoord

De kloof die ik moet leren verdragen

(c) Inaya photography



De kauwen gaan slapen in de boomkruinen aan de overkant van het veld achter ons huis. Elke avond bij zonsopgang en zonsondergang zorgen ze voor een uitbundig collectief concertje: honderden zangerig gakkende stemmen die elkaar goedemorgen of welterusten wensen. Ik heb ze ’s ochtends nog niet vaak zien vertrekken, de eerste ochtendschemer is nog wat te vroeg. Maar ’s avonds zie ik ze thuiskomen. Ze scheren een hele tijd in wisselende groepen boven de boomtoppen heen en weer tot ze… ik weet het niet, een tak vinden waar ze lekker zitten?

Mensen zijn een collectieve diersoort, net als kauwen. We doen veel samen. We onderschrijven dezelfde verhalen. Als veel mensen hetzelfde denken en vinden en voelen als wij, weten we ons geborgen. We passen ons gedrag aan aan de noden of de verordeningen van de groep. Maar we beïnvloeden de groep ook, door wat we denken, zeggen en doen. Zo bepalen we allemaal samen waar we heen gaan.

Zo begon de blog die ik de afgelopen dagen probeerde te schrijven over de moeheid die we voelen ten opzichte van de corona-maatregelen, over de versnippering van het beleid, over het afkalven van zekerheden ten voordele van meningen, over complottheorieën en goedbedoelde maar misleide spirituele superioriteit.

(c) Inaya photography



Te veel voor één blog? Tja, soms moet je als schrijver vier keer vastlopen vooraleer je door hebt wat anderen meteen al zien: dit is niet te schrijven. Ik krijg deze hele malaise niet helder uitgetekend. Het is een kluwen dat alle kanten op straalt, een multidimensionaal spinnenweb. Ik volg één draadje, en dan een ander, ik zie tegenstellingen en verbanden, maar ik krijg totaal geen overzicht, niet in mijn hoofd en niet in mijn tekst.

Dus: dag, blog.

Maar ik lees dat het aantal besmetting weer stijgt, en aan de binnenlandse horizon doemt alweer het spook op van nog strengere maatregelen. Tegelijk nemen regeringen en bedrijven de ene non-sensicale economische beslissing na de andere, wordt Californië verteerd door bosbranden die de hemel een apocalyptisch oranje kleuren en is het intacte karkas van een holebeer gevonden, omdat de permafrost in Rusland aan het smelten is. Deze dynamieken gaan op vier snelheden, ze kruisen elkaar, blind en zonder elkaar te raken. Maar alles is met alles verbonden. En welke strijd proberen we hier nu eigenlijk te voeren?

(c) Inaya photography



Ik herinner me een TED-talk van een brandweerman (of was het nu een ambulancier, sorry, mijn geheugen is niet goed met dit soort feitjes) die beschreef hoe hij slachtoffers van een brand of ongeval die stervende waren ter plaatse bijstond in hun laatste momenten. Heel vaak voelden ze aan wat er kwam en vroegen hem: ‘Ik ga dood, hé?’ Als hij het met goede bedoelingen ontkende, ze verzekerde dat het allemaal in orde ging komen en dat ze moesten volhouden, ook al wist hij eigenlijk beter, dan waren ze paniekerig en gespannen, dan stierven ze angstig. Maar als hij ze recht in de ogen keek en ‘ja’ antwoordde, gebeurde er iets heel anders. Ze ontspanden zich. Ze aanvaardden het. Wat ze voelden en wat ze te horen kregen, strookte met elkaar. Ze konden ermee in het reine komen, al was het maar in een paar minuten, en op een waardiger manier vertrekken.

Onze samenleving, onze oude manier van leven, lijkt nu op dat stuiptrekkend slachtoffer. Wat gaan we het vertellen? Dat er niemand mag doodgaan? Dat we moeten vechten tegen een Grote Vijand om dit te boven te komen? Doen we er voor de goede orde het slaapliedje van eindeloze groei op een eindige planeet nog eens bovenop?

Ik geloof dat we allemaal gebaat zouden zijn met een staaltje eerlijkheid.

Covid-19 is geen allesverwoestende ziekte die de helft van de wereldbevolking bedreigt, maar sommige mensen gaan er wel aan dood. En we gaan dat niet kunnen tegenhouden, ook niet als we onze samenleving totaal ontwrichten.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, en we kunnen daar niet goed mee om. In het rijke westen zijn we een gezonde omgang met dood en verlies al decennia verleerd. We spenderen fortuinen aan het behandelen van ongeneeslijke ziektes, aan het rekken van een lang leven met nog een paar extra maanden. Wat we ‘winnen’ aan tijd betalen we in verlies van levenskwaliteit en een totaal ontspoorde kost aan gezondheidszorg. En er is geen grens aan onze horizon, we willen hem telkens nog wat verder verleggen. We worden steeds krampachtiger in onze omgang met de dood.

(c) Inaya photography



‘Elke dode is er één te veel.’ Dat horen we deze dagen in het kader van Covid-19 wel vaker.

Eerlijk? Ik vind dat larie, op een zwaar overbevolkte planeet.
Voor iemand mij van harteloosheid beschuldigt: natuurlijk sta ik ook niet te springen om de dierbaarste mensen in mijn leven te verliezen. Wanneer dat gebeurt, zal de leegte die ze laten immens zijn, mijn verdriet peilloos. Maar dat staat geheel los van het biologisch grotere plaatje. We mogen beide niet met elkaar verwarren. Het is niet omdat we verdriet hebben om persoonlijke redenen dat we de natuurlijke wereldorde omver moeten werpen en de dood moeten bevechten. Van hubris gesproken.

En uit de mond van het rijke kapitalistische westen klinkt de uitspraak dat elke dode er één te veel is ronduit hypocriet. De economische en ecologische vernietigende omstandigheden die tot dit virus geleid hebben en vele malen meer slachtoffers maken, die vinden we blijkbaar wel oké, zeker als de slachtoffers in het buitenland vallen. De duizenden vluchtelingen uit het Zuiden zien we liever verdrinken op de Middellandse Zee dan ze op te vangen. Dan hoor je plots heel andere slogans.

De klimaatopwarming die nog veel grotere vluchtelingenstromen op gang zal brengen en mogelijk het voortbestaan van de hele menselijke soort bedreigt, die willen we niet ernstig nemen. En dat de armste en zwakste lagen van de bevolking nu wereldwijd buitenproportioneel getroffen worden, getuigt van de gloeiende oneerlijkheid waarmee we de mondiale samenleving hebben opgebouwd.
Maar dat willen we allemaal niet in vraag stellen. Dat virusje dat er een gevolg van is, daarentegen, een louter symptoom van een veel groter en onderliggend probleem dat we zelf hebben gecreëerd, dát gaan we bekampen met alles wat we hebben. Want daar mag niemand aan sterven. Komaan, zeg.

(c) Inaya photography

Natuurlijk zullen er mensen doodgaan aan Covid-19. Zoals ze al sinds het begin der tijden doodgaan aan duizend-en-een kwalen en ongelukken. Daar moeten we niet flauw over doen, dat moeten we aanvaarden en tot op zekere hoogte in goede banen proberen te leiden. Maar omdat we dat niet kunnen, of toch niet waardig, laat de manier waarop we er nu mee omgaan de wereld zoals we die kenden afbrokkelen in hetzelfde tempo als de ijskappen. We reageren als een paniekerig en op hol geslagen immuunsysteem: vernietigend. We maken onszelf kapot.

De aanhoudende onzekerheid waarin we ons bevinden, maakt ons vatbaar voor de kracht van een Aanlokkelijk Verhaal. Want als mens hebben we een zo’n verhaal nodig, een ruimere context om ons leven in te situeren, de richting waarin we ons bewegen in te kaderen. Net als de kauwen willen we een fijne grote boom voor de nacht, en als die ene waar we ons altijd in hebben terugtrokken plots gaat kraken en scheuren, hebben we heel snel een andere nodig. En dus knoeien we erop los – met de beste bedoelingen, met zuivere intenties. Maar we knoeien.

We grijpen naar wetenschap, naar godsdienst, naar scepsis, naar ecologische verontwaardiging, naar complottheorieën, naar stil verzet, en op allerlei vlakken raakt het een met het ander vermengd. De vertroebeling in communicatie is bij momenten totaal.


V V
V
v v v
v v

En kijk, nu heb ik toch nog een hele blog geschreven die – op een andere manier dan ik van plan was – een aantal punten aanraakt waar ik al lang mee in mijn hoofd zit.

Persoonlijk vind ik dit een behoorlijk somber stukje lectuur. Dat is niet mijn gewoonte. Als kleine, individuele mens hoop ik dat we dit ten goede kunnen keren, en ik wil er alles aan doen om daartoe bij te dragen. Ik wil geen onheilsprofeet zijn die al bij voorbaat de handdoek in de ring gooit omdat er met de mensheid niets aan te vangen valt. Ik probeer mee te werken aan warme verbondenheid en een nieuwe ecologische visie, overal waar ik maar kan. Mijn boeken gaan daar tot op zekere hoogte zelfs over, verdorie.

(c) Inaya photography

Maar als ik kijk als een sjamaan – toch wel, altijd weer, al durf ik dat woord nauwelijks in de mond nemen met betrekking tot mezelf – dan kijk ik vanuit een veel afstandelijker perspectief. De sjamaan dient het grotere geheel, waarvan de mens slechts een heel stukje is. Haar loyaliteit ligt niet bij de mensheid, maar bij het universum en alle evenwichten die daarin bewaard moeten worden. Daarom ook dat ze zelden in het dorp woont, altijd aan de rand ervan, of liever nog op een afgelegen plek in de natuur.

En kijkend als sjamaan zie ik het niet zo rooskleurig in. Er is hoop, er is verzet en heel veel groeiend inzicht. Er zijn prachtige opflakkeringen van licht en kracht. Maar ik weet niet, in de grotere context van alles wat er gaande is, of het voldoende zal blijken te zijn. Voor ons als mensheid. Voor een leefbare planeet. Ik hoop het, ik hoop het echt. Maar dan weer denk ik dat ik mij maar beter schik in het onvermijdelijke. The long defeat, zoals Tolkien het noemde.

Beide van die waarheden – de kleine individuele en de grotere afstandelijke – kloppen, beide antwoorden zijn op hun eigen manier waar. Ze leven allebei in mij, ze kleuren mijn dagelijks leven en mijn beslissingen. Ze geven mij allebei vorm, en ze doen dat helder en krachtig. Ze zijn het alleen niet met elkaar eens.
Dit is de grote spreidstand waarmee ik diep vanbinnen leef, elke dag. Het is de kloof die ik moet leren verdragen, en waarover ik bruggen blijf bouwen – met de moed der wanhoop, soms, en hoe breed hij bij momenten ook wordt.

(c) Inaya photography

De psychologie van motoren en autogordels

Ik heb niet veel zin om het huis te verlaten. Maar de zon schijnt en er is een toffe activiteit waar ik een tijdje geleden enthousiast over was. En ik wil er naartoe. Of daar herinner ik mezelf toch aan. Dus ik verplicht mezelf de voordeur uit te stappen.

De buitenlucht voelt prettig. Het geurt al naar herfst. Ik kruip achter het stuur van mijn wagen, steek de sleutel in het contact. De motor slaat aan, de cd-speler herneemt het lied waar hij gebleven was, een melodie waar ik blij van word, en ik krijg vanzelf meer zin in het uitje.

Dat is het moment waarop de motor pruttelt, sputtert en zwijgt. Verweesd zit ik naar de gevel van ons huis te staren.

(c) Inaya photography



Er is niets mis met onze gezinswagen, maakt u zich geen zorgen. Al het bovenstaande is een metafoor. Het is ongeveer hoe mijn leven aanvoelt, de laatste maanden: plannen, goesting, minder goesting want al zo lang stil gezeten, toch een en ander voorbereiden, een efforke doen om naar buiten te komen, het enthousiasme voelen groeien… en stilvallen.

Dat stilvallen ligt niet aan mij, maar aan de omstandigheden. Afzeggingen, doorkruiste plannen, c***-maatregelen. Het maakt niet uit wat het precies is, het gevoel van de wagen starten en dan toch weer stilvallen is zeer acuut.

Er is zoveel wat op dit moment niet kan. Niet meer kan, of misschien nooit meer kan. Geen idee. Ik ga me er ook het hoofd niet over breken, ik kan alleen in het moment blijven en een nieuwe manier vinden om hiermee om te gaan.

Want zolang als ik probeer de auto te starten op de oude manier, in de veronderstelling of de hoop dat hij vaart zal maken en dat we vertrokken zijn voor honderd kilometer autostrade, ‘zoals vroeger’, zál hij stilvallen. Dat is wat heel dit absurd en bijzonder tijdsgewricht nu eenmaal met zich mee blijkt te brengen.

Is er dan geen uitweg? Rest mij alleen frustratie?

Ah, wie mij een beetje kent (of deze blog al een tijdje leest), weet dat ik niet zo in elkaar zit. Frustratie is een energiebom en een energielek tegelijk, daar komt niets goeds van. Zo leef ik niet en zo wil ik niet leven.

Wat mij te hulp komt, is een andere metafoor. En alweer eentje uit de autowereld. Wie had dat gedacht voor zo’n groen kind als ik.

Je kent het gevoel: je stapt gehaast in de wagen, je moet weg. Je klapt het portier dicht, ramt je sleutel in de ontsteking, reikt naar je gordel, trekt de riem naar je toe en… hij blokkeert.

Iedereen die dit al eens meegemaakt heeft (dat wil zeggen: iedereen die ooit in een auto gezeten heeft), weet dat de enige oplossing is: de gordelriem eerst helemaal laten terugkeren in ontspannen toestand, en hem dan pas rustig en langzaam weer aantrekken. Elke bruuske beweging zal resulteren in een nieuwe blokkade. Iets heeft het mechanisme van de gordel geactiveerd, en hoe harder we proberen het te forceren, hoe meer het volhardt om ons te beschermen.

Ontspannen. Onthaasten. Het trager aanpakken.
Hmm, waar kennen we dat van?

(c) Inaya photography



Er zullen nog wel dingen kunnen én lukken in deze Onzekere Nieuwe Wereld – de gordel zal vastgeklikt raken. Maar niet omdat ik er als een gek aan zit te trekken. Omdat ik hem helemaal loslaat en hem vervolgens langzaam – langzaam!, veel langzamer dan gewoonlijk – weer aanhaal, als een vraag, een liefkozing.

Wie vraagt en liefkoost, moet om kunnen met een weigering. Ik heb niets te dicteren in dit hele proces. Maar dat geeft niet. We gaan nergens heen als de tijd er niet klaar voor is. En als de tijd niet klaar is voor een snelle start, dan moeten we ons tempo aanpassen.

Ik aanvaard de beperkingen die mij telkens weer toe grijnzen. Er schuilt een schoonheid in langzaam. Er leeft geduld onder de motorkap. En als de motor van de auto beslist om het finaal te begeven, heb ik nog altijd mijn benen.

ZAAILING #87 – Teufelsschlucht

De omhelzing van de duivel



Het regent en het bos roept. Ga.
Ga peilloos verdwalen.

Alles wat je meebrengt naar het bos, inclusief jezelf, kan ontbinden. Daarvoor is het ook bedoeld.
Emoties zijn herfstbladeren. Herinneringen zijn humus. Lang voor je lichaam zich uitstrekt om deel te worden van de bodem, ben je al ontelbare keren verzonken en vergaan.

Alles wat leeft, teert op iets wat voorbij is. Van rottende bladeren tot herinneringen: we stampen het eerst dieper de bodem in, laten het in het duister bezinken en vermolmen. Precies daaruit bouwt het leven zichzelf vervolgens weer op.

We houden niet zo van dat idee, wij mensen. Bij doodgaan denken we aan engelen en licht en liever niet aan de oerkracht van vochtige bosgrond. Geen wonder dat we de natuur aan de duivel gingen toeschrijven. Wie haar kende en respecteerde, noemden we heks. Wie haar vernietigde, noemden we slim en ondernemend. Kijk waar dat ons gebracht heeft, intussen.

Want er bestaat niet zoiets als ongeworteld zijn. Afgesneden, dat wel. Door het gerommel in ons hoofd, door de kletspraatjes of verheven sprookjes. En we kunnen onszelf mooi heersers van de schepping wanen, de tijd en het landschap weten eindeloos veel beter. De duivel krijgt altijd gelijk.

Dus zak maar dieper in de greep van de bodem. Los langzaam op in de regen. Je kunt verdrinken in bossen en rotsen zonder ooit in ademnood te komen.

En wat van ons overblijft, gestold en versteend en omhelsd door laag na laag bezonken rots, werkt zich op een dag wel weer naar het licht.


Sommige duivels zijn geen sprookjes, en in het ene landschap is de levende geschiedenis van de bodem een stuk tastbaarder dan het andere. Ik verloor een paar jaar geleden mijn hart aan de fenomenale geologie van Teufelsschlucht, en vorige zomer namen we er Jurgen en zijn gezin mee naartoe. Van hoosbuien tot stralende zon, we kregen het op onze wandelingen allemaal. Een tocht door dit landschap kan je alleen maar nederig maken.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Als boeken pijn doen

(c) Inaya photography



Ik lees Siri Hustvedts Memories from the future. Het is een van de zeldzame fictieboeken die ik de laatste tijd in handen heb. Ik geniet van de vloeiendheid van haar proza, de beelden die ze schetst, de manier waarop mensen, hun manieren en gevoelens overvloeien in het rijke en rauwe decor van New York. Ik apprecieer haar ritmes, haar associaties, de psychologische diepgang van haar personages die overtuigend is, nergens geforceerd en toch niet zó vanzelfsprekend.

Ik ken Hustvedt al meer dan twintig jaar. The blindfold stond op onze leeslijst in de 1e kandidatuur Germaanse Talen (zoals dat toen nog heette).

Net als kinderherinneringen soms scherper zijn dan latere, heb ik een aantal heldere snapshots overgehouden aan dat eerste jaar unief – veel meer dan aan de drie jaren die volgden. Zo weet ik dus nog dat professor Kris Versluys ons behalve Hustvedt toen ook E. L. Doctorow en Paul Auster te herkauwen gaf. Zijn leeslijst bood ons een keur aan Amerikaanse schrijvers, en het thema dat de boeken verbond, was de grootstad.

Dat eerste jaar Germaanse was een bijzonder moeilijk jaar voor mij, niet per se als student maar zeker als lezer. Nu pas, door Hustvedt weer te lezen, begrijp ik waarom. En ik begrijp ook waarom ik de schrijver geworden ben die ik ben.

Toen ik in de lange rij banken van Auditorium E op de Blandijnberg belandde, krap zeventien, kwam ik uit een beschermend milieu en was mijn grote liefde jeugdliteratuur. Ik was hooggevoelig en ik had nog maar nauwelijks mijn emotionele voeten op de grond. Ik dronk niet, ik rookte niet en ik had nog nooit seks gehad. Ik was, in alle opzichten behalve het spirituele en het creatieve, een kind.

Enter Kris Versluys en de Amerikaanse meesters van de grootstadliteratuur.

Ik haatte bijna elk boek dat ik moest lezen.

Let wel, ik vond zijn lessen interessant. En zeker niet elk boek van dat hele eerste jaar viel tegen. Zijn collega professor Rowan liet mij kennismaken met Jeanette Winterson, over wie ik uiteindelijk mijn thesis zou schrijven en wiens werk een blijvende invloed op mij zou hebben. In de praktijklessen maakte ik kennis met Engelse klassiekers zoals Jane Austen, Shelly en Tennyson.

Maar toch. Ik had het lastig. In de twaalf jaar school die aan de universiteit vooraf gingen, had ik altijd genoten van lezen. Nu werd ik geconfronteerd met boek na boek waar ik me doorheen moest worstelen, zowel in het Engels als in het Nederlands. Niet omdat ze saai waren, of taai, of omdat hun taal oud was en ver van mij af stond (hoewel dat soms wel versterkende factoren konden zijn). Ze waren pijnlijk.

(c) Inaya photography



Lezen was altijd mijn ontsnapping uit de realiteit geweest, boeken waren veilige plekken voor mij. Ik identificeerde mij diep met personages. Wat ze voelden, meemaakten en deden, kwam ongefilterd door mijn hooggevoelige membranen binnen. Ik werd aangetrokken tot meer fantasierijk werk, verhalen die mij voedden en innerlijk hielpen groeien. Nu kreeg ik plots alleen maar realistische boeken te lezen waarin mensen slechte beslissingen namen, in afschuwelijke omstandigheden leefden, pijn hadden, in hun ongeluk liepen – en dat de doodnormaalste zaak van de wereld vonden, al dan niet strijdend tegen een noodlot waarvan ze niet konden winnen. Vaak was fantasie ver te zoeken. Hoe realistischer en intellectualistischer hoe liever mijn docenten het hadden. De kwaliteit van het werk dat ze voor ons kozen wil ik niet in vraag stellen, maar ik vond het stuk voor stuk pijnlijke, deprimerende boeken.

Siri Hustvedt roept die herinnering levendig wakker. Ik heb meer eelt op mijn hooggevoelige voelsprieten en ik lees haar nu met het appreciatieve oog van een professional, niet met de emotionele onschuld van het zeventienjarige kind. Daarom geniet ik ook van Memories of the future Maar had Versluys mij indertijd dit boek voorgeschoteld, ik had het ook gehaat.

Het hoofdpersonage in Memories of the future is een jonge vrouw die naar New York gekomen is om te schrijven. Ze kent er niemand en leeft moederziel alleen in een bijna kale flat. Ze dwaalt in het begin van het verhaal door de straten, leest, schrijft en probeert niet gek te worden van eenzaamheid. Ze wordt uitgescholden door een voorbijganger, ze wordt aangeklampt door een geile student in een bar. De buurvrouw in het appartement naast het hare praat hele avonden lang tegen zichzelf, luid genoeg dat zij het kan horen, over een mishandelende echtgenoot en een kind dat uit het raam geduwd werd en stierf. Ze raakt steeds meer in de ban van die stem en haar raaskallende verhaal.

Gezellig is anders, zacht gezegd. Hustvedt beschrijft het op een beklijvende manier, en ze maakt het dubbel interessant omdat de herinneringen van de jonge vrouw worden doorspekt met commentaar van haar oudere alter ego, én door fragmenten van het detectiveverhaal dat ze als groentje in New York probeerde te schrijven, in dat desolate appartement.

Dat zie ik nu, en dat maakt ook dat ik met plezier blijf doorlezen. Maar als zeventienjarige zouden de leefomstandigheden van het hoofdpersonage me naar de keel gegrepen hebben. Ik zou me vertwijfeld hebben afgevraagd waarom dat meisje daar in hemelsnaam wilde blijven. Hoe ze het kon verdragen om die buurvrouw naast zich te hebben. Ik zou mezelf in haar plaats gezet hebben alsof dit het echte leven betrof (want zo voelde het toen ook voor mij) en ik zou helemaal in paniek geslagen zijn.

(c) Inaya photography



Maar paniek is geen toegestane emotie op de universiteitsbanken. Dus las ik door, studeerde wat ik moest studeren, probeerde te begrijpen wat mij aan de hand van al deze boeken uitgelegd werd door mijn proffen. Ik leerde veel bij, maar ik raakte mezelf ook bijna kwijt.

Ik was literatuur gaan studeren omdat ik van boeken hield en omdat ik ze zelf wilde schrijven. Ik had behoefte aan technisch inzicht, en aan verhalen die een klankbord boden aan zowel mijn creatieve honger als mijn (spirituele) gevoeligheid. De opleiding in de Germaanse voldeed beslist aan de eerste behoefte – de solide basis van het technisch inzicht dat ik nu heb, vindt daar zijn oorsprong.

Maar mijn gevoeligheid werd afgestraft met bijtend verhaal na bijtend verhaal. Ik las vier jaar lang niets waarin ik mezelf of mijn eigen verhaalvoorkeuren kon terugvinden (op Jeanette Winterson na, maar zij bood eerder een lichtend voorbeeld dan een herkenning). Toen ik afstudeerde, las ik het daaropvolgende jaar helemaal niets, zo plat gemept was ik. En ik ben nog veel langer blijven twijfelen of ik eigenlijk wel iets kon schrijven wat de moeite waard was. De Literaire Canon was een presse-papier van beton, en ik was het vlindertje dat eronder lag.

(c) Inaya photography



Laat dit niet geïnterpreteerd worden als een kruistocht tegen een academische literatuuropleiding. Het is mij nu meer dan ooit duidelijk dat dit op veel vlakken voor mij persoonlijk gewoon niet de meest stimulerende omgeving was. Voor anderen was het juist water waarin ze fantastisch konden gedijen.

Het maakt ook niet meer uit. Ik ben de weg gegaan die ik gegaan ben, en ik ben het product van al mijn ervaringen. De kneuzingen en littekens van toen doen geen pijn meer, ze jeuken hoogstens nog een klein beetje. Ik kijk er nu vooral met interesse naar. En ik begrijp mezelf nu zoveel beter dan toen.

Het heeft een hele tijd geduurd voor ik in het reine was met het idee dat ik al die pijnlijke, deprimerende boeken misschien wel knap werk vond, maar geen mooie boeken. Ze onderzoeken de condition humaine en ze doen dat meesterlijk, maar ze bieden er geen oplossing of uitweg voor. Het mensbeeld dat eruit spreekt, is vaak somber en uitzichtloos. En ik vind dat, als ik eerlijk ben, tot op vandaag van heel veel literair werk.

Zelf wil ik werk maken dat mensen raakt en hen op een of andere manier een beetje laat groeien. Werk waar schoonheid en hoop in zit. Innerlijke voeding of medicijn, in de vorm van een boek, een gedicht, een verhaal. Of in de vorm van alle andere dingen die ik daarnaast ook nog doe.

Erik Vlamink zei ooit: ik kan alleen maar de boeken schrijven die ik schrijf als ik ne gelukkige mens ben. Wel, voor mij geldt dat ook. En van deprimerende boeken over de condition humaine als status quo, hoe knap geschreven ook, word ik niet gelukkig. Zo eenvoudig is het. Ik heb mezelf dus ruim een decennium geleden de toestemming gegeven dat ik ze niet meer hoef te lezen.

(c) Inaya photography



De ruimte op mijn boekenplanken is beperkt, en ik heb sympathie voor Marie Kondo. Wat voor meesterwerk het ook is, if it doesn’t spark joy, komt het er niet in.

The blindfold is het enige boek van Versluys’ lijstje dat vandaag nog in mijn kast staat. Memories of the future mag er binnenkort naast gaan staan. Mijn overgevoelige jonge leeszenuwen naast mijn meer ervaren en veel robuustere zelf. Siri Hustvedt zou de symboliek kunnen appreciëren.

Het Grote Loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb een nieuw boek uit, dat wist u vast al. De Wortels van de Wereld is van de persen gerold, het is piekfijn in orde en het is verkrijgbaar in elke boekhandel. Dus komt er… geen boekvoorstelling. Ah nee, het corona-effect: de angst voor besmettingen, en de onmogelijkheid om wat dan ook te organiseren dat naar cultuur en gezelligheid ruikt waar meer dan drie man bij elkaar zit. Het contrast met het feestelijke onthaal van De serres van Mendel in de Plantentuin van Meise en meer dan honderd aanwezigen op de voorstelling vorig jaar kan niet groter zijn.

In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zit ik nu niet in zak en as. Ook dat is een corona-effect. De Gekroonde Leermeesteres, zoals schrijver en sater Jeroen Olyslaegers dit virus in het voorjaar al doopte, leert ons enorm veel, als samenleving en als individu, of we dat nu fijn vinden of niet en ook als we daar totaal niet op zaten te wachten.

Ze heeft gezorgd voor een snelkookpan waarin allerlei dingen die al lang aan het sluimeren waren nu in een veel hogere versnelling gaan, maatschappelijk en persoonlijk. Van sociale en economische ongelijkheid tot ethisch engagement, van ziekte en scheiding tot hartsverbondenheid, van depressie tot innerlijk ontwaken, het landschap is even divers als wij mensen dat zijn, maar al die processen hebben gemeenschappelijk dat ze dieper worden, krachtiger en duidelijker omlijnd.

In mijn persoonlijk geval leert deze snelkookpan mij wat ik nog het beste kan samenvatten als het Grote Loslaten.

(c) Inaya photography



Dat gaat over kleine dingen en heel grote dingen. Over constant aanpassen aan maatregelen waar ik soms heel goed, dan weer totaal niet het nut van inzie, over omgaan met wat mij benauwt en ergert, over persoonlijke evenwichten vinden in een voortdurend veranderend landschap. Het gaat over geen enkel plan kunnen maken, persoonlijk noch professioneel, en de plannen en ambities die er toch nog waren, als strohalmen om mij aan vast te klampen, stelselmatig moeten loslaten en uitwuiven terwijl ze verdwijnen op de wind.

Die boekvoorstelling is een goed voorbeeld. We hadden een aantal concrete ideeën, scenario’s en contacten voorbereid, maar in augustus kon er niks. In september is het voor velen nog te riskant en te flou en zelfs voor oktober houden velen uit voorzichtigheid de boot af. Ik hoor uitspraken als: alles even on hold, maar misschien over een paar maanden, misschien volgend jaar…

Ik hou niet van misschiens. Ze klemmen mijn gedachten vast, ze maken dat ik me mentaal ga vasthaken. Dus Laat ik Los. De boekvoorstelling komt er niet? Oké, dan hoefde ze misschien niet. Het idee lost op als een ademwolkje in de winterlucht.

Dat is zeer bevrijdend. We werken aan een alternatief om Wortels onder de aandacht te brengen in de boekhandels en er bestaat een mogelijkheid dat we later dit najaar nog iets concreets rond het boek kunnen gaan doen, maar ook dat is een groot misschien, dus ik ga er nu geen mentale energie in steken, laat staan een houvast van maken. Ik zie het wel als het zover is. En als het er niet van komt: ook prima.

(c) Inaya photography



Ik weet het, ik laat het simpel klinken, en dat ik hier financieel niet van moet overleven, helpt natuurlijk wel. Maar ook zonder dat aspect was dit soort van loslaten heel lang helemáál niet zo simpel voor mij.

Ik heb een sterk hoofd, met gedachten die plakkerig en hardnekkig kunnen zijn. Net als bijna iedereen ben ik opgegroeid zonder het verschil te kennen tussen wat ik dacht en wie ik was, tussen de mentale boodschappen in mijn hoofd en wat daar écht van klopte.

Die kwetterende stem in ons hoofd, die ons voortdurend aanstuurt met oordelen, angsten, projecties voor de toekomst en herkauwsel van het verleden is onwaarschijnlijk krachtig. Die stem leren herkennen en ze zachtjes loskoppelen van mijn beslissingen en mijn welbevinden, zoals ik in de loop van de laatste tien jaar steeds beter heb geleerd, is een stevige brok werk. Je glijdt er zó terug in af, het is een eeuwig herbeginnen. Maar als het een beetje begint te lukken, is het een weldaad. En ik ben er intussen behoorlijk goed in geworden.

Natuurlijk ga ik ook nog eens onderuit en zijn er momenten waarop iets hard binnenkomt en lastig los te laten is. Maar die momenten zijn veel minder talrijk, en het loslaten gaat veel sneller, en veel beter. Ik was daar al een heel eind in opgeschoten voor Covid-19 ons leven op zijn kop kwam zetten, maar de verinnerlijking en verstilling van de corona-lockdown zorgden echt voor een soort van innerlijke upgrade.

Het Grote Loslaten voelt als overschakelen van een gammele oude fiets op een gestroomlijnd nieuw model (of voor wie net als ik weinig fysieke reserves heeft: eentje met robuuste elektrische ondersteuning). Je moet nog steeds je evenwicht houden, op de trappers duwen en sturen, maar wát een verschil van reiskwaliteit.

(c) Inaya photography



En van al dat loslaten word ik vanbinnen niet leger. Ik word vooral helderder, vrij van mentale rommel en ruis, van kleverige gedachten die nergens naartoe gaan en alleen maar ronddraaien op hun eigen boze draaimolen.

Ik kan naar de horizon kijken met aandacht voor de kwaliteit van het licht op het landschap, voor de schoonheid van het moment, zonder mij af te vragen wat er voorbij die heuvelruggen ligt. Daar zal wel iets liggen, natuurlijk. Maar ik kan het niet zien en ik hoef daar nu totaal niet mee bezig te zijn. Ik zal het wel merken als ik daar ben.

Nu ben ik hier. En dat is voldoende.

Je gewassen eronder ploegen

(c) Inaya photography


Soms komt er vanzelf een zinnetje in mijn hoofd zitten. Een frase uit een liedje, of een zin uit een boek. Het kan jaren geleden zijn dat ik het voor het laatst zag of hoorde, maar plots dringt het zich op. En het blijkt bijna altijd relevant voor een kwestie waar ik op dat moment mee bezig ben.

Een zin die zich de laatste tijd al een paar keer kwam aandienen, is deze: ‘zoals een boer die zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten’.

Bizar? Niet echt als je weet uit welk boek het komt (De weg van de alchemist van Catherine MacCoun). Het trof me de eerste keer dat ik het las meteen als een onwaarschijnlijk krachtig beeld. Het gaat over het bereiken van meesterschap, en dat vervolgens weer opgeven.

(c) Inaya photography



MacCouns boek is een van die weinige op die boekenplank waar het maar al te vaak een commercieel en zweverig circus is, die kennis en ervaring combineert met humor en helderheid. Een boek als Meditations on the Tarot, een van de standaardwerken in het hermetisme (dat ik door haar verwijzing ook ging lezen), is fantastische literatuur van een heel andere orde, maar ook bijzonder… euhm, hermetisch. MacCoun daarentegen is toegankelijk. Als ik haar stem lees, vind ik haar sympathiek. En ze weet waarover ze het heeft, zonder dat ze gaat opscheppen of met wierook zwaaien.

Dat wil niet zeggen dat je alles wat ze beschrijft zomaar snapt. Of kunt toepassen. En dat is een van de redenen waarom ik het een interessant boek vond. Het zette mij op nieuwe manieren aan het voelen en aan het denken over veel dingen waar ik al mee bezig was.

Het zinnetje over de boer komt uit het laatste hoofdstuk van het boek, waarin ook Shakespeares tovenaarspersonage Prospero uit The Tempest besproken wordt, en zijn beslissing om aan het einde van het stuk zijn wraak en al zijn magische krachten op te geven:

“Dit is het gebaar dat van een gewone magiër een alchemist maakt. Het is de zevende fase van het Grote Werk: het vrijwillig opgeven van alles wat voorheen verworven is. In zekere zin sublimeert het de vruchten van de sublimatie, zoals een boer zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten.” (De weg van de alchemist, p.270)

(c) Inaya photography



Het is een vorm van overgave die lastig te begrijpen is, ook na het lezen van het boek. MacCoun zelf kan die laatste stap ook niet helemaal helder uitleggen en is daar heel eerlijk over. Sommige dingen zijn alleen maar te ervaren en ontsnappen ultiem aan de kracht van woorden.

Het beeld van de boer die zijn oogst, volgroeid en voedzaam, weer onder de aarde van zijn veld ploegt, strijkt tegen de haren in. Wat een verspilling! Wat een zonde van al zijn tijd en zijn harde werk! Tenzij… het harde werk en het proces ernaartoe de bedoeling waren, maar het product niet is waar het om draait.

Ik kan wel vermoeden waarom mijn onderbewuste mij de afgelopen weken al een paar keer dit beeld geserveerd heeft. Het bergt echo’s van een gevoel dat ik al een tijdje heb. Het heeft iets met overgave te maken, met het opgeven van ambities en concrete verlangens, met het besef dat de weg die afgelegd is niet blijkt te draaien om geboekte resultaten maar om het feit dat je er zelf, tijdens het lopen, door veranderd werd.

(c) Inaya photography



Dit is, zeker gezien de ravage die Covid-19 door al onze levens trekt op dit moment, geen slechte plek om mij te bevinden. Integendeel. En tot op zekere hoogte zie ik parallellen met waar we ons bevinden als mensheid, op dit scharniermoment in de tijd. Maar ik kan de mensheid en de evolutie van de planeet niet op mijn eentje torsen, zoveel heb ik al lang begrepen. Ik kan wel proberen mijn deel te doen, door mij op een gefocuste en constructieve manier bezig te houden met mijn eigen kleine stukje van de puzzel.

Ik kijk achterom naar mijn donkere, vruchtbare veld, waarin alles waar ik twintig jaar innerlijk mee bezig ben geweest weer in de aarde geploegd ligt, en ik ben dankbaar. De rijkdom die het resultaat is van al die jaren hoef ik niet te proeven om erdoor gevoed te worden.

(c) Inaya photography

Jardin clos

Een visioen * een sprookje * een bestemming

(c) André Vanlierde

Er was eens een meisje dat in een zeepbel leefde. Ze droomde met haar ogen open, ze liep op de tippen van haar tenen door de wereld.

Op zeker moment werd ze te groot voor haar bubbel. Toen die knapte, had ze het een tijdje moeilijk. De wereld daarbuiten was groot en woelig, koud en druk. Het was geen veilige plek. Maar ze bleef de ene voet voor de andere zetten en probeerde zich aan te passen. Ze durfde steeds meer, en stilaan raakten niet alleen haar tenen maar ook haar voetzolen de grond.

Ook toen ze opgroeide, bleef het leven haar voor raadsels stellen. Wat moest ze hier beginnen, in dit enorme circus? Ze leerde haar stem gebruiken. Ze leerde dat woorden, in elke vorm, haar vrienden waren. Op papier kregen ze vleugels, en zij vloog mee.

(c) André Vanlierde & IP



Toen haar vleugels sterk geworden waren en de woorden haar de hemel getoond hadden, en het licht van de zon zoals dat scheen boven de wolken die als donzen bergen tot aan de einder reikten, voelde ze hoe de grond haar riep. Dus keerde ze terug naar beneden.

Daar vond ze een tuin, een rijke, bloeiende plek, vol bomen en struiken en bloemen en waterlelies. Het was een geheime tuin, een groene wildernis die overliep van leven en schoonheid. Er liep een stevige muur eromheen, helemaal begroeid met mossen en klimop en allerlei groene stengels. De vrouw voelde zich er veilig. Ze zorgde voor alles wat er groeide en bloeide en leefde, en ze werd steeds meer deel van de tuin.

(c) Inaya photography



Alle dingen die ze tot dan toe had geleerd en gedaan, kon ze daar nu gebruiken. Ze praatte tegen de planten. Ze vertelde verhalen tegen de vlinders. Ze sloeg haar armen om de stammen van bomen en kroop in hun kruin. Ze plantte en wiedde, ze zaaide en liet begaan. Ze groef naar wortels en at vruchten recht van de struiken. Ze maakte van de tuin een diepe plek, een wilde, vruchtbare plek, een magische plek.

Mensen uit de buitenwereld waren er welkom. Er was een kleine deur en die liet de vrouw bijna altijd open. Wie bij haar wilde zijn en goed keek, vond vanzelf de weg naar binnen. Er was vriendschap, wijsheid en verbondenheid. En om hen heen groeide en bloeide de tuin.

Moeders maken de mooiste foto’s (c) Grietje Bruyland



Zelf ging de vrouw ook nog wel naar buiten, maar het gebeurde steeds minder, en alleen op belangrijke momenten. Dan droeg ze de gloed van haar tuin met zich mee, en als ze sprak, hoorden sommigen geen woorden maar het lied van de vogels, of het ruisen van de wind in de boomtakken.

Hoe oud ze is geworden, weet niemand. Er wordt verteld dat ze op een dag ging zitten aan de rand van de vijver in haar tuin en niet meer opstond. Ze veranderde in een waterlelie, die met haar wortels diep in de donkere vijvergrond stak, haar zachte groene bladeren oprichtte om de dauw te vangen en haar kelken liet uitbarsten in een lied van licht.

(c) Inaya photography

De ligstoeltoestand

(c) Inaya photography



Ik kreeg niets gedaan deze vakantie.

Is dat niet waar vakanties voor dienen, hoor ik u denken. Om achterover te liggen in een strandstoel en niets gedaan te krijgen?

Meestal wel, inderdaad. Het was ook lang zo voor mij. De openingspassage van Anne Morrow Lindberghs Gift from the sea beschrijft bijzonder treffend het gevoel dat ik als adolescent en later als volwassene vaak had als ik op vakantie ging aan zee: hoe de immense ruimte die gecreëerd wordt door strand en water, de getijden en de wind, alles wegspoelt van concrete gedachten en plannen die je misschien nog heimelijk op zak had. Ik ben vaak aan vakanties begonnen met het idee: dan ga ik eindelijk schrijven. En na twee dagen gaf ik het op, of er nu zee aan te pas kwam of niet. Er lukte totaal niets. En dat was niet erg.

Lindberghs woorden zijn zó mooi, en zó juist, dat ik ze hier graag deel in een gelegenheidsvertaling.

(c) Inaya photography



“Het strand is niet de plaats om te werken; om te lezen, te schrijven noch te denken. Dat had ik moeten weten van vorige jaren. Te warm, te vochtig, te vormeloos voor werkelijk mentale discipline of scherpe scheervluchten van de geest. Maar je leert het nooit. Hoopvol zeul je de verschoten rieten mand mee, uitpuilend met boeken, wit papier, achterstallige correspondentie, vers geslepen potloden, lijstjes, en goede voornemens. De boeken blijven ongelezen, de potloden breken hun punten, en de papieren blijven even blank en smetteloos als de wolkeloze lucht. Er wordt niet gelezen, niet geschreven, zelfs niet helder nagedacht – tenminste, niet meteen.

Eerst neemt het vermoeide lichaam het over. Cruisegewijs laat je je zakken in de apathie van de ligstoel. Je wordt tegen je eigen hoofd en al je keurige voornemens in teruggedrongen in de oeroude ritmes van de kustlijn. De golven die aanspoelen op het strand, de wind in de pijnbomen, de trage vleugelslag van reigers over de duinen, ze overstemmen de hectische ritmes van stad en verkaveling, van uurroosters en schema’s. Je bezwijkt onder hun bezwering, je ontspant, gaat languit liggen. Je wordt in feite zoals dat element waarop je ligt, uitgevlakt door de zee; bloot, open, leeg als het strand, door de getijden van vandaag blank gegomd van alle krabbels van gisteren.

En dan, ergens in de loop van de tweede week, wordt de geest wakker, komt weer tot leven. Niet in de stadse zin – nee – zoals de zee. Hij begint te zwalpen, te spelen, om en om te rollen in zachte, achteloze tuimelingen zoals die lome golven in de branding. Je weet nooit welke toevallige schatten deze onbewuste deining naar boven zal woelen en tot op het gladde witte zand van de bewuste geest zal dragen; een perfect gepolijste steen, een zeldzame schelp die rustte op de zeebodem. Een wentelwulk misschien, een maanschelp, of wie weet zelfs een papiernautilus.

Maar je mag er niet naar zoeken, of – godbetert! – naar graven. Nee, geen gebagger op de zeebodem hier. Dat zou de hele onderneming zinloos maken. De zee beloont niet wie te gehaast is, te hebberig, te ongeduldig. Naar schatten graven is niet alleen een teken van ongeduld en hebzucht, maar ook van een gebrek aan vertrouwen. Geduld, geduld, geduld, dat is wat de zee leert. Geduld en vertrouwen. Je moet leeg liggen, open, blank van keuze als een strand – en wachten op een geschenk van de zee.”

(Anne Morrow Lindbergh – Gift from the sea, Chatto & Windus Publishers, p. 21-23 – mijn vertaling. Engels origineel: zie onderaan deze blog)


(c) Inaya photography



En zo was het dus ook voor mij, heel lang. Vakantie was: overal de stekker uit trekken. Het was aanvaarden dat ik er bijvoorbeeld niet in zou slagen om te schrijven, dat dat vreemd genoeg beter lukte in de scherpte van het dagelijkse werkleven, zelfs al leek er dan juist minder tijd voor te zijn. Ik had Anne Morrow Lindbergh toen nog niet gelezen, maar elk woord dat ze schrijft, komt overeen met mijn ervaring.

Alleen de laatste jaren was daar wat verandering in gekomen. Dat viel samen met het steeds regelmatiger schrijven van deze blog, en het (her)ontdekken van het artistieke proces aan de hand van de Zaailingen. Die creatieve dialoog luwde wel een beetje tijdens de zomermaanden, maar viel nooit echt stil. En omdat ik op mijn blog zoveel te vertellen had dat altijd bruggen sloeg tussen mijn dagelijks leven, mijn innerlijke omzwervingen en mijn ambacht, gingen werk en leven steeds meer in elkaar overvloeien en ging de blog gewoon mee op vakantie. Mijn hoofd en mijn creatieve drive stonden in feite nooit meer af.

Dit jaar lukte het niet. Ik ging met mijn gezin naar mijn ouders, heel blij hen terug te zien en een paar weken uit de benauwde Covid-bubbel van Vlaanderen te kunnen ontsnappen naar de uitgestrekte vergezichten van het Franse platteland. Het was er warm en weldadig. We kozen onze zeer schaarse ontmoetingen zorgvuldig en genoten daarvan. Op de markt droeg iedereen mondkapjes, maar het was gezellig. Ik hielp mijn mama met de planten en het eten, we praatten, we lazen, speelden spelletjes, redden beestjes uit het zwembad waarin mijn zoon elke dag rond plonsde en ik nu en dan eens ging zwemmen. Er moest niets, er was tijd en ruimte.

(c) Inaya photography



Ik voelde me prima, maar for the life of me kreeg ik geen blog uit mijn pen gewrongen. Ik maakte wel een paar krachtige momenten mee, maar ik voelde dat ik ze zelf eerst moest laten bezinken voor ik er iets over zou kunnen schrijven. Ik werkte één Zaailing af, omdat ik met een vormelement wilde experimenteren (die delen we misschien nog, of misschien ook niet), maar het had veel weg van kleine brokjes taal weghakken uit massief en ontoegeeflijk graniet, en nadien had ik totaal geen fut meer om woorden te formuleren, er stroomde niets.

Dat was best bevreemdend en het duurde even voor ik het door had: ik was op vakantie gegaan. Echt, dit keer. Mijn geest was overgegaan op ruis, zoals het geluid van de wind in de eiken aan het zwembad, en vervolgens op zachtjes zwalpen en dobberen.
Ik verwelkomde de ligstoeltoestand, de warme, aardige vorm van apathie. Dan registreer je, voel je, laat je alles komen en gaan. Dan geniet je en kom je tot rust. Maar dan schrijf je geen heldere stukken.

Dus dat is wat ik deed, de afgelopen weken. Niets. Het was nodig. Het mocht.

En nu ben ik er weer. Met goesting. Met een vers geslepen potlood, zoals Anne Morrow Lindberg het zegt, en mijn geest verfrist en gescherpt.

Er staat heel wat te gebeuren. En de woorden zijn er ook klaar voor.

(c) Inaya photography





Anne Morrow Lindbergh – Gift from the Sea (p.21-23)
The beach is not the place to work; to read, write or think. I should have remembered that from other years. Too warm, too damp, too soft for any real mental discipline or sharp flights of spirit. One never learns. Hopefully, one carries down the faded straw bag, lumpy with books, clean paper, long over-due unanswered letters, freshly sharpened pencils, lists, and good intentions. The books remain unread, the pencils break their points, and the pads rest smooth and unblemished as the cloudless sky. No reading, no writing, no thoughts even – at least, not at first.
At first, the tired body takes over completey. As on shipboard, one descends into a deck-chair apathy. One is forced against one’s mind, against all tidy resolutions, back into the primeval rhythms of the sea-shore. Rollers on the beach, wind in the pines, the slow flapping of herons across sand dunes, drown out the hectic rhythms of city and suburb, time tables and schedules. One falls under their spell, relaxes, stretches out prone. One becomes, in fact, like the element on which one lies, flattened by the sea; bare, open, empty as the beach, erased by today’s tides of all yesterday’s scribblings.
And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no – but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a chanelled whelk, a moon shell, or even an argonaut.
But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach—waiting for a gift from the sea.

De Wortels van de Wereld: het boek van deze tijd

ISBN 9789463832038



Het is er… Het boek dat we bedachten in tempore non suspecto maar dat de afgelopen maanden in sneltempo surrealistisch veel relevantie kreeg voor de toestand waarin we ons vandaag bevinden.

De Wortels Van De Wereld is een verhaal over een natuurkracht die groter is dan wij, over durven (of moeten) loslaten, over verdriet. Maar het is ook een verhaal over je hart volgen voorbij de grenzen van het bekende en vertrouwde, en in een wereld waarin je niets nog herkent zoeken naar de plek waar je thuiskomt.

Ik hoop echt dat dit boek heel veel lezers bereikt. Niet omwille van verkoopcijfers of bekendheid en nog meer van dat fraai egotripperigs en commercieels, maar omdat dit wat mij betreft het verhaal is van deze tijd. Met worstelingen waar we allemaal op onze eigen manier doorheen gaan. Met vragen waarop meer dan één antwoord is en geen enkel is fout, of makkelijk.

Dit is het boek waaraan ik alles gegeven heb wat binnen mijn mogelijkheden lag, omdat ik voelde dat dat van mij gevraagd werd. Door het verhaal, en door wat áchter het verhaal zit. Dat vatten in de meest eenvoudige, toegankelijke bewoordingen was nog de grootste uitdaging van allemaal. Ik hoop dat ik het recht heb gedaan. Want dit is iets wat veel groter is dan ik, of zelfs wij allemaal. In de wortels van de wereld klinken stemmen die spiralen van sterren met elkaar verbinden.
Nu is het aan ons om nieuwe paden te vinden waar de weg plots afgesloten lijkt.

Het was andermaal een voorrecht dat mijn hart en ziel vervult om dit werk te maken in co-creatie met Jurgen Walschot en de gebeurtenissen die we samen bedachten en die ik probeerde te vatten in woorden tegelijk tot leven te zien komen doorheen zijn blik.

Dank aan het team van Van Halewyck/Pelckmans Uitgevers, dat ook klappen te verwerken kreeg tijdens het begeleiden van dit boek, en aan Julie Verhaert voor het oneindige vertrouwen en de warme samenwerking.

Robin in de grot (c) Jurgen Walschot