Langzaam afscheid

Iedereen die ooit aan een ziekbed heeft gezeten, weet hoe het voelt: langzaam afscheid nemen. Niet willen dat het voorbij is. Bidden dat het eindelijk mag eindigen.
In de tegenstrijdigheid en de intensiteit van beide gevoelens ligt een bijzonder spanningsveld. Pijnlijk. Kostbaar. Levend, zoals alleen leven in het moment dat kan zijn.

Mijn leven is goddank geen ziekbed, het mijne noch dat van iemand die ik graag zie. Maar ik herken het spanningsveld wel. Mijn professionele opzegtermijn is aan het korten. De weken (eigenlijk dagen) om afscheid te nemen van wat eens was en nu stopt, om bewust los te laten en mijn blik te richten op andere horizonten, worden steeds krapper.

Ik heb het ‘aftellen’ lang op afstand kunnen houden. Ik doe het nu eigenlijk nog altijd niet. Maar ik voel de tijd bewuster dan ooit aan het werk.

Als iets op een abrupte wijze uit je leven verdwijnt, noemen ze dat ‘de korte pijn’. Vaak komt die nadien meer dan eens weer opzetten om verwerkt te worden, dus zo kort zou ik hem nu ook niet noemen. Dan liever dit langzaam afscheid, bitterzoet, langgerekt. Met tijd voor weemoed, spijt bijna, en toch weten dat het juist is. Met ruimte om door vertrouwde gangen te lopen en te denken: toeme toch, ik was hier graag. Maar ook: het is tijd dat dit stopt.

Elke omhelzing verstikt als ze te lang duurt, schreef ik in STROOM. En dat is nog altijd even waar.
Dus maak ik mij nu los. Zachtjes. Langzaam.

(c) Inaya photography
Advertenties

Het overgangsteam

Tara Mohr, een van de mooie wijze vrouwen wiens werk ik las en die ik een paar jaar geleden een uur lang kon spreken voor een interview (dat Engelse gesprek lees je trouwens hier), zei ooit: We are the transition team.

Vrouwenrechten gaan niet op een paar decennia in orde zijn, zei Mohr, daarvoor is de erfenis van het patriarchale systeem en het mannelijk geörienteerd denken te diep en te sterk. Maar we hebben al enorme stappen gezet op relatief korte tijd, en er zullen er nog volgen. In plaats van gefrustreerd te raken over waar we ‘nog maar’ staan, kunnen we ons beter vasthouden aan de idee dat wij het overgangsteam vormen, dat we een stukje zijn van een beweging die onszelf overstijgt en die de wereld van één tijd naar een andere leidt. Daar zal langer overheen gaan dan onze generatie alleen. We hoeven ons dus niet uit het lood te laten slaan als het traag gaat. We zullen het einde ervan ook niet meer meemaken. Belangrijk is wel dat we doen wat we kunnen.

(c) Inaya photography

Ik geloof nog altijd dat ze gelijk heeft. Ik had alleen gehoopt dat die overgang waarover ze het heeft een beetje minder op de processie van Echternach leek. Stappen achteruit zetten, is niet fijn. En de Machtige Mannen die met goedkope praatjes verkozen worden (en de onnadenkende scharen volgers die ze in hun kielzog meesleuren) geven aan dat we toch nog wel een beetje worstelen met dat vooruit gaan. Sterker: een heleboel mensen zouden maar al te graag een fors aantal passen achteruit zetten, in ruil voor de illusie van veiligheid en stabiliteit. Ten koste van dezelfde groepen als altijd: vrouwen, kinderen, zachte zielen, denkers, minderheden. Alfa-man regeert, vrouwtje broedt en zorgt. Wat kan er nu beter zijn?

Ik was bezig aan een boze, bange, bezorgde blog hierover. Hij wilde niet zo goed vlotten, mijn emoties zaten mij echt in de weg. En toen verscheen dit stuk. Het zei alles wat ik wilde zeggen, alleen beter, helderder en meer genuanceerd. Lees dit.

https://vrtnws.be/p.8393LJOkp

En ga dan eens hard nadenken over hoe we dit onverkwikkelijke tij kunnen keren. Want zoals Tineke Van Iseghem schrijft: The Handmaid’s Tale komt alweer een stapje dichterbij.

(c) Inaya photography


ZAAILING #53 – Huidhonger

(c) Jurgen Walschot


Het vraagt geen meesterschap om aan te raken, alleen handen
met open palmen, vingers die geen vragen stellen. En huid, aanwezig,
onbedekt.

Honger hebben we. Naar de ander.
Naar onszelf, daar tegenaan.

Wie kwamen en weer gingen, dragen we mee.
Met gesloten ogen staan we de spiegel toe om bij ons in te breken.
We scheppen onszelf naar de blik van wie ons liefheeft
en willen daarop ook gaan lijken.

Verlangens zijn altijd nietig in de knop. Verwaarloos ze
en de meeste verwelken vanzelf.
Maar sommige, gedijend op schraalheid, zullen woekeren
met bladeren in monsterachtige proporties en wortels
die ontsnappen aan de pot.

Honger is een vreemde metgezel, een vleesetende bloem
die ons bezit. Ze slaat ons overboord, ook bij kalme zee. Zo zullen we
op een dag misschien de kust bereiken en aan land gaan,
zoals liefde zich laat aanspoelen – schelploos.



Hommage aan Paul Verhaeghe, Ilja Leonard Pfeijffer en Hans Faverey

Sommige Zaalingen ontstaan uit een interessant samenstromen van ideeën, dat een heel klein beetje meer uitleg vereist. Een visueel detail overgenomen uit een hommageprent over een Brusselse meester, een treffende schets die meteen het woord ‘huidhonger’ opriep, en de beslissing om de tekst óók een soort hommage te maken: aan een academicus en twee dichters voor wie ik grote bewondering heb. Wie vertrouwd is met hun werk, zal een en ander herkennen.



ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.


De relativiteit van gewicht

Voor lezers die hier per Google heen surften en een blog verwachtten over ‘je lichaam is mooi zoals het is’, sorry! Dát soort gewicht bedoel ik niet. Volgers van deze blog weten sowieso dat ze dat soort stukjes hier niet zullen aantreffen.
(Hoewel ik wél vind dat elk lichaam mooi is zoals het is, op voorwaarde dat de eigenaar ervan het liefdevol verzorgt en het met goesting bewoont – maar dat terzijde.)

Soit, gewicht dus.

(c) Inaya photography

‘Zal dat niet te zwaar wegen, die pendel?’ vroegen ze mij zeven jaar geleden, toen ik solliciteerde voor een job bij de organisatie waar ik tot op vandaag werk maar die ik medio april verlaat. De pendel waarvan sprake bedroeg een kleine twee uur, enkele reis: van een dorp met weinig openbaar vervoer tot in het hart van Brussel. De kantoren lagen niet slecht gesitueerd, maar toch ook weer niet zó schitterend, met het dichtstbijzijnde van de drie hoofdstations op twintig minuten lopen, of even lang sporen met overstap – als de treinen tenminste reden.

Ik schudde toen resoluut mijn hoofd – zwaar, welnee! Ik wilde de job.

Het wás ook te doen, bleek toen ik het twee tot drie keer per week deed, heen en terug. Het had wat voeten in de aarde, maar ik had het ervoor over. Lange dagen waren het wel, makkelijk twaalf uur van huis, en mede daardoor vond ik halftijds werken ruim voldoende.

Tegen het einde van het eerste jaar, toen mijn tijdelijk contract afliep en ik uitgekeken was op de job in kwestie, was die pendel wel beginnen wegen. Als een werkelijk gewicht: ik voelde het aan als een last. Het was gedoe, die drie verkeersmiddelen, en het duurde lang.

Maar toen kwam er een vacature vrij, één verdieping hoger in hetzelfde gebouw. Redacteur. Dat was wat ik wilde. Ik had ervan geproefd en ik voelde me er thuis. Ik werd blij van dat soort werk. Ik solliciteerde en kreeg de job.

Toen gebeurde er iets vreemds.

(c) Inaya photography

Ik was misschien twee of drie dagen zeker van mijn nieuwe functie, toen ik merkte dat er iets fundamenteel begon te veranderen. Een week eerder kroop ik nog met een diepe zucht van wilskracht op mijn fiets om naar de bushalte te rijden, daar bibberend te staan wachten op een veel te volle en ongemakkelijke bus, vervolgens de trein te nemen, mét overstap en nog meer bibberen tijdens het wachten daarop, om twee uur later eindelijk mijn kantoor binnen te lopen.

Nu, luttele dagen later, woog die pendel niks meer. Letterlijk: niks. Er was in objectieve of fysieke zin niets veranderd, maar plots kroop ik fluitend op mijn fiets en zat ik met een brede glimlach op de bus.
Het werd me meteen duidelijk: als de beloning die wacht aan het einde van de rit (in dit geval: een job waar ik zielsgelukkig van werd) het waard was, kon ik er veel bijnemen om daar te geraken. Met de glimlach. Gewicht is absoluut relatief. Het hangt er maar van af wat er op de andere helft van de weegschaal ligt.

Ik maakte ook meteen een mentale notitie – eens getraind in coaching, altijd alert: het moment dat die pendel, om wat voor reden dan ook, plots weer zou gaan wegen, moest er een alarmpje afgaan, en dat moest ik kunnen herkennen als een signaal dat er iets aan de hand was. Ik hoopte vurig dat dat nooit zou gebeuren.

Het werden een paar fijne jaren. Het werk was vervullend, mijn leven bloeide open op allerlei vlakken. De reistijd nam eerder toe dan af, maar ik zorgde ervoor dat ik goeie boeken bij had en eigen materiaal om aan voort te schrijven. Er zagen nogal wat Zaailingen het levenslicht in treincoupés. Ik begon uit te kijken naar de pendel als een vorm van quality time. Oké, toegegeven: quality time met vertragingen, nu en dan hinder en ook nog altijd veel te veel volk in de buurt van mijn hoogsensitief persoontje, maar toch. Als mensen ontwikkelen we graag rituelen. Met een kop koffie van bedenkelijke kwaliteit op de trein stappen om daar een klein uur te schrijven en te mijmeren, het werd een van mijn geliefde rituelen.

Na verloop van tijd en dankzij een elektrische fiets trapte ik zelfs fluitend de tien kilometer naar het station en kon ik drie vierden van het bibberend en verveeld wachten en vooral de gehate bus vaarwel zeggen. Goed voor mijn moreel én mijn conditie. Een dikke win-win, op alle vlakken.

En toen veranderde de invulling van de job zelf. Nogal drastisch.

Daar waren geen slechte bedoelingen mee gemoeid, en er waren allerlei beweegredenen die vanuit een bepaalde logica vast hout sneden. Maar van de ene dag op de andere was ik het werk kwijt dat ik jarenlang met zoveel plezier had gedaan. Alle compromissen die ik sloot, voelden aan als een verlies.

(c) Inaya photography

Ik gaf het tijd. Om de zoveel maanden maakte ik de balans op. Hoe ging het met me? Wat stoorde me, waarin vond ik vervulling? Het bleef, om het in KMI-termen te zeggen, kwakkelweer. Maar ik ben trouw, dus ik was bereid om de bui nog wel even uit te zitten, hopend op betere tijden.

Het hield naar mijn gevoel echter niet op met regenen. Het werd integendeel stelselmatig duidelijker dat wat eens een hartverwarmende boulevard was geweest nu een doodlopend straatje was geworden. Beetje bij beetje kalfde mijn werkplezier af. Het gebeurde sluipend, want ik wilde de zeurderige negatieve stemmetjes zeker niet bewust voeding geven. Maar toen ik begin dit jaar merkte dat het me zwaar begon te vallen om de tien kilometer te fietsen en een uur op de trein te zitten, wist ik hoe laat het was.

Ik ben geen dwaze dromer. Ik maak keuzes waarvan ik weet dat ze realistisch verantwoord of op zijn minst haalbaar zijn. Maar één wijsheid staat al jaren boven mijn spreekwoordelijke haard gebeiteld: het leven is te kort om gebukt te gaan onder zinloos gewicht.

Over vier weken loopt mijn pendeltraject naar Brussel definitief ten einde. Dat is veel sneller dan ik indertijd had gedacht of gehoopt dat het geval zou zijn. Maar ik aanvaard het voor wat het is. Dankbaar om de mooie jaren, dankbaar om wat er nog komt, al is het pad dat ik gekozen heb op dit moment nog verre van duidelijk.

Ik voel me wel lichter. Nu al.


Een decennium

Dat de wereld verandert.
En hoe.

Ze zeggen dat je liefde voelt voor je kinderen. Dat is ook zo.
Maar de emotie is maar het topje van de ijsberg.

We noemen het liefde omdat het ons hart meesleurt, en omdat we het niet gewend zijn over onszelf te denken in termen van dierlijk instinct. Nochtans is dat wat ik het eerste voelde, kort na de geboorte al.
Mijn emoties zaten nog achter slot en grendel, op het achterplan gedrongen door het trauma van een bevalling die niet bepaald in de top tien van mijn levensgebeurtenissen prijkt. Ik had in de weken die volgden niet echt baby blues, maar van een roze wolk was totaal geen sprake.

Wat er wel was, was dat instinct. Ik herkende het, en ik moest denken aan onze kater. Ik herinnerde me hoe die vechtersbaas, die geen enkele andere kat in zijn buurt toeliet, zijn eigen jongen voor het eerst besnuffelde en vervolgens minzaam aanvaardde. Hij voelde dat ze van hem waren.

Nu begrijp ik hoe dat werkt, dacht ik. Want ik voelde het ook. Een oerstroom, een verbondenheid die ging tot in het bloed. Een energetische verbondenheid ook, waar dat kleine wezentje zich in nestelde, zijn aura binnen de mijne, veilig, omhuld.

Hij doet het nog altijd: bij mij op schoot komen zitten en zich warmen binnen mijn energieveld. Op momenten dat hij nood heeft aan bevestiging, of een knuffel, of nabijheid. Ik geniet ervan tot in de diepste vezel van mijn lichaam.

En dan springt hij op en is hij weer weg, in zijn eigen ruimte, blij met zijn plek in de wereld, klaar om die te veroveren. Met enthousiasme. Met bedachtzaamheid. Met humor.

Tien jaar.
Ja, de wereld is veranderd. En hoe.

Middeleeuws riddergevecht aanmoedigen (c) KV 2012


Het ogenblik dat ik ben

(c) Inaya photography


waar ik heenga – geen idee
zelfs van een pad geen spoor
ik vlieg blind

de enige frequentie die telt
is die waarop ik hier en nu
teken van leven ontvang

vertrouw ik op de schemering
en haar regenboogsluier
van stervend licht

omhels de oneffenheid
even innig
als de schoonheid

kijk zwijgend
hoe het blad eerst
zwelt dan verwelkt

en laat het opgaan
in het ogenblik
dat ik ben

(c) Inaya photography


ZAAILING #52 – Onderduiken

(c) Jurgen Walschot

Jij kent de kunst van het onderduiken: verdwijnen voor de vijandige wereld
in een onderdompeling. Je neemt een duik in de buik van andermans beeld.

Kijken is peilen. Voelen is vinden. Je licht de lijnen uit hun kader en houdt je schuil
in de contouren. Je zuigt je vol aan het late middaglicht als was het nectar.

Je zult wachten tot het allerlaatst om weer naar boven te komen, want daar vrees je
het leven (bol van verwachting) dat het niet nalaat jou te kneden naar zijn nood.

Wie ooit van dit verdrinken heeft geproefd, weet dat hoe dieper je durft opgaan
in de schaduwen, hoe voller de dagen gegoten kunnen, en hoe tijdlozer jij wordt.







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Tussen donker en licht: Marit Törnqvist

Voor de literaire podcast Boeken Toe mocht ik als gastredacteur op pad voor een bijzondere opdracht: een diepte-interview met een boekenmaker van mijn keuze.

Die keuze was snel gemaakt.
Op een gure februaridag spoorde ik naar Amsterdam voor een gesprek met Marit Törnqvist. Over dertig jaar kinderboeken maken, over Astrid Lindgren, Nederland en Zweden. En over de bijzondere betrokkenheid bij kinderen hier én van de andere kant van de planeet, over het lot van uitgeprocedeerde vluchtelingen en over je plek vinden in de wereld.

Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography