Tête-bêche en carte blanche

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #1

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Het begon als een vage hint van een verhaal, een voorgevoel.
En ik weet nog precies wanneer ik het kreeg: toen ik in de vroege jaren van mijn pendeltraject naar Brussel telkens gefascineerd keek naar het piepkleine stukje koninklijke tuin van Laken dat ik in het voorbijrijden vanaf het spoor kon zien.

Die enorme tuin, het prikkeldraad dat bedoeld leek om mensen binnen te houden eerder dan buiten… Het riep iets in mij wakker.
Ik verbond Laken ook met mijn oude fascinatie voor de koninklijke serres. Mijn ouders kregen er ooit een rondleiding dankzij mijn vaders werk als bankier, en ze brachten een lijvig fotoboek mee terug dat enorm tot mijn kinderlijke verbeelding sprak.

Onmogelijk te zeggen hoe de onbewuste kronkels van een schrijversgeest werken, maar ik voelde een verhaal groeien. Iets met een heel bijzondere wereld die leek op de onze maar dat toch niet helemaal was. Iets met die serres als wereld op zich, of knooppunt tussen werelden. Ik had zelfs de titel al, wat mij anders nooit gebeurt: De serres van Mendel. Wie Mendel precies was (als personage dan), daar had ik geen flauw idee van. Maar dat het verhaal zo zou gaan heten, was toen al duidelijk.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Ik probeerde eraan te beginnen. Of beter: ik begon eraan. Ik schreef een aantal hoofdstukken, maar wat ik voor me zag, leek maar niet te willen kloppen met waar het verhaal volgens mij naartoe moest. Ik schreef scènes over een meisje op weg naar een plek die ze niet kende, een bijzondere plek die werelden verbond. Dat bleek een huis te zijn, in een grote, overwoekerde tuin. Mooi als beeld, dat wel, en er liepen een paar interessante personages rond. Maar hoe krijg ik haar in die serres, vroeg ik me af. Want dat is waar dit écht over moest gaan. Ik vond geen antwoord. Elk scenario daarheen leek een kunstgreep.

Ik liet het rusten, met het zinderende gevoel van goesting en ‘hier zit iets in maar ik weet nog niet wat’ intact.

Twee jaar later (met dank aan Karla Stoefs voor de referentie) kwam de vraag van uitgeverij Van In om een kort verhaal voor tienjarigen te schrijven voor hun Talent-reeks. Onderwerp: ‘andere werelden’, verder had ik carte blanche.
Ik had nog nooit voor die leeftijd geschreven, maar ik dacht: waarom niet? Ik haalde mijn oude idee van de serres weer van onder het stof, en wat mij niet was gelukt voor een jeugdroman, lukte nu plots wel: in een verhaal van amper dertig korte bladzijden was geen plaats voor getreuzel of een lange aanloop. Ik moest schrijven wat er te vertellen was, punt uit.

Ik liet mijn dierbare maar onmogelijke hoofdstukken voor wat die waren. Ik draaide het schrift dat ik gebruikte om en begon, tête-bêche zoals ze dat noemen, aan de andere kant van voren af aan. En meteen in de serres, dit keer.

Dit is wat ik schreef:

De serres zijn gigantisch.
Niemand weet wie ze ooit heeft gebouwd, en soms denkt Reya dat ze vanzelf zijn gegroeid op de plaats waar ze staan.
Ze hebben hoge koepels en kleine, geheime hoekjes, en ze strekken zich verder uit dan je kunt kijken. Ze zijn tot de nok gevuld met bomen, struiken, bloemen en mos. Er lopen beekjes doorheen, en het is er warm en vochtig. Water parelt van de bladeren en stengels van varens.
Reya woont al heel haar leven in de serres. Ze weet niet hoe ze er ooit terechtgekomen is. Mendel zegt dat hij haar op een ochtend vond, opgekruld als een slakje onder een reuzenvaren. Alsof ze daar in één nacht gegroeid was. Reya weet niet of ze dat verhaal gelooft. Maar ze gelooft Mendel wel als hij zegt dat ze hier thuis is, en dat hij blij is dat ze er is.
Waar Mendel vandaan komt, weet ze ook niet. Hij lijkt er gewoon altijd geweest te zijn, net als de serres. Hij heeft veel grijs in zijn baard en hij loopt als iemand die het gewend is om met zijn rijzige gestalte boven iemand uit te torenen, ook al wil zijn rug ondertussen niet meer helemaal mee.
Wat Mendel doet, weet Reya wel, al begrijpt ze niet alles. Hij repareert de serres en zorgt dat alles werkt zoals het hoort. En hij verzorgt de planten die er groeien. Hij kent elk kleinste mosje in de meest beschutte hoekjes en hij weet wanneer er bevloeid moet worden. Hij praat tegen de oude bomen als hij takken moet snoeien. En hij kan feilloos het onderscheid maken tussen de redelijk onschuldige wriemeldiertjes en een heuse plaag van ongedierte, die zonder pardon uit de serres gezet worden.
Ze horen bij elkaar, Mendel en zijn serres. En Reya is thuis bij hen allebei.

Ik wist nog altijd niet waar het verhaal mij nu eigenlijk zou gaan brengen. Maar nu die eerste bladzijde er plots stond, wist ik dat het goed zat. En van toen af ging het vanzelf.




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en haar Zaailing-zielsverwant Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.


Advertenties

Barreras: een bijzonder boek



(c) Pantingo


Ik ben blij en vereerd dat ik een tijdje geleden de kans kreeg om een bijdrage te leveren aan Barreras, een uitgave van Pantingo. Pantingo is een jonge uitgeverij van zines en kunstzinnige projecten. Hart en ziel achter dat alles is kunstenares Tessa De Ceuninck.

Haar boek Barreras benadert het verhaal van de bootvluchtelingen door te spelen met ogenschijnlijk tegenstrijdige beelden in dialoog met elkaar.

Ik schreef er de volgende tekst voor, die opgenomen werd in het hart van het boek:





Tell me

Tell me of the hardships we encountered.
Remind me of the victories
we fought for, the defeats we endured.
Help me recall our high hopes
as we set forth, and how we negotiated
the distances against all odds and opposition.
Remind me of how we held on to our stubborn hopes
to reach the other side with our heads held high.

Reassure me that all we did
was somehow worthwhile.
Help me remember their faces,
pleading, cheering, counting on us to go
where they could not, so we could live
their ambitions, fulfill their dreams.

Tell me the story one more time,
of the heroes who fought and conquered,
so that all who followed in their footsteps
would know a better fate.

For stories are all we know.
And stories are all we have to hold on to.

So speak to me. Whisper, if you need to.
Then I can try to tell the story again,
and we can all try to believe it.

(c) Pantingo


Interesse in meer werk van Tessa De Ceuninck? Neem zeker een kijkje op www.pantingo.com.
Pantingo zal aanwezig zijn op de Ghent Art Book Fair (11-12 mei).

ZAAILING #55 – Door en door



(c) Jurgen Walschot


Jij kent mij door en door.
Dat zeg je. Terwijl ik naar je staar in verstomming en me nog net op tijd herinner dat ik beter mijn mond sluit. Hoezo, ik ken jou door en door?

Als je bedoelt
dat wij geboren werden uit dezelfde ster die zich exploderend in de ruimte verspreidde
dat wij tentakels waren aan één varenblad dat zich reikhalzend ontrolde in het zonlicht
dat wij zij aan zij renden als de wolven
of hoog tussen de takken nesten bouwden en jongen leerden vliegen
dat wij vrienden zijn die elkaar leven na leven weer terugvinden
en elkaars reflecties herkennen zonder daar ooit een spiegel voor nodig te hebben

ja, dan heb je gelijk
en ken ik jou door en door.

Maar hier en nu
terwijl je praat en lacht en verwacht
dat ik door al je muren heen kan zien

vraag ik me vertwijfeld af of ik jouw immense vertrouwen waard zal zijn.

Want op je schouders tors je meer gewicht dan ik mij herinner. En ik heb je niets beters te bieden dan mijn kwetsbaarheid, een vogeljong te fragiel voor deze genadeloze wereld van staal en glazen wanden. Wie zegt dat we niet gewoon dezelfde illusie delen, een kooi voor twee, verbonden en gescheiden door dezelfde tralies?
Ik zoek de einder af naar antwoorden die niet komen.

Muren zijn minder solide dan ze lijken, zeg je. En elke glazen wand kan een venster worden op de horizon.

De kleine vogel tussen mijn vingers slaat opgewonden met zijn vleugels.
Ik zie licht ontsnappen uit zijn kooi, en ik herken de bron.

Zoals jij mij herkende, al die tijd.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Plots pakte hij mijn hand

(c) Inaya photography

In dezelfde straat als het kantoor waar ik de afgelopen zes jaar heb gewerkt, is een klein sushi-huisje gevestigd. Het is het levenswerk van een Aziatisch koppel, man en vrouw. Ze zijn minzaam, bescheiden en beleefd. Wat ze bereiden, is lekker en toch niet te prijzig, en eens ze je herkennen als vaste klant ontdooit hun strakke beleefdheid en blijken ze warm en gastvrij. Hun leeftijd is moeilijk te schatten, maar volgens mij kunnen ze intussen best grootouders zijn. Hun piepkleine zaak heeft één smalle, hoge eettafel aan het raam, met zicht op de drukke Troonstraat. Er is zitplaats voor drie, naast elkaar. Maar de meeste van hun klanten nemen hun eten mee. Dat deed ik ook, op gezette tijden, in de loop van de jaren.

Al vanaf de eerste keer dat ik er binnenstapte, werd het duidelijk dat betalen of zelfs maar je klantenkaart laten afstempelen er een heus klein ritueel was. Ik ben niet bepaald vertrouwd met de Oosterse gebruiken, maar uit de manier waarop zowel meneer als mevrouw het geld in ontvangst namen of het kleine gevouwen klantenkaartje behandelden en vervolgens teruggaven, maakte ik op dat het een vorm van respect was om ervoor te zorgen dat onze vingers elkaar nooit raakten.

Ik had nooit eerder stilgestaan bij hoe ik geld overhandigde of wisselgeld terugkreeg. Plots oogde mijn eigen manier om zoiets af te handelen in vergelijking wel bijzonder nonchalant. Want eens je erop begint te letten, blijkt het knap lastig om die hele handeling op zo’n manier tot een goed einde te brengen dat je beiden alleen het geld aanraakt, zonder dat het valt of er een minimale vorm van huidcontact is.

Als gevolg hiervan vond er bij elke ontmoeting een delicaat vingerballet plaats, een kort, gracieus moment waarop voorzichtigheid geboden was voor beide partijen. Stilaan ging ik dat ritueel respecteren, en het oprecht waarderen.

Vandaag liep ik er voor het laatst langs tijdens mijn lunchpauze. We voerden het kleine geldritueel uit, zoals gewoonlijk, zachtjes, voorzichtig. We wisselden een glimlach (hun Engels is pover en slecht verstaanbaar), maar toen de man me bedankte en mij een prettig weekend wenste, zoals hij al vaker had gedaan, vertelde ik hem dat ik eigenlijk ook afscheid kwam nemen, want heel binnenkort zou ik niet langer naar Brussel komen om er te werken.

Met één kort woord riep hij zijn vrouw uit de keuken, en voor ik het goed en wel besefte, schudde eerst hij, en daarna zij, mij de hand.
Zijn greep was vol en warm. Hij had een grote, zachte hand. Die van haar was benig en sterk.

Allebei bedankten ze mij voor zoveel fijne jaren. Hun dankbaarheid was oprecht en hartverwarmend. Ze vroegen me naar mijn werk. Ik vertelde dat ik schrijver was, en ze wensten me veel succes. We glimlachten breed naar elkaar, we bogen, en voor het laatste deden ze de deur voor mij open toen ik naar buiten ging.

Eenmaal buiten op het trottoir bleef ik een ogenblik staan, en liet wat er zojuist gebeurd was tot me doordringen.
Terwijl ik terugliep naar mijn kantoor blies de plotse, koude aprilwind me fel in het gezicht. Mijn ogen gingen er een beetje van tranen.

(c) Inaya photography

ZAAILING #54 – Licht genoeg

(c) Jurgen Walschot


Ze zeggen dat vogels holle botten hebben
zodat ze licht genoeg zijn om te vliegen

Ik geloof dat het komt omdat wat hol is
zich vanzelf leent tot loslaten

Wat is dat anders dan de wereld uitwuiven
zonder omkijken wegvliegen en verdwijnen

Ik bewoon de plek waar ik groeide steeds minder
Gestaag gaapt ze groter, de holte in mij

De wind mag komen, nog even
en mijn botten zijn licht genoeg

om mij te dragen





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Verblindend, maar helder

(c) Inaya photography


Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.

Dat niet-weten heeft iets bijzonders, zo’n beetje als lentelicht: helder en verblindend. Ik voel de warmte en de onrust die er vanaf straalt even fel. Ik ben pril, zegt het, ik ben nog maar pas begonnen. Maar ik ben sterk, voel je hoe sterk ik ben, en hoe ongeduldig.

Er doorheen proberen te kijken, is onbegonnen werk. Ik heb er maar op te vertrouwen dat de bron van waaruit het schijnt de essentiële dingen zal verlichten op het juiste moment, terwijl het andere juist aan het zicht onttrekt.

Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.
Ik voel de roep van het Grotere. Ik voel hoe mijn ziel antwoordt.

Dit is de plek om de onzekerheid te omhelzen, en mijn hele leven te laten bestaan in het huidige moment. Het is een fijne plek.
Verblindend, maar helder.

(c) Inaya photography