Sporen

Zaailing #19

 

Het leven, weet hij, trekt sporen voor wie ze kan volgen.
En dat is hoe hij leeft: zonder halt te houden.

De monotonie van onderweg zijn went. Maar telkens als hij achterom kijkt, vreest hij aanstormende lichten. Zijn reflexen zijn getraind om inderhaast uit de weg te springen. Voor je het weet, heeft het verleden je ingehaald en dendert het als een trein over je heen. Wie zich laat verleiden om stil te staan, strandt in het beste geval in een tussenstation.

Zoals zij.

 

Londen 2017 1
(c) Jurgen Walschot

 

Natuurlijk is hij niet op haar toe gestapt. Wie een schim is in zijn eigen leven weet dat er niet zoiets als houvast bestaat. Hij stelt zich tevreden met toekijken van op een afstandje. Een gestolen moment.

Zou het fijn zijn om naast haar te zitten, daar op die bank, en oprecht te geloven dat er straks een trein stopt, met deuren die vanzelf opengaan om hen binnen te laten?
Hij ziet het zichzelf bijna doen. Hij ziet haar zelfs opkijken en glimlachen, met donkere, glanzende ogen.

Ze laat hem twijfelen. Iets aan haar klopt niet met zijn verhaal. Is ze echt gestrand? Haar pad lijkt meer berusting te kennen dan het zijne, wie weet zelfs een gelukkig einde. Hij gunt het haar.
Hij wil er niet komen spoken.

Hij leest de grijnzende letters op het scherm. Hij heeft geen bestemming maar het is tijd om te gaan.
Een laatste blik over zijn schouder, voor hij zich laat meevoeren langs de gesyncopeerde lijn van licht, verder de nacht in.

Zo wil hij het zich herinneren, de volgende keer als hij achterom kijkt.
Een tussenstation dat heel even voelde als een thuis.
Haar schoonheid, in een tafereel dat seconden lang stilstond terwijl de tijd, voorbij razend als een verduisterde trein, hen ongemoeid liet.

 

 


ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

20170712_134033 ed klein

 

Advertenties

Sant in eigen land

BW17-banner-web

Ik ben opgegroeid in een dorp dat ik nooit heb leren kennen.

Dat had verschillende oorzaken. Een provinciale viervaksbaan sneed een handvol straten – waaronder die van ons – af van de rest van het dorp. Die oversteken was als kind geen sinecure. Daarbij kwam dat we bij mijn grootouders woonden, en zij om diverse redenen al jaren zowat alle contact met hun dorpsgenoten schuwden. Omdat mijn moeder bovendien lesgaf op een school in de stad een beetje verderop, gingen mijn zus en ik daar dus ook naar school, en niet in het dorp.

Ik heb een fijne kindertijd en een warme thuis gehad, maar nooit een sociaal weefsel op de plek waar ik woonde. Dat vond ik niet erg. Want wat je niet kent, mis je niet. Mijn vriendinnetjes woonden in de stad of in andere deelgemeenten. In het dorp zelf kende ik vrijwel niemand.

Toen mijn man en ik naar Hamme verhuisden, deden we dat omwille van de locatie en omdat we verliefd geworden waren op een tuin waarin toevallig ook nog een huis stond – zoals mijn moeder dat indertijd niet onterecht uitdrukte. Ook hier kenden we niemand, maar dat maakte voor mij niets uit. Dat was ik gewend.

Ik was erg verrast en gecharmeerd om een paar jaar later gecontacteerd te worden met de vraag of ik als ‘Hamse auteur’ aanwezig wilde zijn op het Boekenweekend. Die allereerste editie moest ik om gezondheidsredenen passen, maar het jaar nadien was ik van de partij. Wat een fijn concept was dit! En wat een aardige mensen leerde ik er kennen.
Alles ademde de boodschap: jij hoort erbij, jij bent hier thuis. Dat was een nieuwe ervaring voor mij.

Toen ik het jaar daarop gevraagd werd om mee in de organisatie van het Boekenweekend Hamme te komen, leerde ik de ploeg gemotiveerde vrijwilligers achter het mooie concept kennen. De vergaderingen waren interessant, en ik vond het fijn om mijn steentje bij te dragen en dit evenement mee uit de grond te stampen. De après-vergaderingen waren steevast momenten van hartelijk samenzijn. Ook hier hoorde ik erbij. Ik hoorde verhalen over kinderen, ouders, achternonkels, vergeten anekdotes en hoe sommige mensen in dit dorp soms al sinds generaties aan elkaar gelinkt waren. Ik hoorde over de geschiedenis van het dorp dat nu het mijne was, en waar ik voorzichtig mijn wortels wat dieper stak.

Boekenweekend_077

De mensen die ik dankzij het Boekenweekend in mijn hart sloot, kruiste ik op straat, of ontmoette ik waar ze werkten: winkel, school, gemeentehuis, Cultuurcentrum. Stilaan werd Hamme niet alleen maar de plaats waar ik woonde, doorsneden trouwens door diezelfde provinciale hoofdweg als mijn vorige dorp, alleen met twee rijvakken minder, maar een dorp waar ik wél mensen kende, waar er steeds meer draadjes van mij naar anderen liepen en waar ik een plekje vond in een veel groter, verwelkomend web.

Het Boekenweekend is ondertussen aan zijn tiende editie toe – een jubileum. Het is in dat decennium uitgegroeid van een charmant, amateuristisch initiatief tot een semiprofessioneel evenement dat naam en faam heeft in het Vlaamse boekenlandschap. Dat is iets om zonder meer trots op te zijn, als Hammenaar.

Ik heb fijne herinneringen aan zowat elke editie. Ik heb zelf twee keer op het podium gezeten als auteur, en ik heb er bij de opening ooit de toespraak van mijn leven mogen houden. Maar ik ben het Boekenweekend vooral dankbaar omdat het voor mij de poort was naar thuiskomen in deze gemeente, bij mensen en een gemeenschap. Voor het eerst.

Wat je niet kent, mis je niet.
Maar ik weet nu: het is fijn om ‘sant in eigen land’ te zijn.

Diamanten, druppels en gradaties van transparantie

Waarom schrijven over mezelf mij tegelijk bloot en onzichtbaar laat voelen

Drup_011 ed cut

(c) KV

Als kind verborg ik de verhalen die ik schreef zodat mijn ouders ze niet konden lezen. Of liever: ik verborg ze voor iedereen. Ze waren mijn geheime tuin, de wilde boomgaard waarin ik alles wat in mij leefde de vrije loop kon laten. Ik had het gevoel dat als mensen die verhalen zouden lezen, ze mij konden zien tot op mijn bloot vel en – nog erger – ik totaal zonder bescherming zou zijn.

Toen ik in ernst begon te schrijven – met de ambitie om mijn werk uitgegeven te krijgen – deed ik ongeveer hetzelfde: ik verzon verhalen en personages die mij in staat stelden dat wat in mij leefde een stem te geven, zonder dat ik naar voren hoefde te stappen en werkelijk gezien hoefde te worden. Of misschien hoopte ik dat mijn echte ik te onderscheiden zou zijn als een verre silhouet, zachtjes glinsterend, doorheen de sluiers van de personages die ik voor de gelegenheid had gecreëerd.

Ik deed dat niet bewust, maar zo werkte het in ieder geval voor mij. Alleen werkte het bij nader inzien níet. Want ik was altijd te zeer vervlochten met mijn boeken om ze te kunnen beschouwen als iets wat buiten mij lag, en als ik erover moest praten, kreeg ik onvermijdelijk de vraag hoe en waarom ik gekomen was tot wat ik geschreven had.

Je kunt niet over je werk praten zonder bloedeerlijk te zijn over jezelf, tenzij je heel goed bent in maskers opzetten en rookgordijnen spuien, en bereid bent dat een leven lang vol te houden.

Dat was ik niet. Dus werd ik hier al van bij mijn eerste adolescentenroman dertien jaar geleden voluit mee geconfronteerd. Het verhaal in kwestie ging over twee muzikanten met telepathische gaven die een diepe band kregen, ver voorbij wat rationeel verklaarbaar was, omdat ze op een of andere manier verbonden waren en elkaars angsten en twijfels konden lezen.

(Doet dat een belletje rinkelen, op vlak van terugkerende patronen? Ik moet bekennen dat ik het redelijk grappig vind, achteraf bekeken.)

Drup_029 ed
(c) KV

‘En jij, Kirstin, kan jij gedachten lezen?’ vroeg een gevatte medewerker van de uitgeverij me vlakaf, toen we het hadden over mijn boek dat tussen ons op tafel lag.
‘Nee, dat kan ze niet’, zei de oude literatuurrecensent die bij ons zat, voor ik goed en wel een antwoord had kunnen formuleren waarmee ik me niet volslagen belachelijk maakte. ‘Anders had ze me ondertussen al een klap verkocht.’

Een waargebeurd verhaal.

Ik vergaf het hem, omdat hij zonder uitzondering positieve recensies schreef over mijn werk – en die waren gemeend, dat wist ik, want hij was perfect in staat om iemand af te maken met zijn pen – en hij bleek ook nog eens als redacteur in dienst van een andere uitgeverij waar ik een paar jaar later onderdak vond met mijn werk. Toen bracht ik een hele dag bij hem thuis door, waar we regel per regel door mijn manuscript gingen, om het tot perfectie te slijpen. ‘Dit is een ruwe diamant’, zei hij. ‘We gaan hem wat polijsten.’
Ik wierp een blik op de opmerkingen die hij in en naast mijn tekst had geschreven, en vroeg me af waar hij in godsnaam, onder al dat gruis en al die schilfers, woorden en zinnen aangeduid, hele alinea’s geschrapt met een enkele streek van zijn rode balpen (altijd nog een beetje de leraar, hij kreeg het niet afgeleerd), iets zag wat kon doorgaan voor een diamant.
Maar hij ging voor niet minder dan een masterclass. Er was een hele dag lang niets dan de tekst, en zijn genadeloze analyse ervan, waarbij hij elke zins- en plotwending in vraag stelde. En hij had gelijk over bijna alles. Hij hielp me om naar mijn tekst te kijken, niet als een diepe evocatie van wie ik was maar als een voorwerp dat ik met liefde had gemaakt, en als voorwerp, leerde ik, kon het verbeterd worden. Tot op vandaag denk ik met dankbaarheid en respect terug aan die sessie, want dat was de dag waarop hij me hielp ontpoppen van leerling tot schrijver.

En ondertussen weet ik dat er voor mij, zowel als schrijver als als mens, geen verbergen meer inzit.

Drup_032 ed
(c) KV

Vroeger dacht ik dat je ofwel kon schrijven over iets wat je niet persoonlijk raakte maar wel een intellectuele uitdaging inhield, een topic dat je professioneel wou verkennen met alle ambachtelijke vaardigheid die je had, ofwel over iets dat je ingewanden aan rafels scheurde en je bloedend achterliet terwijl je de woorden neerschreef. En oké, toegegeven, misschien zat daar ook wel een zone tussenin, een gebied waar vaardigheid en persoonlijke interesse elkaar vonden.

Maar er blijkt voor mij nu ook nog een derde weg te bestaan, en die vind ik tegelijk fantastisch en verrassend.

Dienen als een deur waar de wind doorheen mag, schreef ik eerder dit jaar. Mijn persoonlijke agenda loslaten en een voertuig worden voor wat de Ziel wil manifesteren.

De tegenstrijdigheid hier ligt in het feit dat mijn voornaamste manier om de wind toe te staan die zielsboodschap de wereld in te brengen, eruit bestaat om ze in mijn eigen jasje te wikkelen terwijl ze door me heen passeert. Of op zijn minst: toestaan dat ze gebruik maakt van mijn persoonlijke verhaal, mijn interesses, mijn zorgen en mijn evolutie, als een manier om haar eigen boodschap te brengen.

Zelfs al zijn veel van mijn blogs (en zelfs sommige Zaailingen, tot op zekere hoogte) zeer, zeer persoonlijk, ik heb in alle eerlijkheid het gevoel dat wat ik het afgelopen jaar heb geschreven minder over mij gaat dan mijn eerdere fictieverhalen dat deden. Of misschien is het juister om te zeggen: ik onthul meer van mezelf, maar niet met de bedoeling om zichtbaarder te worden. Dat ik in de praktijk wel degelijk zichtbaarder word, is een neveneffect, maar een waarnaar ik niet langer zo hard verlang als ik er vroeger bang van was.

Ongetwijfeld zal ik in de toekomst nog fictie schrijven. Maar ik heb geen behoefte meer aan personages om uit te drukken wat binnen in mij leeft. In plaats daarvan heb ik leren aanvaarden – en leren appreciëren, hoewel nooit zonder een rilling van spanning – dat transparanter worden in de eerste plaats wil zeggen dat je meer licht doorlaat.

Drup_019 ed cut2
(c) KV

Pantser

Zaailing #15

Foto of schets, wat moest het worden voor deze Zaailing?

Er gingen wat ideeën over en weer, en als gevolg van mijn laatste blog over de dunne lijn tussen creatief gebruik van andermans materiaal en diefstal veranderden we nog eens van gedacht…

Uiteindelijk maakte Jurgen een versie die ik fantastisch vond, maar die op deze blogpagina niet blijkt te spelen… Hieronder dus de statische, uitgepuurde variant. De andere versie kan je hier bekijken.

 

IMG_7164

 

Pantser Manders

 

6fe18-1cx_jcwixfms4p1euxatp3w

 

 

 

Alle visuals (c) Jurgen Walschot

 

ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

20170712_134033 ed klein

De kunst van creatief hergebruik – of toch maar diefstal?

Hoeveel van andermans kunst mag je gebruiken in die van jezelf?

In deze tijden van digitale kunst en goedkope kopieën van zowat alles, vind ik dat toch nog altijd een netelige vraag, die wortelt op het verraderlijke hellend vlak tussen origineel meesterschap en plagiaat. Ik werd er laatst mee geconfronteerd, toen ik een van Jurgens foto’s wilde gebruiken om de aanzet tot Zaailing te schrijven.

Het was meer bepaald deze foto:

Ik word aangetrokken door de zen-achtige kalmte op deze gebroken gezichten. Ik hou van de breekbaarheid van hun façades, en hoe ze bij elkaar lijken te horen, zelfs al staan ze in feite op een aardige afstand van elkaar in de ruimte. Ik word geraakt door hoe degene die naar ons toe gericht is tegen de ander lijkt aan te leunen, een innigheid die eigenlijk niets meer is dan een optische illusie.

Dit alles wordt versterkt door de hoek van waaruit de foto genomen is, en de manier waarop de kijker binnengezogen wordt in de intimiteit. Hij kan niet ontsnappen aan dit schouwspel van menselijke fragiliteit. Het beetje ademruimte dat hij krijgt, zit in het decor – maar dat versterkt in feite alleen maar het desolate gevoel.

Ik wist meteen dat dit een beeld was waarbij ik wilde schrijven.
Dus dat deed ik.

De tekst werd best goed. Ik was er blij mee, en Jurgen was het er onmiddellijk mee eens dat dit Zaailingmateriaal was.

Super! Alleen… hoe zat het met het feit dat het hier ging om een foto die hij maakte van het werk van een andere kunstenaar? Mark Manders is een Nederlandse kunstenaar die al jaren intrigerend werk maakt. Zijn installatie was deze zomer te zien in Wiels, het zogenaamde ‘absent museum’ in Brussel, en dat is ook waar Jurgen de foto maakte.

Hoeveel van de kracht van dit specifieke beeld komt van Manders’ werk? Hoeveel is anderzijds het resultaat van Jurgens ambacht, zijn fotografisch oog, de onverwachte hoek waaruit de foto gemaakt werd?

(Ter vergelijking: hieronder twee foto’s van dezelfde beelden, gemaakt door Steve Vanhoyweghen.)

WIELS, The absent museum :: Mark Manders, Silent Studio 4/4

WIELS, The absent museum :: Mark Manders, Silent Studio 2/4

Voor alle duidelijkheid: Manders’ installaties spreken mij nog altijd aan als ik deze zie. Maar in schrijven bij deze foto’s heb ik weinig zin.

Eigenlijk is dit niet de eerste Zaailing die we maken waarin andermans kunst figureert. Maar in sommige gevallen werkt een schets of een schilderij directer. Het is duidelijk dat je kijkt naar een originele prent, die eer bewijst aan het werk van Michaelangelo, bijvoorbeeld.

Foto’s zorgen voor een probleem dat we tot nu toe nog niet hadden.

Toen we in februari van start gingen met de Zaailingen, hadden we geen echt systeem. Het kwam er in feite gewoon op neer dan Jurgen mij de digitale versie stuurde van een tekening of schilderij dat hij had gemaakt, en dat ik erbij schreef.

Daar zat een rebels kantje aan: de beelden moesten niet langer ten dienste staan van de tekst. We mikten op een echte wederzijdse samenwerking, waarbij geen van beide ambachten ondergeschikt was aan de andere.

© Jurgen Walschot — beeld voor Zaailing #1 Komorebi

We voelden vanaf de allereerste poging dat het werkte. En naarmate we beter vertrouwd raakten met elkaars stijl, werden sommige van mijn teksten langer of gelaagder, wat Jurgen dan weer aanzette om zijn originele prent bij te werken tot de twee perfect pasten.
Sommige Zaailingen waren een optelsom die even eenvoudig was als 1 + 1 = 3 (altijd 3, nooit 2).
Andere waren langzaam ontluikende, meerlagige projecten die wekenlang over en weer gingen tot we voelden dat ze goed zaten.

En na een tijdje maakte het niet meer uit wie de eerste aanzet stuurde: tekst of prent, we stemden af op de resonantie van de ander en voegden die van onszelf toe.

Er was echter één stap die ik niet wilde zetten, en dat was zelf de beelden kiezen. Jurgen zit al jaren op Instragram en bij sommige van de foto’s die hij daar deelt, valt mijn mond open van ongeloof en bewondering.
Deze lente was het heel aanlokkelijk om een paar van die prenten te kopiëren en daarbij te beginnen schrijven. Ik had ineens zoveel creatieve adem dat ik er niet altijd voldoende uitlaatklep voor had. Maar ik hield mezelf toch tegen. Om een of andere reden was het belangrijk dat de beelden waarmee we aan de slag gingen prenten waren die hij bewust had uitgekozen, met de bedoeling om er samen rond te werken.

Ik begreep niet helemaal zeker waarom ik dat zo aanvoelde, maar ik wist wel dat het geen onnozel detail was. Het had iets te maken met mijn enthousiasme, en het gevaar om me te vergalopperen en op te branden. Als ik de beelden begon te kiezen, riskeerde ik ook dat ik me niet langer afstemde op onze gemeenschappelijke resonantie, maar louter op de mijne.

Dus bleef ik op veilige afstand van zijn verleidelijke Instagramaccount, schreef in plaats daarvan teksten die voor hem konden dienen als springplank, en vroeg hem om meer tekeningen. Aan geen van beide was er gebrek. Mijn voorstel om een Zaailing te planten op elke volle en nieuwe maan leek de lat aanvankelijk ambitieus hoog te leggen, maar we hebben onszelf – of de flow die ons draagt – duidelijk onderschat. In de loop van de afgelopen zeven maanden hebben we er niet alleen zonder mankeren veertien gezaaid (#15 is voor volgende week), we hebben er ook ongeveer nog eens evenveel op reserve. Van een stroom gesproken die niet meer ingedamd wil worden.

Als er iets is wat ik geleerd heb in de loop van dit immer evoluerende creatieve process, dan is het dat wij mee veranderen. Het zit ons als gegoten – past als een handschoen, nietwaar, Jurgen? 🙂 – en terwijl we ons eraan overgeven en meedrijven naar waar het ons ook wil brengen, veranderen we op een spontane, organische manier. En onze werkwijze ook.

parasolbomen cut2
© Jurgen Walschot — Zaailing #12 (detail)

Zaailling #12 (Wachtpost) was een keerpunt, omdat we onze inspiratie haalden bij een en hetzelfde onderwerp (de oude Franse den die we allebei zo mooi vinden), maar ook omdat Jurgen besloot om niet alleen te werken met de schets die hij ervan tekende, maar ook met een collage van alle foto’s die hij er door de jaren heen van had gemaakt. Ik hield erg van het resultaat, en bovendien hadden we plots een Zaailing waarin foto’s een prominente rol speelden.

Toen ik in augustus terug aan het werk ging, trok Jurgen met zijn gezin naar de Zwitserse Alpen, en ik wist dat we een luwe periode tegemoet gingen. Maar we waren ondertussen zo op elkaar ingespeeld dat ik me hier geen moment zorgen over maakte. Bovendien voelde ik dat ik nu klaar was voor de stap waar ik mezelf eerder van had afgehouden: zelf een paar van zijn foto’s uitkiezen, en er bij schrijven. Ik had er vertrouwen in dat onze creatieve resonantie onderhand zo veerkrachtig was dat ik niet langer riskeerde mezelf te hard op te dringen. Bovendien zou het me iets te doen geven in een periode waarvan ik wist dat er geen nieuw materiaal zat aan te komen. Ik polste voor de zekerheid wel even of hij ermee akkoord ging, en dat was zo.

Sommige beelden waren verrassend makkelijk om bij te schrijven. Andere waren zo ongelooflijk straf dat ik vreesde dat mijn woorden ze nooit recht zouden kunnen doen.

© Jurgen Walschot — Seeing Viviane Mayer

Zo heeft deze hierboven me al de nodige kopbrekers gekost. Ik schreef een kladtekst, die ik een week later weer ongeveer helemaal schrapte. De tweede versie komt al dichter in de buurt van wat het moet zijn, maar is nog altijd niet voltooid.

Geen probleem. We hebben alle tijd. Zaailing #15 staat klaar om geplant te worden volgende week, en er zijn er nog meer dan genoeg die met plezier de wereld in willen.

En wat met de foto van Manders’ installatie?
Wacht maar af.

Woorden weven

Poes roos spin_042 ed cut
(c) KV

Woorden zijn botte instrumenten.

Hoe praat je oprecht over iets zonder dat je precies datgene wat je probeert te beschrijven doodmaakt?
Hoe benader je een gevoel op zo’n manier dat anderen erin kunnen delen?

De quantumfysica heeft aangetoond dat je een verschijnsel kunt beïnvloeden alleen maar door het te observeren (zo vreemd is dat niet: stel je voor dat er iemand met een camera op je af komt en een foto van je wil maken). En hoeveel indringender nog zijn woorden. Het is immers hun aard om te beschrijven, te definiëren en te classificeren.
Speld de vlinder op de muur. Hij verroert zich beslist niet meer.

Als je iets te direct benadert, kan je het alleen maar beschadigen, wat je werktuig ook is.

Dus schrijf poëzie. Vertel een verhaal. Maak kunst.
De boodschap zit in het gevoel dat je erin slaagt te wekken, nooit in de woorden zelf.

Want het leven wordt geweven.
En magie is een web.

Poes roos spin_008 ed cut2
(c) KV

 

Een labyrint van bloemen

d096935932256be98d29f6ec5a4c15f4
Man in the maze: Indiaans weefpatroon

Ik hou van labyrinten: meditatieve wandelpatronen waarbij je jezelf mee naar binnen neemt, tot in de kern, en vervolgens langs dezelfde weg, maar omgekeerd, weer naar buiten. Je vindt ze op alle continenten, en het pad is als het leven: onverwacht grillig, soms heel dicht langs de kern, dan weer in verre, brede buitenbochten.

Toen we stopten bij een biologische B&B waar vijf minuten (!) eerder een kamer vrij bleek te zijn gekomen, wisten we meteen dat het goed zat. Een heerlijk terras, een tuin met veel bomen, gerieflijke slaapplaatsen, table d’hôtes (eindelijk vegetarisch!) en… een labyrint in de tuin, aangelegd door de heer des huizes die meditatieve wandelingen begeleidt in de natuur.

Het was onze mooiste, meest onverwachte stop van de reis.

We genoten van de tuin na de hitte en het vele rondrijden. We aten en dronken, schreven en lazen, en schoven ’s avonds met onze gastheer en gastvrouw, hun familie, vrienden en gasten aan voor een supergezellige, meertalige maaltijd.
’s Ochtends, in alle vroegte, ben ik het labyrint gaan lopen. De ervaring verschilde heel erg van die van mijn favoriete plek om dat te doen (Chartres). Maar dat gaf niet, in tegendeel. Elk pad heeft zijn eigenheid en zijn charmes.

Bij een kopje koffie, stil op het terras voor het ontbijt, schreef ik er een stukje over.

Italië 4_085
(c) KV

Stil ligt het op een helling te wachten tot iemand zijn windingen wil lopen
over droog, prikkerig gras.
Bloemen verwelkomen je langs het kronkelende pad
Afgemaaid maar telkens koppig terugkerend als een herinnering
Aan het feit dat sommige dingen in het leven te kostbaar zijn om te vertrappelen.

De wereld is erg aanwezig terwijl ik dit labyrint loop,
met de wind, de stekelige grassprieten, het geluid van een bosmaaier veraf
en de geluiden van mensen die wakker worden in het huis.
Maar dat is goed – niet elke meditatie hoeft
een diepe, buitenwereldlijke ervaring te zijn.
De wereld is welkom om deze wandeling samen met mij te maken.

Een labyrint lopen dat op een helling ligt, betekent dat je soms omhoog moet
en dat de dingen onvermijdelijk moeilijker zijn, dan weer
moet je opletten dat je niet struikelt omdat het
plots veel vlotter, want naar beneden, gaat.

En de bomen slaan je groeiend gade.

Italië 4_082
(c) KV – Tuinlabyrint van Casale le Crete

De kracht die bergen verzet

Italië 2_111
(c) KV – Waterval in Grotte di Stiffe, van bovenaf gezien

Als je leeft in een land met een geologische geschiedenis die zo oud is dat de bergen er al lang afgesleten zijn tot heuvels, dan ken je de krachten van de natuur voornamelijk uit boeken, en niet uit eigen ervaring. Misschien hou ik precies daarom zo van het gebergte.

De regio van Abruzzo wordt gedomineerd door de Appenijnen. Vergeleken met de Alpen (en zeker met andere, oudere en meer verweerde Europese bergkentens zoals de Pyreneeën of zelfs de Ardennen) is deze geologische regio nog springlevend. Italië heeft actieve vulkanen, en er zijn geregeld aardbevingen.

We waren getuige van de relatieve prilheid van dit land in de Grotte di Stiffe, een bescheiden grot met niettemin een heel eigen charme: ze werd nog volop geboetseerd door een riviertje dat de hele tijd naast ons wandelpad liep, en door een aantal watervallen. Je kon de natuur ruimte voor zichzelf zien uitgraven in de rots waar je bij stond. Het ruisen van stromend water was overal. In de grotere, oudere grotten die ik in Frankrijk of België bezocht, was het vertoon aan druipstenen veel indrukwekkender, maar de kracht van de rivier was er niet meer dan een verre herinnering in een of andere stille, diepe kloof.

Misschien was een grot bezoeken in een streek die bekend stond om haar aardbevingen niet meteen het allerslimste idee, bedacht ik terwijl we in het schemerduister achter onze gids aan liepen. Maar er gebeurde niets uitzonderlijks, en na een uurtje stonden we weer buiten in het zonlicht en de hitte.

Waarom hadden we er eigenlijk voor gekozen om naar deze nogal afgelegen, weinig toeristische streek van Italië te trekken? Als ik de resultaten van de natuurkrachten had willen zien in combinatie met de overblijfselen van de oude Romeinse cultuur, had ik toch even makkelijk naar Pompeï kunnen gaan, in de schaduw van de beruchte Vesuvius? Behalve het feit dat een bezoek aan een dodenstad waar de hele bevolking levend begraven was onder de hete as mijn hooggevoelige zintuigjes en mijn levendige verbeelding in alarmfase zou laten gaan, had ik nog een andere goede reden om me niet te concentreren op de beter bekende plekken in Italië, maar in plaats daarvan Abruzzo te verkennen.

Als een schrijver zoiets zegt – welke andere mogelijke reden is er dan iets met een boek?

 

JW Iris bos Sally Mann 1 cut
(c) Jurgen Walschot – Seth variatie (detail)

 

Het is al een hele tijd geleden dat ik voor het eerst op Medium iets liet vallen over Het boek Seth. En ik heb het er hier, geloof ik, zelfs nog nooit over gehad. De tekst van dit manuscript, rijk aan Egyptische en gnostisch-christelijke motieven, liet de eerste vonk van creatieve zielsverwantschap overslaan tussen mij en Jurgen, lang voor we aan ons Zaailing-avontuur begonnen. Hoewel we wisten dat het geen evidente onderneming was (een volledig geïllustreerde literaire roman van tweehonderd pagina’s over de verhoudingen tussen goed en kwaad, iemand interesse?) én een werk van lange adem, vonden we elkaar daar wel in een aantal gemeenschappelijke thema’s en beelden, en dit zorgde voor een eerste laag van de vruchtbare bodem van vertrouwen en creatieve verwantschap die ons het afgelopen jaar al zo gevoed heeft.

Op het moment dat we besloten dit boek samen te maken, was mijn tekst al door een rijpingsperiode van ruim tien jaar gegaan, en door minstens evenveel versies. Als het van mij afhing, was het verhaal af.
Maar zodra Jurgen in ernst mee aan boord kwam, voelde ik dat het cruciaal was dat hij niet zoals gewoonlijk in de ondergeschikte rol van de illustrator zou glippen, om wat aardige prenten te maken bij een al bestaande tekst. Als we deze samenwerking echt wilden laten lukken, moest hij zijn rechtmatige plaats kunnen innemen als mijn gelijke en de medeschepper van dit boek.

Dat wilde zeggen dat ik mijn ‘kindje’ moest delen. Ik moest Jurgen de vrijheid geven om te komen met zijn eigen ideeën en zijn persoonlijke benadering, zelfs als die op zeker moment het originele concept in vraag zouden stellen of het werk substantieel konden veranderen. Ik besloot dat dat voor mij oké was. Ik wilde een creatieve zielsverwant aan mijn zijde die zijn vleugels uitsloeg, geen knecht die mijn aanwijzingen uitvoerde.

Een van de hoofdpersonages, naar wie Het boek Seth genoemd is, is een halfengel die worstelt met zijn afkomst en de krachten die zijn geboorterecht zijn. Op jonge, kwetsbare leeftijd, heeft hij een confrontatie met een goddelijk wezen dat zichzelf JHWH noemt, en dat zich ophoudt in wat ik ‘de kathedraal in de hoofdstad’ had genoemd. Omdat ik in dit boek al zoveel Egyptische, joods-christelijke en gnostische elementen had uit te balanceren, had ik ervoor gekozen om zeer neutrale, abstracte en niet-beschrijvende settings te gebruiken zoals ‘het bos’, ‘de stad’, ‘de woestijn’, of dus ‘de kathedraal’.
Toen ik die scène las, waarin die jongen het probeert op te nemen tegen zo’n formidabele tegenstander in een enorme kerk, zei Jurgen me, dan zag ik de Sint-Pietersbasiliek in Rome voor me.

JW Tombe 2b cut
(c) Jurgen Walschot – Het boek Seth (detail)

Ik voelde onmiddellijk dat dat een schitterend idee was. Waar kon een halve engel beter zijn confrontatie met de oude christelijke orthodoxie aangaan dan in de wereldhoofdstad van het katholicisme?
Daar gaan we voor, zei ik. Ik wist dat dat inhield dat ik een aantal elementen van het plot zou moeten herschrijven, maar dat was goed haalbaar. Ik was sowieso bereid om al wat Jurgen voorstelde te omarmen als dat een verbetering voor het boek betekende, en een manier was voor hem om zich dieper in te graven in het project. Bovendien kwam zijn voorstel op het moment dat ik was gaan twijfelen of die abstracte plaatsen wel echt werkten, dan wel of ze het de lezer gewoon moeilijker maakten om in het verhaal te komen. Ik was aan het spelen met het idee om in plaats daarvan juist heel specifieke locaties te introduceren. Rome prominent laten figureren wilde zeggen dat we die richting uitgingen. En als ik die mentale klik maakte, moest de rest van de settings volgen. Dus: meer herschrijfwerk. Wat mij betrof prima. Ik begon dit steeds leuker te vinden.

Sommige locaties waren gemakkelijk gekozen, andere lagen moeilijker. Ik overlegde met Jurgen om een aantal knopen door te hakken – wat het ook was, eindigde vroeg of laat immers misschien in een van zijn prenten. Egypte en Israël waren altijd al een evidentie. Over de bossen hadden we allebei hetzelfde gevoel. Brussel was om een aantal redenen een evidente keuze als een van de belangrijkste nuclei: internationaal, kleurrijk, groezelig, alle nodige elementen voor woonst en werk van de personages aanwezig, en een stad die vooral Jurgen goed kent. Rome hadden we ook. De moeilijkste knoop was: waar groeide die halfengel op? Ik had scènes met zijn ouders (mensenmoeder, engel als vader) die zich afspeelden tegen een decor van bergen en sneeuwlandschappen, en die wilde ik heel graag bewaren. België heeft geen bergen, dus moest ik het verder zoeken. Zou het een optie zijn, vroeg ik me af, om hem te laten opgroeien in Italië? Dat idee beviel me wel, het zou zijn worsteling alleen geloofwaardiger maken.
Maar was het wel realistisch dat een jongen opgroeide in het meest katholieke land van Europa (Polen niet meegerekend) zonder ooit een grote kerk binnen te gaan, laat staan de hoofdstad te bezoeken voor hij een pakweg zestien jaar was?

Ik zocht een afgelegen dorp in de bergen, waarschijnlijk op een aardige afstand van Rome, maar niets al te toeristisch, zéker geen skistation ergens in de Alpen. Ik lanceerde een vraag onder mijn Facebookcontacten. Daar zitten wat bevriende collega’s tussen die gespecialiseerd zijn in het Antieke Rome en die Italië goed kennen, maar niemand kon me helpen. Maar mijn hoofdredacteur deelde mijn vraag, en kreeg antwoord van een vriendin dat zij op haar beurt een vriendin had die met haar Italiaanse partner leefde in… Abruzzo. Ik kreeg de gegevens van deze Hilde, nam contact met haar op en legde uit wat ik zocht.

 

Italië 2_049
(c) KV – Abruzzo

 

Hilde was hartelijk en meer dan een beetje enthousiast. Abruzzo is de streek die je moet hebben, zei ze. De tijd heeft hier stilgestaan. Je vindt hier dorpjes met maar tien familienamen op de grafzerken van de begraafplaats. Sommige van die plekken zijn ’s winters omwille van de sneeuw wekenlang afgesneden van de beschaving. Het is perfect mogelijk om hier op te groeien, op goed twee uur rijden van Rome, en de hoofdstad pas voor het eerst te bezoeken op een schooluitstap. Zo ging het alvast voor Gianni, en die heeft ongeveer dezelfde leeftijd als jouw personage nu zou hebben. Je kunt hem uitvragen over hoe het was om hier te leven als kind. En wij gaan voor jou op zoek naar het soort dorpje dat je kunt gebruiken als achtergrondlocatie.

Een mens zou niet verbaasd mogen zijn om engelen tegen te komen als je er over eentje aan het schrijven bent.

Nauwelijks een paar dagen later kreeg ik zoals beloofd van Hilde de naam van een dorpje en wat achtergrondinformatie over de regio rond L’Aquila. Maar heel gauw overviel me het gevoel dat ik de plaatsen die ze beschreef zelf wilde gaan zien. Het is mijn ervaring dat ik beter schrijf als ik de plek ken. Zelfs al gaat het maar over tien regels en wat  achtergronddetails, dan nog wil ik datgene wat ik mijn lezer aanbied zelf ook kennen.
Mijn man was helemaal te vinden voor een half avontuurlijke road trip met ons tweeën – daar kwam geen enkele vorm van overtuigingskracht aan te pas. Dus hier zijn we dan, in Abruzzo.

Ik denk niet dat er veel toeristen zijn die een totaal oninteressant slaapdorp gaan bezoeken om puur documentaire redenen. Mijn man was zo aardig om vaak het stuur te nemen, zodat ik vanuit de auto foto’s kon nemen, of er snel even uit kon springen om langs de kant van de weg betere plaatjes te schieten. Ik moest voornamelijk de sfeer opsnuiven, maar Jurgen zou de echte beelden nodig hebben.

Het dorpje dat Hilde en Gianni voor me hadden uitgezocht, lag op een van de hogere hellingen met zicht op L’Aquila in het dal. Schitterend, dacht ik. Seths moeder zal uitkijken over de stad waar ze werkt en waar ze eigenlijk zou willen wonen, maar aangezien de huizen in die dorpjes veel minder waard waren dan vastgoed in de stad kan ze niet ontsnappen uit de plek waar ze vast zit. Ze moet namelijk depressief zijn op het moment dat ik haar introduceer in het verhaal, en de omstandigheden moeten geloofwaardig zijn.

(Ja, ik geef het toe: schrijvers kunnen wreed zijn als dat nodig is, maar ik verzeker u dat we wel degelijk geven om onze personages, en ook om echte mensen.)

Natuurlijk zouden we L’Aquila zelf ook bezoeken, aangezien het de belangrijkste stad in de regio is, en ik wilde een idee krijgen van waar Seths moeder heen ging om haar geld te verdienen. Ik had gehoord over de aardbeving die de stad in 2009 had getroffen, en op onze omzwervingen over het platteland hadden we huizen gezien die gestut werden of toe waren aan restauratie. Maar niets had me voorbereid op wat we in het dal aantroffen.

 

Italië 3_032
(c) KV – L’Aquila

 

De (typisch lelijke) buitenwijken waren levend genoeg om ons te misleiden, maar acht volle jaren na de zware aardebeving (6.3 op de schaal van Richter) is L’Aquila nog steeds niets meer dan een spookstad. Hele straten lang worden de huizen rechtgehouden door niets dan stellingen en wilskracht, totaal verlaten, de ruiten gebroken, de deuren verzegeld. We zagen een middelbare school waar de stapels papier nog op de lessenaars lagen. Stijlvolle façades waar het plaaster half vanaf hing, de pasteltinten vergaan tot een somber, stoffig grijs. De belangrijkste historische monumenten en grotere gebouwen waren half verwoest, half verpakt in stellingen en doeken.
Er was veel werfgeluid te horen, maar voor elk huis dat opgekalefaterd werd, verbrokkelden er dertig andere. Zelfs te voet was het een uitdaging om het centrum van het stadje te doorkruisen, met zoveel versperde steegjes of straten die ontoegankelijk bleken.

Hier en daar was een gebouw al echt herbouwd of hersteld, maar zo’n bar of winkel binnengaan voelde als een scène uit een surrealistische film: binnen was alles veel te schoon en te normaal, business as usual, een parallel universum dat verkruimelde zodra je naar buiten stapte. We passeerden een of twee bars was mensen op een terrasje zaten, vrolijk, druk, alsof ze hun best deden de verwoesting om hen heen niet te zien. Het was een van de voorlopig vreemdste ervaringen in mijn leven.

Ik heb er nu spijt van dat ik niet meer of betere foto’s nam, of probeerde om die groteske contrasten te documenteren, maar terwijl we daar rondliepen, in de middaghitte, met de verbijstering om deze ooit zo mooie plek als een krop in de keel, lukte het mij gewoon niet. De pure kracht van de verwoestende natuur voelde overweldigend, en de pogingen van de mens om op te ruimen en herop te bouwen waren zo nietig in vergelijking. Op de terugweg merkten we in de buitenwijken rijen van prefab chaletjes, ongetwijfeld in allerijl opgetrokken noodwoningen voor een aantal van de duizenden inwoners die niet terug kunnen naar hun huizen omdat het dak ervan naar beneden dreigt te komen. In Het boek Seth zal ik het hebben over een stad die niet meer bestaat.
Eigenlijk was dit veel, veel erger dan een bezoek aan Pompeï ooit had kunnen zijn.

Als je, zoals ik, leeft in een land met een geologische geschiedenis die zo oud is dat de bergen er al lang afgesleten zijn tot heuvels, dan ken je de krachten van de natuur voornamelijk uit boeken. Getuige zijn van het lot van mensen die er uit de eerste hand ervaring mee hebben, maakt je heel nederig.

Schrijvers moeten zorgvuldig zijn, en voorzichtig, met de werelden die ze scheppen.

 

Italië 2_146
(c) KV – Oorspronkelijke loopbrug in de Grotte di Stiffe

Wachtpost

Voor het zoveelste jaar op rij gingen illustrator/vriend/creatieve zielsverwant Jurgen en ik deze zomer op hetzelfde moment op vakantie naar dezelfde streek , elk met ons gezin, elk met/bij (schoon)ouders, elk ergens in een afgelegen huis tussen de velden op een half uurtje van Albi, en op goed tien minuten rijden van elkaar.

Je zou zeggen dat we het erom doen, maar dat is echt niet zo. De parallellen tussen ons zijn bij momenten gewoon zo opmerkelijk dat ze grappig worden. Of een beetje griezelig.

De aanleiding voor Zaailing #12 is nog zo’n mooi voorbeeld.

 

Na bijna twaalf uur in de auto op weg naar het zuiden is de snelweg verlaten in Montauban altijd een opluchting. Het laatste uur gaat het voornamelijk over kleinere banen, en één bijzonder moment is altijd een bossige heuveltop oversteken en het dal van Gaillac in de diepte zien liggen. Tegen een nabijgelegen helling is een huis gebouwd, en in de tuin daarvan prijkt een majestueuze, oude parasolden. Die boom valt me telkens weer op, dit jaar zei ik het zelfs tegen Christophe. Die kent mij ondertussen goed genoeg om niet meer op te kijken van een echtgenote die, ook als ze haar ogen op de weg heeft, allerlei bomen in het landschap aanwijst.

Eenmaal in Fauch gaf ik Jurgen een teken van leven, en kreeg prompt te horen dat hij  een nieuw idee had voor een Zaailing. Over de haas, of de hop misschien (erg mooie, schuwe vogel) die hij al meteen bij aankomst zag en waarover hij zo enthousiast was? Nee nee, over een mooie parasolboom op de weg naar Albi, die hij bij wijze van traditie elk jaar fotografeerde.
Ik: Ah, ik wees er daarstraks juist ook zo’n mooie aan.
Hij: Toch niet die ene, dáár, op die plek?

We zijn ondertussen op het punt gekomen dat dit soort dingen mij niet meer verbaast.
Ik ga er breed van grijnzen, dat wel.


 

 

Zaailing #12   Wachtpost

 

De stam is nauwelijks dikker geworden. Maar de kroon is wat voller, en die ene kwetsbare tak hangt wat lager. Nog altijd groen, dat wel.

Je kent hem goed, deze boom. Je kijkt naar hem uit tegen het einde van de bochtige klim. Hij is de wachtpost afgetekend tegen de hemel boven de vallei, de silhouet die aangeeft dat de bestemming in zicht is.

Je bent bijna thuis.

 

parasolbomen
(c) Jurgen Walschot

Jaar na jaar steek je, net als hij, je wortels hier wat dieper. Terugkeren naar dezelfde plek betekent je haar eigen maken. Je toetst herkenningspunten af, wordt verrast door wat er veranderd is in je afwezigheid.
Je graaft je in, en je staat het land toe jou te veranderen. Langzaam, elk jaar een heel klein beetje. Tot je het punt bereikt waarop je beseft dat je vertrouwt op de bodem, en dat die je zal dragen – zelfs bij slagregen, wind of lange droogte.
Dat soort wisselvalligheden deren de parasolden ook niet. Hoogstens lost hij wat naalden.

Soms ergert het je, die verknochtheid. Ze heeft iets kleins en beperkends, als van een kind dat op veilig speelt. Is het dan niet beter een zwerver te zijn, een vagebond, nergens thuis en niemand iets verplicht? Een trekvogel, desnoods. Die blijft tenminste in beweging.

Maar het landschap spreekt dat tegen.

Niets in deze wuivende wereld is immers ooit stil. De hartslag van dit land klopt diep en dierbaar. De lome hellingen met stroken kreupelhout geven het tempo aan van ongehaaste seizoenen en levens die zich ontrollen. Je weet: je mag hier zijn. De horizon, vaag blauw en wazig als op een middeleeuws landschapsschilderij, heet je welkom maar verplicht je tot niets.

Vlieg als je dat wil, ruist het land, maar je hoeft niet te vluchten. En elke keer als je landt, wacht ik met open armen.

Als je na een paar weken, met tegenzin op de terugweg naar grijzere oorden, weer langs de statige groene wachtpost komt, neem je zwijgend afscheid. En belooft hem dat je terugkomt.

Want thuis, eenmaal herkend, is de magneet waarnaar ons kompas zich onweerstaanbaar, juichend, wendt.

parasolboompje
(c) Jurgen Walschot

 

ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

 

Welkom in de B-ploeg

 Zwemmen in de stroom waar je thuishoort

Page3 cut1 N.jpg
Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Als kind wilde ik schrijver worden. Ik schreef notitieboeken vol verhaaltjes, typte hele schoolvakanties weg. Ik kom uit een gezin waar mensen boeken verslonden als ze er de tijd voor hadden (voor mijn ouders betekende dat doorgaans: de vakanties), en waar lezen altijd en overal werd aangemoedigd. Dus ik dacht dat het wel goed zat toen ik aan de universiteit literatuur ging studeren. Maar dat klopte toch niet echt.

Tegen de tijd dat ik klaar was met het middelbaar, had ik zowat de hele kinder- en jeugdvleugel van de bibliotheek gelezen. Maar de overstap naar literatuur voor volwassenen vond ik helemaal niet zo eenvoudig. Plots waren een aantal van de dingen waarvan ik in boeken zo hield spoorloos verdwenen. Verbeelding. Hoop. Warmte.

De studie taal- en letterkunde aan de universiteit trok mijn wereld open op meer dan één manier. Ik ontdekte schrijvers en oeuvres waar ik voordien nooit van gehoord had. Mijn proffen introduceerden me ook tot de diverse literaire tradities, het werk van eigentijdse auteurs en, misschien nog het belangrijkste: de analytisch gestructureerde manier om een boek te lezen en te begrijpen.

Maar die jaren waren niet alleen een tijd van intense, nuttige opleiding. Ze waren ook het moment waarop ik ontdekte dat ik wel grootgebracht was met liefde voor boeken, maar niet met kritische zin om kwaliteit te onderscheiden. Mijn ouders, leerde ik, lazen niet meteen grote literatuur. En de academische wereld hamerde de boodschap er bij mij stevig in: er was ‘goede’ literatuur, meesterwerken die conventies hadden getrotseerd, een universele snaar beroerden en de eeuwen zouden overleven, en er was — al de rest.

Hoe ambitieus je als jonge kunstenaar ook bent, meestal heb je toch wel genoeg realisme om te begrijpen dat toegelaten worden tot de literaire canon geen evidentie is. Maar als ze zeggen dat je doorgaans het soort boeken gaat schrijven dat je zelf graag leest, wat moet je dan met de ontmoedigende ontdekking dat datgene waar jij van houdt door de experten niet bepaald bij het kwalitatief werk gerekend wordt?

Een vol jaar lang na mijn afstuderen van de Germaanse schreef ik met enorme vertwijfeling. Onbewust werkte ik met maatstaven waaraan ik onmogelijk tegemoet kon komen, omdat ze niet strookten met wie ik was. En erger: ik las niet. Ik was het moe om boeken te lezen waarvan ik geleerd had dat ze ‘goede literatuur’ waren maar die me alleen maar deprimeerden door hun onderwerp, stijl of benadering van de wereld, en ik was bang om te genieten van iets wat misschien weggezet kon worden als triviaal. Die innerlijke worsteling zette me klem in de hoek waar verstomming en verlamming elkaar treffen.

Het boek dat mijn redding werd, was The vintner’s luck van Elizabeth Knox. Daar was het ineens: geschreven in het verfijnd soort poëtisch proza dat ik niet alleen was gaan appreciëren dankzij mijn opleiding maar waarvan ik oprecht hield, en tegelijkertijd een verhaal dat zo ver als maar mogelijk af stond van het in hedendaagse Nederlandstalige fictie zo diep ingeslepen realistisch cynisme. Knox’ roman over de liefde van een Franse wijnbouwer voor een engel die hij een nacht per jaar ontmoet gedurende zijn hele leven opende voor mij een universum van verbeelding, sensualiteit en emotie, geschreven in een taal even subtiel en bedwelmend als zware wijn.

Het voelde als eindelijk aankomen op de plek waar ik thuishoorde. Dit was kwalitatief werk dat mijn hart en ziel beroerde. Dit was het soort boek waarvan ik hield. Dit was het soort werk dat ik zou gaan schrijven.

Page11 cut 1 N

Tot ik het probeerde uit te geven.

Mijn geschreven teksten botsten op een gelijkaardig oordeel als mijn leesvoorkeuren op de universiteit hadden gedaan. Nu lag dat voor een deel beslist aan gebrek aan ervaring en een onvolledig beheersen van het ambacht, zoveel mag duidelijk zijn. Het is niet omdat je mikt op kwaliteit dat je die ook kunt voorleggen. En ik had nog veel te leren. Debutanten die meesterwerken produceren bestaan, maar ze zijn zeldzaam. Maar later werden een aantal van mijn rijpere manuscripten alsnog geweigerd, soms om evenveel verschillende redenen als ik uitgevers had aangeschreven. Elementen die de ene bijzonder geapprecieerd had, waren voor de andere precies de reden om het werk onuitgeefbaar te verklaren.

Het maakte me gek van onzekerheid. Blijkbaar kon niemand me vertellen was ‘goede’ literatuur nu precies was, laat staan hoe je die schreef. Al wat ik wist, was dat ik blijkbaar iets verkeerd deed. Of misschien was dat zelfs niet eens zo, maar kon men mijn werk toch niet smaken, terwijl er stapels boeken uitgegeven werden die ik niet graag las en die ik zelf nooit zou kunnen — of willen — schrijven.

Welkom bij de B-ploeg, schreef Jurgen Walschot, in een poging me op te vrolijken met zijn gebruikelijke mix van humor, ironie en warmte, toen ik weer eens tegen mijn oude muren van perfectionisme aan was geknald en mijn wonden likte, bang dat niets van wat ik deed ooit ergens toe zou leiden. Liever de tevreden hobbyist dan de ongelukkige, gefrustreerde zogenaamde professional.

Hij had gelijk, zelfs al waren we het in feite ondertussen allebei wel, professionals. Maar op een of andere manier moet je het punt bereiken waarop je stopt met je aan te trekken wat mensen denken, of in welk vakje je werk al dan niet geklasseerd zal worden. Je moet stoppen met piekeren en het beginnen maken.

Page15 cut 1 N.jpg

Maar het blijft een glad en hellend vlak, om meer dan één reden.

Een voorwaarde voor lidmaatschap die de Vlaamse Auteursvereniging (waar ik zelf tien jaar in het bestuur zat) naar voren schuift, is dat schrijvers minstens één gepubliceerd werk bij een erkende uitgever (of een voorstel tot contract) moeten kunnen voorleggen.
Dit is het soort maatregel dat actief de bedoeling heeft om de auteurs te scheiden van de amateurs. Uitgevers worden beschouwd als de poortwachters van kwaliteit: als je voorbij hun deur geraakt, heb je het recht verdiend om serieus te worden genomen binnen je genre.

Maar wat als kwaliteit toch niet meer voorbij die uitgeversdrempel raakt?

Om een bekende uitdrukking even naar mijn hand te zetten: ik schiet niet op de uitgever — een uitzondering niet te na gesproken. Zij hebben uiteraard keuzes te maken, en velen van hen doen dat met integriteit en liefde voor de job. Maar de boekenwereld kreunt steeds meer onder de wetten van de markt, en nogal wat schitterend werk geraakt eenvoudigweg niet uitgegeven omdat gevreesd wordt voor een commerciële afgang.

Begrijpelijk? Absoluut.
Te betreuren? Die vraag zou ik redelijkerwijs zelfs niet hoeven te beantwoorden.

Dus enter de B-ploeg, en de professional die het werk maakt dat hij voelt dat hij moet maken, die de uitgevers langszij passeert en het in eigen beheer uitgeeft in een oplage van amper vijftig exemplaren die hij vervolgens verkoopt aan vrienden en familie, als de eerste de beste amateur.

Er was een tijd dat ik daar gillend voor zou zijn gevlucht. Maar toen de uitnodiging kwam, in de vorm van Jurgens uitgestoken hand, en de ervaring van gedeelde creatieve stroom die even voedend en verleidelijk was als ooit een engel in een Franse wijngaard op een beslissend moment in mijn leven, wist ik dat ik klaar was om mijn oude wereld de rug toe te keren.

Page19 cut 1 N.jpg

De afgelopen maand hebben we de laatste hand gelegd aan Stroom, een graphic poem (bij gebrek aan een beter woord) van 50 pagina’s. We hebben het opgestuurd naar een aantal uitgevers in Vlaanderen en Nederland, om de watertemperatuur te testen en de levensvatbaarheid van ons mooie, kleine project af te toetsen. We kregen al wat fijne feedback, en we wachten op een aantal definitieve antwoorden.

Tegelijkertijd verkennen we de mogelijkheden voor Engelse of Franse versies van het boek. We hebben geduld, maar ondertussen werken we door.

En we weten dat Stroom er komt. Uitgegeven in de A-klasse, of gemaakt door de B-ploeg. Hoewel de ene optie om duidelijke redenen zoveel prettiger en makkelijker zou zijn dan de andere, kan het mij in alle eerlijkheid niet meer schelen welke het wordt.

Want hoe weet je nu dat je kwaliteitsvol werk maakt? Misschien is het antwoord gewoon dat je dat niet kunt weten.

Het enige waar je op moet afgaan, is of je zwemt in de stroom waar je thuishoort.

En dat doe ik.

Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot