ZAAILING #63 – Muizenissen


Het was nochtans geen warme dag, laat staan een warme nacht. Maar na wat draaien en keren was het duidelijk – dit zou weer niets worden. De luiken van het Franse hoeveraam stonden op een kiertje. Het vliegenraam werd dubbel gecheckt. Voor het slapengaan had ik zelfs nog een amusant hoofdstukje gelezen waarin de personages godbetert Kerstmis vierden. (Dat komt ervan als je je niet goed informeert over een boek, niks zo vervelend als over de winter lezen in de zomer.)

Een paar uur eerder was ik door een prachtig aangelegde tuin aan het wandelen. Met gesloten ogen herontdekte ik die nu. Ik waadde opnieuw tussen de gigantische bladeren van de heilige lotussen door, nauwlettend in het oog gehouden door de veelogige zaaddozen die als periscopen tussen het groen priemden.

Het prikkelde me meer dan het me tot rust bracht. Ik wisselde van rug naar zij, trok mijn knieën hoog op en bootste de onvolgroeide varens na. Ik ging opnieuw door het bamboe labyrint maar ook deze keer stond ik te snel in een ander deel van de tuin. Ik verdwaalde in gedachten in de veelheid van te volgen lijnen in de schetsen die ik maakte. Misschien moest ik er nog een extra laagje kleur aan toevoegen? Een eerste klus voor de volgende dag? Of een personage toevoegen? Misschien was deze tekening dan wel bruikbaar voor…


Ze liet het centrum van het stadje achter zich. De huizen lagen steeds verder uit elkaar. De keurige tuinen vol struiken en bloemen, moe van de zomer, werden steeds groter. Hier was het goed lopen, alleen jammer dat er niets eetbaars te vinden was. Haar maag plakte als een lege ballon tegen haar ribben.
Plots zag ze ze: grote donkerrode appels, vuistdik. Haar voeten gingen vanzelf sneller. De boom stond in een immense tuin met een smeedijzeren hek eromheen, en dat hek liep zo ver ze kon zien, zonder een poort of een ingang. Er moest een huis zijn, daar ergens achter al het groen, maar de bomen en struiken onttrokken het aan het zicht.
Wie zo’n grote tuin had, kon best wat appels missen. Het hek was geen obstakel: kinderhanden hebben genoeg aan een paar fijne krullen als houvast. In een wip zat ze boven op het hek, balancerend als een vogeltje.
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent?’
Ze had hem niet horen aankomen, maar de man stond er opeens, aan de overkant van de straat. Ze hield zich vast aan de spijlen en voelde hoe haar vingers trilden.

‘Over je eigen hek klimmen is toch niet verboden?’ was het eerste wat ze kon bedenken.
‘Jij wóónt daar?’
Ze hoopte vurig dat de eigenaar van de reusachtige tuin, wie het ook was, geen goede kennis was van deze man. Ze keek hem uitdagend aan en knikte.
‘Waarom ga je niet langs de ingang?’
Ze grijnsde. ‘Zie je die hier ergens?’
Hij stak de straat over en kwam op haar af.
Ze nam een besluit, zwaaide haar benen over het hek en met landde met een goed gemikte sprong niet ver van de appelboom.
Eén van de takken hing laag genoeg. Als ze op haar tenen stond, kon ze erbij. Ze plukte een appel en zette haar tanden erin. Ze proefde de donkerrode smaak van opluchting en draaide zich om naar de man aan de andere kant van het hek.
‘Tot ziens, meneer’, lachte ze met volle mond.
Hij zei niets en bleef haar aankijken. Hij had een smal gezicht, en donkere ogen. Met de spijlen tussen hen in had ze plots het gekke gevoel dat hij gevangen zat in een met tralies afgesloten domein, en dat zij zojuist vrij land had bereikt. Ze zwaaide nog eens naar hem en liep toen de tuin in alsof ze er de weg kende.


Het was stil tussen de bomen. Dit was meer een park dan een tuin, meer een bos dan een park. Een beekje stroomde en vormde een vijver, half verborgen tussen het groen. Ze zag een brugje maar nergens een pad dat er naartoe liep, en algauw had ze het gevoel dat het groen haar insloot.
Ze nam nog een hap van de appel en keek achterom. De appelaar kon ze nog zien, maar van waar ze stond, leek het hek verdwenen.

Plots voelde ze zich doodop. Ze koos een boom in de buurt en ging er met haar rug tegenaan zitten. De takken boven haar hoofd ruisten zachtjes. Vlekjes zonlicht dansten tussen de bladeren en over de stammen. Daar bestond een woord voor, wist ze, voor dat licht, maar ze kon het zich niet meer herinneren. Waar zou de man die haar had aangesproken nu zijn? Was hij verder gelopen? Of stond hij nog steeds met zijn sombere ogen aan het hek, te speuren tussen het groen? Misschien kende hij het woord wel. Ze wilde dat ze kon teruggaan om het hem te vragen. Maar denken aan hem maakte haar droevig. Ze was moe. Met een zucht sloot ze haar ogen, heel even maar…


Slaapdronken werd ik me bewust van de geluiden boven mijn hoofd. In oude Franse hoeves slaap je nooit alleen. Overdag dutten de habitués in hun warme schuilplaatsen zodat ze geen energie hoeven te sparen tijdens hun wilde nachten. Eerst dacht ik muizen te horen, maar afgaande op sommige van de eerder lugubere schreeuwen zou het wel eens een familie marters kunnen zijn die boven huishielden, en aan het tumult te horen waren ze het kot aan het afbreken. De kleintjes zaten elkaar achterna, racend in de plafonds, zigzaggend tussen de dakspanten.

Tussen het onophoudelijke gesjirp van de krekels door hoorde ik een uil roepen. Zouden uilen marters eten? Zou er een uil op zolder logeren? Ooit vond ik er kippenschedeltjes. Maar uilen aten toch geen kippen? In gedachten zag ik een majestueuze uil, geruisloos navigerend als een ervaren stuntpiloot, tussen de balken van de stoffige zolder. Uit het niets stortte hij zich met stevige klauwen op zijn prooi. Een stofwolk, gevolgd door scherp gepiep. Dichtklappende vleugels, stilte. Einde film.

Dat uilen muizen eten, is zeker maar of er ook marters op hun menu staan, moest ik maar eens opzoeken. Het was alleszins een goed muizenjaar in deze streek want overdag wemelde het van de roofvogels. Geruisloos lieten ze zich meevoeren door de wind, gedragen door de thermiek, steeds hoger en hoger. Mijn gedachten cirkelden mee de blauwe lucht in… Het grote niets lonkte – tot een groter zoogdier besliste om een plaspauze in te lassen. Een deur knalde, voetstappen in de gang, nog een deur, water stroomde. Zelfs de bovendieren schrokken, want ook op zolder was er geritsel te horen. En mijn slaap koos resoluut het hazepad.

Klaarwakker besloot ik dan maar op te staan en als een nachtdier de trap af te sluipen. Ik zou alvast die tuinprent afwerken. Ware het niet dat dat bewuste schetsboek in de auto was blijven liggen… Op dit uur de luiken opendoen en als een dief in de nacht stilletjes mijn eigen auto openmaken zou de anderen misschien onnodig ongerust en vooral ook wakker maken. Dus sloop ik weinig heldhaftig van het bed naar de zetel.

Ik las wat, nam de digitale krant door en voerde een handvol online gevechten. Zoals altijd merkten de wakkere vogels als eersten dat de zon aan haar werkdag begon. De lamp kon nu wel uit, het natuurlijk licht vond zijn weg langs de kleine ramen naar wat mijn tijdelijke werkplek geworden was: een antieke salontafel met overdreven gedraaide poten midden op een weliswaar zacht Perzisch tapijt. Een lichtstraal viel op mijn opengeslagen schetsboek, het kleinere van de twee dat wel in huis lag en waarin ik zonet een zwarte wouw had zitten tekenen. Met prikkende ogen keek ik het zonlicht tegemoet. Misschien kon ik de voorbije nacht als een extra laagje aan deze schets toe voegen. Of ik kon hem opschrijven.

Terwijl ik de laatste woorden op papier zette, strompelden de dagbewoners de trap af. De geur van verse koffie lokte me naar de ontbijttafel. De bovendieren konden weer gaan rusten.

Tekst en beeld: Jurgen Walschot & Kirstin Vanlierde




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Advertenties

Dubbele lens, dubbele pen

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #4



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien
-Deel #3 – Zîchtbaar, met of zonder schulp : waarin twee boekenmakers steeds meer uit hun schulp komen


De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot



De intimiteit van de Zweedse residentie zorgde ervoor dat De serres van Mendel tot stand kwam op de best denkbare manier: als teamwork op elk vlak.

Als schrijver was ik het drie decennia lang gewend om alleen te werken. Schrijven is gewoonlijk een diep solitaire bezigheid. De personages die ik gestalte gaf, waren altijd dierbaar gezelschap maar werden nooit het soort vrienden die me konden uitdagen, verrijken of verrassen zoals levende mensen dat doen. Ik stond daar nooit bij stil. Hoe zou het anders kunnen zijn?

Toen Jurgen en ik ging samenwerken, werd ik uitgenodigd om die werkwijze vaarwel te zeggen. Ik had geen eerdere ervaring met het schrijven van geïllustreerde verhalen en ik had nog nooit ernstig met andere kunstenaars samengewerkt aan een gedeeld concept. Ik wist niet hoe het zou zijn om mijn creatieve universum met iemand te delen.
Jurgen op zijn beurt had genoeg van de gedienstige rol die illustratoren vaak toebedeeld krijgen. Als je beelden moet maken bij teksten waarvan de inhoud al helemaal vastligt, kun je misschien nog wel een mooie laag toevoegen, maar de lijntjes waarbinnen je moet kleuren, zijn getrokken.

In deze samenwerking zou het anders zijn, dat voelden en wilden we van in het begin. Ons werk zou gezamenlijk werk zijn, co-creatie, zonder dat de ene een knieval hoefde te maken voor de ander. Voor Jurgen betekende dat dat hij naar hartenlust ideeën kon aanbrengen en met beelden inhoudelijke voorzetten kon geven. Voor mij wilde dat zeggen dat de tekst zijn suprematie als alleenheerser over het verhaal moest lossen.
We rolden er spontaan in, en van bij de eerste Zaailing zat het goed. Het is een werkwijze die ons als gegoten zit en het was ook de mindset waarin we in Zweden aan De serres van Mendel gingen werken. Dat was toch weer een extra uitdaging, zo bleek.

(c) Inaya photography


De eerste, korte versie van het verhaal was nog volledig uit mijn pen gekomen voor Jurgen ze te lezen kreeg, maar hij had zich wel helemaal kunnen uitleven in de prenten, waarvoor ik op voorhand mee een heleboel materiaal verzameld had. Tegen dat we in Zweden zaten, was onze creatieve dialoog dankzij anderhalf jaar Zaailingen uitgegroeid tot een brede, stevige stroom, waarbij we ons al eens op het terrein van de ander durfden te begeven.
Ik ken wel iets van beelden maken en van vormgeving – genoeg in elk geval om er met Jurgen een intelligente dialoog over te hebben, en zijn werk tot in de details te kunnen lezen. Hij van zijn kant is veel beter met taal dan hij soms toegeeft: voor knappe titels en cartooneske woordspelingen moet je bij hem zijn (en voor flauwe humor ook, maar dat is een ander verhaal).

Nu gingen we dit boek bedenken, binnen de krijtlijnen die het korte verhaal al had getrokken en waar ook ik niet meer aan kon tornen. Zelfs het einde lag al vast. Maar binnen die krijtlijnen was er een hele wereld te ontdekken.

Het begon met een kleine writer’s block van mijn kant. We zaten twee weken in Zweden, met de expliciete bedoeling dit verhaal uit te werken. Nu moest het gebeuren. No pressure, right? Ik schrijf gewoonlijk blind, dat vertelde ik al eerder. Maar nu had ik een einde waar ik me aan moest houden, niks blind schrijven. Bovendien moest ik ervoor zorgen dat alle witte plekken die er nog waren in het verhaal op een geloofwaardige en rijke manier werden uitgewerkt – alles bij elkaar meer dan het halve boek. Ik ben perfect in staat om mezelf mentaal in de knoop te draaien, en dat was er precies wat er toen gebeurde, met als resultaat totale verlamming.

“Zit je vast?” Jurgen bekeek me met een mengeling van verbazing en bezorgdheid. “Wacht, we maken een mindmap.” In een oogwenk had hij een paar bladzijden aan elkaar gekleefd en zat met een potlood in de aanslag. “Wat hebben we al? Personages. Mendel, Reya, Robin. Locaties. De serres… Welke zalen zijn er? De spiegelzaal. De kelders. De bewaarkoepels. We kunnen er nog meer bedenken… En wat weten we over die figuren? Wat is hun karakter? Wat kunnen ze? Waar komen ze vandaan?”

Nu moet je weten: ik maak nooit mindmaps. Ik vind ze doorgaans onnodig en op het randje van kinderachtig. Maar Jurgen was oprecht, en we waren al eerder elkaars vangnet geweest in zware momenten. Dit was een uitgestoken hand en een reddingsboei, dus ik greep ze.
Hij praatte me door alle elementen die we al hadden, en al snel gingen we aan het associëren en brainstormen. De writer’s block smolt als sneeuw voor de zon en er kwamen een aantal interessante én grappige ideeën naar boven, waarop we later nog zouden doorgaan.

De mindmap bleef gedurende het hele verblijf op tafel liggen, als een constante aanwezigheid en inspiratie. Ik slaagde er in een vroeg stadium in om er een glas rode wijn over om te kieperen, maar dat maakte ze alleen maar interessanter.

(c) Inaya photography


In de dagen die volgen, brainstormden we verder. We discussieerden, diepten gedachtegangen, (humoristische) verbanden, anekdotes en logische opbouw uit tijdens wandelingen door het bos, langs het meer of gewoon aan tafel tijdens het ontbijt of de lunch. Vervolgens gingen we schrijven en tekenen. In het begin hadden die twee nog niet zoveel met elkaar te maken: ik schrijf chronologisch, en Jurgen begon aan een afbeelding van een locatie die hem aansprak en waarvan we beslist hadden dat de personages er op een bepaald moment zouden terechtkomen (de bibliotheek). Hoe dat precies in zijn werk zou gaan, wisten we nog niet, maar dat gaf niet.

Naarmate we langer in Zweden doorwerkten, geraakten de draden van waar we aan bezig waren steeds meer vervlochten. Visuele voorzetten van mij vonden hun weg naar Jurgens beelden, inhoudelijke ideeën van hem kropen in mijn tekst, een volwaardig tweerichtingsverkeer.
Toen gebeurde er iets onverwachts, dat van onschatbaar belang zou blijken.

Bij een van de workshops op het SmåBUS Kinderboekenfestival hadden de deelnemende illustratoren de uitdaging gekregen om aan de hand van een aantal losse woorden een verhaal te bedenken. Het was een oefening die Jurgen verrast had, en waarbij er een paar leuke ideeën uit zijn (schrijf)pen gekomen waren.
Toen ik als afwisseling tussen het werk aan het boek door even aan iets lay-outmatigs van de Zaailingen wilde werken, moest dat op zijn laptop. Hij palmde prompt de zetel in waarin ik gewoonlijk zat te schrijven, ging met een brede grijns achterover liggen en pakte zijn schetsboek. “Zo ziet dat er dus uit als je schrijver bent.”
“Ga je gang, “lachte ik. “Schrijf gerust een hoofdstuk. Je hebt toch geleerd hoe dat moet?”

Het was half uitdaging, half grap. Maar er volgde een hele tijd niets anders meer dan het zachte gekras van potlood over papier, en geen halfuur later las hij me een hele nieuwe scène voor.
Aan de schrijfstijl zou ik een en ander moeten aanpassen, dat hoorde ik meteen. Maar de inhoud en de opbouw waren knap, en ik wilde ze beslist gebruiken. Er was echter één – niet bepaald klein – probleem met Jurgens scène, ook dat wist ik al terwijl hij ze voorlas: hij had het vertelperspectief totaal omgedraaid.

Astrid Lindgren kijkt toe… (c) Inaya Photography

We hadden het tijdens het brainstormen natuurlijk wel gehad over het tweede hoofdpersonage, Robin, hoe die zich gedroeg en wat hij zoal dacht, wat zijn sterktes en zijn zwaktes waren en op welke manieren hij een tegenpool kon zijn voor Reya, het meisje dat in de serres woonde. Maar de korte versie van het verhaal was geschreven vanuit haar perspectief en ik was gewoon in die lijn doorgegaan. Het was nooit ter sprake gekomen om het verhaal ook vanuit het standpunt van Robin te gaan vertellen. En nu hadden we hier plots een sterke, waardevolle scène die alleen werkte vanuit zijn perspectief.

Schrijftechnisch is zoiets een probleem. Je kunt niet zomaar één hoofdstuk van perspectief wisselen, of toch niet op deze manier, midden in het boek, zonder duidelijke reden. Ik stond ineens voor de keuze. Ik kon Jurgen zeggen: knap gedaan maar dit kan niet, dus sorry en weg ermee. Of ik kon de scène ontvangen als het geschenk dat ze was, en de uitdaging die ze meebracht voor lief nemen. Want als ik ze een plaats wilde geven in de bestaande tekst zou ik Robins perspectief volwaardig moeten integreren in het verhaal. Dat betekende: nieuwe scènes bedenken vanuit zijn standpunt, andere herschrijven of verplaatsen, een volwaardig tweede perspectief invoeren… De oorspronkelijke opbouw van het hele boek omgooien, dus.

Een paar jaar eerder had ik waarschijnlijk mijn hakken in het zand gezet en het hele idee afgeblazen. Nu dacht ik alleen: interessant. Reya was mijn creatie, maar met zijn spontane schrijfspurt had Jurgen Robin plots een gezicht gegeven, en een stem.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Kon dit werken? Wellicht wel. Het zou bovendien een inhoudelijke meerwaarde betekenen.
Kon ik het schrijven? Ik was er helemaal niet op voorbereid om een stuk van dit verhaal te vertellen vanuit het standpunt van het jongenspersonage. Maar het zou me wel lukken, als ik erin slaagde in zijn hoofd te kruipen. Jurgen had me op dat vlak zojuist een half hoofdstuk voorzet gegeven.

En wat was er eigenlijk mooier, bedacht ik, dan het verhaal van een vriendschap dat door twéé personages verteld werd, net zoals dit boek door twéé mensen gemaakt werd, kijkend door een dubbele lens, schrijvend met een dubbele pen?

Oké, dacht ik. Ze mogen het samen doen. Net als wij.




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #62 – Tot aan de overkant

(c) Jurgen Walschot


Zullen we de wereld dan maar eens ondersteboven bekijken?
Besluiten dat dit circus nu wel lang
genoeg geduurd heeft en de rollen omdraaien
ook al blijft de wachter aan de ingang trouw op post?

Het universum dijt uit, maar binnenin jouw kristallen bol mag alles
besloten blijven.

Plafonds zijn niet zo verschillend
van vloeren.  Durven we beslissen
– zonder nog van standpunt te veranderen –
dat het leven een dans is
waarvan de muziek best meevalt?

Tot aan de overkant,
kameraad.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Mensen zonder fantasie zijn enge wezens

Een antwoord aan Peter Buwalda

Bekroond kinderboekenschrijver Ted van Lieshout citeerde Buwalda’s uitspraak in zijn blog, en ik dacht: wablieft?
De column van Buwalda ging over het oprichten van Bookaroo, een alternatieve praktijk van online boekenverkoop waar boekhandels wél van profiteren en een initiatief dat ik toejuich. Maar hij nam eerst een onverwachte en inhoudelijk weinig terzake doende bocht om een sneer uit te delen aan de jeugdliteratuur. Dit was de bewuste uitspraak die Van Lieshout met verwondering citeerde:

“Ik lees nooit kinderboeken, ik hoef hopelijk niet uit te leggen waarom, en ik wantrouw volwassenen die wel kinderboeken lezen.”

Jawel, schreef van Lieshout, leg het me alsjeblieft uit, want ik heb geen flauw idee wat je bedoelt. Hij presenteerde een mooie lijst van mensen (ouders, grootouders, docenten, bibliothecarissen, kinderboekenschrijvers zelf) die kinderboeken lezen uit liefde of uit professionaliteit.

Maar Van Lieshout bleef nog beleefd, minzaam zelfs, door de tweede schofferende uitspraak van Buwalda links te laten liggen. Die ging immers nog een stapje verder, een alinea lager:

“Ik ben zelfs van mening dat kinderboeken geschreven moeten worden door kinderen. Mensen als Roald Dahl en Bart Moeyaert spelen vals — dat vind ik ervan. Wat is er mooier dan een trotse kleuter met een Gouden Griffel? Niets toch?”

Dat was het moment waarop ik naar mijn computer stapte met mijn eerste kop ochtendkoffie. Het ontbijt moest maar even wachten, de andere punten op mijn lange takenlijst ook. Dit is wat ik Peter Buwalda wil antwoorden:

Beste meneer Buwalda,

U leest nooit kinderboeken. Dat is uw goed recht. U zegt er in één adem bij dat u volwassenen die dat wel doen wantrouwt, en u weigert erbij te zeggen waarom.
Dat is grof. Of misschien bedoelt u het grappig, dat kan ook. Maar ik beken dat ik uw schrijfstijl niet goed genoeg ken om dat te kunnen beoordelen. Ik las uw boeken (nog) niet. Ik ken u als schrijver wel van naam, maar ik ben niet vertrouwd met uw werk.
Dat kunt u mij aanwrijven, maar er is in deze wereld zoveel moois en interessants te lezen dat een mens onmogelijk het werk van elke auteur goed kan kennen. Na uw uitspraken van 27 juni weet ik ook niet of ik nog veel zin heb in dat van u.

Ik ben een van die volwassenen die nog kinderboeken lezen. Met veel liefde en plezier. En zelfs een die ze – oh huiver! – schrijft. Maar dat is niet waarom ik deze reactie naar u neerpen bij mijn ochtendkoffie. Ik ben niet, mocht u dat soms denken, op mijn persoonlijk tenen getrapt. Mijn huid is veel dikker dan dat, geloof me.

Wat maakt dat ik reageer, is dat u met uw uitspraken een heel segment collega’s en een enorme basis aan lezers behandelt met dedain dat doet denken aan dat van Donald Trump als hij gedegen journalistiek weg wimpelt als fake news.

Het is een straffe vergelijking, ik weet het. Niet elk kinderboek kan de vergelijking met onderzoeksjournalistiek doorstaan (daarover zo meteen meer). En u bent vast veel intelligenter dan Donald Trump. Of dat mag ik toch hopen. Maar daarom is het des te schrijnender om u zo’n ongefundeerde uitspraken te horen doen.

Ik merk twee dingen op uit de voorbeelden die u aanhaalt om kinderboeken en hun makers te schofferen: u pikt er een aantal grote namen uit, met werk dat heel goed verdiend (heeft) (J.K. Rowling, Roald Dahl), of iemand die onlangs heel erg in de belangstelling mocht staan (Bart Moeyaert). Dat ruikt naar jaloezie. Maar ik geef u het voordeel van de twijfel, en ik wil inhoudelijk antwoorden op wat u uit uw nek kletst.

Ik ga beginnen met u voor een stukje tegemoet te komen. Niet elk kinderboek is een literair pareltje. Maar dat is ook niet nodig, en daarin verschillen kinderboeken niet van boeken voor volwassenen. Een goede en gezonde mix komt elk ecosysteem ten goede. Wie beweert alleen maar in vier-sterrenrestaurants te dineren, vind ik bepaald niet sympathieker of betrouwbaarder dan wie toegeeft dat hij ook al eens een frietje gaat steken om de hoek. Integendeel.

Dat gezegd zijnde, de kinder- en jeugdliteratuur kan een aantal sublieme boeken voorleggen, parels van het woord (en vaak ook het beeld!) die het verdienen om door mensen van alle leeftijden gelezen te worden, en te blijven gelezen worden. Echt goede literatuur heeft wat mij betreft een ondergrens, maar geen bovengrens. De beste boeken voor kinderen bieden ook volwassenen nog altijd inhoudelijk en esthetisch plezier en ontroering, omdat ze zo verdomd goed geschreven zijn en op zo’n subtiele manier zoveel meer tussen cover en achterplat steken dan alleen maar een makkelijk verhaaltje.

Uit de paar namen die u noemt, leid ik ook een zekere huiver van fantasie af. U maakt ze in een paar zinnen belachelijk, voornamelijk door te spotten met namen van personages (dat lijkt nogal op kinderen pesten om hun uiterlijk, maar dat terzijde).
In tegenstelling tot wat u lijkt te denken, is fantasie een van de belangrijkste dingen die we kinderen kunnen bieden. In fantasie zit creativiteit, hoop, warmte, en het geloof dat we dingen kunnen veranderen als we er de moed voor hebben… Allemaal eigenschappen waarvan de zogenaamde volwassenen in de wereld van vandaag niet bepaald te veel hebben. En fantasie hoeft lang niet altijd te komen in de sprookjesachtige vorm van tovenaars of reuzen. Het is subtiliteit en fijngevoeligheid, een open blik op de wereld, het omgekeerde van cynisme. Mensen zonder fantasie zijn enge wezens.

Uw sneer naar vals spelende schrijvers van kinderboeken is in het licht van de recente ALMA zacht gezegd opmerkelijk te noemen, en uw uitspraak dat kinderboeken moeten geschreven worden door kinderen, zou hilarisch zijn als ze niet zo intriest was.
We blijven even bij de culinaire metafoor: boeken leren lezen is niet zo verschillend van goed en gezond leren eten. Verschillende smaken leren kennen, proeven van onbekende dingen, goesting krijgen voor het leven, letterlijk. Als we uw redenering volgen, moeten we kinderen in de keuken zetten om voor hun leeftijdsgenoten te koken. De stompzinnigheid daarvan is meteen duidelijk. Zelfs kinderen het menu laten bepalen (voor zichzelf of voor andere kinderen) zou leiden tot scenario’s met alleen maar spaghetti of friet of snoep op het menu.

Nee, meneer Buwalda, kinderboeken moeten geschreven worden door volwassenen die weten wat er nog meer in de wereld te vinden is dan friet en snoep, door schrijvers die geen minachting hebben voor jonge, groeiende mensen en hun leerprocessen, schrijvers die ervan genieten om de grenzeloze schoonheid van geuren, kleuren en smaken te delen en zo hele werelden te laten opengaan in de hoofden en harten van kinderen. Want kinderen worden ook volwassen, en helpen als volwassenen onze wereld mee bouwen. Op wat voor dieet zou u ze graag zien groot worden?

Kinderboeken maken is een lastige stiel, ondergewaardeerd en onderbetaald. We doen het met hart en ziel, en iedereen die er ook maar een heel klein beetje van af weet – waaronder al die volwassenen voor wie u uw neus optrekt – beseft hoe waardevol ons werk is. Blijkbaar vergeten sommige mensen, zelfs schrijvers zoals u, dat zodra ze volwassen worden.

Of bent u het misschien eens met juffrouw Bulstronk, die beweerde dat zij nooit een kind geweest was? We weten wat voor sympathieke figuur dát was. Tenminste, als we onze kinderboekenklassiekers kennen.

Zichtbaar – met of zonder schulp

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #3



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien


De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Het zijn wellicht twee van de meest fundamentele menselijke basisbehoeften: we willen contact ervaren met anderen, maar we willen ons óók veilig voelen. En in de praktijk lijken die twee vaak incompatibel.

Mensen hebben vaak iets weg van dieren in hoe we de wereld benaderen. Dus rollen we ons op als egeltjes, met alle stekels naar buiten toegekeerd, en begrijpen vervolgens niet waarom anderen ons niet durven aanraken. We kruipen weg in diepe schulpen en achter dikke pantsers, en verwonderen er ons oprecht over dat we onzichtbaar zijn.

Over hoe de dynamieken van (on)zichtbaar zijn zich manifesteren in mijn eigen leven, kan ik een boek volschrijven – en ik ken nog iemand anders voor wie dat op andere manieren minstens even hard geldt (maar die kruipt nu waarschijnlijk in zijn schulp 😉 ).
Laat het volstaan om te zeggen dat ik mijn handen vol heb gehad met pogingen om tot een persoonlijk evenwicht te komen, en waar mij dat op menselijk vlak al snel vrij aardig begon te lukken, had ik waar het mijn werk betrof tot voor kort de ervaring dat ik bleef falen. Als schrijver ervoer ik mezelf (en mijn werk) nog altijd als behoorlijk onzichtbaar.

Voor de duidelijkheid: onzichtbaar zijn biedt behalve teleurstelling ook veiligheid. En schoonheid. Er verscheen laatst een fantastisch mooi boek over de subtiele troeven en nuances van níet zichtbaar zijn, van de hand van Akiko Busch. Maar hoezeer ik onzichtbaarheid en camouflage ook waardeer en tot op zekere hoogte zelfs nodig heb, hoeveel innerlijke veiligheid het ook biedt, als het aankomt op je werk de wereld in krijgen is het geen vruchtbare strategie.

Naarmate mijn samenwerking met Jurgen in de loop van 2017 steeds solidere vormen aannam, merkte ik dat er bij mij iets veranderde. Ik werd op een diep en zeer fundamenteel niveau gevoed door onze creatieve dialoog, zowel als kunstenaar als als mens, tot in mijn kern.
En dat had een interessant neveneffect. Ik maakte ons werk daardoor behoorlijk zichtbaar: ik praatte er met veel enthousiasme over tegen vrienden en familie, in conversaties met kennissen of toevallige ontmoetingen, op sociale media. En ik merkte dat ik daar goed in was, veel beter dan ik ooit geweest was in het zichtbaar maken van mijn soloprojecten.

(c) deAuteurs

Toen Jurgen me eind 2017 schijnbaar achteloos de link forwardde van beheersvennootschap deAuteurs, met daarin een oproep voor kandidaten om zich te melden voor een duo-residentie schrijver & illustrator in Björköby (Zweden) in het najaar van 2018, vond ik het vooral een compliment dat hij het zag zitten om twee weken lang samen met mij in the middle of nowhere te gaan werken.
Geen van beiden verwachtten we er veel van, maar we dienden toch een dossier en een aanvraag in. In Jurgens woorden: “Zo weten ze daar ook dat wij bestaan.” Zichtbaarheid, jawel. We werden er stilaan wat beter in. We staken al eens ons kopje voorbij de rand van onze schulp.

Brief en dossier vertrokken richting deAuteurs op mijn verjaardag. Het zou nog maanden duren eer we wisten welk duo naar Zweden mocht, en ik kon dat hele residentiegedoe heel goed loslaten, maar naarmate de datum van beslissing en bekendmaking naderde, werd het toch spannend. Op de dag van de waarheid was het lang geleden dat ik een mail had geopend met hartkloppingen, maar toen dus wel.

Ik greep mijn gsm om Jurgen te laten weten dat hij zijn mail moest checken, en zag aan de binnenlopende sms dat dat niet nodig was: “We gaan naar Zweden!!”
Het leek erop dat we nóg een stuk zichtbaarder gingen worden.

Met het vooruitzicht van de residentie ontstond er een nieuwe dynamiek. Waaraan konden we daar gaan werken? Misschien was dit wel het uitgelezen moment om de ‘volwaardige’ versie van De serres van Mendel weer op tafel te leggen. We zouden er immers ook het eerste SmåBUS Kinderboekenfestival meepikken.

Het voelde aan als een goed idee. Maar mijn jaren van wachten op antwoord van uitgeverijen hadden mij wel wat wijzer gemaakt dan aan een boek te werken tot het helemaal af was en dan pas te gaan aankloppen bij een fonds in de hoop op interesse. Dit boekidee gingen we op voorhand ‘pitchen’, met de tekst van het kortverhaal en een selectie van Jurgens prenten als visitekaartje. We wilden zicht op publicatie vóór we hier maanden van ons leven gingen insteken, niet omgekeerd. En als er geen interesse voor bleek, tant pis. Dan gingen we in Zweden wel twee weken lang Zaailingen maken, of zo.

Ik schreef vier mails naar vier verschillende uitgevers, waarvan er drie behoorlijk snel aangaven geïnteresseerd te zijn, en er één zelfs de telefoon nam en me opbelde voor een afspraak. Dat was me om eerlijk te zijn nog nooit overkomen. Hier hebben we iets, voelde ik, net als toen we met de Zaailingen begonnen. Hier hebben we echt iets krachtigs in de knop.

De uitgever die ik thuis een uur lang aan tafel had, bleek ook degene die het meest op onze creatieve golflengte zat, zowel qua benadering van het verhaal, als qua bereidheid om de beelden en de vormgeving een maximale rol te laten spelen, in volwaardige dialoog met de tekst, van bij het begin.

De beslissing was dus snel genomen. Er volgde nog een gesprek met Jurgen erbij in de kantoren van Van Halewyck in Antwerpen, en we stapten in september 2018 op het vliegtuig naar Zweden met de garantie van publicatie in het najaar van 2019.

(c) Inaya photography


De residentie in Björköby bleek heel belangrijk, zowel voor De serres van Mendel als voor onszelf. Niet per se om de hoeveelheid werk die we er konden verzetten (minder dan ik had verwacht of gehoopt), maar omdat er toen iets gezaaid is in de vruchtbare bodem van onze samenwerking dat nog jarenlang zal groeien en vrucht dragen. Of misschien moet ik zeggen: de bodem zelf is toen subtiel veranderd.

Ik schreef tijdens de residentie al een blog over dit project en over de onwaarschijnlijke rol die erin was weggelegd voor vriendschap (die lees je hier: Vriendschap is geen zwaktebod). Alles wat erin staat, geldt nog steeds en vormt een mooie aanvulling op dit relaas. Maar ik wil er hier graag nog één ding aan toevoegen, dat ik op dat moment nog niet wist. Je vat de reikwijdte van sommige zaken nu eenmaal beter als je er met wat meer afstand op terugkijkt.

De serres van Mendel (c) Jurgen Walschot

De residentie in Zweden maakte Jurgen en mij niet alleen een stuk zichtbaarder voor de wereld, ze maakte ons ook zichtbaarder voor elkaar. We zijn allebei schelpdieren, om het zo te zeggen, en we hadden elkaar in de loop van bijna twee jaar samenwerken al heel diep onder onze pantsers laten kijken. Nu deelden we twee weken lang dezelfde schulp.

Zichtbaarheid en kwetsbaarheid hangen samen. Psychoanalyticus Paul Verhaeghe noemt dat ‘intimiteit’. Dat was het geschenk dat Zweden ons bracht. En dat is de echte voedingsbodem waaruit De serres van Mendel tot volle wasdom is gegroeid. Het is een diepe, rijke bodem, gelaagd en complex, zacht en uitnodigend, oud en tijdloos.
Ongeveer zoals je ze vindt in Zweedse bossen. Zichtbaar. En toch veilig. Zonder schulp.





In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #60 – Door een dubbele lens

Een kleine ode aan onkruid – – ter gelegenheid van het ontstaan van ZaaiGoed

(c) Jurgen Walschot



We vinden elkaar onverwacht
als contrasten die elkaar verankeren
of tegengestelden die toch niet botsen.

Door een dubbele lens kijken we anders
naar de wereld, die zich laat lezen als verhaal
met onverwachte wendingen.

Een oog dat ontluikt, een woekering.
Een droom die wortel schiet op een plek
waar hij kalm de uitgemeten afspraken tart.

We volgen de lijnen
zoals het spel ze trekt. We lopen
schijnbaar in de pas.

Maar geef ons een kier, een kans
en kijk hoe wij onszelf uitbundig   –   eindeloos

uitzaaien.



Deze Zaailing wordt uitzonderlijk gelanceerd om de start te markeren van ZaaiGoed, een initiatief van schrijvers en illustratoren die Zaailing-gewijs aan kruisbestuiving, wederzijdse creatieve uitdaging en verbondenheid willen werken, over alle hokjes en vakjes heen. Hardnekkig en hartverwarmend, als mooi onkruid.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #59 – Op elke wind


(c) Jurgen Walschot



Hoe de stilte in de lucht hangt
en iets wat groter is dan wij ons
onze haastige stap laat inhouden.

Hoe de wolken onverschillig
langs de hemel razen omdat
wolken dat nu eenmaal doen.

Hoe de schoonheid van iets
schijnbaar kleins en kwetsbaars
de muren en de elementen

uitdaagt met gebogen nek.
Wie zijn vleugels kent, kan vliegen
op elke wind, als hij dat wil.







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #58 – Verdwalen in lijnen

(c) Jurgen Walschot


Als ik je mijn hand geef, zullen we dan samen verdwalen op de kaart?
Dat is zoiets als verdwalen in een stad, of tussen de zinnen van een verhaal. Want elke zin leidt naar een andere maar nooit terug naar het begin.

Als ik mijn ogen sluit, zie ik het landschap waarin wij geboren worden. In de diepte van een donker dal, in het kleine huis een eind buiten het dorp met de onuitspreekbare naam. Ik zie hoe de sterren langzaam bleker worden en de boomkruinen zich grillig aftekenen tegen de oplichtende hemel. Ik hoor hoe onze moeder schreeuwt, en hoe de vroedvrouw onze vader de kamer uit jaagt, terwijl wij ter wereld komen in een spoor van bloed.

We hebben dezelfde lijnen in onze handpalmen, we passen als een puzzel. Maar het leven trekt zijn sporen op vreemde manieren. Je weet nooit waar de weg eindigt en het dwaalspoor begint. Met elke stap die we zetten, maken we keuzes die er geen zijn.

Met mijn ogen op de kaart liep ik in vol vertrouwen voorop en riep over mijn schouder tegen jou dat je me moest volgen. Maar toen ik opkeek, was het landschap veranderd van gezicht en ik was alleen. Mijn handen brandden van leegte.

Ik heb je overal gezocht. Op elke straathoek, in elk station, achter elke balie van elk kantoor. Ik ken de vouwen in de kaart intussen zo goed dat het mij soms verbaast dat de weg voor mijn voeten niet plots indeukt.

We leren leven met de onzekerheid van de reis. We genieten van het zonlicht als het er is en zoeken beschutting voor het zwaarste weer. We kloppen het stof van onze kleren en lopen door. We leren dat we niets voor altijd kunnen vasthouden.

We kennen het grondplan op de kaart zo stilaan uit het hoofd, maar sommige vormen van heimwee krijg je niet afgeschud. Hardnekkig blijven we de weg terug zoeken, als zalmen vechtend tegen de stroom, naar ruisende boomkruinen die een lied zingen dat we herkennen.

Het leven lijkt ervan te houden mensen eindeloos in rondjes te laten draaien. Of zijn wij het, die blind blijven voor de wegwijzers en stug dezelfde patronen vertrouwen in de hoop dat die ons op een dag toch ergens anders heen leiden?

Soms krijgt het grondplan medelijden, lijkt het wel. Dan laat het twee zwervende zielen, elk met hun ogen op de kaart, tegen elkaar opbotsen.

Verbijsterd blijven we staan. We lezen de lijnen in elkaars gelaat, een reisverslag van alle afgelegde trajecten. Hoe vaak hebben onze paden elkaar gekruist? Hoe vaak zijn we elkaar nét misgelopen?

Ik laat de kaart los. Ze waait weg en verkruimelt tot snippers op de wind. Ik steek mijn handen uit en jij pakt ze. Ouder, verweerder en vermoeider, maar de lijnen in onze handpalmen herkennen elkaar nog steeds.

Ik kan je niet beloven dat ik de weg dit keer wel zal weten. Maar als we nog eens verdwalen, doen we het samen.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #57 – Belofte


We slaan het blad van zoveel dagen om.
De herinneringen, dierbaar en voldragen, mogen langzaam vervagen tot schimmen in zwart-wit, gestolde silhouetten in de ochtendnevel die we achter ons laten.

De zon kondigt zich aan met lichtlijnen langs de horizon. Het natte gras prikt onder onze voeten. Alles is scherp en helder op een ochtend als deze. Het is alsof de bodem zelf dampt en ademt, zich loswoelt onder de roep van merel, vink en spreeuw.

Wat zich voor ons uitstrekt, bergt de belofte aan warmere dagen. We snuiven de kruidige lucht en voelen onze longen vollopen met iets wat wil uitbotten.
Zonlicht priemt tussen de takken door. Als we de ogen sluiten, krijgt alles wat we liefhebben vanzelf meer gloed.

(c) Jurgen Walschot







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.