Het Grote Loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb een nieuw boek uit, dat wist u vast al. De Wortels van de Wereld is van de persen gerold, het is piekfijn in orde en het is verkrijgbaar in elke boekhandel. Dus komt er… geen boekvoorstelling. Ah nee, het corona-effect: de angst voor besmettingen, en de onmogelijkheid om wat dan ook te organiseren dat naar cultuur en gezelligheid ruikt waar meer dan drie man bij elkaar zit. Het contrast met het feestelijke onthaal van De serres van Mendel in de Plantentuin van Meise en meer dan honderd aanwezigen op de voorstelling vorig jaar kan niet groter zijn.

In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zit ik nu niet in zak en as. Ook dat is een corona-effect. De Gekroonde Leermeesteres, zoals schrijver en sater Jeroen Olyslaegers dit virus in het voorjaar al doopte, leert ons enorm veel, als samenleving en als individu, of we dat nu fijn vinden of niet en ook als we daar totaal niet op zaten te wachten.

Ze heeft gezorgd voor een snelkookpan waarin allerlei dingen die al lang aan het sluimeren waren nu in een veel hogere versnelling gaan, maatschappelijk en persoonlijk. Van sociale en economische ongelijkheid tot ethisch engagement, van ziekte en scheiding tot hartsverbondenheid, van depressie tot innerlijk ontwaken, het landschap is even divers als wij mensen dat zijn, maar al die processen hebben gemeenschappelijk dat ze dieper worden, krachtiger en duidelijker omlijnd.

In mijn persoonlijk geval leert deze snelkookpan mij wat ik nog het beste kan samenvatten als het Grote Loslaten.

(c) Inaya photography



Dat gaat over kleine dingen en heel grote dingen. Over constant aanpassen aan maatregelen waar ik soms heel goed, dan weer totaal niet het nut van inzie, over omgaan met wat mij benauwt en ergert, over persoonlijke evenwichten vinden in een voortdurend veranderend landschap. Het gaat over geen enkel plan kunnen maken, persoonlijk noch professioneel, en de plannen en ambities die er toch nog waren, als strohalmen om mij aan vast te klampen, stelselmatig moeten loslaten en uitwuiven terwijl ze verdwijnen op de wind.

Die boekvoorstelling is een goed voorbeeld. We hadden een aantal concrete ideeën, scenario’s en contacten voorbereid, maar in augustus kon er niks. In september is het voor velen nog te riskant en te flou en zelfs voor oktober houden velen uit voorzichtigheid de boot af. Ik hoor uitspraken als: alles even on hold, maar misschien over een paar maanden, misschien volgend jaar…

Ik hou niet van misschiens. Ze klemmen mijn gedachten vast, ze maken dat ik me mentaal ga vasthaken. Dus Laat ik Los. De boekvoorstelling komt er niet? Oké, dan hoefde ze misschien niet. Het idee lost op als een ademwolkje in de winterlucht.

Dat is zeer bevrijdend. We werken aan een alternatief om Wortels onder de aandacht te brengen in de boekhandels en er bestaat een mogelijkheid dat we later dit najaar nog iets concreets rond het boek kunnen gaan doen, maar ook dat is een groot misschien, dus ik ga er nu geen mentale energie in steken, laat staan een houvast van maken. Ik zie het wel als het zover is. En als het er niet van komt: ook prima.

(c) Inaya photography



Ik weet het, ik laat het simpel klinken, en dat ik hier financieel niet van moet overleven, helpt natuurlijk wel. Maar ook zonder dat aspect was dit soort van loslaten heel lang helemáál niet zo simpel voor mij.

Ik heb een sterk hoofd, met gedachten die plakkerig en hardnekkig kunnen zijn. Net als bijna iedereen ben ik opgegroeid zonder het verschil te kennen tussen wat ik dacht en wie ik was, tussen de mentale boodschappen in mijn hoofd en wat daar écht van klopte.

Die kwetterende stem in ons hoofd, die ons voortdurend aanstuurt met oordelen, angsten, projecties voor de toekomst en herkauwsel van het verleden is onwaarschijnlijk krachtig. Die stem leren herkennen en ze zachtjes loskoppelen van mijn beslissingen en mijn welbevinden, zoals ik in de loop van de laatste tien jaar steeds beter heb geleerd, is een stevige brok werk. Je glijdt er zó terug in af, het is een eeuwig herbeginnen. Maar als het een beetje begint te lukken, is het een weldaad. En ik ben er intussen behoorlijk goed in geworden.

Natuurlijk ga ik ook nog eens onderuit en zijn er momenten waarop iets hard binnenkomt en lastig los te laten is. Maar die momenten zijn veel minder talrijk, en het loslaten gaat veel sneller, en veel beter. Ik was daar al een heel eind in opgeschoten voor Covid-19 ons leven op zijn kop kwam zetten, maar de verinnerlijking en verstilling van de corona-lockdown zorgden echt voor een soort van innerlijke upgrade.

Het Grote Loslaten voelt als overschakelen van een gammele oude fiets op een gestroomlijnd nieuw model (of voor wie net als ik weinig fysieke reserves heeft: eentje met robuuste elektrische ondersteuning). Je moet nog steeds je evenwicht houden, op de trappers duwen en sturen, maar wát een verschil van reiskwaliteit.

(c) Inaya photography



En van al dat loslaten word ik vanbinnen niet leger. Ik word vooral helderder, vrij van mentale rommel en ruis, van kleverige gedachten die nergens naartoe gaan en alleen maar ronddraaien op hun eigen boze draaimolen.

Ik kan naar de horizon kijken met aandacht voor de kwaliteit van het licht op het landschap, voor de schoonheid van het moment, zonder mij af te vragen wat er voorbij die heuvelruggen ligt. Daar zal wel iets liggen, natuurlijk. Maar ik kan het niet zien en ik hoef daar nu totaal niet mee bezig te zijn. Ik zal het wel merken als ik daar ben.

Nu ben ik hier. En dat is voldoende.

Je gewassen eronder ploegen

(c) Inaya photography


Soms komt er vanzelf een zinnetje in mijn hoofd zitten. Een frase uit een liedje, of een zin uit een boek. Het kan jaren geleden zijn dat ik het voor het laatst zag of hoorde, maar plots dringt het zich op. En het blijkt bijna altijd relevant voor een kwestie waar ik op dat moment mee bezig ben.

Een zin die zich de laatste tijd al een paar keer kwam aandienen, is deze: ‘zoals een boer die zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten’.

Bizar? Niet echt als je weet uit welk boek het komt (De weg van de alchemist van Catherine MacCoun). Het trof me de eerste keer dat ik het las meteen als een onwaarschijnlijk krachtig beeld. Het gaat over het bereiken van meesterschap, en dat vervolgens weer opgeven.

(c) Inaya photography



MacCouns boek is een van die weinige op die boekenplank waar het maar al te vaak een commercieel en zweverig circus is, die kennis en ervaring combineert met humor en helderheid. Een boek als Meditations on the Tarot, een van de standaardwerken in het hermetisme (dat ik door haar verwijzing ook ging lezen), is fantastische literatuur van een heel andere orde, maar ook bijzonder… euhm, hermetisch. MacCoun daarentegen is toegankelijk. Als ik haar stem lees, vind ik haar sympathiek. En ze weet waarover ze het heeft, zonder dat ze gaat opscheppen of met wierook zwaaien.

Dat wil niet zeggen dat je alles wat ze beschrijft zomaar snapt. Of kunt toepassen. En dat is een van de redenen waarom ik het een interessant boek vond. Het zette mij op nieuwe manieren aan het voelen en aan het denken over veel dingen waar ik al mee bezig was.

Het zinnetje over de boer komt uit het laatste hoofdstuk van het boek, waarin ook Shakespeares tovenaarspersonage Prospero uit The Tempest besproken wordt, en zijn beslissing om aan het einde van het stuk zijn wraak en al zijn magische krachten op te geven:

“Dit is het gebaar dat van een gewone magiër een alchemist maakt. Het is de zevende fase van het Grote Werk: het vrijwillig opgeven van alles wat voorheen verworven is. In zekere zin sublimeert het de vruchten van de sublimatie, zoals een boer zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten.” (De weg van de alchemist, p.270)

(c) Inaya photography



Het is een vorm van overgave die lastig te begrijpen is, ook na het lezen van het boek. MacCoun zelf kan die laatste stap ook niet helemaal helder uitleggen en is daar heel eerlijk over. Sommige dingen zijn alleen maar te ervaren en ontsnappen ultiem aan de kracht van woorden.

Het beeld van de boer die zijn oogst, volgroeid en voedzaam, weer onder de aarde van zijn veld ploegt, strijkt tegen de haren in. Wat een verspilling! Wat een zonde van al zijn tijd en zijn harde werk! Tenzij… het harde werk en het proces ernaartoe de bedoeling waren, maar het product niet is waar het om draait.

Ik kan wel vermoeden waarom mijn onderbewuste mij de afgelopen weken al een paar keer dit beeld geserveerd heeft. Het bergt echo’s van een gevoel dat ik al een tijdje heb. Het heeft iets met overgave te maken, met het opgeven van ambities en concrete verlangens, met het besef dat de weg die afgelegd is niet blijkt te draaien om geboekte resultaten maar om het feit dat je er zelf, tijdens het lopen, door veranderd werd.

(c) Inaya photography



Dit is, zeker gezien de ravage die Covid-19 door al onze levens trekt op dit moment, geen slechte plek om mij te bevinden. Integendeel. En tot op zekere hoogte zie ik parallellen met waar we ons bevinden als mensheid, op dit scharniermoment in de tijd. Maar ik kan de mensheid en de evolutie van de planeet niet op mijn eentje torsen, zoveel heb ik al lang begrepen. Ik kan wel proberen mijn deel te doen, door mij op een gefocuste en constructieve manier bezig te houden met mijn eigen kleine stukje van de puzzel.

Ik kijk achterom naar mijn donkere, vruchtbare veld, waarin alles waar ik twintig jaar innerlijk mee bezig ben geweest weer in de aarde geploegd ligt, en ik ben dankbaar. De rijkdom die het resultaat is van al die jaren hoef ik niet te proeven om erdoor gevoed te worden.

(c) Inaya photography

Jardin clos

Een visioen * een sprookje * een bestemming

(c) André Vanlierde

Er was eens een meisje dat in een zeepbel leefde. Ze droomde met haar ogen open, ze liep op de tippen van haar tenen door de wereld.

Op zeker moment werd ze te groot voor haar bubbel. Toen die knapte, had ze het een tijdje moeilijk. De wereld daarbuiten was groot en woelig, koud en druk. Het was geen veilige plek. Maar ze bleef de ene voet voor de andere zetten en probeerde zich aan te passen. Ze durfde steeds meer, en stilaan raakten niet alleen haar tenen maar ook haar voetzolen de grond.

Ook toen ze opgroeide, bleef het leven haar voor raadsels stellen. Wat moest ze hier beginnen, in dit enorme circus? Ze leerde haar stem gebruiken. Ze leerde dat woorden, in elke vorm, haar vrienden waren. Op papier kregen ze vleugels, en zij vloog mee.

(c) André Vanlierde & IP



Toen haar vleugels sterk geworden waren en de woorden haar de hemel getoond hadden, en het licht van de zon zoals dat scheen boven de wolken die als donzen bergen tot aan de einder reikten, voelde ze hoe de grond haar riep. Dus keerde ze terug naar beneden.

Daar vond ze een tuin, een rijke, bloeiende plek, vol bomen en struiken en bloemen en waterlelies. Het was een geheime tuin, een groene wildernis die overliep van leven en schoonheid. Er liep een stevige muur eromheen, helemaal begroeid met mossen en klimop en allerlei groene stengels. De vrouw voelde zich er veilig. Ze zorgde voor alles wat er groeide en bloeide en leefde, en ze werd steeds meer deel van de tuin.

(c) Inaya photography



Alle dingen die ze tot dan toe had geleerd en gedaan, kon ze daar nu gebruiken. Ze praatte tegen de planten. Ze vertelde verhalen tegen de vlinders. Ze sloeg haar armen om de stammen van bomen en kroop in hun kruin. Ze plantte en wiedde, ze zaaide en liet begaan. Ze groef naar wortels en at vruchten recht van de struiken. Ze maakte van de tuin een diepe plek, een wilde, vruchtbare plek, een magische plek.

Mensen uit de buitenwereld waren er welkom. Er was een kleine deur en die liet de vrouw bijna altijd open. Wie bij haar wilde zijn en goed keek, vond vanzelf de weg naar binnen. Er was vriendschap, wijsheid en verbondenheid. En om hen heen groeide en bloeide de tuin.

Moeders maken de mooiste foto’s (c) Grietje Bruyland



Zelf ging de vrouw ook nog wel naar buiten, maar het gebeurde steeds minder, en alleen op belangrijke momenten. Dan droeg ze de gloed van haar tuin met zich mee, en als ze sprak, hoorden sommigen geen woorden maar het lied van de vogels, of het ruisen van de wind in de boomtakken.

Hoe oud ze is geworden, weet niemand. Er wordt verteld dat ze op een dag ging zitten aan de rand van de vijver in haar tuin en niet meer opstond. Ze veranderde in een waterlelie, die met haar wortels diep in de donkere vijvergrond stak, haar zachte groene bladeren oprichtte om de dauw te vangen en haar kelken liet uitbarsten in een lied van licht.

(c) Inaya photography

De ligstoeltoestand

(c) Inaya photography



Ik kreeg niets gedaan deze vakantie.

Is dat niet waar vakanties voor dienen, hoor ik u denken. Om achterover te liggen in een strandstoel en niets gedaan te krijgen?

Meestal wel, inderdaad. Het was ook lang zo voor mij. De openingspassage van Anne Morrow Lindberghs Gift from the sea beschrijft bijzonder treffend het gevoel dat ik als adolescent en later als volwassene vaak had als ik op vakantie ging aan zee: hoe de immense ruimte die gecreëerd wordt door strand en water, de getijden en de wind, alles wegspoelt van concrete gedachten en plannen die je misschien nog heimelijk op zak had. Ik ben vaak aan vakanties begonnen met het idee: dan ga ik eindelijk schrijven. En na twee dagen gaf ik het op, of er nu zee aan te pas kwam of niet. Er lukte totaal niets. En dat was niet erg.

Lindberghs woorden zijn zó mooi, en zó juist, dat ik ze hier graag deel in een gelegenheidsvertaling.

(c) Inaya photography



“Het strand is niet de plaats om te werken; om te lezen, te schrijven noch te denken. Dat had ik moeten weten van vorige jaren. Te warm, te vochtig, te vormeloos voor werkelijk mentale discipline of scherpe scheervluchten van de geest. Maar je leert het nooit. Hoopvol zeul je de verschoten rieten mand mee, uitpuilend met boeken, wit papier, achterstallige correspondentie, vers geslepen potloden, lijstjes, en goede voornemens. De boeken blijven ongelezen, de potloden breken hun punten, en de papieren blijven even blank en smetteloos als de wolkeloze lucht. Er wordt niet gelezen, niet geschreven, zelfs niet helder nagedacht – tenminste, niet meteen.

Eerst neemt het vermoeide lichaam het over. Cruisegewijs laat je je zakken in de apathie van de ligstoel. Je wordt tegen je eigen hoofd en al je keurige voornemens in teruggedrongen in de oeroude ritmes van de kustlijn. De golven die aanspoelen op het strand, de wind in de pijnbomen, de trage vleugelslag van reigers over de duinen, ze overstemmen de hectische ritmes van stad en verkaveling, van uurroosters en schema’s. Je bezwijkt onder hun bezwering, je ontspant, gaat languit liggen. Je wordt in feite zoals dat element waarop je ligt, uitgevlakt door de zee; bloot, open, leeg als het strand, door de getijden van vandaag blank gegomd van alle krabbels van gisteren.

En dan, ergens in de loop van de tweede week, wordt de geest wakker, komt weer tot leven. Niet in de stadse zin – nee – zoals de zee. Hij begint te zwalpen, te spelen, om en om te rollen in zachte, achteloze tuimelingen zoals die lome golven in de branding. Je weet nooit welke toevallige schatten deze onbewuste deining naar boven zal woelen en tot op het gladde witte zand van de bewuste geest zal dragen; een perfect gepolijste steen, een zeldzame schelp die rustte op de zeebodem. Een wentelwulk misschien, een maanschelp, of wie weet zelfs een papiernautilus.

Maar je mag er niet naar zoeken, of – godbetert! – naar graven. Nee, geen gebagger op de zeebodem hier. Dat zou de hele onderneming zinloos maken. De zee beloont niet wie te gehaast is, te hebberig, te ongeduldig. Naar schatten graven is niet alleen een teken van ongeduld en hebzucht, maar ook van een gebrek aan vertrouwen. Geduld, geduld, geduld, dat is wat de zee leert. Geduld en vertrouwen. Je moet leeg liggen, open, blank van keuze als een strand – en wachten op een geschenk van de zee.”

(Anne Morrow Lindbergh – Gift from the sea, Chatto & Windus Publishers, p. 21-23 – mijn vertaling. Engels origineel: zie onderaan deze blog)


(c) Inaya photography



En zo was het dus ook voor mij, heel lang. Vakantie was: overal de stekker uit trekken. Het was aanvaarden dat ik er bijvoorbeeld niet in zou slagen om te schrijven, dat dat vreemd genoeg beter lukte in de scherpte van het dagelijkse werkleven, zelfs al leek er dan juist minder tijd voor te zijn. Ik had Anne Morrow Lindbergh toen nog niet gelezen, maar elk woord dat ze schrijft, komt overeen met mijn ervaring.

Alleen de laatste jaren was daar wat verandering in gekomen. Dat viel samen met het steeds regelmatiger schrijven van deze blog, en het (her)ontdekken van het artistieke proces aan de hand van de Zaailingen. Die creatieve dialoog luwde wel een beetje tijdens de zomermaanden, maar viel nooit echt stil. En omdat ik op mijn blog zoveel te vertellen had dat altijd bruggen sloeg tussen mijn dagelijks leven, mijn innerlijke omzwervingen en mijn ambacht, gingen werk en leven steeds meer in elkaar overvloeien en ging de blog gewoon mee op vakantie. Mijn hoofd en mijn creatieve drive stonden in feite nooit meer af.

Dit jaar lukte het niet. Ik ging met mijn gezin naar mijn ouders, heel blij hen terug te zien en een paar weken uit de benauwde Covid-bubbel van Vlaanderen te kunnen ontsnappen naar de uitgestrekte vergezichten van het Franse platteland. Het was er warm en weldadig. We kozen onze zeer schaarse ontmoetingen zorgvuldig en genoten daarvan. Op de markt droeg iedereen mondkapjes, maar het was gezellig. Ik hielp mijn mama met de planten en het eten, we praatten, we lazen, speelden spelletjes, redden beestjes uit het zwembad waarin mijn zoon elke dag rond plonsde en ik nu en dan eens ging zwemmen. Er moest niets, er was tijd en ruimte.

(c) Inaya photography



Ik voelde me prima, maar for the life of me kreeg ik geen blog uit mijn pen gewrongen. Ik maakte wel een paar krachtige momenten mee, maar ik voelde dat ik ze zelf eerst moest laten bezinken voor ik er iets over zou kunnen schrijven. Ik werkte één Zaailing af, omdat ik met een vormelement wilde experimenteren (die delen we misschien nog, of misschien ook niet), maar het had veel weg van kleine brokjes taal weghakken uit massief en ontoegeeflijk graniet, en nadien had ik totaal geen fut meer om woorden te formuleren, er stroomde niets.

Dat was best bevreemdend en het duurde even voor ik het door had: ik was op vakantie gegaan. Echt, dit keer. Mijn geest was overgegaan op ruis, zoals het geluid van de wind in de eiken aan het zwembad, en vervolgens op zachtjes zwalpen en dobberen.
Ik verwelkomde de ligstoeltoestand, de warme, aardige vorm van apathie. Dan registreer je, voel je, laat je alles komen en gaan. Dan geniet je en kom je tot rust. Maar dan schrijf je geen heldere stukken.

Dus dat is wat ik deed, de afgelopen weken. Niets. Het was nodig. Het mocht.

En nu ben ik er weer. Met goesting. Met een vers geslepen potlood, zoals Anne Morrow Lindberg het zegt, en mijn geest verfrist en gescherpt.

Er staat heel wat te gebeuren. En de woorden zijn er ook klaar voor.

(c) Inaya photography





Anne Morrow Lindbergh – Gift from the Sea (p.21-23)
The beach is not the place to work; to read, write or think. I should have remembered that from other years. Too warm, too damp, too soft for any real mental discipline or sharp flights of spirit. One never learns. Hopefully, one carries down the faded straw bag, lumpy with books, clean paper, long over-due unanswered letters, freshly sharpened pencils, lists, and good intentions. The books remain unread, the pencils break their points, and the pads rest smooth and unblemished as the cloudless sky. No reading, no writing, no thoughts even – at least, not at first.
At first, the tired body takes over completey. As on shipboard, one descends into a deck-chair apathy. One is forced against one’s mind, against all tidy resolutions, back into the primeval rhythms of the sea-shore. Rollers on the beach, wind in the pines, the slow flapping of herons across sand dunes, drown out the hectic rhythms of city and suburb, time tables and schedules. One falls under their spell, relaxes, stretches out prone. One becomes, in fact, like the element on which one lies, flattened by the sea; bare, open, empty as the beach, erased by today’s tides of all yesterday’s scribblings.
And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no – but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a chanelled whelk, a moon shell, or even an argonaut.
But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach—waiting for a gift from the sea.

De Wortels van de Wereld: het boek van deze tijd

ISBN 9789463832038



Het is er… Het boek dat we bedachten in tempore non suspecto maar dat de afgelopen maanden in sneltempo surrealistisch veel relevantie kreeg voor de toestand waarin we ons vandaag bevinden.

De Wortels Van De Wereld is een verhaal over een natuurkracht die groter is dan wij, over durven (of moeten) loslaten, over verdriet. Maar het is ook een verhaal over je hart volgen voorbij de grenzen van het bekende en vertrouwde, en in een wereld waarin je niets nog herkent zoeken naar de plek waar je thuiskomt.

Ik hoop echt dat dit boek heel veel lezers bereikt. Niet omwille van verkoopcijfers of bekendheid en nog meer van dat fraai egotripperigs en commercieels, maar omdat dit wat mij betreft het verhaal is van deze tijd. Met worstelingen waar we allemaal op onze eigen manier doorheen gaan. Met vragen waarop meer dan één antwoord is en geen enkel is fout, of makkelijk.

Dit is het boek waaraan ik alles gegeven heb wat binnen mijn mogelijkheden lag, omdat ik voelde dat dat van mij gevraagd werd. Door het verhaal, en door wat áchter het verhaal zit. Dat vatten in de meest eenvoudige, toegankelijke bewoordingen was nog de grootste uitdaging van allemaal. Ik hoop dat ik het recht heb gedaan. Want dit is iets wat veel groter is dan ik, of zelfs wij allemaal. In de wortels van de wereld klinken stemmen die spiralen van sterren met elkaar verbinden.
Nu is het aan ons om nieuwe paden te vinden waar de weg plots afgesloten lijkt.

Het was andermaal een voorrecht dat mijn hart en ziel vervult om dit werk te maken in co-creatie met Jurgen Walschot en de gebeurtenissen die we samen bedachten en die ik probeerde te vatten in woorden tegelijk tot leven te zien komen doorheen zijn blik.

Dank aan het team van Van Halewyck/Pelckmans Uitgevers, dat ook klappen te verwerken kreeg tijdens het begeleiden van dit boek, en aan Julie Verhaert voor het oneindige vertrouwen en de warme samenwerking.

Robin in de grot (c) Jurgen Walschot