Het enige spoor dat ik kan lezen

(c) DriftHangingGardens


Soms vrees ik dat ik verveel.

Toen ik een jaar of vijf geleden in ernst begon met deze blog, wilde ik er mijzelf als schrijver een beetje meer mee in de kijker zetten. Ik wilde er vooral artikels op publiceren die ik schreef voor het magazine waarbij ik toen in dienst was. Professioneel degelijke stukken. Bespiegelingen over de toestand van de samenleving, mijn onderbouwde opinie over sociale, politieke, ethische en ecologische toestand van de wereld. Nu en dan iets persoonlijks.

Het draaide anders uit.

Dit digitaal platform vervelde tot iets veel persoonlijkers. Dat ging vanzelf en toch ook weer niet.

Je moet een zekere afstand kunnen bewaren van onderwerpen als je er journalistiek over wil schrijven. Dat is niet mijn sterkste punt. Ik ben een veel emotioneler en meer intuïtief gedreven mens dan ik ooit objectief of journalistiek zal zijn. Het ene is niet beter dan het andere, dit is geen oordeel. Maar je moet wel weten wát je schrijft om te weten hoe je het op een integere manier kunt doen.

(c) Inaya photography



Schrijven is altijd een manier om mijn eigen processen helderder te krijgen. Maar ze ook op mijn blog zetten, was meer dan één brug oversteken. Ik kon mijn persoonlijke traject en mijn bekommernissen even goed kwijt in mijn dagboek, of in een intiem gesprek met mijn beste vriend(inn)en. Waarom deed ik dan wat ik doe op deze blog? Was het een verkapte roep om aandacht?

Jezelf online blootgeven is een combinatie van opperste kwetsbaarheid en exhibitionisme. Ik was me van beide bijzonder bewust. Het eerste vond ik doodeng, het tweede zonder meer kwalijk. Wie had er iets aan dat ik in woorden in mijn blootje ging? Ik had geen antwoorden, er was alleen de zachte innerlijke stem die zei: doe het nu maar. En dan drukte ik op ‘Publiceer’.

De respons die kwam, verbaasde mij niet alleen, er zat ook een onwaarschijnlijke logica in. Hoe meer schroom ik had om iets online te gooien, hoe vaker ik reacties kreeg die op verschillende manieren allemaal hetzelfde zegden: ‘Dank je om dit te schrijven, want ik herken mezelf hierin. Dit is mijn verhaal maar ik had er geen woorden voor. Tot nu.’

Van zulke reacties kun je alleen maar heel bescheiden en heel dankbaar worden.
Ik heb ze een voor een gekoesterd en ik voelde ook hoe ze iets in gang zetten. De bevestiging die ze mij brachten, heeft me meer vertrouwen gegeven om online te zetten waar ik mee bezig ben. Ik vraag me niet elke keer meer af: is dit wel een goed idee? Nu overheerst het idee: iemand, ergens, zal er misschien iets aan hebben. En ik laat het dan maar los.

(c) Inaya photography



Toch voel ik de laatste tijd de twijfel weer groeien.
Ik ben bezig aan een proces van substantiële verdieping. Ik graaf letterlijk en figuurlijk naar de wortels. Ik ben heel intensief bezig met planten, structuren, diverse vormen van levend en dood materiaal. Hoeveel boodschap hebben mensen daar nog aan? Heeft het zin dat ik de zoveelste foto van een plant online zet? Willen ze niet liever weten hoe mijn kind door zijn vijfde leerjaar geraakt is en wat ik klaargemaakt heb voor het avondeten?
Anderzijds: is wat mensen willen weten ooit een goeie motivatie om wat dan ook te doen?

Mijn fascinatie met planten gaat veel verder dan het feit dat ze groen en natuurlijk zijn – wat je nog zou kunnen verwachten van iemand die duidelijk te kennen heeft gegeven hoe dierbaar het groene gedachtegoed haar is.
Planten boren naar de bron, ze verrijzen uit iets zo onbeduidends als een zaadje of een knol, ze groeien, dragen vrucht en sterven af. Ze bewegen zo langzaam dat ze naar ons aanvoelen helemaal in het ‘nu’ zijn. Maar eigenlijk evolueren ze gewoon op hun eigen tempo, volgens de cycli van groei, bloei en dood.

Hoe verder de mens afdrijft van de natuurlijke ritmes, de gezonde grenzen en de verbondenheid met wat geworteld is, hoe sterker ik er mij naartoe getrokken voel. Bijna alsof het ene het andere compenseert. Ik schreef ooit over mezelf dat ik een sjamaan in wording was. Ik betwijfel of de echte sjamanen van deze wereld het daarmee eens zouden zijn. Ik hou me niet aan hokjes, vakjes, gebruiken en vormen, dus ook niet aan deze. Maar mijn voelen gaat alsmaar dieper. Ik heb er zelf niet altijd woorden voor. Dat is wanneer beelden het overnemen, en dat zijn bijna altijd beelden van planten.

(c) Inaya photography


Dus bij deze: sorry als ik u verveel. Ik ben bezig mijn wortels te spreiden, zo diep als ik kan, en ik hoop de uitbundigheid van het leven die van daaruit naar het licht reikt recht te doen in al haar diversiteit.

Het klinkt mooi, maar kom me binnen een paar jaar nog maar eens vragen wat ik daar precies mee bedoelde. Op dit moment kan ik het niet zeggen. Ik weet alleen dat het juist voelt. Net zo juist als al die keren dat ik aarzelde om op ‘Publiceer’ te drukken en die zachte stem zei: ‘Doe het nu maar.’

Vleugels als vlammen, wortels als omgekeerde kruinen, vertakt in het duister. Wie niet weet waar hij geworteld is, kan groeien noch gedijen.
Ik volg het enige spoor dat ik kan lezen. Voor wie het ook voelt: ik zal wat broodkruimels strooien onderweg.

(c) Inaya photography

De Diepe Stroom

(c) Inaya photography



Een adempauze. Dat is hoe dit nu voelt.

Corona heeft een loep gezet op allerlei dingen die al lang bezig waren, in de samenleving, in onszelf, in de wereld. Het beeld dat uitvergroot tevoorschijn kwam, was lang niet altijd fraai. Maar het was een spiegel waar we in moesten kijken en of we er nu iets mee doen, is aan ons.

Zelf ging ik in een soort van winterslaap, een traag kluizenaarschap. Leven in de lockdown had iets van een cocon, waarin de rups zichzelf spint om uiteen te vallen en vervolgens te herrijzen als vlinder. Ik ben vertrouwd met dat soort diepe afbraakproces, ik ging er jaren geleden al een keer doorheen, maar nu was ik blijkbaar toe aan een nieuw rondje. Minder heftig, minder verbijsterend, zachter dan de eerste keer, maar zeer, zeer diep.

Nachtelijk zelfportret (c) Inaya photography



Ik had er na het vinden van mijn vleugels en het luchtruim een paar bijzonder intense en rijke jaren op zitten. Ik ben thuisgekomen bij mezelf, bij anderen en bij mijn werk in de wereld. Ik heb mijn stem leren gebruiken en ik ben sinds ik de roep hoorde waarover ik schreef in mijn blog over het Plateau (zie link hierboven) non-stop in de weer geweest met datgene wat aan mij trekt en door mij heen stroomt.

Het is moeilijk te omschrijven wat dat precies is. Ik vind het in de immense verbondenheid met de natuur en de planeet. Ik vind het in alles wat ik schrijf en maak, in de samenwerkingen die ik aanga en hoe die altijd dieper gaan dan een puur professionele afspraak. Ik vind het in de bijzondere sfeer die ontstaat als ik voorlees aan kinderen uit Mendel en dan voel hoe er om ons heen iets begint te tintelen, te leven, te gloeien – veel meer en veel krachtiger dan ik zelf ooit voor ogen had toen ik het verhaal aan het schrijven was. Ik vind het in de intieme en kwetsbare Seizoenskringen die ik organiseer, in mijn vriendschappen, in de betekenisvolle gesprekken die ik mag hebben, in de lessen die ik geef. Maar het zit net zo goed in alle grote of kleine bezigheden van elke dag.

(c) Inaya photography



Ik kan er allerlei new-age begrippen op plakken die niet verkeerd zijn maar toch de lading niet dekken en ik heb lang gezocht naar een beter woord dan het containerbegrip ‘spiritualiteit’. Hoe vat je de ultrasone (en bij momenten infrasone) kracht die zich bevindt onder de oppervlakte van het dagelijkse in woorden, de onwaarschijnlijke zielsverbondenheden die zoveel verder en dieper reiken dan oppervlakkige sympathie en gedeelde interesses? Hoe vat je de onmetelijk complexe en subtiele synchroniciteiten die samen het web van het leven weven, en de scherpe rilling van vreugde als je merkt dat je daar even heel bewust door wordt aangeraakt?

Vandaag noem ik het de Diepe Stroom. Het is een soort ondergrondse rivier, ongezien maar aanwezig, een kracht die schijnbaar solide rotsen in vorm boetseert, die een massa aan gewicht en wijsheid bergt, die stille gronden heeft maar kan bruisen als een vrolijk bergbeekje, die wat onstabiel zit los wrikt en aan hoge snelheid kan verplaatsen, die wat dorstig is laaft vanuit de wortel.

(c) Inaya photography



Tijdens de lockdown werd de Diepe Stroom voor mij steeds prominenter aanwezig. Hij legde al mijn plannen stil, doorkruiste al mijn ambities en al mijn verwachtingen. Het begon met het gevoel van niet meer naar buiten te willen, twee weken voor de hele wereld stilviel. En vanaf dat punt ging het stelselmatig dieper. Hij nam me mee naar een meer van stilte, een cocon van duister en zacht niet-weten. Daar was alleen nog plaats voor vragen, niet voor antwoorden.

Wie wil ik zijn? Wat kom ik doen in dit leven? Wil ik iets betekenen? Wil ik de dingen waarvan ik dacht dat ik ze wilde eigenlijk wel? Of is dat niet echt zo en doe ik mezelf subtiel geweld aan door er telkens weer energie in te steken? Kan het voldoende zijn om hier te zijn, in dit huis, in deze tuin, bij deze mensen, om eten te maken, op te ruimen, te zorgen voor schoonheid en groeiende dingen en nooit meer naar buiten te gaan? Kan ik gelukkig zijn zonder de drang om gezien en goedgekeurd te worden? Waar lopen de lijnen van mijn hart, mijn engagementen, mijn zingeving? Waar is de kracht en de betekenis van dingen die mij aantrekken met een roep die steeds luider klinkt maar die ik niet altijd begrijp, zoals planten en andere wortelende dingen, wolken, dieren, versteend hout, botten, de fascinerende dynamiek tussen leven en dood, groei en verval?



Er waren veel vragen. Er waren geen antwoorden. Die zijn er op het moment dat ik dit schrijf nog altijd niet, maar dat is prima.
Ergens in de afgelopen maanden las iemand mij dit citaat van Rainer Maria Rilke voor (in het Engels, maar ik vind Rilke om eerlijk te zijn fantastisch in het Engels):

“Be patient toward all that is unsolved in your heart and try to love the questions themselves, like locked rooms and like books that are now written in a very foreign tongue. Do not now seek the answers, which cannot be given you because you would not be able to live them. And the point is, to live everything. Live the questions now. Perhaps you will then gradually, without noticing it, live along some distant day into the answer.”

(c) Inaya photography



Stilstaan bij de vragen en ze doorvoelen tot op de bodem, dat was het geschenk dat de Diepe Stroom mij bracht, gedurende heel deze lockdown. Ik heb ondervonden dat er op dat lange, vormeloze moment innerlijk veel meer gebeurt dan je zou denken, ook al doe je niets concreets. De krachten die je naar boven laat komen, gaan vanzelf met jou aan het werk, je moet ze alleen toelaten.

Intussen beginnen de dingen in de wereld stilaan weer wat te bewegen, en dat voelt als een adempauze en actieve teug frisse lucht tegelijk. Ik kom boven uit het diepe water, uit de stilte en de duisternis, en ik haal adem in lichtere tijden. Er zijn concrete projecten die weer wat aandacht en energie vragen, er waren tot heel recent lessen te geven, er fietsten een paar onverwachte en heel fijne engagementen tussen dat alles door. Het mocht allemaal. Ik heb het omarmd en dan weer losgelaten, als het ochtendlicht dat alles in de kamer in vuur en vlam zet voor een paar tijdloze ogenblikken en vervolgens weer opschuift en verdwijnt.

(c) Inaya photography



Ik heb geen idee wat de toekomst brengt. Ik heb nog altijd geen antwoord op mijn vragen. Maar ik heb ze ook niet nodig. Ik zet gewoon een stap, en dan nog een, en ik voel de Diepe Stroom die mij draagt en die door mij heen trekt. Hij weet waar ik heen ga, ik hoef niets te sturen.
En op een dag merk ik vanzelf wel dat de vragen opgelost zijn en ik hun antwoorden leef.

ZAAILING #85 – Werelden die wachten op genezing

Giant redwood @ Houtlab, Plantentuin Meise (c) Inaya photography



Een jaar geleden liepen Jurgen en ik langs de prachtige paden van Plantentuin Meise. We hadden juist een bezoek van de serres achter de rug met de mensen die hun schouders wilden zetten onder de boekvoorstelling van De serres van Mendel. Het was een zonnige zomerdag. We zaten vol goesting en inspiratie en we wilden het samen hebben over hoe een tweede verhaal er kon uitzien.

We hadden het idee voor een tweede boek al eerder uitgesproken, tegen de uitgever en onder elkaar. Zelf had ik niet meer dan een paar vage aanzetten in mijn hoofd, maar Jurgen had er echt al over nagedacht, zo bleek nu. Hij werd in zijn naast omgeving geconfronteerd met een zwaar ziek familielid en gooide een uitdagend idee op tafel: een plaag in de serres. En niet zomaar één: een ziekte die binnengebracht werd door een mens, maar die ook de planten aantastte. Hij had ook al een paar straffe ideeën over hoe dat er voor de personages en het verhaalverloop zou kunnen gaan uitzien.

We dwaalden door het park, we bezochten het Houtlab en we eindigden voor een koffie in de Tuinwinkel. Er ging een spervuur aan ideeën over en weer. Ik ken werkelijk niets wat mij diepere voldoening schenkt dan samen met iemand die ik graag zie een verhaal bedenken, brainstormen, een wereld creëren. Dat is alchemie van de allerbeste soort.

(c) Inaya photography



En nu staan we hier, een jaar verder. De wortels van de wereld verschijnt over twee maanden, eind augustus. En het is een beetje eng hoe relevant alles wat er in dit boek geslopen is, onbewust en spontaan en soms al maanden voor corona uitbrak, nu is voor de wereld zoals ze er vandaag uitziet.

Want dit is het portaal, het kantelpunt. We bevinden ons op een moment in de tijd waarop werelden veranderen.

De afgelopen maanden waren een hogedrukpan. Corona zette de samenleving stil en zette een aantal dingen op scherp. We kunnen niet meer negeren hoe de manier waarop wij leven de planeet verwoest en onszelf dus ook, hoe diep de ongelijkheden zijn, hoe immens de angst en haat. Maar ook de verbondenheid neemt toe, op soms onverwachte manieren, het bewustzijn groeit. Wie altijd al dunne wanden en fijne voelsprieten had, merkt dat ze nu niet alleen nog fijner maar ook veel verder en dieper registreren.

(c) Inaya photography



De kwesties waar we voor staan en doorheen gaan, zijn immens. Dat is bij momenten het ideale recept voor machteloosheid, want wie zijn wij, in ons kleine eentje, nu helemaal om iets te helpen veranderen of verschuiven, op wat voor manier dan ook?

Door ons eigen steentje bij te dragen, zo eenvoudig is het. En in ons geval, van Jurgen en mijzelf, komt dat zonder twijfel onder de vorm van een boek.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Wat er gebeurt als je verhalen weeft

‘De wortels van de wereld’ (detail)



Sommige verhalen die ik schrijf, komen er in één grote geut uit. Of toch bijna. Aan andere zit ik eindeloos te prutsen, te schaven, te slijpen. Ik zet lijnen uit en knoop draadjes aan elkaar. Ik weef patronen, langzaam, geduldig.

Soms moet er een draad weer los. En anders. Of helemaal weg. Dat verandert het patroon onherroepelijk en dan moeten er allerlei kleine dingen die daarmee in verband staan ook veranderen.

Want net als bij een ingewikkeld breiwerk, of een weefsel met heel veel verschillende patronen, moet het allemaal op elk moment kloppen. Er mogen geen gaten gapen in een weefwerk, je mag geen steken laten vallen. De naden moeten onzichtbaar zijn.

Al doe je nog zo goed je best als schrijver, in elk manuscript sluipen nog kleine onzuiverheden. Zaken die je over het hoofd zag – je hebt immers zoveel dingen tegelijk die je in het oog moet houden dat er altijd wel iets is wat er aan je aandacht ontsnapt. Details ook waarvan je dacht: oh help, ik wéét dit gewoon niet, foert, ze zullen er wel overheen lezen.

Gelukkig gebeurt dat niet. Veel van die onzuiverheden worden opgepikt door het kundige oog van uitgevers en redacteurs.

‘De wortels van de wereld’ – detail (c) Jurgen Walschot



De wortels van de wereld is waarschijnlijk het boek waaraan ik, van al mijn boeken, in elk opzicht het meest intens heb gewerkt.
Zelf, in de eerste plaats, omdat het schrijven op geen enkel moment zomaar vanzelf kwam, ook al wist ik wel wát ik wilde vertellen en waar het heen moest. En ook met de hulp van anderen, die mij al een paar keer met een liefdevol duwtje en met loepzuivere feedback terug naar de schrijftafel stuurden.

Het immense werk nadert nu zijn voltooiing. Ik werk deze dagen de laatste oneffenheden in mijn weefwerk weg, verplaats de laatste knoopjes, stop nog een paar verdwaalde losse eindjes in.

Immens? Ja, toch wel. Al zal je dat niet kunnen aflezen aan het uiteindelijke aantal pagina’s en wordt het verhaalverloop voor wie niet beter weet waarschijnlijk vlot en rechtlijnig. Maar dat is precies hoe het hoort te zijn.

En zoals de personages in De wortels van de wereld het zelf zeggen: Sommige afstanden kun je niet meten in lengte, alleen in diepte.

‘De wortels van de wereld’ – detail (c) Jurgen Walschot

‘De wortels van de wereld’ is het vervolg op ‘De serres van Mendel’ maar kan los gelezen worden. Het boek verschijnt bij Pelckmans in augustus 2020.

Een Chinees, een Afrikaan en een mens

Ik ben bij momenten paranormaal. Ik wist dat al langer maar ik val de wereld daar gewoonlijk niet mee lastig. Toch blijven sommige staaltjes mij verbazen.

Vorige week moest ik plots denken aan een tekening die ik in jaren niet meer heb gezien: een kindertekening die voor de rubriek Bondgenootje naar de redactie van De Bond werd gestuurd.

Ik werkte op de redactie van De Bond van begin 2013 tot medio 2019. Bondgenootje was het kinderhoekje van dat blad, een pagina (later een halve en tenslotte helemaal weggesaneerd) met tips en spelletjes en vooral veel ingezonden tekeningen en knutselwerkjes. Elke maand was er een gelukkig kind dat een boek toegestuurd kreeg. Ik heb die rubriek een tijdje onder mijn vleugels gehad, later ging hij over in de handen van een schat van een collega. Mijn zoon heeft lang gedacht dat Bondgenootje echt bestond en als een soort Pippi Langkous op de redactie rondliep.

Zoonlief stond zelf ook een paar keer op de cover van het blad, dit keer per toeval zelfs samen met een vriendin die voor die ene editie de dagboekrubriek schreef…


De bewuste kindertekening die ik mij nu plots herinnerde, toonde drie kleurrijk aangeklede figuren, naast elkaar afgebeeld: een mannelijk figuurtje met een donkerbruine huid, een figuurtje waarvan het niet duidelijk was of het mannelijk of vrouwelijk was met een gele huid, en een blond meisje met een blanke huid.

In dat aandoenlijk zwalpende geschrift van kinderen uit de lagere school had het meisje dat de tekening maakte, er telkens de uitleg over het figuurtje onder geschreven.
Onder het figuurtje met de bruine huid stond: ‘een afrikaan’, onder dat met de gele huid ‘een chinees’. Onder het blonde meisje stond: ‘een mens’.

Mijn mond is nog niet vaak opengevallen maar toen ik die inzending uit de envelop pakte dus wel. Er waren geen kwade bedoelingen mee gemoeid, het kind wist gewoon niet beter. Maar ik vond het des te schrijnender omdat de tekening vergezeld ging van een schrijven door een grootouder die er duidelijk óók geen graten in zag en het mooie werk van haar kleindochter van ganser harte aanprees bij de redactie.

We hebben de tekening niet afgedrukt in De Bond. Ik wilde ze niet houden, maar ik wilde ze ook niet weggooien. Ik besloot ze cadeau te geven aan de collega van de dienst Sociaal-Cultureel Werk die bezig was met diversiteit en kinderarmoede. “Dit”, zei ze met een zucht, “is dus waarom het werk dat ik doe noodzakelijk is.” Ze hing hem omhoog in haar bureau.

Ik werk al een hele tijd niet meer op de redactie van De Bond. Ik had al jaren totaal niet meer aan die tekening gedacht. De bijzonder woelige toestand in de VS (en dichter bij huis) rond racisme en #BlackLivesMattter houden mij net zoals velen bezig, maar er was geen concrete aanleiding die maakte dat die tekening vorige week plots in mijn hoofd opdook. Sommige dingen komen misschien bovendrijven uit de nevelen van je geheugen als er maar lang genoeg over één bepaald onderwerp gepraat en geschreven wordt, dacht ik.




De herinnering liet mij niet meer los. Misschien moest ik toch nog eens een blogje schrijven over gelijkwaardigdheid en discriminatie. Ik heb uitgesproken politieke meningen maar ik voel niet altijd de nood om daar vlammende blogs over te schrijven, anderen doen dat veel beter en ik word er meestal niet gelukkig van. Maar nu dacht ik: dit is te sterk om te laten liggen. Dus ik mailde mijn oud-collega, met de vraag of ze de tekening nog had en er eventueel een foto van kon doorsturen. Vanmorgen kreeg ik antwoord.

“Dag Kirstin,
Fijn om te horen dat je je handen vol hebt en je dagen goed gevuld zijn 😉.
Met je vraag over de tekening kom je helaas net één week te laat. In het kader van de verhuis van de Gezinsbond ben ik vorige week een dag naar Brussel geweest om op te ruimen. Ik heb al mijn postkaartjes en andere fanmail van de muren gehaald. Ook deze tekening. Ik heb veel bewaard en opgeborgen. Bij de tekening heb ik enkele seconden getwijfeld (echt!), maar uiteindelijk beslist om die weg te gooien. Ik dacht: “Ze hangt hier al zo lang, ze zegt zo veel, maar er wordt niet naar gekeken en mijn statement om ze hier te hangen, wordt niet begrepen”. Ik vind het jammer voor jou, maar ben ergens ook wel blij dat de tekening toch nog een extra persoon geraakt heeft.
Ik hoop dat je een andere oplossing vindt, om je blog kracht bij te zetten!
Zonnige groetjes, T.”

Het was duidelijk, ik ging geen politiek betoog schrijven.
Maar ik schreef dus wel een blog. Dankzij de tekening die ik u niet meer kan tonen, maar die u nu net als ik vast nooit meer vergeet.

De bubbel

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~11~
(c) André Vanlierde



Een van de woorden die voorgoed een andere betekenis gekregen hebben in de afgelopen drie maanden, is het woord ‘bubbel’.

De meesten van ons hebben zich er – min of meer – keurig aan gehouden, aan die bubbel. Maar het was moeilijk. Soms was het onmogelijk. Elke bubbel is een zeepbel, vroeg of laat spat die uiteen.

Met de corona-lockdown kwam er Netflix hier bij ons in huis. Gisteren bekeken mijn man en ik de laatste aflevering van Unorthodox, het verhaal over Esther Shapiro, die op negentienjarige leeftijd ontsnapt aan de knellende greep van de joods-orthodoxe gemeenschap in New York. Met een mengeling van medelijden en verbijstering volgden we de starre gebruiken van de Satmar-gemeenschap zoals ze in beeld gebracht worden in de serie. Hoe is het mogelijk, vroegen we ons af, dat je je hele leven kunt doorbrengen met zulke oude gebruiken, zulke knellende en totaal onevenwichtige man-vrouwverhoudingen? Daarmee wil ik beslist de joodse gemeenschap niet viseren, dit is in wezen een universele vraag. En eigenlijk ken ik het antwoord ook wel. Want tot welke gemeenschap we ook behoren, we leven allemaal in een bubbel.

(c) André Vanlierde



De verhalen die we onszelf vertellen, over onze cultuur, ons gezin, onze waarden, onze gewoontes, onze geschiedenis, wat is dat anders dan een bubbel? Of die nu beperkt blijft tot een familie, een godsdienst, een taal, een land of continent… We onderschrijven allemaal stukken van een verhaal dat groter is dan wij. We geloven erin en leven ernaar.

Ik vind dat geen probleem, ik vermoed dat we als mens gewoon niet zonder kunnen. Maar ik heb al vaak gedacht: laten we alsjeblieft niet vergeten dat het verhalen zijn. Want we verwarren de manieren waarop we ze hebben vormgegeven in ons hoofd en in onze samenleving, met iets als de waarheid. We worden kwaad als iemand de legitimiteit ervan in vraag stelt, onze interpretatie in twijfel trekt. Wat er op dat moment eigenlijk gebeurt, is dat onze bubbel ontmaskerd wordt voor wat hij is, en dat is erg confronterend. We zouden onze persoonlijke waarheden liever in steen gebeiteld zien, niet in zeepsop.

Het is mogelijk om je hele leven in een bubbel te spenderen en je daar verder geen vragen bij te stellen. Het is ook mogelijk om je bubbel te verlaten en grenzen te verleggen, zelfs als je niet weet of dat eigenlijk wel een goed idee is. Dat is wat er met Esty gebeurde, toen ze besloot om zich los te scheuren van haar gemeenschap en onder te duiken in Berlijn.

Daarvoor hoef je helemaal niet uit een ultra-orthodox religieus milieu te komen. Daar heeft ieder van ons die tijdens dit coronaseizoen verlangd heeft naar familie en vrienden, naar menselijke aanraking en gezelligheid, intussen persoonlijke ervaring mee.

(c) André Vanlierde



En de uitnodiging om hier bewust mee om te gaan, houdt niet op na de coronaperiode. We bewegen ons elke dag van ons leven in bubbels, daar is geen ontkomen aan.

Corona heeft ons geleerd dat we allemaal verbonden zijn, dieper dan we ooit dachten. Maar we zijn ook verschillend. De rest van de mensheid proberen te overtuigen, of te dwingen, om deel uit te maken van de Ene Ware Bubbel is wat alle enggeestige en totalitaire stromingen in de wereld beogen. Daar zaaien ze onnoemelijk veel leed mee en het werkt nooit, of hoogstens voor beperkte tijd, op beperkte schaal. Laten we niet in die val trappen. Laten we aanvaarden dat er verbondenheid is én diversiteit, dat er evenveel waarheden bestaan als er bubbels zijn, en dat dat vooral een rijkdom is.

Waarmee kan ik deze reeks columns in coronatijden beter afsluiten dan met het onsterfelijke nummer van Paul Simon, Boy in the bubble? Ik kan het niet helpen, ik word elke keer blij van de kracht en de opzwepende muzikale vrolijkheid van dat nummer. Maar de tekst is keihard, en elk woord ervan is nog even relevant als toen het Simon het lied uitbracht op Graceland, bijna 35 jaar geleden. The bomb in the baby carriage was wired to the radio… Terroristische aanslagen, armoede, droogte. De camera die ons volgt en wij die paraderen in hoop op populariteit. Sterrenstelsels die sterven, de machtigen der aarde die ongestoord hun gang gaan en kunst die een ogenblik lang verademing biedt.

Wat is dit leven van ons toch een prachtige, pijnlijke, absurde bedoening.

(c) André Vanlierde



Bedankt voor het luisteren, de afgelopen weken. Ik wens u een fijn verhaal, en mooie dromen, in uw bubbel.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

ZAAILING #84 – Alles wat ooit was


Als een gordijn dat langzaam het toneel
prijsgeeft, walsen de wolken
met de eerste aarzelende stralen licht.

Soms is betovering solide als rots.
De ochtend proeven, de belofte
van de tocht die ons pas na pas omhelst.

Haast leert de reis ons af, tot we leren
vallen als regen, voor elke stap
een weerschijn in de wolken

voor elk ogenblik een druppel. Maar die ene,
die zowel het licht vangt als de schaduw,
gestold in het moment als een geschenk

dat de adem inhoudt, die
verandert het verhaal, en ons
en alles wat ooit was.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

De aspergelente

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~10~

Ik hield als kind niet van asperges. Of misschien moet ik zeggen: ik kende die groente niet, want mijn grootmoeder – de vaste kok bij ons in huis – maakte die nooit klaar. Schorseneren maakte ze wel, en die werkte ik naar binnen om haar een plezier te doen. Maar asperges kreeg ik pas voor het eerst op mijn bord toen ik bijna meerderjarig was, in een of ander chique restaurant, en toen benaderde ik ze met het wantrouwen van iemand die nieuwe smaken niet zonder voorbehoud verwelkomt. Ze vielen tegen, ik vond ze slap en smakeloos. Dat ik na dat bewuste diner geveld werd door een zomergriep hielp de populariteit van de asperges weinig vooruit; een mens legt rare verbanden als ze koorts heeft. Sabayon heb ik sindsdien ook nooit meer aangeraakt.

Asperges heb ik in de twee decennia tussen dat diner en nu wel leren appreciëren, voldoende alvast om ze nu en dan zelf klaar te maken. Gewoonlijk ging ik dan voor de smalle, groene scheutjes die je voorverpakt in de supermarkt vindt.

De afgelopen maanden is dat veranderd. De lente van 2020 zal voor mij niet alleen maar de lente van het coronavirus zijn, maar ook de lente van de asperges.



Een eindje verder bij ons in de straat woont R., een onwaarschijnlijk kranige 91-jarige, die nog dagelijks zijn eigen – gigantische – moestuin onderhoudt. We kunnen het als sinds mijn man en ik hier bijna vijftien jaar geleden kwamen wonen heel goed vinden. Hij heeft, om bij de moestuintermen te blijven, een boontje voor ons. Sporadisch hebben we contact, we wisselen kerstkaartjes uit, en de afgelopen jaren stond hij in de herfst wel eens aan onze deur met een verse pompoen. Als hij begint te vertellen over zijn jeugd, valt je mond open. Ik heb al een paar keer gedacht dat ik zijn verhalen zou moeten opnemen, hij is een wandelend overblijfsel uit een tijd die wij nu, in al onze luxe, alleen nog associëren met namen als Buysse en Streuvels. Hij heeft amper meer onderwijs genoten dan de lagere school en hij lacht smakelijk om die twee ingeweken universitairen zonder verstand van groenten, die ook nog eens de meest normale Hamse woorden voor palen, grachten, greppels, steunmuren en werktuigen niet kennen. Maar hij mag ons. En wij hebben ook een dikke boon voor hem.

Op een dag in april stond hij plots aan de deur, in volle corona-lockdown, met een volle zak asperges. Vers uit de moestuin, zelf gestoken die ochtend. Het had die ochtend gegoten, een van de laatste fantastische lange regenbuien van deze lente. Schitterend voor de bodem, maar hondenweer om in te werken, voor iedereen, laat staan een man van over de negentig. En nu stond hij hier met een voorraad joekels van witte scheuten waar ik meer dan een uur aan stond te schillen. Het werd een feestmaal, die avond.

Een paar dagen later belde hij weer aan, ’s ochtends dit keer. Ze waren aan het opkomen, de nieuwe scheuten. Ze mochten niet te lang aan de zon blootgesteld zijn of ze verkleurden naar groen en waren niet meer lekker. Hij had in totaal een meter of veertig staan, dus hij had veel meer dan hij ooit op kon. Of mijn man even wilde komen helpen om er nog wat uit te steken?

En het bleef niet bij die ene keer. Laat ik de afgelopen maanden maar samenvatten als een aspergefestijn. Ik heb recepten opgezocht, en er zelf uitgevonden. Ik bereidde asperges voor het avondmaal, ik schilde ze voor in de diepvries om later dit jaar in soep of andere gerechten te worden verwerkt.

De porties waarmee R. telkens kwam aanzetten, of die mijn man na een uurtje steken, met blaren op zijn veel te delicate kantoorhanden, mee naar huis bracht, waren genoeg om een gaarkeuken voor twee dagen van groenten te voorzien.


De moestuin van R. heeft mij een aantal waardevolle lessen geleerd dit voorjaar. Ik heb deze lente niet alleen deze groente leren appreciëren zoals het hoort, maar ook het meditatieve plezier ontdekt van zonder haast, urenlang, geconcentreerd bezig te zijn met iets ogenschijnlijk eenvoudigs als asperges schillen. Arbeid als deze laat een concrete indruk na van hoe rijk de bodem van dit land is, als we die goed verzorgen en verstand hebben van planten. Het geeft ook een idee van de hoeveelheid werk die er voor nodig is, niet zelden met de hand, om verse groenten te verwerken tot iets smakelijks op een bord. Dat dwingt respect af. Het heeft mijn uren in de keuken fysieker gemaakt, de tijd zichtbaarder, onze band met het land tastbaarder.

Sommige dingen leer je pas als de omstandigheden je ertoe dwingen. Ik had werk te weinig en tijd te veel, de winkels hadden veel te lange rijen en R. had meer asperges dan hij op kon. Ik ben er dankbaar om.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.