ZAAILING #65 – Het diepste punt

(c) Jurgen Walschot


Verdriet zinkt naar het diepste punt
zoals schatten dat doen
herinneringen waarvan we nog niet
weten of we ze wel willen bewaren.
Wat ons raakt, doorboort ons
en precies die wonde wordt de plek
van waaruit we groeien
omhelzen als we durven
en alles wat vooraf kwam
stralend in de schaduw laten.







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Advertenties

Versteende tijd

(c) Inaya photography


Het schooljaar is begonnen en alles voelt als herfst, ook al gaf de zon nog volop warmte. Maar het ruikt anders, buiten, en de manier waarop het licht valt, spreekt al volop over de equinox. Binnenkort zijn dag en nacht weer perfect even lang – heel even. En dan begint de opmars van steeds donkerder ochtenden en avonden.

In ons huis morst de zon kwistig met haar licht, gefilterd doorheen de takken van de bomen voor het raam. Dat levert een poëtisch schimmenspel op van wiegend en bewegend licht. De vormen zijn meestal abstract, en daarom eens zo mooi.

(c) Inaya photography

Precies in deze dagen merk je ook hoe snel de zon eigenlijk opschuift langs de hemel. Intussen weet ik dat ik niet nog even mijn kop koffie moet opdrinken of dat hoofdstuk moet uitlezen als ik een mooie schaduw-en-lichtcompositie zie op het behang. Ervaring heeft me geleerd dat ik NU mijn fototoestel moet pakken, want over minder dan twee minuten is wat ik zo mooi vind alweer weg, de schaduwen verschoven, het licht gefilterd door andere bladeren, aan een andere tak misschien, uit een net iets andere hoek.

Schoonheid is vluchtig. Misschien is dat precies een van de redenen waarom we ervan houden.

Eén schaduw trok vanmorgen in het bijzonder mijn aandacht: het afgetekende profiel van een dennenappel in een schaal met fossielen, genesteld tegen de boog van een ammonietafdruk.
Zij aan zij lagen ze, het zaad voor de toekomst en het geologische geheugen van een tijdperk zo ver van ons verwijderd dat ons verstand het niet eens kan bevatten. Versteende tijd en gestolde hoop.

Het zonlicht, in dat ene moment van gratie, verlichtte beide.

(c) Inaya photography

ZAAILING #64 – Als de regen valt



Als de regen valt

Hoe het landschap langzaam zachter wordt
onder waardig ruisende welvingen, hoe de kleuren
leeglopen tot grijs, de contouren smelten.

Hoe mijn lijf zingend tot leven komt
en mijn zintuigen schreeuwen ik leef
dronken van vochtig donker, doordrongen

van hars en hout en mos en modder.
Hoe de verticale roffel mijn blik met lichte vingers
neerwaarts dwingt, naar de bodem

en de minitatuurmondingen van rivieren
op een steeds riskanter pad. De regen
moedigt niet aan om naar boven te kijken

maar misschien wel om te aanvaarden
wat in hulpeloze schoonheid wegstroomt
als een tedere voorbode van wat ons wacht.

(c) Jurgen Walschot




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Wat een tussenstation…

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #5 (slot)



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien
-Deel #3 – Zîchtbaar, met of zonder schulp : waarin twee boekenmakers steeds meer uit hun schulp komen
– Deel #4 – Dubbele lens, dubbele pen : van solitair werken naar samen creëren



Dus vertelden onze hoofdpersonages het verhaal samen, net zoals wij samen het boek maakten. En dat lukte fantastisch.

Na de residentie ontwikkelden Jurgen en ik, nog veel meer dan daarvoor, een constante en open communicatielijn. Beelden en teksten gingen ook voordien al met de regelmaat van de klok tussen ons over en weer, voor de Zaailingen bijvoorbeeld. Nu kwam daar nog een heleboel bij dat viel onder de categorie ‘bruikbaar voor Mendel’. We brainstormden bij momenten digitaal, we stuurden de ander alles waar we aan dachten of wat onze aandacht trok.

Natuurlijk werkten we niet alleen maar aan dat boek. STROOM, de Zaailingen, de Boekenbeurs, andere boekprojecten, lesgeven, journalistiek werk, gezinsleven… Het kwam er allemaal bij en tussen. Maar dat gaf niet. De lijn stond open en bleef openstaan, we legden de spreekwoordelijke hoorn gewoon niet meer op de haak.

Bij momenten, als het schrijven van mijn kant goed vlotte en Jurgen tegelijk aan het tekenen was, voelde het dankzij die digitale communicatielijn over de fysieke afstand van half Vlaanderen heen een beetje als opnieuw in Zweden zijn: de ander laten meekijken naar jouw stuk van het proces, in real time, voelen dat wat je maakt veel zonder veel uitleg resoneert en begrepen wordt. Woord en beeld in elkaar voelen klikken. Er bestaat, wat mij betreft, niets fijners.


We hadden gekozen om De serres van Mendel toe te vertrouwen aan uitgeverij Van Halewijck omdat we de indruk hadden dat hun visie voor dit boek zowel inhoudelijk als vormelijk het meest op onze golflengte zat. Voor onze residentie hadden we al twee constructieve vergaderingen met de uitgever, en in de maanden die erop volgden, bleken we echt wel met ons gat in de boter gevallen. Niet alleen gingen alle contractuele en financiële afspraken super vlot, ook artistiek was vertrouwen de norm.
Mijn volledig uitgewerkte tekst was een schot in de roos, ik hoefde nergens meer grondig aan te gaan sleutelen. Jurgens voorstel voor vormgeving van het binnenwerk werd ook positief onthaald. We mochten alle registers opentrekken: een ongewoon formaat, hardcover, kleurenpagina’s van begin tot einde, alles bij elkaar een kleine 150 bladzijden. Een volledig geïllustreerde jeugdroman…

Iedereen die in het boekenvak werkt, weet hoe vermoeiend correcties en laatste loodjes kunnen zijn. Er kroop nog een heleboel tijd en werk in de vormgeving, temeer omdat Jurgen had besloten om te gaan voor een overvloed aan visuele details. Op elke pagina is er minstens iets te zien wat aansluit bij of een meerwaarde betekent voor de tekst. Maar de hele redactie verliep erg vlot en consequent, de correcties waren minimaal.

En dan gaat een mens dromen van de boekvoorstelling… Eigenlijk waren we dat al heel lang aan het doen. Wie de met wijn bevloeide mindmap in de vorige blogs aandachtig bekijkt, ziet daar al het woord ‘Meise’ opduiken. Er zitten nogal wat details van de serres van Plantentuin Meise verwerkt in Mendel. Het is natuurlijk niet de enige serre waarop we ons baseerden en de omvang van het koepelcomplex waar Reya woont, is vele malen groter dan die van welke plantentuin dan ook. Maar we koesterden al van heel vroeg de stille hoop dat we het boek misschien wel dáár zouden mogen voorstellen.

We deelden ons idee met de mensen van de uitgeverij. En zij gingen er achteraan. Nog meer gat en boter: ons idee werd in een handomdraai gerealiseerd. Plots hadden we niet een maar twéé organisaties die in ons boek geloofden en met ons mee dachten om er een meer dan memorabele lancering van te maken.

Om organisatorische redenen valt die feestelijke Meisedag pas op 20 oktober. Dat is dus nog even verlangend aftellen. Maar deze week gingen de eerste exemplaren van De serres van Mendel al in de boekhandel over de toonbank. Het is er echt.


Het postpakket met auteursexemplaren uitpakken, had een onwerkelijk aura, alsof het nog niet helemaal ‘waar’ was. En drie jaar hechte samenwerking met een beeldenmaker laten hun sporen na. Mijn eerste blikken waren vooral angstig-kritisch: was de druk kwalitatief in orde? Zaten de kleuren goed? Op papier is alles toch altijd nog nét ietsje anders dan op een scherm. Maar ik zag al snel: het resultaat mocht er zijn. En met elke nieuwe dag die voorbij gaat, word ik blijer.

Terwijl ik dit schrijf, ligt het boek op mijn werktafel. Ik kan het vastpakken, er in bladeren, er aan ruiken (dat deed ik nooit eerder met een boek maar nu wel). Elke keer opnieuw word ik er gelukkig van. Dit boek is alles wat het moest zijn en kon worden. En meer.

De serres van Mendel is het resultaat van veel meer dan een samenwerking. Het is ook geen eindpunt, maar een tussenstation op een lange, totaal onverwachte en onwaarschijnlijk mooie weg. Maar wat een tussenstation. Hier wil ik wel eventjes halt houden om te genieten van het uitzicht.

Jurgen, als dierbare compagnon de route, staat natuurlijk naast mij in dat beeld. We hoeven niets te zeggen, samen genieten van het uitzicht is genoeg. Wat je deelt, gaat zoveel dieper. En wat hebben we veel om dankbaar voor te zijn.






In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

Een kwestie van perspectief #2

Het universum omhelzen

(c) Inaya photography

Als luchtbellen in donker water, aangedreven door een onzichtbare kracht, wentelen werelden om elkaar heen in wat wij het heelal noemen. Dat heelal deint uit. Of het een uiterste punt heeft, weten we niet. Mogelijk krimpt het op een dag weer in, en zuigt het alle wervelende materie, van meteoriet tot supernova, van sterrenstof tot zwart gat, weer naar zich toe, om steeds dichter en hechter samen te drukken en samen te smelten. Het is niet eens onrealistisch om te veronderstellen dat de Big Bang zichzelf om de zoveel miljoenen eeuwen herhaalt.

Ik heb bij dit denkbeeld altijd aan een ademhaling moeten denken.
Alles, werkelijk alles in de levende wereld, van het allerkleinste tot het onmetelijk grootste, werkt volgens dezelfde wetten: fractale expansie en implosie, groeien en krimpen, verbranden en transformeren, ontvouwen en terugplooien. Het is van een onwaarschijnlijke en vooral een waanzinnig simpele schoonheid.

In die enorme zwarte uitdijende oceaan vol luchtbellen is er eentje die wij intiem kennen omdat we erop leven: een ademende groene planeet, bevolkt met ontelbaar veel organismen. Een van die organismen is het menselijk ras. En van die miljarden mensen, zijn jij en ik een uniek, minuscuul, exemplaar.

(c) Inaya photography

Hoe langer je erover nadenkt, hoe onbevattelijker het wordt. Of hoe tastbaarder, misschien. Maar meer dan ooit verankert het ons, kleine mens, als weinig meer dan onbenullig sprankeltje stof in een onmetelijk universum.

Ik vind dat een prachtig idee, ik voel hoe diep het in mij resoneert. Want hoe minuscuul ook, wij zijn gemaakt van dezelfde stof als de sterren en alles om ons heen in dat enorme, ademende heelal. Dat is een fysiek feit, maar het voelt ook spiritueel, bijna religieus.

De katholieke liturgie stelt dat de mens God niet kan kennen omdat hij fundamenteel anders zou zijn dan wij. Ik heb me altijd tegen dat idee verzet, zelfs als kind, zelfs nog voor ik precies begreep wat er bedoeld werd of hoe het christendom ontstond als spirituele maar vooral politieke stroming. Het klopte niet voor mij, het voelde anders. Ik had altijd de diepe overtuiging dat er een diepe verbinding liep tussen ons en de schepper van het universum, dat wij een deel van hem/haar/het waren en dat er helemaal geen scheiding bestond.

De fysica lijkt me gelijk te geven. En de bron van alle leven hoeft voor mij geen menselijk gezicht te hebben, integendeel. Ik weet mij veel makkelijker verbonden met een alles doordringend energieveld dan met een of ander superbrein. Menselijke verhalen zijn per definitie veel te klein bemeten om de immense rijkdom van het bestaan te vatten. Wat ons en alles in het universum verbindt, is dezelfde levenskracht als waar varens zichzelf uit optrekken, waar bomen uit groeien, embryo’s hun cellen uit delen en planeten hun momentum in vinden om te wentelen.

Rest ons nog een laatste, praktische kwestie, bijna als een voetnoot: wat met de betekenis van ons eigen leven? Dat oplichtende speldenprikje, een vuurvliegje onder de Melkweg dat één keer oplicht en vervolgens verdwijnt?
Het is alles wat we hebben, en voor ons is het, begrijpelijk, van het allergrootste belang. Maar met al het bovenstaande in gedachten wacht ons zacht gezegd een oefening in bescheidenheid.

Bescheidenheid hoeft natuurlijk nog geen zinloosheid te zijn. We mogen dan onooglijk klein zijn in het perspectief van het universum dat zich uitstrekt voorbij elk mogelijk referentiepunt, dit leven, hier en nu, is waar we liefst iets van willen maken. En tijd is relatief, dat is een van de inzichten die Einstein ons gaf. We meten ze af aan onze eigen referentiepunten, zo zitten we in elkaar. En zelfs de eendagsvlieg leeft een volwaardig bestaan in minder dan een etmaal.

(c) Inaya photography

Waar dit spoor eindigt – in de oneindige leegte tussen de sterren misschien, tussen de diepste wortels van een mammoetboom, of in het kleinste alledaagse gebaar naar iemand die ik liefheb – is mij niet duidelijk. En het is ook niet belangrijk. Want alles, hoe je het ook draait of keert, is op het diepste niveau opgetrokken uit gemeenschappelijke resonantie, uit dezelfde energie – al dan niet waarneembaar voor onze dierbare, maar zeer grove menselijke zintuigen. We mogen het God noemen, of fysica. Of het heelal dat langzaam ademt en ons meeneemt op zijn stroom.

Daar kan ik wel mee leven, geloof ik.

Een kwestie van perspectief

(c) Inaya photography

Hoe schrijf je over iets waar je geen duidelijk beeld van hebt? Iets wat wazig aanvoelt en buiten bereik blijft maar niettemin zeer aanwezig is? Een groeiend gevoel van onbehagen, een diepe, brede, donkere kuil waarvan de wanden niet onbeklimbaar zijn, maar misschien wel lastig, modderig, onoverzichtelijk?

Ik heb lange tijd sterk het gevoel gehad dat ik overzicht had, thermiek.
Op dit moment is dat anders. Ik moet veranderen van perspectief. Of beter: ik moet verschillende, tegenstrijdige, perspectieven met elkaar weten te combineren.

Nu is veranderen van perspectief altijd interessant. Drie weken naar Amerika gaan en daarbij op drie verschillende adressen logeren bij mensen in hun dagelijkse bezigheden, maakte dat we de VS de hele tijd mochten ervaren door de ogen van de anderen. Geen twee mensen zijn gelijk, dus ook hier verschilden de visies onderling behoorlijk. En dat had effect op ons. We voelden ons anders, aten ander voedsel, hielden ons met andere dingen bezig en keken met een andere blik al naargelang bij wie we ons bevonden.

Na verloop van tijd dreig je jezelf daar wat in kwijt te raken. Ik toch, met mijn dunne wandjes. Ik ben nu alweer even thuis, maar nog altijd bezig mijn eigen vaste grond terug te vinden. Want de wereld is zoveel groter dan we ons kunnen voorstellen vanop ons eigen klein lapje grond, of in ons kleine landje (dat volgens sommigen nog eens de helft kleiner zou moeten zijn). De omvang van andere continenten en de enormiteit van de verschillen in levenshouding, cultuur, comfort en prioriteiten zijn gigantisch. Who the fuck are we to think we know anything at all?

Wat mij verteringsproblemen bezorgt, werken ze aan de andere kant van de wereld dagelijks met de glimlach naar binnen. Wat daar klein is, heet hier groot. Wat daar groot is, is hier onwaarschijnlijk buiten proportie. Arme Amerikanen leven op een terrein dat je hier in de betere Vlaamse buitenwijken een fortuin zou kosten. Rijke Amerikanene bezitten evenveel land – of meer – dan sommige vorstenhuizen in Europa.

Ik zou daar niet zoveel problemen mee hebben als ik me geen zware zorgen maakte over het politieke en ecologische klimaat waarin we vandaag leven. Hier wordt gerooid, gebouwd, verhard, kaalgeplukt, leeggeroofd, daar gebeurt het op nog veel grotere schaal en met een onverschilligheid waar ik het koud van kreeg.
Hoe maak je daarin een verschil, hoe klein ook? En hoe blijf je dat kleine verschil aanvoelen als waardevol, als er intussen hele continenten op verspilzuchtige ramkoers zitten?

(c) Inaya photography

Als er een ding is waarvoor ik de VS dankbaar mag zijn, dan is het dat ze mij mijn eigen nietigheid nog eens heel duidelijk heeft gemaakt. Maar hand in hand met die nietigheid gaat de vraag om zingeving.
Hoe blijf je bezield bezig, puur op vertrouwen?

Misschien is het een banale vraag. Ik twijfel er geen seconde aan dat duizenden voor mij ze al hebben gesteld. En mijn ziel, dat diepe, wijze stuk van mij dat fluistert en warmte geeft op de kilste momenten, is niet erg onder de indruk. Maar de kleine mens in mij kijkt naar de wanden van de mentale kuil waarin ik op dit moment rondjes draai en denkt: verdorie, dit is een taaie klus.

Op een aantal vlakken sta ik momenteel in mijn leven op een betere, sterkere en meer vervullende plek dan ooit tevoren. Op een paar andere heb ik soms het gevoel dat werkelijk niks er nog echt, écht toe doet. Het perspectief van waaruit ik ben gaan kijken – noem het Gaia – is zo ver verwijderd van mijn eigen, kleine, persoonlijke leventje dat het zelfs niet uit lijkt te maken of ik er ben. Dat maakt me niet per se moedeloos. Het stelt mij alleen voor een uitdaging. Hoe leef je een zinvol leven als het niet uitmaakt wat je doet? Hoe veranker je je, in wat dan ook, om te groeien? En waar groei je dan naartoe?

Ik heb het antwoord nog niet.
Dat geeft niet. Niet elke vraag hoeft onmiddellijk beantwoord te worden.
Maar ik zou het wel fijn vinden mochten de randen van die kuil een beetje willen wijken. Het is nogal donker hier beneden, en het is niet mijn gewoonte om in het donker te blijven kniezen. Ik wil weer naar boven, waar de thermiek speelt met wat glinsterend waait op de wind.

(c) Inaya photography

ZAAILING #63 – Muizenissen


Het was nochtans geen warme dag, laat staan een warme nacht. Maar na wat draaien en keren was het duidelijk – dit zou weer niets worden. De luiken van het Franse hoeveraam stonden op een kiertje. Het vliegenraam werd dubbel gecheckt. Voor het slapengaan had ik zelfs nog een amusant hoofdstukje gelezen waarin de personages godbetert Kerstmis vierden. (Dat komt ervan als je je niet goed informeert over een boek, niks zo vervelend als over de winter lezen in de zomer.)

Een paar uur eerder was ik door een prachtig aangelegde tuin aan het wandelen. Met gesloten ogen herontdekte ik die nu. Ik waadde opnieuw tussen de gigantische bladeren van de heilige lotussen door, nauwlettend in het oog gehouden door de veelogige zaaddozen die als periscopen tussen het groen priemden.

Het prikkelde me meer dan het me tot rust bracht. Ik wisselde van rug naar zij, trok mijn knieën hoog op en bootste de onvolgroeide varens na. Ik ging opnieuw door het bamboe labyrint maar ook deze keer stond ik te snel in een ander deel van de tuin. Ik verdwaalde in gedachten in de veelheid van te volgen lijnen in de schetsen die ik maakte. Misschien moest ik er nog een extra laagje kleur aan toevoegen? Een eerste klus voor de volgende dag? Of een personage toevoegen? Misschien was deze tekening dan wel bruikbaar voor…


Ze liet het centrum van het stadje achter zich. De huizen lagen steeds verder uit elkaar. De keurige tuinen vol struiken en bloemen, moe van de zomer, werden steeds groter. Hier was het goed lopen, alleen jammer dat er niets eetbaars te vinden was. Haar maag plakte als een lege ballon tegen haar ribben.
Plots zag ze ze: grote donkerrode appels, vuistdik. Haar voeten gingen vanzelf sneller. De boom stond in een immense tuin met een smeedijzeren hek eromheen, en dat hek liep zo ver ze kon zien, zonder een poort of een ingang. Er moest een huis zijn, daar ergens achter al het groen, maar de bomen en struiken onttrokken het aan het zicht.
Wie zo’n grote tuin had, kon best wat appels missen. Het hek was geen obstakel: kinderhanden hebben genoeg aan een paar fijne krullen als houvast. In een wip zat ze boven op het hek, balancerend als een vogeltje.
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent?’
Ze had hem niet horen aankomen, maar de man stond er opeens, aan de overkant van de straat. Ze hield zich vast aan de spijlen en voelde hoe haar vingers trilden.

‘Over je eigen hek klimmen is toch niet verboden?’ was het eerste wat ze kon bedenken.
‘Jij wóónt daar?’
Ze hoopte vurig dat de eigenaar van de reusachtige tuin, wie het ook was, geen goede kennis was van deze man. Ze keek hem uitdagend aan en knikte.
‘Waarom ga je niet langs de ingang?’
Ze grijnsde. ‘Zie je die hier ergens?’
Hij stak de straat over en kwam op haar af.
Ze nam een besluit, zwaaide haar benen over het hek en met landde met een goed gemikte sprong niet ver van de appelboom.
Eén van de takken hing laag genoeg. Als ze op haar tenen stond, kon ze erbij. Ze plukte een appel en zette haar tanden erin. Ze proefde de donkerrode smaak van opluchting en draaide zich om naar de man aan de andere kant van het hek.
‘Tot ziens, meneer’, lachte ze met volle mond.
Hij zei niets en bleef haar aankijken. Hij had een smal gezicht, en donkere ogen. Met de spijlen tussen hen in had ze plots het gekke gevoel dat hij gevangen zat in een met tralies afgesloten domein, en dat zij zojuist vrij land had bereikt. Ze zwaaide nog eens naar hem en liep toen de tuin in alsof ze er de weg kende.


Het was stil tussen de bomen. Dit was meer een park dan een tuin, meer een bos dan een park. Een beekje stroomde en vormde een vijver, half verborgen tussen het groen. Ze zag een brugje maar nergens een pad dat er naartoe liep, en algauw had ze het gevoel dat het groen haar insloot.
Ze nam nog een hap van de appel en keek achterom. De appelaar kon ze nog zien, maar van waar ze stond, leek het hek verdwenen.

Plots voelde ze zich doodop. Ze koos een boom in de buurt en ging er met haar rug tegenaan zitten. De takken boven haar hoofd ruisten zachtjes. Vlekjes zonlicht dansten tussen de bladeren en over de stammen. Daar bestond een woord voor, wist ze, voor dat licht, maar ze kon het zich niet meer herinneren. Waar zou de man die haar had aangesproken nu zijn? Was hij verder gelopen? Of stond hij nog steeds met zijn sombere ogen aan het hek, te speuren tussen het groen? Misschien kende hij het woord wel. Ze wilde dat ze kon teruggaan om het hem te vragen. Maar denken aan hem maakte haar droevig. Ze was moe. Met een zucht sloot ze haar ogen, heel even maar…


Slaapdronken werd ik me bewust van de geluiden boven mijn hoofd. In oude Franse hoeves slaap je nooit alleen. Overdag dutten de habitués in hun warme schuilplaatsen zodat ze geen energie hoeven te sparen tijdens hun wilde nachten. Eerst dacht ik muizen te horen, maar afgaande op sommige van de eerder lugubere schreeuwen zou het wel eens een familie marters kunnen zijn die boven huishielden, en aan het tumult te horen waren ze het kot aan het afbreken. De kleintjes zaten elkaar achterna, racend in de plafonds, zigzaggend tussen de dakspanten.

Tussen het onophoudelijke gesjirp van de krekels door hoorde ik een uil roepen. Zouden uilen marters eten? Zou er een uil op zolder logeren? Ooit vond ik er kippenschedeltjes. Maar uilen aten toch geen kippen? In gedachten zag ik een majestueuze uil, geruisloos navigerend als een ervaren stuntpiloot, tussen de balken van de stoffige zolder. Uit het niets stortte hij zich met stevige klauwen op zijn prooi. Een stofwolk, gevolgd door scherp gepiep. Dichtklappende vleugels, stilte. Einde film.

Dat uilen muizen eten, is zeker maar of er ook marters op hun menu staan, moest ik maar eens opzoeken. Het was alleszins een goed muizenjaar in deze streek want overdag wemelde het van de roofvogels. Geruisloos lieten ze zich meevoeren door de wind, gedragen door de thermiek, steeds hoger en hoger. Mijn gedachten cirkelden mee de blauwe lucht in… Het grote niets lonkte – tot een groter zoogdier besliste om een plaspauze in te lassen. Een deur knalde, voetstappen in de gang, nog een deur, water stroomde. Zelfs de bovendieren schrokken, want ook op zolder was er geritsel te horen. En mijn slaap koos resoluut het hazepad.

Klaarwakker besloot ik dan maar op te staan en als een nachtdier de trap af te sluipen. Ik zou alvast die tuinprent afwerken. Ware het niet dat dat bewuste schetsboek in de auto was blijven liggen… Op dit uur de luiken opendoen en als een dief in de nacht stilletjes mijn eigen auto openmaken zou de anderen misschien onnodig ongerust en vooral ook wakker maken. Dus sloop ik weinig heldhaftig van het bed naar de zetel.

Ik las wat, nam de digitale krant door en voerde een handvol online gevechten. Zoals altijd merkten de wakkere vogels als eersten dat de zon aan haar werkdag begon. De lamp kon nu wel uit, het natuurlijk licht vond zijn weg langs de kleine ramen naar wat mijn tijdelijke werkplek geworden was: een antieke salontafel met overdreven gedraaide poten midden op een weliswaar zacht Perzisch tapijt. Een lichtstraal viel op mijn opengeslagen schetsboek, het kleinere van de twee dat wel in huis lag en waarin ik zonet een zwarte wouw had zitten tekenen. Met prikkende ogen keek ik het zonlicht tegemoet. Misschien kon ik de voorbije nacht als een extra laagje aan deze schets toe voegen. Of ik kon hem opschrijven.

Terwijl ik de laatste woorden op papier zette, strompelden de dagbewoners de trap af. De geur van verse koffie lokte me naar de ontbijttafel. De bovendieren konden weer gaan rusten.

Tekst en beeld: Jurgen Walschot & Kirstin Vanlierde




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Dubbele lens, dubbele pen

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #4



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien
-Deel #3 – Zîchtbaar, met of zonder schulp : waarin twee boekenmakers steeds meer uit hun schulp komen


De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot



De intimiteit van de Zweedse residentie zorgde ervoor dat De serres van Mendel tot stand kwam op de best denkbare manier: als teamwork op elk vlak.

Als schrijver was ik het drie decennia lang gewend om alleen te werken. Schrijven is gewoonlijk een diep solitaire bezigheid. De personages die ik gestalte gaf, waren altijd dierbaar gezelschap maar werden nooit het soort vrienden die me konden uitdagen, verrijken of verrassen zoals levende mensen dat doen. Ik stond daar nooit bij stil. Hoe zou het anders kunnen zijn?

Toen Jurgen en ik ging samenwerken, werd ik uitgenodigd om die werkwijze vaarwel te zeggen. Ik had geen eerdere ervaring met het schrijven van geïllustreerde verhalen en ik had nog nooit ernstig met andere kunstenaars samengewerkt aan een gedeeld concept. Ik wist niet hoe het zou zijn om mijn creatieve universum met iemand te delen.
Jurgen op zijn beurt had genoeg van de gedienstige rol die illustratoren vaak toebedeeld krijgen. Als je beelden moet maken bij teksten waarvan de inhoud al helemaal vastligt, kun je misschien nog wel een mooie laag toevoegen, maar de lijntjes waarbinnen je moet kleuren, zijn getrokken.

In deze samenwerking zou het anders zijn, dat voelden en wilden we van in het begin. Ons werk zou gezamenlijk werk zijn, co-creatie, zonder dat de ene een knieval hoefde te maken voor de ander. Voor Jurgen betekende dat dat hij naar hartenlust ideeën kon aanbrengen en met beelden inhoudelijke voorzetten kon geven. Voor mij wilde dat zeggen dat de tekst zijn suprematie als alleenheerser over het verhaal moest lossen.
We rolden er spontaan in, en van bij de eerste Zaailing zat het goed. Het is een werkwijze die ons als gegoten zit en het was ook de mindset waarin we in Zweden aan De serres van Mendel gingen werken. Dat was toch weer een extra uitdaging, zo bleek.

(c) Inaya photography


De eerste, korte versie van het verhaal was nog volledig uit mijn pen gekomen voor Jurgen ze te lezen kreeg, maar hij had zich wel helemaal kunnen uitleven in de prenten, waarvoor ik op voorhand mee een heleboel materiaal verzameld had. Tegen dat we in Zweden zaten, was onze creatieve dialoog dankzij anderhalf jaar Zaailingen uitgegroeid tot een brede, stevige stroom, waarbij we ons al eens op het terrein van de ander durfden te begeven.
Ik ken wel iets van beelden maken en van vormgeving – genoeg in elk geval om er met Jurgen een intelligente dialoog over te hebben, en zijn werk tot in de details te kunnen lezen. Hij van zijn kant is veel beter met taal dan hij soms toegeeft: voor knappe titels en cartooneske woordspelingen moet je bij hem zijn (en voor flauwe humor ook, maar dat is een ander verhaal).

Nu gingen we dit boek bedenken, binnen de krijtlijnen die het korte verhaal al had getrokken en waar ook ik niet meer aan kon tornen. Zelfs het einde lag al vast. Maar binnen die krijtlijnen was er een hele wereld te ontdekken.

Het begon met een kleine writer’s block van mijn kant. We zaten twee weken in Zweden, met de expliciete bedoeling dit verhaal uit te werken. Nu moest het gebeuren. No pressure, right? Ik schrijf gewoonlijk blind, dat vertelde ik al eerder. Maar nu had ik een einde waar ik me aan moest houden, niks blind schrijven. Bovendien moest ik ervoor zorgen dat alle witte plekken die er nog waren in het verhaal op een geloofwaardige en rijke manier werden uitgewerkt – alles bij elkaar meer dan het halve boek. Ik ben perfect in staat om mezelf mentaal in de knoop te draaien, en dat was er precies wat er toen gebeurde, met als resultaat totale verlamming.

“Zit je vast?” Jurgen bekeek me met een mengeling van verbazing en bezorgdheid. “Wacht, we maken een mindmap.” In een oogwenk had hij een paar bladzijden aan elkaar gekleefd en zat met een potlood in de aanslag. “Wat hebben we al? Personages. Mendel, Reya, Robin. Locaties. De serres… Welke zalen zijn er? De spiegelzaal. De kelders. De bewaarkoepels. We kunnen er nog meer bedenken… En wat weten we over die figuren? Wat is hun karakter? Wat kunnen ze? Waar komen ze vandaan?”

Nu moet je weten: ik maak nooit mindmaps. Ik vind ze doorgaans onnodig en op het randje van kinderachtig. Maar Jurgen was oprecht, en we waren al eerder elkaars vangnet geweest in zware momenten. Dit was een uitgestoken hand en een reddingsboei, dus ik greep ze.
Hij praatte me door alle elementen die we al hadden, en al snel gingen we aan het associëren en brainstormen. De writer’s block smolt als sneeuw voor de zon en er kwamen een aantal interessante én grappige ideeën naar boven, waarop we later nog zouden doorgaan.

De mindmap bleef gedurende het hele verblijf op tafel liggen, als een constante aanwezigheid en inspiratie. Ik slaagde er in een vroeg stadium in om er een glas rode wijn over om te kieperen, maar dat maakte ze alleen maar interessanter.

(c) Inaya photography


In de dagen die volgen, brainstormden we verder. We discussieerden, diepten gedachtegangen, (humoristische) verbanden, anekdotes en logische opbouw uit tijdens wandelingen door het bos, langs het meer of gewoon aan tafel tijdens het ontbijt of de lunch. Vervolgens gingen we schrijven en tekenen. In het begin hadden die twee nog niet zoveel met elkaar te maken: ik schrijf chronologisch, en Jurgen begon aan een afbeelding van een locatie die hem aansprak en waarvan we beslist hadden dat de personages er op een bepaald moment zouden terechtkomen (de bibliotheek). Hoe dat precies in zijn werk zou gaan, wisten we nog niet, maar dat gaf niet.

Naarmate we langer in Zweden doorwerkten, geraakten de draden van waar we aan bezig waren steeds meer vervlochten. Visuele voorzetten van mij vonden hun weg naar Jurgens beelden, inhoudelijke ideeën van hem kropen in mijn tekst, een volwaardig tweerichtingsverkeer.
Toen gebeurde er iets onverwachts, dat van onschatbaar belang zou blijken.

Bij een van de workshops op het SmåBUS Kinderboekenfestival hadden de deelnemende illustratoren de uitdaging gekregen om aan de hand van een aantal losse woorden een verhaal te bedenken. Het was een oefening die Jurgen verrast had, en waarbij er een paar leuke ideeën uit zijn (schrijf)pen gekomen waren.
Toen ik als afwisseling tussen het werk aan het boek door even aan iets lay-outmatigs van de Zaailingen wilde werken, moest dat op zijn laptop. Hij palmde prompt de zetel in waarin ik gewoonlijk zat te schrijven, ging met een brede grijns achterover liggen en pakte zijn schetsboek. “Zo ziet dat er dus uit als je schrijver bent.”
“Ga je gang, “lachte ik. “Schrijf gerust een hoofdstuk. Je hebt toch geleerd hoe dat moet?”

Het was half uitdaging, half grap. Maar er volgde een hele tijd niets anders meer dan het zachte gekras van potlood over papier, en geen halfuur later las hij me een hele nieuwe scène voor.
Aan de schrijfstijl zou ik een en ander moeten aanpassen, dat hoorde ik meteen. Maar de inhoud en de opbouw waren knap, en ik wilde ze beslist gebruiken. Er was echter één – niet bepaald klein – probleem met Jurgens scène, ook dat wist ik al terwijl hij ze voorlas: hij had het vertelperspectief totaal omgedraaid.

Astrid Lindgren kijkt toe… (c) Inaya Photography

We hadden het tijdens het brainstormen natuurlijk wel gehad over het tweede hoofdpersonage, Robin, hoe die zich gedroeg en wat hij zoal dacht, wat zijn sterktes en zijn zwaktes waren en op welke manieren hij een tegenpool kon zijn voor Reya, het meisje dat in de serres woonde. Maar de korte versie van het verhaal was geschreven vanuit haar perspectief en ik was gewoon in die lijn doorgegaan. Het was nooit ter sprake gekomen om het verhaal ook vanuit het standpunt van Robin te gaan vertellen. En nu hadden we hier plots een sterke, waardevolle scène die alleen werkte vanuit zijn perspectief.

Schrijftechnisch is zoiets een probleem. Je kunt niet zomaar één hoofdstuk van perspectief wisselen, of toch niet op deze manier, midden in het boek, zonder duidelijke reden. Ik stond ineens voor de keuze. Ik kon Jurgen zeggen: knap gedaan maar dit kan niet, dus sorry en weg ermee. Of ik kon de scène ontvangen als het geschenk dat ze was, en de uitdaging die ze meebracht voor lief nemen. Want als ik ze een plaats wilde geven in de bestaande tekst zou ik Robins perspectief volwaardig moeten integreren in het verhaal. Dat betekende: nieuwe scènes bedenken vanuit zijn standpunt, andere herschrijven of verplaatsen, een volwaardig tweede perspectief invoeren… De oorspronkelijke opbouw van het hele boek omgooien, dus.

Een paar jaar eerder had ik waarschijnlijk mijn hakken in het zand gezet en het hele idee afgeblazen. Nu dacht ik alleen: interessant. Reya was mijn creatie, maar met zijn spontane schrijfspurt had Jurgen Robin plots een gezicht gegeven, en een stem.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Kon dit werken? Wellicht wel. Het zou bovendien een inhoudelijke meerwaarde betekenen.
Kon ik het schrijven? Ik was er helemaal niet op voorbereid om een stuk van dit verhaal te vertellen vanuit het standpunt van het jongenspersonage. Maar het zou me wel lukken, als ik erin slaagde in zijn hoofd te kruipen. Jurgen had me op dat vlak zojuist een half hoofdstuk voorzet gegeven.

En wat was er eigenlijk mooier, bedacht ik, dan het verhaal van een vriendschap dat door twéé personages verteld werd, net zoals dit boek door twéé mensen gemaakt werd, kijkend door een dubbele lens, schrijvend met een dubbele pen?

Oké, dacht ik. Ze mogen het samen doen. Net als wij.




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

De eenzame uren

Het is avond, hier in de VS, en ik voel mij nogal eenzaam.

Van reisblogs is nog niet zo veel terecht gekomen voorlopig, maar ik heb besloten het mij niet aan te trekken. Verhalen kun je altijd later nog inhalen. En ik heb al een hele tijd het het gevoel dat ik eigenlijk niet zoveel te vertellen heb. Sterker nog, ik voel me een beetje vreemd. Ontworteld. Verplaatst, zonder de mogelijkheid om hier te wortelen. Als een afgeknipte veldbloem.

Mijn gevoel van ontworteling heeft verschillende oorzaken.

(c) Inaya photography

Vervreemding zit er zeker voor iets tussen. In dit land herken ik niets van de lokale fauna, op de herten na die in Keene, waar we de tweede week van ons verblijf logeren, zelfs tot bij het huis durven naderen. De vogelgeluiden zijn me vreemd en de roofvogels in deze luchten zijn schaars. Ik ben er wel al in geslaagd gieren te spotten, al wist ik op het moment zelf niet dat ze dat waren.

De Amerikaanse cultuur is een tweede factor, maar die verdient in feite een heel eigen blog (en ik weet niet of ik daar veel zin in heb).

Een derde facet, dat mij nu veel sterker opvalt dan het ooit deed tijdens eerdere bezoeken, is het tijdsverschil.
Verbondenheid met mensen is belangrijk voor mij. Dat is altijd zo geweest, hoewel ik het als jongvolwassene nog niet zo goed besefte. In die zin hebben de sociale media van deze tijd mij een geschenk gebracht: hoewel er niks op kan tegen een goed, diep gesprek van mens tot mens, hebben die webtoepassingen de wereld op een aantal vlakken toch ook dichterbij gebracht.

Ik merk nu dat ik verankerd ben in mijn tijdzone. Of beter: dat ik een gemis voel als dat niet zo is. Want als ik iets post/deel/schrijf/inspreek, dan weet ik dat ik vanaf een uur of vier in de namiddag niet veel respons meer hoef te verwachten. Dan gaan de mensen met wie ik normaal verbonden ben immers naar bed.
Het levert leuke ochtenden op, zoveel is zeker: een heleboel reacties en vormen van contact tegelijk. Maar mijn avonden zijn eenzamer.

Ik neem de eenzame uren voor lief. Ik ben dankbaar om het geschenk dat ze mij brengen: het bewustzijn dat een deel van mijn verbondenheid zich heel bewust ‘in real time’ afspeelt. Dat ik wortels nodig heb op de plek waar ik mij bevind, om mij te verbinden met het landschap én de mensen. Dat mij dat hier, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, niet echt zal lukken. Dat dat niet erg is. En dat het een van de redenen zal zijn waarom ik blij zal zijn om aan het einde van deze vakantie terug te keren naar huis: om mijn wortels te voelen, en het netwerk waartoe ze behoren, op meer dan één manier.

(c) Inaya photography

ZAAILING #62 – Tot aan de overkant

(c) Jurgen Walschot


Zullen we de wereld dan maar eens ondersteboven bekijken?
Besluiten dat dit circus nu wel lang
genoeg geduurd heeft en de rollen omdraaien
ook al blijft de wachter aan de ingang trouw op post?

Het universum dijt uit, maar binnenin jouw kristallen bol mag alles
besloten blijven.

Plafonds zijn niet zo verschillend
van vloeren.  Durven we beslissen
– zonder nog van standpunt te veranderen –
dat het leven een dans is
waarvan de muziek best meevalt?

Tot aan de overkant,
kameraad.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.