De ruimte liefkozen die ons scheidt

(c) KV

Mensen zijn misschien wel de eenzaamste wezens op de planeet.

Opgesloten in ons eigen perspectief kijken we naar de wereld vanuit onze kooi van mentale misverstanden, met tralies die ons telkens weer het zicht belemmeren, al is het maar een beetje.

Hoe reik je naar iemand door die smalle repen ruimte om hem aan te raken — écht aan te raken?

Hoe verbind je en verenig je, dwars door de kwetsbaarheid, de obstakelrace van struikelende goede bedoelingen, heen?

Misschien als we de ruimte liefkozen die ons van elkaar scheidt dat onze zielen elkaar vinden, en hun lied weerklinkt in resonerende stemmen.

(c) KV

 

Verzadiging

(c) KV

Het voelt een beetje als herfst, of als een oud huis waarin je juist iets te lang hebt gewoond.

Niet dat de oogst tegenvalt, of dat het huis niet dierbaar is. Maar er heerst een vermoeidheid, een gevoel van verzadiging — je bent hier lang genoeg geweest. Laten we de appels binnenhalen en de wereld buitensluiten, laten we de vensters dicht doen en vertrekken.

De vakantie komt eraan, en ik zit met mijn gezin in Frankrijk, om mijn ouders terug te zien na een aantal maanden afwezigheid, en dan trekken mijn man en ik door naar Italië.

(c) KV

Ondertussen staat mijn oude leven — artikels schrijven, vergaderingen bijwonen, toezicht houden op huiswerk, was en plas — even op pauze. De luiken van de alledaagse beslommeringen zijn gesloten. De dingen mogen een klein beetje uit elkaar vallen.

Ik hoop dat er schoonheid en warmte zal zijn op die ontspannen kronkelende vakantieweg. Ik hoop dat ik zal kunnen schrijven.

Ik ben van plan om schatten mee terug te brengen van mijn reis, en de gloed van de zon. En als ik hier weer binnen stap, zal ik met plezier de luiken weer openen.

(c) KV

 

Hemeluitvaart

Zaailing #11

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut1

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut titel

De lucht is een deken waarop hij rust met gespreide vleugels.

Van op de spiraal van thermiek die hem draagt, kan hij ze zien – de uitstekende rots waar de vreemd geklede, kleurrijke en lawaaierige wezens die hem aanbidden hun geschenken heen brengen.
Ze is verlaten nu, leeg zoals de immense, holle hemel. Maar beneden in de vallei kruipt een rij figuurtjes niet groter dan mieren langzaam de berg op. De wind die door de pas waait, draagt het vage geluid mee van gezang, de echo’s van klokken.

Hij weet hoe het zal zijn.

Op de uitstekende rots zullen ze zich verzamelen. Ze zullen wuiven en bidden en uitpakken wat ze meegebracht hebben. Sommigen zullen neerknielen met water in hun ogen. De heldere weerschijn ervan zal zichtbaar zijn tot waar hij mee zeilt op de wind.

Terwijl de sliert zich als een trage slang de rotswand op slingert, verschijnen zijn verwanten. Zwevende schimmen in de verte, een enkele lome vleugelslag. Ze heersen met velen over de hemel.

Op de helling beneden zal het dode vlees uitgekleed en uitgestald worden. Als een toegift voor hen zal het gevild worden. De ledematen zullen losgesneden worden, de beenderen verbrijzeld. Dat is voor de kleurrijke stoet altijd het moeilijkste moment: de bij leven gekoesterde lijven worden onherkenbaar, een voorbereiding op de overgang.

Walsend op de wind zal de geur van bloed en ingewanden opstijgen, als een uitnodiging.

Ze zullen neerstrijken waar er op hen gewacht wordt en aanschuiven aan het feest. Elke reep vlees, elke peesdraad, elke laatste botschilfer zullen ze op maken, want ze weten dat wat hen gebracht is niet minder is dan het allerdierbaarste.

En wanneer het maal voorbij is, zullen ze één stam zijn. Als deel van zichzelf nemen ze de doden mee, de eindeloze hemel in. Zo wordt de droom van de wereld werkelijk. Want alles wat veroordeeld is tot de grond verlangt ernaar te vliegen.

De klokken en gezangen hebben het platform bereikt. Over de berg daalt de stilte van verwachting.

De gier scheert langs de lijn waar rots en lucht de wereld onder elkaar verdelen, stijgend en dalend in pieken als een rafelige hartslag. Hij buigt zijn hoofd voor de krachten die alles regeren, en begint, omringd door zijn vleugelschare van verwanten, aan de afdaling.

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut 6

 


 

Een ‘hemeluitvaart’ (sky burial) is een traditie in sommige delen van Nepal, Tibet, Mongolië en China waarbij de lichamen van de overledenen niet worden begraven of verbrand, maar op de berghelling aan de gieren worden gegeven. De lege huls van het lichaam gaat terug naar de natuur, de ziel is vrij om te vertrekken naar de volgende incarnatie.
Duiding vind je hier. De fotoreportage van een echte sky burial zie je hier. (Opgelet: confronterend beeldmateriaal.)

 


ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

 

Welkom in de B-ploeg

 Zwemmen in de stroom waar je thuishoort

Page3 cut1 N.jpg
Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Als kind wilde ik schrijver worden. Ik schreef notitieboeken vol verhaaltjes, typte hele schoolvakanties weg. Ik kom uit een gezin waar mensen boeken verslonden als ze er de tijd voor hadden (voor mijn ouders betekende dat doorgaans: de vakanties), en waar lezen altijd en overal werd aangemoedigd. Dus ik dacht dat het wel goed zat toen ik aan de universiteit literatuur ging studeren. Maar dat klopte toch niet echt.

Tegen de tijd dat ik klaar was met het middelbaar, had ik zowat de hele kinder- en jeugdvleugel van de bibliotheek gelezen. Maar de overstap naar literatuur voor volwassenen vond ik helemaal niet zo eenvoudig. Plots waren een aantal van de dingen waarvan ik in boeken zo hield spoorloos verdwenen. Verbeelding. Hoop. Warmte.

De studie taal- en letterkunde aan de universiteit trok mijn wereld open op meer dan één manier. Ik ontdekte schrijvers en oeuvres waar ik voordien nooit van gehoord had. Mijn proffen introduceerden me ook tot de diverse literaire tradities, het werk van eigentijdse auteurs en, misschien nog het belangrijkste: de analytisch gestructureerde manier om een boek te lezen en te begrijpen.

Maar die jaren waren niet alleen een tijd van intense, nuttige opleiding. Ze waren ook het moment waarop ik ontdekte dat ik wel grootgebracht was met liefde voor boeken, maar niet met kritische zin om kwaliteit te onderscheiden. Mijn ouders, leerde ik, lazen niet meteen grote literatuur. En de academische wereld hamerde de boodschap er bij mij stevig in: er was ‘goede’ literatuur, meesterwerken die conventies hadden getrotseerd, een universele snaar beroerden en de eeuwen zouden overleven, en er was — al de rest.

Hoe ambitieus je als jonge kunstenaar ook bent, meestal heb je toch wel genoeg realisme om te begrijpen dat toegelaten worden tot de literaire canon geen evidentie is. Maar als ze zeggen dat je doorgaans het soort boeken gaat schrijven dat je zelf graag leest, wat moet je dan met de ontmoedigende ontdekking dat datgene waar jij van houdt door de experten niet bepaald bij het kwalitatief werk gerekend wordt?

Een vol jaar lang na mijn afstuderen van de Germaanse schreef ik met enorme vertwijfeling. Onbewust werkte ik met maatstaven waaraan ik onmogelijk tegemoet kon komen, omdat ze niet strookten met wie ik was. En erger: ik las niet. Ik was het moe om boeken te lezen waarvan ik geleerd had dat ze ‘goede literatuur’ waren maar die me alleen maar deprimeerden door hun onderwerp, stijl of benadering van de wereld, en ik was bang om te genieten van iets wat misschien weggezet kon worden als triviaal. Die innerlijke worsteling zette me klem in de hoek waar verstomming en verlamming elkaar treffen.

Het boek dat mijn redding werd, was The vintner’s luck van Elizabeth Knox. Daar was het ineens: geschreven in het verfijnd soort poëtisch proza dat ik niet alleen was gaan appreciëren dankzij mijn opleiding maar waarvan ik oprecht hield, en tegelijkertijd een verhaal dat zo ver als maar mogelijk af stond van het in hedendaagse Nederlandstalige fictie zo diep ingeslepen realistisch cynisme. Knox’ roman over de liefde van een Franse wijnbouwer voor een engel die hij een nacht per jaar ontmoet gedurende zijn hele leven opende voor mij een universum van verbeelding, sensualiteit en emotie, geschreven in een taal even subtiel en bedwelmend als zware wijn.

Het voelde als eindelijk aankomen op de plek waar ik thuishoorde. Dit was kwalitatief werk dat mijn hart en ziel beroerde. Dit was het soort boek waarvan ik hield. Dit was het soort werk dat ik zou gaan schrijven.

Page11 cut 1 N

Tot ik het probeerde uit te geven.

Mijn geschreven teksten botsten op een gelijkaardig oordeel als mijn leesvoorkeuren op de universiteit hadden gedaan. Nu lag dat voor een deel beslist aan gebrek aan ervaring en een onvolledig beheersen van het ambacht, zoveel mag duidelijk zijn. Het is niet omdat je mikt op kwaliteit dat je die ook kunt voorleggen. En ik had nog veel te leren. Debutanten die meesterwerken produceren bestaan, maar ze zijn zeldzaam. Maar later werden een aantal van mijn rijpere manuscripten alsnog geweigerd, soms om evenveel verschillende redenen als ik uitgevers had aangeschreven. Elementen die de ene bijzonder geapprecieerd had, waren voor de andere precies de reden om het werk onuitgeefbaar te verklaren.

Het maakte me gek van onzekerheid. Blijkbaar kon niemand me vertellen was ‘goede’ literatuur nu precies was, laat staan hoe je die schreef. Al wat ik wist, was dat ik blijkbaar iets verkeerd deed. Of misschien was dat zelfs niet eens zo, maar kon men mijn werk toch niet smaken, terwijl er stapels boeken uitgegeven werden die ik niet graag las en die ik zelf nooit zou kunnen — of willen — schrijven.

Welkom bij de B-ploeg, schreef Jurgen Walschot, in een poging me op te vrolijken met zijn gebruikelijke mix van humor, ironie en warmte, toen ik weer eens tegen mijn oude muren van perfectionisme aan was geknald en mijn wonden likte, bang dat niets van wat ik deed ooit ergens toe zou leiden. Liever de tevreden hobbyist dan de ongelukkige, gefrustreerde zogenaamde professional.

Hij had gelijk, zelfs al waren we het in feite ondertussen allebei wel, professionals. Maar op een of andere manier moet je het punt bereiken waarop je stopt met je aan te trekken wat mensen denken, of in welk vakje je werk al dan niet geklasseerd zal worden. Je moet stoppen met piekeren en het beginnen maken.

Page15 cut 1 N.jpg

Maar het blijft een glad en hellend vlak, om meer dan één reden.

Een voorwaarde voor lidmaatschap die de Vlaamse Auteursvereniging (waar ik zelf tien jaar in het bestuur zat) naar voren schuift, is dat schrijvers minstens één gepubliceerd werk bij een erkende uitgever (of een voorstel tot contract) moeten kunnen voorleggen.
Dit is het soort maatregel dat actief de bedoeling heeft om de auteurs te scheiden van de amateurs. Uitgevers worden beschouwd als de poortwachters van kwaliteit: als je voorbij hun deur geraakt, heb je het recht verdiend om serieus te worden genomen binnen je genre.

Maar wat als kwaliteit toch niet meer voorbij die uitgeversdrempel raakt?

Om een bekende uitdrukking even naar mijn hand te zetten: ik schiet niet op de uitgever — een uitzondering niet te na gesproken. Zij hebben uiteraard keuzes te maken, en velen van hen doen dat met integriteit en liefde voor de job. Maar de boekenwereld kreunt steeds meer onder de wetten van de markt, en nogal wat schitterend werk geraakt eenvoudigweg niet uitgegeven omdat gevreesd wordt voor een commerciële afgang.

Begrijpelijk? Absoluut.
Te betreuren? Die vraag zou ik redelijkerwijs zelfs niet hoeven te beantwoorden.

Dus enter de B-ploeg, en de professional die het werk maakt dat hij voelt dat hij moet maken, die de uitgevers langszij passeert en het in eigen beheer uitgeeft in een oplage van amper vijftig exemplaren die hij vervolgens verkoopt aan vrienden en familie, als de eerste de beste amateur.

Er was een tijd dat ik daar gillend voor zou zijn gevlucht. Maar toen de uitnodiging kwam, in de vorm van Jurgens uitgestoken hand, en de ervaring van gedeelde creatieve stroom die even voedend en verleidelijk was als ooit een engel in een Franse wijngaard op een beslissend moment in mijn leven, wist ik dat ik klaar was om mijn oude wereld de rug toe te keren.

Page19 cut 1 N.jpg

De afgelopen maand hebben we de laatste hand gelegd aan Stroom, een graphic poem (bij gebrek aan een beter woord) van 50 pagina’s. We hebben het opgestuurd naar een aantal uitgevers in Vlaanderen en Nederland, om de watertemperatuur te testen en de levensvatbaarheid van ons mooie, kleine project af te toetsen. We kregen al wat fijne feedback, en we wachten op een aantal definitieve antwoorden.

Tegelijkertijd verkennen we de mogelijkheden voor Engelse of Franse versies van het boek. We hebben geduld, maar ondertussen werken we door.

En we weten dat Stroom er komt. Uitgegeven in de A-klasse, of gemaakt door de B-ploeg. Hoewel de ene optie om duidelijke redenen zoveel prettiger en makkelijker zou zijn dan de andere, kan het mij in alle eerlijkheid niet meer schelen welke het wordt.

Want hoe weet je nu dat je kwaliteitsvol werk maakt? Misschien is het antwoord gewoon dat je dat niet kunt weten.

Het enige waar je op moet afgaan, is of je zwemt in de stroom waar je thuishoort.

En dat doe ik.

Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Je wandelt Mordor niet zomaar binnen

Ik heb een Frodo-en-Sammomentje.

Terwijl ze uitkijken over Mordor, doodmoe en overweldigd door de verwoestende kracht die ze op hun pad zien opdoemen.

qjd5b

In eerdere blogs heb ik mezelf wel eens beschreven als een gier: majestueus zwevend op hoge thermiekstromen, maar afdalend naar grondniveau om daar het nederig werk te doen, dat een apart soort kracht vraagt: donker en rottend materiaal opkuisen.

Veel van dat donker en rottend spul kom ik tegen in het leven van elke dag, en heeft te maken met de pijn die ik zien in de mensen om mij heen. Ik ben geen genezer, in de zin dat het niet mijn roeping is om met hen een therapeutische relatie aan te gaan en hen zo te helpen openbloeien tot sterkere, gelukkiger en gezondere versies van zichzelf. Maar ik neem wél dingen waar die onder het oppervlak stromen, gedragspatronen die ontstonden uit puur overlevingsinstinct tijdens de kindertijd, die onbewust het zaakje hebben overgenomen en nu aan de touwtjes trekken zonder dat we het door hebben. En ik voel de nood om die aan het licht te brengen en daar op een of andere manier iets mee te doen, ten goede.

Vreemd of arrogant als het misschien klinkt, maar het lijkt een beetje op röntgenzicht: ik kijk onder de oppervlaktelaag van de alledaagse redeneringen naar de psycho-emotionele bedrading daaronder. Terwijl het computerprogramma draait, zie ik de energiestromen in de hardware en de software, en hoe alles met elkaar communiceert. Ik kan redelijk goed duiden wat er voor iemand aan de hand is in een bepaald facet van zijn leven, of in meer dan één facet, en als ik dichter mag komen, kan ik vaak nog veel dieper graven.

Groen & jonkies_020.JPG
(c) KV

Ik wil ook echt dat de mensen die ik graag zie (of iedereen, eigenlijk) mogen openbloeien tot sterkere, gelukkiger en gezondere versies van zichzelf, en ik hoop daar een beetje aan bij te dragen door iets te delen van wat ik voel en zie, als ze ervoor openstaan. Ik doe dat heel graag, en min of meer spontaan, want dat röntgengedoe is er altijd, of ik dat nu wil of niet.
Het voelt als een bescheiden manier om iets bij te dragen aan de wereld.

En gelukkig is het niet dat wat voor mijn Frodo-and-Sammoment zorgde.
Hoewel het wel verband houdt met al het bovenstaande, heeft mijn moment van wanhoop eerder te maken met de toestand van de wereld.

Het zal ondertussen wel duidelijk zijn: ik ben een nogal gevoelig mens, en die gevoeligheid is in de loop van de jaren nog aangescherpt door bewust te leren omgaan met al wat ik oppikte én het verfijnen van mijn ambacht (een deur waar een verhaal doorheen mag waaien, zie Zaailing #8).
Voeg daar nog mijn recent verworven bewustzijn over onze constante communicatie met de meer-dan-menselijke wereld aan toe (bedankt, Bill Plotkin and David Abram), en een sjamanistisch aandoende loyauteit ten opzichte van het levende, ademende web van al wat leeft en wat dat ons kan vertellen, en ik weet zeker dat het plaatje duidelijk is: daar sta ik, met al mijn sluizen open, en de wereld stroomt van alle kanten naar binnen.

Een heleboel dingen die op dit moment gaande zijn in de wereld hebben veel weg een giftig, destructief moeras waar de agressieve neoliberale, egocentristische drang om te veroveren, controleren en vernietigen het bewind voert.
Mordor dus, als je het mij vraagt.

Dat is meer duister en verrotting dan ik op dit moment aan kan.

Van Trump tot IS, van het Europese neoliberalisme tot de wereldwijde vernietiging van onze natuurlijke leefomgeving, van de tekenen van enggeestig racisme in de dorpsstraat tot politiek haat zaaien op grote schaal: soms heb ik het gevoel dat ik giftige dampen inadem. En ik raak buiten adem.

Ik heb steeds de hoogten opgezocht — kunst, schoonheid, natuur, het ontastbare of spirituele — om mijn batterijen op te laden. Dat is nog altijd zo. Mijn creatieve werk (Zaailingen, blogs, het boekje dat aan het voortvloeien is uit Stroom) en de tijd die ik neem om mij te verbinden met de natuur worden steeds belangrijker om mij in evenwicht te houden.

Voor mijn werk als journalist heb ik in de loop der jaren stapels boeken gelezen over allerlei sociale en milieugerelateerde kwesties. Ik heb geschreven — ook op deze blog — over de rechten van mannen en vrouwen, over racisme en homofobie.
Ik trek het mij allemaal aan.

Maar als ik blader door de brochures van de uitgeverijen voor het komende seizoen, merk ik dat aarzel om nóg een boek aan te kruisen over vrouwenrechten, sociale ongelijkheid, de staat van het ecosysteem, het politieke landschap, de wereld.
Ik weet niet of ik ze wel wil lezen en in me opnemen. Ik weet niet of ik ze nog kan verteren.

Ik ben moe.
De tegenstand is zo overweldigend.

Ja, ik besef dat ik al zes maand lang geen deftige week vakantie meer heb genomen. Natuurlijk ben ik moe.
Ja, ik besef dat er méér is dan slecht nieuws. Sommige verhalen die ik hoor over hoe gemeenschappen zich engageren en hoe mensen transformeren zijn bijzonder hoopgevend.
Ja, ik besef dat het beter is om één kaars aan te steken dan te vloeken op het duister (Confusius voor president!).

(c) KV

Maar toch: ik ben moe. Ik merk dat ik wil vluchten.
Ik heb er geen zin meer in om nog een petitie te tekenen, nog een smeekbede te delen, nog een argumentatie op te bouwen. Ik heb het gevoel dat ik het moet opnemen tegen Mordor.

Maar net als Frodo weet ik dat doorgaan de enige optie is.

Dus laat ik maar wat bijslapen. Wat kracht opdoen. Laat ik die vakantie maar nemen en ten volle genieten van al mijn creatieve ondernemingen. Ik zal het allemaal nodig hebben als ik mijn einddoel wil bereiken.

Wat dat ook is. Wat de uitkomst ook moge zijn.
De tocht moet gemaakt worden.

(c) KV

Het godje in het labyrint

Solstice_051 zw
(c) KV

Ik weet dat je gekwetst bent.
Wonden uit de kindertijd genezen zelden helemaal.

Het treft me als bijzonder oneerlijk, en nodeloos wreed. Datgene wat je overeind hield en misschien wel je leven gered heeft in die onveilige jaren, is nu je kooi.

Ik wou dat ik je op een of andere manier kon uitleggen dat de wereld niet zo vijandig is als je denkt. Ik ken zoveel voorbeelden die het tegendeel illustreren.
Ik wou dat je ze kon geloven.

Maar wie ben ik om te proberen je te overtuigen? Mijn littekens lijken in niets op de jouwe. Mijn kindertijd was niet perfect, maar in vergelijking met de jouwe was het een paradijs. Ik heb altijd mensen om me heen gehad die ik kon vertrouwen, bakens die voor mij op de uitkijk stonden, armen die me opvingen als ik viel. Ik heb mezelf nooit van de grond moeten schrapen, zoekend naar een reden om door te gaan.

Ik heb geleerd dat je mag vertrouwen, en mag liefhebben, en dat geen van beide wordt beschaamd. Dingen die ik beschouw als niet minder dan fundamentele rechten, maar waarvan ik weet dat ze voor veel mensen ronduit onbetaalbaar lijken.

De luxe van vertrouwen is jou niet gegund. In plaats daarvan heb je geleerd je te verbergen. En – in het uiterste geval, als je pijn dreigt te dagzomen – aan te vallen.

Solstice_030 zw ed cut 2
(c) KV

 

Maar ik ken toch ook wel iets van me verbergen, en van pijn.
Dus laat me je vertellen over het labyrint.

 


 

Je loopt in het schemerduister langs de kronkelende paden, en je kent de weg niet. De muren zijn hoog en je ziet niets voorbij de volgende hoek.
In je hand klem je de draad die je verbindt met de ingang. Het is je reddingslijn om de weg terug te vinden, en je houdt hem stevig vast.

Je bent bang. Want in het centrum van het labyrint, dat weet je, wacht een monster. Je wil er niet heen, maar je weet ook dat je geen keuze hebt.

Wanneer je bijna in het midden bent, staat de draad plots strak: je bent zo ver geraakt als hij kon. Als je wil doorgaan, zal je hem moeten loslaten.

Je bent bang.

Je laat hem los.

Het is tijd om het monster in de ogen te kijken.
Je rondt de laatste hoek.

Daar, in het centrum van het labyrint, waar je verwachtte het beest te vinden, zit een klein kind, een godje, op de grond. Het is helemaal alleen, en de tranen lopen over zijn wangen.

Als het jou ziet, steekt het zijn armpjes naar je uit, en vraagt:
“Waarom heb je mij zo lang alleen gelaten?”


 

Ik kan jouw kind niet troosten.
De enige die dat kan, ben jij zelf. Door naar zijn roep te luisteren, je armen te openen en het de knuffel te geven waar het al zo lang op wacht.

Jij bent nu de volwassene die het kan beschermen en voor hem kan zorgen, zoals de volwassenen in je eigen leven dat ooit hadden moeten doen maar om een of andere reden niet konden. Maar dat doet er nu niet meer toe. Jij bent er.

Ik kan jouw kind niet troosten.
Maar ik kan je wel meenemen doorheen het labyrint om hem te ontmoeten.

Ik beloof je dat er aan het einde van de tocht licht zal zijn.

Vertrouw je me?

 

Solstice_052 zw ed cut

 

 


 

Het verhaal van het godje in het labyrint werd me meer dan tien jaar geleden verteld door een vriendin, die het op haar beurt had van een zenmeester die ze kende. Ik weet niet wie die meester was, en ik heb geen idee van de oorsprong van dit verhaal. Mijn vriendin gebruikte indertijd het woord labyrint toen ze het verhaal vertelde. Hoewel dat technisch gezien niet klopt (wat in het verhaal beschreven wordt, is geen labyrint maar een doolhof), heb ik het woord hier toch weer gebruikt, omwille van de rijke connotaties die het oproept.

Openstaan voor verandering

Waarom verbale communicatie beangstigend is
en non-verbale communicatie eigenlijk een monoloog

Solstice_010 ed cut
(c) KV – Meerkoetjong met een dubbele kijk op de wereld

Het is zo simpel dat het haast een open deur intrapt.

Woorden spellen de dingen uit.

Dat is tegelijk prachtig en diep beangstigend.

Als je woorden gebruikt, in rechttoe-rechtaan verbale communicatie, dan ligt datgene wat je zegt naakt in de openbaarheid, en kan iedereen het horen en begrijpen. Dat is prachtig, in de zin dat het eerlijk is. Rauw en ongepolijst misschien, soms op het randje van grof, zoals een brok bergkristal ongepolijst kan zijn en er overal nog gruis en scherpe randen aan zitten. Maar het zal zich niet anders voordoen dan het is. Wat je ziet (of in dit geval, hoort), is wat er is.

(Ja, ik weet dat woorden ook ingezet kunnen worden om mensen te misleiden, maar dat aspect laat ik hier even terzijde om geen verwarring te stichten.)

In een eerdere blog vertelde ik hoe wij in ons gezin leerden dat je het over alles kon hebben, zolang je het maar op een respectvolle manier deed.
In de loop van mijn leven leerde ik dat dat niet altijd klopt. Heel veel mensen willen het niet over alles hebben. Integendeel, ze schrikken terug voor woorden.

Waarom?

Een van dingen die zo eng zijn aan eerlijk uitspreken wat er in jou omgaat, is dat je je woorden niet meer terug kunt nemen. Nu ja, eigenlijk kan je dat wel, als je je verontschuldigt of jezelf achteraf corrigeert, maar dat is niet hoe het op het moment zelf voelt. Eenmaal uitgesproken zeilen je woorden, al was het maar puur als geluidsgolven, de wereld in, en deinen voort doorheen het universum.

Dat beangstigt ons niet zomaar. Woorden zijn krachtig. Het is geen toeval dat in rituelen, toespraken of andere vormen van ceremonie de priester, leider of voorganger de Woorden uitspreekt. Het publiek krijgt ze niet op papier, wat hem nochtans de moeite zou besparen om de speech of preek te geven. En geen predikant die ooit zegt: de geloofsbelijdenis deze week is precies dezelfde als die van vorige week, jullie kennen ze wel, dus dit stuk kunnen we overslaan…
De woorden worden uitgesproken zodat iedereen ze kan horen. En terecht. Woorden hebben een magische kracht die wat verborgen was tot leven kan wekken. Als je het zegt, wordt het echt.

Dus als je je mond roert in een gesprek, worden de dingen die je zegt ook ‘echt’ voor de wereld. Doorheen de woorden heb je jezelf blootgelegd, en je kunt op geen enkele manier nog dekking zoeken en doen alsof dat niet zo is.

Geen wonder dat we er bang van zijn.

Solstice_007.JPG
(c) KV – Meerkoetfamilie, stijl struisvogel

Behalve zichtbaarheid en blootstelling riskeer je bovendien nóg iets als je spreekt: een antwoord.

Ik beken dat het me wat tijd kostte om dit te bevatten. Gelukkig kon mijn echtgenoot, herstellend non-verbaal, mij uitleggen hoe dat precies zit.

Veel non-verbale communicatie ontstaat uit het idee dat we anderen niet willen kwetsen. Misschien zeggen of doen ze iets waar we het niet mee eens zijn, en door hen daar niet openlijk voor ter verantwoording te roepen, zorgen we ervoor dat hun waardigheid intact blijft.
Omgekeerd werkt het ook zo: anderen zullen ons iets waarvan ze vinden dat wij in de fout gaan niet zomaar in ons gezicht gooien. Niemand wordt geconfronteerd, niemand wordt gekwetst. In theorie.

Het klinkt bijna alsof er helemaal niet gecommuniceerd wordt in non-verbale kringen — zo voelde het in begin alvast voor mij. Ondertussen weet ik dat er heel veel over en weer gaat onder de oppervlakte. Mensen sturen boodschappen, ook als die niet uitgesproken worden. Het grote verschil is dat non-verbale communicatie geen ruimte laat voor een antwoord.

Non-verbale communicatie is geen gesprek. Het is een boodschap die door één partij wordt uitgezonden met de duidelijke intentie om door de andere partij ontvangen te worden, en die moet er gevolg aan geven. Wie zich aan de ontvangende kant bevindt, heeft geen mogelijkheid om datgene wat hem ‘verteld’ wordt te weigeren — tenzij hij doet alsof hij de boodschap niet begrepen heeft. Je kunt niet zeggen: hé, ik begrijp dat je graag van mij zou willen dat ik nu dit of dat doe, maar ik voel me daar niet zo goed bij, dus kunnen we in plaats daarvan… Er is geen ruimte voor onderhandeling, eenvoudigweg omdat er geen ruimte is voor woorden, of een rechtstreeks benaderen van waar het over gaat.

Daarom is non-verbale communicatie in de praktijk een monoloog — of meerdere monologen, door verschillende mensen uitgestuurd naar elkaar. En de boodschappen van degene die het machtigst is in de relatie of die het hoogst troont op de hiërarchische ladder moeten gehoorzaamd worden. Anders riskeer je op een zijspoor te worden gezet. In stilte, alweer.

Natuurlijk staan gesprekspartners die zich op een verbale manier uitdrukken ook niet altijd op gelijke voet. Je chef heeft misschien maar een paar woorden nodig om duidelijk te maken wat hij van je verwacht. Maar gewoonlijk laat verbale communicatie wel ruimte om iets te weerleggen of te verduidelijken. Je mag vragen stellen, of uitleggen waarom iets voor jou niet helemaal oké voelt.

Niets daarvan in non-verbale communicatie: aan wat uitgestuurd wordt, moet voldaan worden door de ontvanger. Einde verhaal. Het geeft non-verbale omgangsvormen een bijzonder ondemocratisch karakter, en versterkt bovendien relaties waarin één partij een machtsverhouding heeft ten opzichte van een andere. Want het voordeel ligt altijd bij de sterkere (de ouder, chef of sociaal vaardiger partij). Een (extreme) verbale tegenhanger hiervan zou de militaire briefing kunnen zijn.

Solstice_019 ed.jpg
(c) KV – Aalscholver domineert de vijver

 

Om terug te komen op mijn punt: waarom deinzen we terug voor een antwoord?

Om precies dezelfde reden als de legercommandant er ook geen wil: als je iemand uitnodigt (of toestaat) om een antwoord te geven, is er geen enkele garantie dat hij het eens zal zijn met wat je gezegd heb. Hij kan net zo goed een totaal andere mening geven. Hij kan argumenteren dat je het fout hebt, en wie weet heeft hij nog gelijk ook.

Openstaan voor een antwoord is openstaan voor de mogelijkheid dat het gesprek je zienswijze in vraagt stelt en jou uiteindelijk verandert.

We houden er niet van in vraag gesteld te worden, laat staan veranderd.
Dus trekken we ons terug in de stilte, de monoloog, de vesting waarbinnen we ons veilig voelen en onze mening over onszelf en de wereld onverstoord blijft. We maken het gesprek monddood.

De natuurwetten leren ons dat al wat leeft maar één onderliggend principe kent: verandering. Constante evolutie. Wat niet meer verandert, verstart, versteent en sterft uiteindelijk.

Laten we maar eens wat meer met elkaar praten, zou ik zeggen.

IMG_5155 ed cut
(c) KV – Ekstergesprek