Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject, en in twee tentoonstellingen (Mokafé en BXL Dorado). We volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.
Advertenties

ZAAILING #57 – Belofte

Wat is er fijner dan langs de wegkant gaan zitten en luisteren naar de ochtend die ontwaakt?
Tijd voor een Zaailing.


We slaan het blad van zoveel dagen om.
De herinneringen, dierbaar en voldragen, mogen langzaam vervagen tot schimmen in zwart-wit, gestolde silhouetten in de ochtendnevel die we achter ons laten.

De zon kondigt zich aan met lichtlijnen langs de horizon. Het natte gras prikt onder onze voeten. Alles is scherp en helder op een ochtend als deze. Het is alsof de bodem zelf dampt en ademt, zich loswoelt onder de roep van merel, vink en spreeuw.

Wat zich voor ons uitstrekt, bergt de belofte aan warmere dagen. We snuiven de kruidige lucht en voelen onze longen vollopen met iets wat wil uitbotten.
Zonlicht priemt tussen de takken door. Als we de ogen sluiten, krijgt alles wat we liefhebben vanzelf meer gloed.

(c) Jurgen Walschot







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Leren kijken

“Hoe komt dat toch”, zucht mijn man aan de ontbijttafel, “dat zoveel mensen niet gewoon zien hoe mooi dit is? Ik zou niet zonder kunnen leven.”

(c) Inaya photography

Met ‘dit’ bedoelt hij de wirwar van eikentakken die zich uitstrekt tot bijna tegen ons eetkamerraam op de eerste verdieping. In de zomer heeft ons huis iets weg van een boomhut, omsloten door groen aan alle kanten. En ik deel zijn gevoel: ik zou ook niet zonder kunnen leven. Deze rijke groene wildernis die doorgaat voor tuin is precies wat ons verleidde om het (donkere, vochtige, slecht gebouwde) huis waarin we tot op vandaag wonen vijftien jaar geleden te kopen.

Wat mij intrigeert aan de vraag van mijn man is zijn met droefheid gekruide verbazing. Want ik vind die vraag eigenlijk helemaal niet zo moeilijk te beantwoorden.
We houden niet alleen van wat we geleerd hebben (‘een strak gazon met alleen maar gras is mooi’), maar ook van wat we geleerd hebben om te zien.

Kunnen we dan niet allemaal zien? Hebben we dan niet allemaal ogen? Tuurlijk wel, maar daar gaat het niet om. Van alles wat via ons netvlies onze hersenen binnenkomt, filteren we immers een groot stuk weg. Bepaalde dingen vallen ons pas op, of merken we zelfs pas op, als we geléérd hebben ze te zien. En dat komt niet vanzelf.

(c) Inaya photography

Een groot deel van mijn liefde voor de natuur heb ik te danken aan mijn vader, die ons als kinderen ontelbare keren wees op zaken waar we anders onnadenkend aan voorbij gelopen waren: het spinnenweb, het zonlicht op de sneeuw, de zonsondergang, een wolk met een bizarre vorm, het silhouet van een indrukwekkende boom of een kasteelruïne op een heuveltop.

Want kijken, van in de prille kindertijd, gaat in de eerste plaats om aandacht. Pas als we onze aandacht ergens op richten, zien we het echt. Als we niet aangeleerd krijgen om ergens aandacht aan te besteden, dan zijn we er blind voor, ook al staat het bij wijze van spreken voor onze neus.

Beter leren kijken is soms een heuse openbaring.

(c) Inaya photography

Zo hield ik altijd al van de natuur, maar het was één groot groen decor van in elkaar lopende vormen en lijnen waar ik verder niet bij stilstond. Toen ik mezelf, geprikkeld door nieuwsgierigheid bij de aankoop van ons huis, leerde om boomsoorten te identificeren, kwam de natuur niet alleen veel gedetailleerder tot leven, het was alsof ik ze voor het eerst zag. En eigenlijk was dat ook zo, op het komische af. Want telkens wanneer ik weer een nieuwe boomsoort had leren herkennen, ontdekte ik die plots overal. Ineens sprongen exemplaren ervan me overal in het oog. Die hadden er natuurlijk altijd gestaan, ik had ze alleen niet gezien.

Hetzelfde gebeurde een paar jaar later toen ik me voor vogels ging interesseren. Ik ben verre van een ornitholoog, en vraag me niet om verschillende roofvogels uit elkaar te houden (ik noem alles ‘buizerd’ 😉 of ook wel ‘rapace’, dat mooie woord voor roofvogel in het Frans). Maar vroeger kon ik hooguit een merel of een roodborstje herkennen. Intussen ken ik het gezang van alle soorten die in onze tuin zitten, en kan ik van de meest voorkomende soorten aan de vleugelvorm of het vliegpatroon van een stipje in volle vlucht zeggen wat het is.

En kijken gaat verder dan het puur visuele. Er zit ook een sterke psychologische component in. Wat vind je mooi of lelijk? Wat vind je harmonieus of problematisch? Het hangt er maar van af hoe je er naar hebt leren kijken.
Soms verkoopt het leven je een uppercut en kijk je sindsdien heel anders aan tegen iets wat je daarvoor dik oké vond (probeer maar eens langs de plek te rijden waar je ooit een ongeval had of waar je het uitmaakte met een lief; en wie één keer doodziek is van mosselen kan ze nadien doorgaans niet meer ‘zien’).

Maar ook alle belangrijke mensen in mijn leven hebben in niet geringe mate mijn kijk op de dingen mee beïnvloed. Mijn ouders legden uiteraard een fundamentele basis in hoe ik tegen het leven aankijk. Maar leerkrachten, vrienden, partners… brachten andere elementen aan, andere manieren om naar de dingen te kijken, letterlijk én figuurlijk. Soms gingen die zelfs regelrecht tegen mijn eerder verworven beeld in.

(c) Inaya photography

Het bijzonder intrigerende, labyrintische huis van mijn beste vriendin, volgestouwd met kunst en planten en bijzondere voorwerpen op de meest onverwachte plaatsen, leerde mij twintig jaar geleden anders kijken naar concepten als schoonheid of gezelligheid.
Onze verschillen in karakter en standpunten rond opvoeding van kinderen leerden zowel mij als mijn man heel anders kijken naar wat kinderen nodig hebben en helpen ons nu enorm vooruit in hoe we samen onze zoon grootbrengen.
Mijn zus staat met stip op één als het aankomt op mij goede ideeën of inzichten aanbieden die ik op het moment zelf maar half omarm, maar die nadien fenomenaal waardevol blijken te zijn en mij voor een stuk op mijn levenspad vooruit helpen (een Soul Circle organiseren, om er maar eentje te noemen).
En hoewel ik op mijn eigen manier daar ook al lang mee bezig was, heeft mijn hechte Zaailing-samenwerking met Jurgen mij op zowat alle mogelijke manieren anders leren kijken naar planten, kunst, dieren en weerspiegelingen.

De voorbeelden zijn ontelbaar. Belangrijk hierin is dat ik weet dat mijn blik nooit ‘af’ is, mijn zicht nooit helemaal scherp. Hoe meer ik leer zien, hoe meer ik besef dat wat ik zie maar een heel klein stukje van de totaliteit is, en dat het in feite ook mijn benadering van de wereld weerspiegelt. Andere mensen zien heel andere werelden dan ik. De realiteit is onwaarschijnlijk rijk.

Leren kijken is een levenslang proces.
Ik zet alvast mijn deel van de traditie voort door mijn zoon op elk geschikt moment te wijzen op planten en dieren, boomsoorten, vogels en schoonheid in al haar vormen, op motieven in verhalen, op de kracht van personages en symbolen, waar we ze ook tegenkomen. Wat hij daar later zelf nog aan toe zal voegen, dankzij de mensen die hij in zijn leven nog ontmoet, daar zal ik wellicht op mijn beurt weer van kunnen leren.

Ik kijk er nu al naar uit.

(c) Inaya photography

Hoe hanteer je vrijheid?

Of ook wel: geen paraplu’s meer

(c) Inaya photography

Hoe geef je structuur aan je leven als er nauwelijks nog vaste bakens zijn? Met andere woorden: hoe hanteer je vrijheid?

Ik heb nog niet zo lang geleden ontslag genomen uit mijn vaste job. Een paar jaar geleden had ik me niet kunnen voorstellen dat ik zou kunnen leven met het soort onzekerheid dat ik nu dagelijks ervaar in dit nieuwe stuk van mijn leven, en dat ik me daar goed bij zou voelen. Maar de waarheid is: ik was er klaar voor. Mijn vleugels hadden ruimte nodig. Iets in mij wilde niet langer binnen gehouden worden.

Tijdens het hele proces van loslaten kwam ik tot het besef dat de manier waarop ik tot nu toe altijd had gewerkt voor instanties of organisaties eigenlijk wel iets weghad van schuilen onder een paraplu: het hield een soort ‘veiligheid’ in, een beetje zoals ouderfiguren een kind zich veilig kunnen laten voelen. Mijn werk goed doen en daarvoor betaald worden, maar verder geen eindverantwoordelijkheid, en een vangnet.

Nu bevind ik me in een heel andere positie. Er zijn geen paraplu’s of vangnetten meer. Maar het kan me eerlijk gezegd niet schelen. Ik ben klaar voor alles wat de wind naar me toe blaast, maar vooral: ik ben klaar om de hemel te bewonderen.

Maar.
Ik keer terug naar mijn eerdere vraag: hoe hanteer ik deze nieuwe vrijheid? Hoe structureer ik mijn dagen en zorg ik ervoor dat ik genoeg van alles aan bod laat komen: schrijven en ander betaald werk, mails en administratie, huishoudelijke klussen? Hoe loop ik niet hopeloos uit, verdund en vormeloos als een plasje water dat nergens omvat wordt?

(c) Inaya photography

In de korte tijd die verlopen is sinds ik voor de laatste keer op kantoor was, heb ik ondervonden dat het nijdige kleine stemmetje in mijn achterhoofd mij helemaal angstig en opgedraaid kan maken, als ik het de kans geef.
Ik heb geleerd het niet zoveel speelruimte te geven. In plaats daarvan probeer ik te doen wat ik me van in het begin had voorgenomen: de hemel bewonderen, en ingaan op alles wat mijn kant op komt en interessant aanvoelt. De ene dag kan dat de Voorleestoer zijn, met lezingen voor zes klassen middelbare scholieren, de volgende dag mijn wasmand vol strijk.

Ik bewoon het idee ‘vrij zijn’ nog steeds niet helemaal. Dat komt misschien omdat ik maar al te goed besef dat het leven van een volwassen vrouw nu eenmaal een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Anderzijds weet ik ook dat het leven de meest wonderbaarlijke trip kan zijn voor wie van de klif durft stappen in vol vertrouwen dat de thermiek haar draagt. Daar heb ik in mijn eigen leven meer dan genoeg bewijs van, en ik weet precies hoe dat werkt.

Dus, mooie grote hemel… hier zijn we dan. En hier kom ik.

(c) Inaya photography

ZAAILING #56 – Een vorm van verleden


De tijd reist zelden in een rechte lijn en op het snijpunt
duik ik de diepte in, nietsvermoedend, precies
daar waar jouw blik in herinnering blijft haperen.
Zo gelaagd is dus de werkelijkheid waarin zelfs licht

een vorm van verleden is. Gelukkig kun je
de weg niet verliezen in een uitdijend heelal
als elke winding steeds teruggaat op een kern.
We vertellen elkaar dezelfde dierbare illusie

en noemen dat bij gebrek aan beter het verhaal.
Oude fouten laten zich echter niet zomaar duiden
doorheen de lijnen, noch jeugdzonden of pogingen
tot maskeren van verlangen. Ik zie slechts sporen,

met schijnbaar vaste hand getrokken, van wat
zinderend vooraf ging. Woordeloos wentelen we
eromheen en diepen geduldig ons bestaan
spiraalsgewijs steeds breder uit.



Alle beelden hierboven zijn detailuitsneden uit één grote tekening. Nieuwsgierig naar het geheel? De definitieve versie van de prent zal verschijnen in ‘De serres van Mendel’ (Van Halewyck, september 2019). Voor de Zaailing mag je intussen hier een kijkje nemen.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Tête-bêche en carte blanche

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #1

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Het begon als een vage hint van een verhaal, een voorgevoel.
En ik weet nog precies wanneer ik het kreeg: toen ik in de vroege jaren van mijn pendeltraject naar Brussel telkens gefascineerd keek naar het piepkleine stukje koninklijke tuin van Laken dat ik in het voorbijrijden vanaf het spoor kon zien.

Die enorme tuin, het prikkeldraad dat bedoeld leek om mensen binnen te houden eerder dan buiten… Het riep iets in mij wakker.
Ik verbond Laken ook met mijn oude fascinatie voor de koninklijke serres. Mijn ouders kregen er ooit een rondleiding dankzij mijn vaders werk als bankier, en ze brachten een lijvig fotoboek mee terug dat enorm tot mijn kinderlijke verbeelding sprak.

Onmogelijk te zeggen hoe de onbewuste kronkels van een schrijversgeest werken, maar ik voelde een verhaal groeien. Iets met een heel bijzondere wereld die leek op de onze maar dat toch niet helemaal was. Iets met die serres als wereld op zich, of knooppunt tussen werelden. Ik had zelfs de titel al, wat mij anders nooit gebeurt: De serres van Mendel. Wie Mendel precies was (als personage dan), daar had ik geen flauw idee van. Maar dat het verhaal zo zou gaan heten, was toen al duidelijk.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Ik probeerde eraan te beginnen. Of beter: ik begon eraan. Ik schreef een aantal hoofdstukken, maar wat ik voor me zag, leek maar niet te willen kloppen met waar het verhaal volgens mij naartoe moest. Ik schreef scènes over een meisje op weg naar een plek die ze niet kende, een bijzondere plek die werelden verbond. Dat bleek een huis te zijn, in een grote, overwoekerde tuin. Mooi als beeld, dat wel, en er liepen een paar interessante personages rond. Maar hoe krijg ik haar in die serres, vroeg ik me af. Want dat is waar dit écht over moest gaan. Ik vond geen antwoord. Elk scenario daarheen leek een kunstgreep.

Ik liet het rusten, met het zinderende gevoel van goesting en ‘hier zit iets in maar ik weet nog niet wat’ intact.

Twee jaar later (met dank aan Karla Stoefs voor de referentie) kwam de vraag van uitgeverij Van In om een kort verhaal voor tienjarigen te schrijven voor hun Talent-reeks. Onderwerp: ‘andere werelden’, verder had ik carte blanche.
Ik had nog nooit voor die leeftijd geschreven, maar ik dacht: waarom niet? Ik haalde mijn oude idee van de serres weer van onder het stof, en wat mij niet was gelukt voor een jeugdroman, lukte nu plots wel: in een verhaal van amper dertig korte bladzijden was geen plaats voor getreuzel of een lange aanloop. Ik moest schrijven wat er te vertellen was, punt uit.

Ik liet mijn dierbare maar onmogelijke hoofdstukken voor wat die waren. Ik draaide het schrift dat ik gebruikte om en begon, tête-bêche zoals ze dat noemen, aan de andere kant van voren af aan. En meteen in de serres, dit keer.

Dit is wat ik schreef:

De serres zijn gigantisch.
Niemand weet wie ze ooit heeft gebouwd, en soms denkt Reya dat ze vanzelf zijn gegroeid op de plaats waar ze staan.
Ze hebben hoge koepels en kleine, geheime hoekjes, en ze strekken zich verder uit dan je kunt kijken. Ze zijn tot de nok gevuld met bomen, struiken, bloemen en mos. Er lopen beekjes doorheen, en het is er warm en vochtig. Water parelt van de bladeren en stengels van varens.
Reya woont al heel haar leven in de serres. Ze weet niet hoe ze er ooit terechtgekomen is. Mendel zegt dat hij haar op een ochtend vond, opgekruld als een slakje onder een reuzenvaren. Alsof ze daar in één nacht gegroeid was. Reya weet niet of ze dat verhaal gelooft. Maar ze gelooft Mendel wel als hij zegt dat ze hier thuis is, en dat hij blij is dat ze er is.
Waar Mendel vandaan komt, weet ze ook niet. Hij lijkt er gewoon altijd geweest te zijn, net als de serres. Hij heeft veel grijs in zijn baard en hij loopt als iemand die het gewend is om met zijn rijzige gestalte boven iemand uit te torenen, ook al wil zijn rug ondertussen niet meer helemaal mee.
Wat Mendel doet, weet Reya wel, al begrijpt ze niet alles. Hij repareert de serres en zorgt dat alles werkt zoals het hoort. En hij verzorgt de planten die er groeien. Hij kent elk kleinste mosje in de meest beschutte hoekjes en hij weet wanneer er bevloeid moet worden. Hij praat tegen de oude bomen als hij takken moet snoeien. En hij kan feilloos het onderscheid maken tussen de redelijk onschuldige wriemeldiertjes en een heuse plaag van ongedierte, die zonder pardon uit de serres gezet worden.
Ze horen bij elkaar, Mendel en zijn serres. En Reya is thuis bij hen allebei.

Ik wist nog altijd niet waar het verhaal mij nu eigenlijk zou gaan brengen. Maar nu die eerste bladzijde er plots stond, wist ik dat het goed zat. En van toen af ging het vanzelf.




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en haar Zaailing-zielsverwant Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.


Barreras: een bijzonder boek



(c) Pantingo


Ik ben blij en vereerd dat ik een tijdje geleden de kans kreeg om een bijdrage te leveren aan Barreras, een uitgave van Pantingo. Pantingo is een jonge uitgeverij van zines en kunstzinnige projecten. Hart en ziel achter dat alles is kunstenares Tessa De Ceuninck.

Haar boek Barreras benadert het verhaal van de bootvluchtelingen door te spelen met ogenschijnlijk tegenstrijdige beelden in dialoog met elkaar.

Ik schreef er de volgende tekst voor, die opgenomen werd in het hart van het boek:





Tell me

Tell me of the hardships we encountered.
Remind me of the victories
we fought for, the defeats we endured.
Help me recall our high hopes
as we set forth, and how we negotiated
the distances against all odds and opposition.
Remind me of how we held on to our stubborn hopes
to reach the other side with our heads held high.

Reassure me that all we did
was somehow worthwhile.
Help me remember their faces,
pleading, cheering, counting on us to go
where they could not, so we could live
their ambitions, fulfill their dreams.

Tell me the story one more time,
of the heroes who fought and conquered,
so that all who followed in their footsteps
would know a better fate.

For stories are all we know.
And stories are all we have to hold on to.

So speak to me. Whisper, if you need to.
Then I can try to tell the story again,
and we can all try to believe it.

(c) Pantingo


Interesse in meer werk van Tessa De Ceuninck? Neem zeker een kijkje op www.pantingo.com.
Pantingo zal aanwezig zijn op de Ghent Art Book Fair (11-12 mei).

ZAAILING #55 – Door en door



(c) Jurgen Walschot


Jij kent mij door en door.
Dat zeg je. Terwijl ik naar je staar in verstomming en me nog net op tijd herinner dat ik beter mijn mond sluit. Hoezo, ik ken jou door en door?

Als je bedoelt
dat wij geboren werden uit dezelfde ster die zich exploderend in de ruimte verspreidde
dat wij tentakels waren aan één varenblad dat zich reikhalzend ontrolde in het zonlicht
dat wij zij aan zij renden als de wolven
of hoog tussen de takken nesten bouwden en jongen leerden vliegen
dat wij vrienden zijn die elkaar leven na leven weer terugvinden
en elkaars reflecties herkennen zonder daar ooit een spiegel voor nodig te hebben

ja, dan heb je gelijk
en ken ik jou door en door.

Maar hier en nu
terwijl je praat en lacht en verwacht
dat ik door al je muren heen kan zien

vraag ik me vertwijfeld af of ik jouw immense vertrouwen waard zal zijn.

Want op je schouders tors je meer gewicht dan ik mij herinner. En ik heb je niets beters te bieden dan mijn kwetsbaarheid, een vogeljong te fragiel voor deze genadeloze wereld van staal en glazen wanden. Wie zegt dat we niet gewoon dezelfde illusie delen, een kooi voor twee, verbonden en gescheiden door dezelfde tralies?
Ik zoek de einder af naar antwoorden die niet komen.

Muren zijn minder solide dan ze lijken, zeg je. En elke glazen wand kan een venster worden op de horizon.

De kleine vogel tussen mijn vingers slaat opgewonden met zijn vleugels.
Ik zie licht ontsnappen uit zijn kooi, en ik herken de bron.

Zoals jij mij herkende, al die tijd.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Plots pakte hij mijn hand

(c) Inaya photography

In dezelfde straat als het kantoor waar ik de afgelopen zes jaar heb gewerkt, is een klein sushi-huisje gevestigd. Het is het levenswerk van een Aziatisch koppel, man en vrouw. Ze zijn minzaam, bescheiden en beleefd. Wat ze bereiden, is lekker en toch niet te prijzig, en eens ze je herkennen als vaste klant ontdooit hun strakke beleefdheid en blijken ze warm en gastvrij. Hun leeftijd is moeilijk te schatten, maar volgens mij kunnen ze intussen best grootouders zijn. Hun piepkleine zaak heeft één smalle, hoge eettafel aan het raam, met zicht op de drukke Troonstraat. Er is zitplaats voor drie, naast elkaar. Maar de meeste van hun klanten nemen hun eten mee. Dat deed ik ook, op gezette tijden, in de loop van de jaren.

Al vanaf de eerste keer dat ik er binnenstapte, werd het duidelijk dat betalen of zelfs maar je klantenkaart laten afstempelen er een heus klein ritueel was. Ik ben niet bepaald vertrouwd met de Oosterse gebruiken, maar uit de manier waarop zowel meneer als mevrouw het geld in ontvangst namen of het kleine gevouwen klantenkaartje behandelden en vervolgens teruggaven, maakte ik op dat het een vorm van respect was om ervoor te zorgen dat onze vingers elkaar nooit raakten.

Ik had nooit eerder stilgestaan bij hoe ik geld overhandigde of wisselgeld terugkreeg. Plots oogde mijn eigen manier om zoiets af te handelen in vergelijking wel bijzonder nonchalant. Want eens je erop begint te letten, blijkt het knap lastig om die hele handeling op zo’n manier tot een goed einde te brengen dat je beiden alleen het geld aanraakt, zonder dat het valt of er een minimale vorm van huidcontact is.

Als gevolg hiervan vond er bij elke ontmoeting een delicaat vingerballet plaats, een kort, gracieus moment waarop voorzichtigheid geboden was voor beide partijen. Stilaan ging ik dat ritueel respecteren, en het oprecht waarderen.

Vandaag liep ik er voor het laatst langs tijdens mijn lunchpauze. We voerden het kleine geldritueel uit, zoals gewoonlijk, zachtjes, voorzichtig. We wisselden een glimlach (hun Engels is pover en slecht verstaanbaar), maar toen de man me bedankte en mij een prettig weekend wenste, zoals hij al vaker had gedaan, vertelde ik hem dat ik eigenlijk ook afscheid kwam nemen, want heel binnenkort zou ik niet langer naar Brussel komen om er te werken.

Met één kort woord riep hij zijn vrouw uit de keuken, en voor ik het goed en wel besefte, schudde eerst hij, en daarna zij, mij de hand.
Zijn greep was vol en warm. Hij had een grote, zachte hand. Die van haar was benig en sterk.

Allebei bedankten ze mij voor zoveel fijne jaren. Hun dankbaarheid was oprecht en hartverwarmend. Ze vroegen me naar mijn werk. Ik vertelde dat ik schrijver was, en ze wensten me veel succes. We glimlachten breed naar elkaar, we bogen, en voor het laatste deden ze de deur voor mij open toen ik naar buiten ging.

Eenmaal buiten op het trottoir bleef ik een ogenblik staan, en liet wat er zojuist gebeurd was tot me doordringen.
Terwijl ik terugliep naar mijn kantoor blies de plotse, koude aprilwind me fel in het gezicht. Mijn ogen gingen er een beetje van tranen.

(c) Inaya photography

ZAAILING #54 – Licht genoeg

(c) Jurgen Walschot


Ze zeggen dat vogels holle botten hebben
zodat ze licht genoeg zijn om te vliegen

Ik geloof dat het komt omdat wat hol is
zich vanzelf leent tot loslaten

Wat is dat anders dan de wereld uitwuiven
zonder omkijken wegvliegen en verdwijnen

Ik bewoon de plek waar ik groeide steeds minder
Gestaag gaapt ze groter, de holte in mij

De wind mag komen, nog even
en mijn botten zijn licht genoeg

om mij te dragen





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.