Meer dan één waarheid, meer dan één antwoord

De kloof die ik moet leren verdragen

(c) Inaya photography



De kauwen gaan slapen in de boomkruinen aan de overkant van het veld achter ons huis. Elke avond bij zonsopgang en zonsondergang zorgen ze voor een uitbundig collectief concertje: honderden zangerig gakkende stemmen die elkaar goedemorgen of welterusten wensen. Ik heb ze ’s ochtends nog niet vaak zien vertrekken, de eerste ochtendschemer is nog wat te vroeg. Maar ’s avonds zie ik ze thuiskomen. Ze scheren een hele tijd in wisselende groepen boven de boomtoppen heen en weer tot ze… ik weet het niet, een tak vinden waar ze lekker zitten?

Mensen zijn een collectieve diersoort, net als kauwen. We doen veel samen. We onderschrijven dezelfde verhalen. Als veel mensen hetzelfde denken en vinden en voelen als wij, weten we ons geborgen. We passen ons gedrag aan aan de noden of de verordeningen van de groep. Maar we beïnvloeden de groep ook, door wat we denken, zeggen en doen. Zo bepalen we allemaal samen waar we heen gaan.

Zo begon de blog die ik de afgelopen dagen probeerde te schrijven over de moeheid die we voelen ten opzichte van de corona-maatregelen, over de versnippering van het beleid, over het afkalven van zekerheden ten voordele van meningen, over complottheorieën en goedbedoelde maar misleide spirituele superioriteit.

(c) Inaya photography



Te veel voor één blog? Tja, soms moet je als schrijver vier keer vastlopen vooraleer je door hebt wat anderen meteen al zien: dit is niet te schrijven. Ik krijg deze hele malaise niet helder uitgetekend. Het is een kluwen dat alle kanten op straalt, een multidimensionaal spinnenweb. Ik volg één draadje, en dan een ander, ik zie tegenstellingen en verbanden, maar ik krijg totaal geen overzicht, niet in mijn hoofd en niet in mijn tekst.

Dus: dag, blog.

Maar ik lees dat het aantal besmetting weer stijgt, en aan de binnenlandse horizon doemt alweer het spook op van nog strengere maatregelen. Tegelijk nemen regeringen en bedrijven de ene non-sensicale economische beslissing na de andere, wordt Californië verteerd door bosbranden die de hemel een apocalyptisch oranje kleuren en is het intacte karkas van een holebeer gevonden, omdat de permafrost in Rusland aan het smelten is. Deze dynamieken gaan op vier snelheden, ze kruisen elkaar, blind en zonder elkaar te raken. Maar alles is met alles verbonden. En welke strijd proberen we hier nu eigenlijk te voeren?

(c) Inaya photography



Ik herinner me een TED-talk van een brandweerman (of was het nu een ambulancier, sorry, mijn geheugen is niet goed met dit soort feitjes) die beschreef hoe hij slachtoffers van een brand of ongeval die stervende waren ter plaatse bijstond in hun laatste momenten. Heel vaak voelden ze aan wat er kwam en vroegen hem: ‘Ik ga dood, hé?’ Als hij het met goede bedoelingen ontkende, ze verzekerde dat het allemaal in orde ging komen en dat ze moesten volhouden, ook al wist hij eigenlijk beter, dan waren ze paniekerig en gespannen, dan stierven ze angstig. Maar als hij ze recht in de ogen keek en ‘ja’ antwoordde, gebeurde er iets heel anders. Ze ontspanden zich. Ze aanvaardden het. Wat ze voelden en wat ze te horen kregen, strookte met elkaar. Ze konden ermee in het reine komen, al was het maar in een paar minuten, en op een waardiger manier vertrekken.

Onze samenleving, onze oude manier van leven, lijkt nu op dat stuiptrekkend slachtoffer. Wat gaan we het vertellen? Dat er niemand mag doodgaan? Dat we moeten vechten tegen een Grote Vijand om dit te boven te komen? Doen we er voor de goede orde het slaapliedje van eindeloze groei op een eindige planeet nog eens bovenop?

Ik geloof dat we allemaal gebaat zouden zijn met een staaltje eerlijkheid.

Covid-19 is geen allesverwoestende ziekte die de helft van de wereldbevolking bedreigt, maar sommige mensen gaan er wel aan dood. En we gaan dat niet kunnen tegenhouden, ook niet als we onze samenleving totaal ontwrichten.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, en we kunnen daar niet goed mee om. In het rijke westen zijn we een gezonde omgang met dood en verlies al decennia verleerd. We spenderen fortuinen aan het behandelen van ongeneeslijke ziektes, aan het rekken van een lang leven met nog een paar extra maanden. Wat we ‘winnen’ aan tijd betalen we in verlies van levenskwaliteit en een totaal ontspoorde kost aan gezondheidszorg. En er is geen grens aan onze horizon, we willen hem telkens nog wat verder verleggen. We worden steeds krampachtiger in onze omgang met de dood.

(c) Inaya photography



‘Elke dode is er één te veel.’ Dat horen we deze dagen in het kader van Covid-19 wel vaker.

Eerlijk? Ik vind dat larie, op een zwaar overbevolkte planeet.
Voor iemand mij van harteloosheid beschuldigt: natuurlijk sta ik ook niet te springen om de dierbaarste mensen in mijn leven te verliezen. Wanneer dat gebeurt, zal de leegte die ze laten immens zijn, mijn verdriet peilloos. Maar dat staat geheel los van het biologisch grotere plaatje. We mogen beide niet met elkaar verwarren. Het is niet omdat we verdriet hebben om persoonlijke redenen dat we de natuurlijke wereldorde omver moeten werpen en de dood moeten bevechten. Van hubris gesproken.

En uit de mond van het rijke kapitalistische westen klinkt de uitspraak dat elke dode er één te veel is ronduit hypocriet. De economische en ecologische vernietigende omstandigheden die tot dit virus geleid hebben en vele malen meer slachtoffers maken, die vinden we blijkbaar wel oké, zeker als de slachtoffers in het buitenland vallen. De duizenden vluchtelingen uit het Zuiden zien we liever verdrinken op de Middellandse Zee dan ze op te vangen. Dan hoor je plots heel andere slogans.

De klimaatopwarming die nog veel grotere vluchtelingenstromen op gang zal brengen en mogelijk het voortbestaan van de hele menselijke soort bedreigt, die willen we niet ernstig nemen. En dat de armste en zwakste lagen van de bevolking nu wereldwijd buitenproportioneel getroffen worden, getuigt van de gloeiende oneerlijkheid waarmee we de mondiale samenleving hebben opgebouwd.
Maar dat willen we allemaal niet in vraag stellen. Dat virusje dat er een gevolg van is, daarentegen, een louter symptoom van een veel groter en onderliggend probleem dat we zelf hebben gecreëerd, dát gaan we bekampen met alles wat we hebben. Want daar mag niemand aan sterven. Komaan, zeg.

(c) Inaya photography

Natuurlijk zullen er mensen doodgaan aan Covid-19. Zoals ze al sinds het begin der tijden doodgaan aan duizend-en-een kwalen en ongelukken. Daar moeten we niet flauw over doen, dat moeten we aanvaarden en tot op zekere hoogte in goede banen proberen te leiden. Maar omdat we dat niet kunnen, of toch niet waardig, laat de manier waarop we er nu mee omgaan de wereld zoals we die kenden afbrokkelen in hetzelfde tempo als de ijskappen. We reageren als een paniekerig en op hol geslagen immuunsysteem: vernietigend. We maken onszelf kapot.

De aanhoudende onzekerheid waarin we ons bevinden, maakt ons vatbaar voor de kracht van een Aanlokkelijk Verhaal. Want als mens hebben we een zo’n verhaal nodig, een ruimere context om ons leven in te situeren, de richting waarin we ons bewegen in te kaderen. Net als de kauwen willen we een fijne grote boom voor de nacht, en als die ene waar we ons altijd in hebben terugtrokken plots gaat kraken en scheuren, hebben we heel snel een andere nodig. En dus knoeien we erop los – met de beste bedoelingen, met zuivere intenties. Maar we knoeien.

We grijpen naar wetenschap, naar godsdienst, naar scepsis, naar ecologische verontwaardiging, naar complottheorieën, naar stil verzet, en op allerlei vlakken raakt het een met het ander vermengd. De vertroebeling in communicatie is bij momenten totaal.


V V
V
v v v
v v

En kijk, nu heb ik toch nog een hele blog geschreven die – op een andere manier dan ik van plan was – een aantal punten aanraakt waar ik al lang mee in mijn hoofd zit.

Persoonlijk vind ik dit een behoorlijk somber stukje lectuur. Dat is niet mijn gewoonte. Als kleine, individuele mens hoop ik dat we dit ten goede kunnen keren, en ik wil er alles aan doen om daartoe bij te dragen. Ik wil geen onheilsprofeet zijn die al bij voorbaat de handdoek in de ring gooit omdat er met de mensheid niets aan te vangen valt. Ik probeer mee te werken aan warme verbondenheid en een nieuwe ecologische visie, overal waar ik maar kan. Mijn boeken gaan daar tot op zekere hoogte zelfs over, verdorie.

(c) Inaya photography

Maar als ik kijk als een sjamaan – toch wel, altijd weer, al durf ik dat woord nauwelijks in de mond nemen met betrekking tot mezelf – dan kijk ik vanuit een veel afstandelijker perspectief. De sjamaan dient het grotere geheel, waarvan de mens slechts een heel stukje is. Haar loyaliteit ligt niet bij de mensheid, maar bij het universum en alle evenwichten die daarin bewaard moeten worden. Daarom ook dat ze zelden in het dorp woont, altijd aan de rand ervan, of liever nog op een afgelegen plek in de natuur.

En kijkend als sjamaan zie ik het niet zo rooskleurig in. Er is hoop, er is verzet en heel veel groeiend inzicht. Er zijn prachtige opflakkeringen van licht en kracht. Maar ik weet niet, in de grotere context van alles wat er gaande is, of het voldoende zal blijken te zijn. Voor ons als mensheid. Voor een leefbare planeet. Ik hoop het, ik hoop het echt. Maar dan weer denk ik dat ik mij maar beter schik in het onvermijdelijke. The long defeat, zoals Tolkien het noemde.

Beide van die waarheden – de kleine individuele en de grotere afstandelijke – kloppen, beide antwoorden zijn op hun eigen manier waar. Ze leven allebei in mij, ze kleuren mijn dagelijks leven en mijn beslissingen. Ze geven mij allebei vorm, en ze doen dat helder en krachtig. Ze zijn het alleen niet met elkaar eens.
Dit is de grote spreidstand waarmee ik diep vanbinnen leef, elke dag. Het is de kloof die ik moet leren verdragen, en waarover ik bruggen blijf bouwen – met de moed der wanhoop, soms, en hoe breed hij bij momenten ook wordt.

(c) Inaya photography

Het enige spoor dat ik kan lezen

(c) DriftHangingGardens


Soms vrees ik dat ik verveel.

Toen ik een jaar of vijf geleden in ernst begon met deze blog, wilde ik er mijzelf als schrijver een beetje meer mee in de kijker zetten. Ik wilde er vooral artikels op publiceren die ik schreef voor het magazine waarbij ik toen in dienst was. Professioneel degelijke stukken. Bespiegelingen over de toestand van de samenleving, mijn onderbouwde opinie over sociale, politieke, ethische en ecologische toestand van de wereld. Nu en dan iets persoonlijks.

Het draaide anders uit.

Dit digitaal platform vervelde tot iets veel persoonlijkers. Dat ging vanzelf en toch ook weer niet.

Je moet een zekere afstand kunnen bewaren van onderwerpen als je er journalistiek over wil schrijven. Dat is niet mijn sterkste punt. Ik ben een veel emotioneler en meer intuïtief gedreven mens dan ik ooit objectief of journalistiek zal zijn. Het ene is niet beter dan het andere, dit is geen oordeel. Maar je moet wel weten wát je schrijft om te weten hoe je het op een integere manier kunt doen.

(c) Inaya photography



Schrijven is altijd een manier om mijn eigen processen helderder te krijgen. Maar ze ook op mijn blog zetten, was meer dan één brug oversteken. Ik kon mijn persoonlijke traject en mijn bekommernissen even goed kwijt in mijn dagboek, of in een intiem gesprek met mijn beste vriend(inn)en. Waarom deed ik dan wat ik doe op deze blog? Was het een verkapte roep om aandacht?

Jezelf online blootgeven is een combinatie van opperste kwetsbaarheid en exhibitionisme. Ik was me van beide bijzonder bewust. Het eerste vond ik doodeng, het tweede zonder meer kwalijk. Wie had er iets aan dat ik in woorden in mijn blootje ging? Ik had geen antwoorden, er was alleen de zachte innerlijke stem die zei: doe het nu maar. En dan drukte ik op ‘Publiceer’.

De respons die kwam, verbaasde mij niet alleen, er zat ook een onwaarschijnlijke logica in. Hoe meer schroom ik had om iets online te gooien, hoe vaker ik reacties kreeg die op verschillende manieren allemaal hetzelfde zegden: ‘Dank je om dit te schrijven, want ik herken mezelf hierin. Dit is mijn verhaal maar ik had er geen woorden voor. Tot nu.’

Van zulke reacties kun je alleen maar heel bescheiden en heel dankbaar worden.
Ik heb ze een voor een gekoesterd en ik voelde ook hoe ze iets in gang zetten. De bevestiging die ze mij brachten, heeft me meer vertrouwen gegeven om online te zetten waar ik mee bezig ben. Ik vraag me niet elke keer meer af: is dit wel een goed idee? Nu overheerst het idee: iemand, ergens, zal er misschien iets aan hebben. En ik laat het dan maar los.

(c) Inaya photography



Toch voel ik de laatste tijd de twijfel weer groeien.
Ik ben bezig aan een proces van substantiële verdieping. Ik graaf letterlijk en figuurlijk naar de wortels. Ik ben heel intensief bezig met planten, structuren, diverse vormen van levend en dood materiaal. Hoeveel boodschap hebben mensen daar nog aan? Heeft het zin dat ik de zoveelste foto van een plant online zet? Willen ze niet liever weten hoe mijn kind door zijn vijfde leerjaar geraakt is en wat ik klaargemaakt heb voor het avondeten?
Anderzijds: is wat mensen willen weten ooit een goeie motivatie om wat dan ook te doen?

Mijn fascinatie met planten gaat veel verder dan het feit dat ze groen en natuurlijk zijn – wat je nog zou kunnen verwachten van iemand die duidelijk te kennen heeft gegeven hoe dierbaar het groene gedachtegoed haar is.
Planten boren naar de bron, ze verrijzen uit iets zo onbeduidends als een zaadje of een knol, ze groeien, dragen vrucht en sterven af. Ze bewegen zo langzaam dat ze naar ons aanvoelen helemaal in het ‘nu’ zijn. Maar eigenlijk evolueren ze gewoon op hun eigen tempo, volgens de cycli van groei, bloei en dood.

Hoe verder de mens afdrijft van de natuurlijke ritmes, de gezonde grenzen en de verbondenheid met wat geworteld is, hoe sterker ik er mij naartoe getrokken voel. Bijna alsof het ene het andere compenseert. Ik schreef ooit over mezelf dat ik een sjamaan in wording was. Ik betwijfel of de echte sjamanen van deze wereld het daarmee eens zouden zijn. Ik hou me niet aan hokjes, vakjes, gebruiken en vormen, dus ook niet aan deze. Maar mijn voelen gaat alsmaar dieper. Ik heb er zelf niet altijd woorden voor. Dat is wanneer beelden het overnemen, en dat zijn bijna altijd beelden van planten.

(c) Inaya photography


Dus bij deze: sorry als ik u verveel. Ik ben bezig mijn wortels te spreiden, zo diep als ik kan, en ik hoop de uitbundigheid van het leven die van daaruit naar het licht reikt recht te doen in al haar diversiteit.

Het klinkt mooi, maar kom me binnen een paar jaar nog maar eens vragen wat ik daar precies mee bedoelde. Op dit moment kan ik het niet zeggen. Ik weet alleen dat het juist voelt. Net zo juist als al die keren dat ik aarzelde om op ‘Publiceer’ te drukken en die zachte stem zei: ‘Doe het nu maar.’

Vleugels als vlammen, wortels als omgekeerde kruinen, vertakt in het duister. Wie niet weet waar hij geworteld is, kan groeien noch gedijen.
Ik volg het enige spoor dat ik kan lezen. Voor wie het ook voelt: ik zal wat broodkruimels strooien onderweg.

(c) Inaya photography

De Diepe Stroom

(c) Inaya photography



Een adempauze. Dat is hoe dit nu voelt.

Corona heeft een loep gezet op allerlei dingen die al lang bezig waren, in de samenleving, in onszelf, in de wereld. Het beeld dat uitvergroot tevoorschijn kwam, was lang niet altijd fraai. Maar het was een spiegel waar we in moesten kijken en of we er nu iets mee doen, is aan ons.

Zelf ging ik in een soort van winterslaap, een traag kluizenaarschap. Leven in de lockdown had iets van een cocon, waarin de rups zichzelf spint om uiteen te vallen en vervolgens te herrijzen als vlinder. Ik ben vertrouwd met dat soort diepe afbraakproces, ik ging er jaren geleden al een keer doorheen, maar nu was ik blijkbaar toe aan een nieuw rondje. Minder heftig, minder verbijsterend, zachter dan de eerste keer, maar zeer, zeer diep.

Nachtelijk zelfportret (c) Inaya photography



Ik had er na het vinden van mijn vleugels en het luchtruim een paar bijzonder intense en rijke jaren op zitten. Ik ben thuisgekomen bij mezelf, bij anderen en bij mijn werk in de wereld. Ik heb mijn stem leren gebruiken en ik ben sinds ik de roep hoorde waarover ik schreef in mijn blog over het Plateau (zie link hierboven) non-stop in de weer geweest met datgene wat aan mij trekt en door mij heen stroomt.

Het is moeilijk te omschrijven wat dat precies is. Ik vind het in de immense verbondenheid met de natuur en de planeet. Ik vind het in alles wat ik schrijf en maak, in de samenwerkingen die ik aanga en hoe die altijd dieper gaan dan een puur professionele afspraak. Ik vind het in de bijzondere sfeer die ontstaat als ik voorlees aan kinderen uit Mendel en dan voel hoe er om ons heen iets begint te tintelen, te leven, te gloeien – veel meer en veel krachtiger dan ik zelf ooit voor ogen had toen ik het verhaal aan het schrijven was. Ik vind het in de intieme en kwetsbare Seizoenskringen die ik organiseer, in mijn vriendschappen, in de betekenisvolle gesprekken die ik mag hebben, in de lessen die ik geef. Maar het zit net zo goed in alle grote of kleine bezigheden van elke dag.

(c) Inaya photography



Ik kan er allerlei new-age begrippen op plakken die niet verkeerd zijn maar toch de lading niet dekken en ik heb lang gezocht naar een beter woord dan het containerbegrip ‘spiritualiteit’. Hoe vat je de ultrasone (en bij momenten infrasone) kracht die zich bevindt onder de oppervlakte van het dagelijkse in woorden, de onwaarschijnlijke zielsverbondenheden die zoveel verder en dieper reiken dan oppervlakkige sympathie en gedeelde interesses? Hoe vat je de onmetelijk complexe en subtiele synchroniciteiten die samen het web van het leven weven, en de scherpe rilling van vreugde als je merkt dat je daar even heel bewust door wordt aangeraakt?

Vandaag noem ik het de Diepe Stroom. Het is een soort ondergrondse rivier, ongezien maar aanwezig, een kracht die schijnbaar solide rotsen in vorm boetseert, die een massa aan gewicht en wijsheid bergt, die stille gronden heeft maar kan bruisen als een vrolijk bergbeekje, die wat onstabiel zit los wrikt en aan hoge snelheid kan verplaatsen, die wat dorstig is laaft vanuit de wortel.

(c) Inaya photography



Tijdens de lockdown werd de Diepe Stroom voor mij steeds prominenter aanwezig. Hij legde al mijn plannen stil, doorkruiste al mijn ambities en al mijn verwachtingen. Het begon met het gevoel van niet meer naar buiten te willen, twee weken voor de hele wereld stilviel. En vanaf dat punt ging het stelselmatig dieper. Hij nam me mee naar een meer van stilte, een cocon van duister en zacht niet-weten. Daar was alleen nog plaats voor vragen, niet voor antwoorden.

Wie wil ik zijn? Wat kom ik doen in dit leven? Wil ik iets betekenen? Wil ik de dingen waarvan ik dacht dat ik ze wilde eigenlijk wel? Of is dat niet echt zo en doe ik mezelf subtiel geweld aan door er telkens weer energie in te steken? Kan het voldoende zijn om hier te zijn, in dit huis, in deze tuin, bij deze mensen, om eten te maken, op te ruimen, te zorgen voor schoonheid en groeiende dingen en nooit meer naar buiten te gaan? Kan ik gelukkig zijn zonder de drang om gezien en goedgekeurd te worden? Waar lopen de lijnen van mijn hart, mijn engagementen, mijn zingeving? Waar is de kracht en de betekenis van dingen die mij aantrekken met een roep die steeds luider klinkt maar die ik niet altijd begrijp, zoals planten en andere wortelende dingen, wolken, dieren, versteend hout, botten, de fascinerende dynamiek tussen leven en dood, groei en verval?



Er waren veel vragen. Er waren geen antwoorden. Die zijn er op het moment dat ik dit schrijf nog altijd niet, maar dat is prima.
Ergens in de afgelopen maanden las iemand mij dit citaat van Rainer Maria Rilke voor (in het Engels, maar ik vind Rilke om eerlijk te zijn fantastisch in het Engels):

“Be patient toward all that is unsolved in your heart and try to love the questions themselves, like locked rooms and like books that are now written in a very foreign tongue. Do not now seek the answers, which cannot be given you because you would not be able to live them. And the point is, to live everything. Live the questions now. Perhaps you will then gradually, without noticing it, live along some distant day into the answer.”

(c) Inaya photography



Stilstaan bij de vragen en ze doorvoelen tot op de bodem, dat was het geschenk dat de Diepe Stroom mij bracht, gedurende heel deze lockdown. Ik heb ondervonden dat er op dat lange, vormeloze moment innerlijk veel meer gebeurt dan je zou denken, ook al doe je niets concreets. De krachten die je naar boven laat komen, gaan vanzelf met jou aan het werk, je moet ze alleen toelaten.

Intussen beginnen de dingen in de wereld stilaan weer wat te bewegen, en dat voelt als een adempauze en actieve teug frisse lucht tegelijk. Ik kom boven uit het diepe water, uit de stilte en de duisternis, en ik haal adem in lichtere tijden. Er zijn concrete projecten die weer wat aandacht en energie vragen, er waren tot heel recent lessen te geven, er fietsten een paar onverwachte en heel fijne engagementen tussen dat alles door. Het mocht allemaal. Ik heb het omarmd en dan weer losgelaten, als het ochtendlicht dat alles in de kamer in vuur en vlam zet voor een paar tijdloze ogenblikken en vervolgens weer opschuift en verdwijnt.

(c) Inaya photography



Ik heb geen idee wat de toekomst brengt. Ik heb nog altijd geen antwoord op mijn vragen. Maar ik heb ze ook niet nodig. Ik zet gewoon een stap, en dan nog een, en ik voel de Diepe Stroom die mij draagt en die door mij heen trekt. Hij weet waar ik heen ga, ik hoef niets te sturen.
En op een dag merk ik vanzelf wel dat de vragen opgelost zijn en ik hun antwoorden leef.

Groeien – naar binnen toe

(c) Inaya Photography



De afgelopen weken zat ik met een vreemd gevoel.
Ik wilde niet naar buiten. De lente kwam te vroeg, daar had ik het al over, maar er was meer aan de hand. Het voelde een beetje alsof ik kluizenaar wilden worden. Liefst zo weinig mogelijk mensen wilde ik zien, zo weinig mogelijk gedoe aan mijn hoofd hebben.

Dat was een ongewone ontwikkeling op het moment dat de lente op uitbreken stond en traditioneel overal in het land kinderboeken en hun makers naar buiten komen om zoveel mogelijk (jong) publiek te bereiken. Ik beken: ik stelde me plots vragen, bij alles inclusief mezelf.

Intussen is de wereld helemaal in overeenstemming gekomen met mijn bizarre gevoel van naar binnen keren. Veel mensen hebben het er moeilijk mee en het vraagt van bijna iedereen een enorme aanpassing. Juist voor het duidelijk werd dat de crisis rond Covid-19 ernst was en dat er maatregelen zouden komen, had ik vrede gevonden met mijn situatie.
Daarom wil ik hier nu delen wat ik een paar weken terug aangereikt kreeg.

Ik heb geleerd om te luisteren naar wat zich innerlijk aandient, ook als dat een bevreemdend gevoel is. Daarom ging ik er niet tegen in verzet, ik onderzocht het. En ik liet de antwoorden spontaan opkomen, van een diepe (of hoge) plek in mezelf.

Dit is wat ik leerde.

We zijn gewend om groei en ontplooiing, van welke soort dan ook, te associëren met een dynamiek naar buiten toe, een expansie. We willen meer doen, meer zijn, meer mensen bereiken, meer begrijpen, meer inzichten delen, meer verwezenlijken. We associëren groei met het innemen van meer terrein. Maar dat is in feite een misvatting.

Groei kan net zo goed naar binnen toe. Dan wordt het een vorm van verdieping, een brede resonantie die, als ze de kans krijgt, in alle subtiliteit zelfs veel verder reikt dan de luidruchtige en ogenschijnlijk actievere uitwaartse beweging.

(c) Inaya Photography


Net zoals bij eb het water zich terugtrekt en precies daardoor het strand veel groter en uitgestrekter wordt, is een beweging naar binnen toe een uitnodiging om een aspect van onszelf aan het licht te laten komen dat gewoonlijk schuilgaat onder de deining van de dagelijkse drukte en hectiek.

Als we onszelf niet meer (kunnen) afleiden, verdoven of bezighouden met de dynamiek van het water, worden we bijna gedwongen om te kijken naar het strand. Op het eerste zicht lijkt dat misschien leeg, een verlaten vlakte met eindeloze verveling als horizon. Dat kan beangstigen, maar het kan ook een enorm bevrijdend zijn. Veel mensen gaan niet per toeval uitwaaien aan zee en maken dan hun standwandelingen het liefst bij eb. De wind, de ruimte, het gevoel dat de vereisten van de wereld even losgelaten kunnen worden, het is er allemaal.

Hoe tegenstrijdig het ook kan klinken in deze tijden, maar precies dat gevoel is ook nu binnen handbereik. Zó groot kan onze innerlijke ruimte zijn, zelfs in een klein appartement in de stad.
Want kijk, het water trekt zich terug. Activiteiten worden geschrapt, onze bewegingsvrijheid wordt drastisch beperkt. We worden zowat verplicht – door deze hele toestand, maar ik noem het liever door het Leven Zelf – om naar binnen te keren.

Ik maak me geen illusies: er zullen nog kwade dagen komen. Medisch, sociaal, emotioneel, voor heel veel mensen persoonlijk en voor ons allen als samenleving. We zullen tegen conflicten met huisgenoten aanlopen, tegen eenzaamheid, tegen allerlei vormen van confrontatie met onszelf. We zullen ziek worden en mensen verliezen of dierbaren kennen die dat doen. We zullen als samenleving daveren op onze sociale en economische grondvesten. Maar als er één ding is wat Covid-19 ons nu al, na een paar luttele weken, scherper duidelijk heeft gemaakt dan wat ooit tevoren, dan is het dat alles met alles verbonden is, en wij allemaal met elkaar. Het is een wake-up call van formaat, en steeds meer mensen hebben ze begrepen.
Laten we vanuit die hervonden kwetsbaarheid en verbondenheid ook de inzichten verwelkomen van de weken die nog zullen volgen.

Want het water trekt zich terug. De golfslag van het gewone dagelijkse leven valt stil.
Nu kunnen we kiezen. Gaan we die ontruiming te lijf met zoveel mogelijk trucs en technieken om onszelf bezig te houden en de stem van ons innerlijk te overschreeuwen terwijl we de muren stilaan op ons zien afkomen?

Of staan we toe dat het strand bloot komt te liggen?

(c) Inaya photography

De dood wint altijd – net als het leven

Er is een bekende acteur overleden, een grote meneer, die ooit in een iconische scène als ridder een potje schaakte met de dood. ‘De dood heeft gewonnen’, zei iemand op Facebook. ‘De dood wint altijd’, antwoordde iemand anders.

Het trof me als een opmerking met oogkleppen, want de laatste tijd zie ik dat niet meer zo.

Marigold Tarot – VIII Strength


Ik weet het, we houden er niet van om te denken aan ons lichaam als iets wat vervalt en zal vergaan, om verbrand of verteerd te worden. Het confronteert ons te hard met het feit dat we geen antwoord hebben op de vraag waar onze persoonlijkheid (of onze ziel, kies wat voor jou past) dan heen gaat. Een hiernamaals, een wedergeboorte, het grote niets? We weten het niet en we zijn er bijgevolg bang voor.

Het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen, is dat energie in dit universum (en alle materie, dus ook wij, ons lichaam en onze gedachtenvormen, zijn een vorm van energie) nooit verloren gaat, en dat alles op een of andere manier hergebruikt zal worden.
Dat is niet eens ‘zweverig’, dat is fysica. Of biologie.

Zeggen dat de dood altijd overwint, is dus een typisch menselijke uitspraak, gebaseerd op angst, zonder kennis van zaken. Het is zoiets als zeggen dat de maan het altijd wint van de zon. Of eb van vloed. Of de uitademing van de inademing. Beide zijn fases in een veel groter en complexer proces, momentopnames die elk hun recht en hun tijd hebben. Ja, natuurlijk trekt eb het water altijd terug naar zee. Net zoals vloed het altijd weer terug aan land spoelt. Het is geen gevecht, het is een dans, een evenwicht.

Marigold Tarot – XVII The Star


Alles in de kosmos bouwt zichzelf op een of andere manier op, dient een doel, kent een bepaalde tijd in die vorm, en vervalt vervolgens weer. De bouwstenen worden tot de allerlaatste en allerkleinste gebruikt voor iets anders.

Groei om de groei is de filosofie van de kankercel. Levensvormen moéten vervallen en verdwijnen om het grotere geheel, waarvan we allemaal deel uitmaken, gezond te houden. Het klinkt als moderne ketterij in deze hypergemediatiseerde tijden van antibacteriële zeep, steriele hospitalen en paniek om een nijdig virus, maar de dood is geen vijand waartegen we altijd en overal, uit principe, moeten vechten.

Het leven kan zichzelf pas in stand houden als het ook mag sterven. Dat de mens daar op een of andere manier buiten of boven zou staan, is de gevaarlijkste en schadelijkste illusie die onze prefrontale cortex ons ooit heeft voorgespiegeld (en de rechtstreekse oorzaak van het ecologische drama waar we recht op afstevenen, want waar zijn wij anders mee bezig dan groei om de groei?).

Marigold Tarot – Four of Wands


Al het bovenstaande wil niet zeggen dat ik onderschat wat de dood in ons persoonlijk leven met ons doet. We zijn sociale, voelende wezens, we zien elkaar graag en hebben nood aan verbondenheid.

Als iemand sterft, missen we zijn aanwezigheid, haar stem, de knuffel, de grapjes, de ruzies zelfs, het gevoel dat we hadden met hem of haar in de buurt. Daar valt niets tegenin te brengen. En dat gemis kan heel diep gaan. Dat mag, dat is zelfs mooi. Want vaak groeien we ook, precies als we zo diep durven voelen. Pijn legt onze diepste, kwetsbaarste stukjes bloot, voor onszelf en voor de buitenwereld. Als iemand die we graag zien sterft, sterft een stukje van ons mee.
Maar in beide gevallen komt er precies daardoor ook ruimte voor iets anders om geboren te worden.

Marigold Tarot – I The Magician


Dus ja, geef mij dan de Magiër maar, de sjamaan met een ster in de ene hand en een granaatappel in de andere, verbonden met alles wat groeit en sterft in de kosmos, alles één grote belofte van leven en verval, van duisternis en licht. Want wat zijn de zaden van een dode vrucht anders dan kleine sterrenstelsels, klaar om geboren te worden in de donkere grond van een nieuw universum?

De dood wint altijd. Gelukkig maar. Zo hoort het ook. Net als het leven.



Noot over de afbeeldingen:

Ik ben al ruim twintig jaar bezig met de tarot. De laatste paar maanden verdiep ik me in de Marigold Tarot. Veel mensen schrikken er intuïtief van terug. Ze vinden de tekeningen luguber, vooral omwille van het consistent gebruik van beenderen in plaats van herkenbare figuren. Maar beenderen, leerde ik, zijn gewoon een diepere laag van het lichaam dan huid. Ze hebben niets met de dood te maken, wel alles met de kern, de onderliggende kracht, de structuren die ons dragen. De combinatie met de sterrenhemel, de botanische rijkdom en een aantal goed gekozen symbolen, maken deze kaarten van het beste en het sterkste waar ik al mee gewerkt heb. Wie oude clichés opzij durft zetten en open staat voor de zeer zintuiglijke manier waarop ze werken, wordt beloond met boodschappen van een grote subtiliteit en een diepe zachtheid. Laat dit een uitnodiging zijn, van dezelfde omvang als de sterrenhemel.

Een kleine meditatie voor de donkere dagen

Ik was het bijna vergeten, maar vandaag kwam het opeens in mijn gedachten.

“We denken vaak aan goed en kwaad – licht en duister – in termen van strijd, en we zien die strijd vaak verbeeld in de vorm dat het licht het duister overwint, voor eens en altijd. Dit is een misvatting.
De enige soort van overwinning die het licht ooit kan behalen, is om er te ZIJN. Hoe klein ook, hoe tijdelijk ook. Want anders was er alleen maar duister. Daar waar licht is, is op dat moment geen ruimte voor duister. Daarin schuilt de overwinning.”

Laat avondlicht tijdens storm (c) Inaya photography


Het is een citaat uit Meditations on the tarot, een omvangrijk en zeer indrukwekkend boekwerk van een anonieme auteur. (Die intussen al niet meer anoniem is, maar dat geeft niet. Zijn intenties waren zuiver. Het boek heeft een sterk mystiek-christelijke inslag die ik niet per se altijd volg, maar het is zonder meer een fantastisch boek. Je moet het maar doen, ruim 600 bladzijden vullen over de Grote Arcana alleen, 22 diepe filosofische meditaties over de menselijke aard en de relatie tot het goddelijke.)

Ik heb over het beeld in dit citaat misschien al geschreven op deze blog, maar als dat effectief zo is, vind ik het stuk niet meer terug. Mijn geheugen op dat vlak is een zeef, en zoekfuncties willen wel eens haperen. In elk geval: het moest opnieuw de wereld in, voelde ik.

Het bovenstaande is geen letterlijk citaat, zelfs geen vertaling (het boek was lang alleen maar te vinden in het Duits en het Engels). Maar het vat wel de kern van wat ik koester als een zeer krachtig en rijk inzicht.

Duister is misschien wel de basistoestand van het universum. En dat zal altijd zo blijven.
De enige soort van overwinning die het licht ooit kan behalen, is om er te ZIJN. Hoe klein ook, hoe tijdelijk ook. Daar waar licht is, is op dat moment geen ruimte voor duister.

Huid

(c) Inaya photography




jarenlang zocht ik het hoger
doorzocht de ijlere lagen
van zin en geest en leerde
gehoor te geven aan hun roep

nu duik ik onder
de oppervlakte, zwerf langs
de barsten van kalksteen, de lijnen
in de bodem, de wortels van de wereld

er is niets meer te verbergen
van het dier vanbinnen, de adem
van de ziel die weet dat elke muur
een val bouwt om in te sterven

ik heb niets beters te bieden
dan huid en buig in overgave
voor de wetten van datgene
wat altijd veel groter was dan wij

Normale mensen

“Volgens mij gebruik jij nog niet de helft van je fysieke krachten”, zegt mijn man.
Het is niet de eerste keer dat hij dit zegt.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Vroeger maakte die uitspraak me kwaad. Probeer het maar eens, dacht ik, om je lichamelijke uithoudingsvermogen op te bouwen als je de helft van je kindertijd in bed doorbrengt, koortsig en ziek van onnozelheden waar andere kinderen niks van weten, tussen de eindeloze verkoudheden en bronchitissen (een paar keer op het randje van longontsteking, vermoed ik zelfs) door ook nog eens snakkend naar adem door astmaopstoten.
Mijn symptomen waren nooit mild, mijn lichaam overreageerde altijd. Ziek zijn betekende voor mij altijd platgeslagen worden, niets meer of minder. Het maakte mij erg bewust van en voorzichtig met hoe ik mijn energie doseerde. Waar anderen – normale mensen, naar mijn gevoel – fluitend bergen gingen beklimmen, was ik al blij als ik eens niet ziek werd.

Zoiets was erg moeilijk duidelijk te maken aan iemand die qua fysieke robuustheid in mijn ogen zo’n beetje in de buurt kwam van Iron Man: gewend 24-shifts te draaien in het ziekenhuis, in staat tot stevige sportprestaties, zelden ziek (en als dat al eens voorkomt met zulke milde symptomen dat je er amper iets aan zag en hij in elk geval gewoon dóór kon blijven gaan met wat er moest gebeuren). Voor hem was dát normaal, voor mij voelde dat als een bijna bovenmenselijke en in elk geval ongekende luxe.

Mijn man was wel de eerste om grif toe te geven dat ik de atleet van ons twee was op een ander gebied dat ik (misschien zelfs wel dankzij die eindeloze weken ziek in bed liggen) heel sterk had ontwikkeld: mentaal en emotioneel ben ik een langeafstandsloper. Mijn hoofd is het laatste wat ermee stopt. Ik kan moeiteloos lange, glasheldere filosofische discussies hebben terwijl mijn lichaam zo ziek is dat het nauwelijks uit de zetel kan komen.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Naarmate ik ouder werd, had ik betere periodes, maar net zo goed slechte. Klierkoorts, om maar iets te zeggen, ironisch genoeg juist nadat wij een stel werden. Ik was elk schooljaar minstens drie weken out omdat een banale verkoudheid bij mij altijd gepaard ging met de complicaties.
Later ook, toen ik door een diep dal ging in een combinatie van burn-out, depressie en totale post-partumuitputting met een kind dat het eerste jaar constant ziek was en ons makkelijk tien keer per nacht uit bed haalde. Elk onnozel virus raapte ik op, en het kluisterde mij telkens een week in bed of aan huis. Ik kreeg een échte longontsteking. Keer op keer moest mijn man zowat het hele huishouden overnemen omdat ik al mijn energie nodig had om te genezen en aan te sterken. Ik werd er moedeloos van. Kon ik dan niks?

Hij stelde een behandeling voor zoals hij ze met zijn robuust lijf zou willen: stevige medicatie om een aantal symptomen onder controle te krijgen en sportieve duurtraining, om mijn fysiek energieniveau op te krikken. Hij bedoelde het goed en voor hem zou dat vast werken, maar mij streek het heel erg tegen mijn haren in, een beetje alsof je een Monet wilde restaureren met fauvistische technieken. Het moet zachter voor mij, wist ik, geleidelijker.
Ik deed het omgekeerde van wat hij in gedachten had: ik schroefde terug tot ik het gevoel had dat ik werkelijk op alles nee zei – mijn jaar van de schildpad, zoals ik dat later noemde. Traag, trager, net geen stilstand. Maar ik kreeg wel de tijd om te bekomen, en ik voelde hoe, heel geleidelijk, mijn grenzen weer wat breder werden, mijn immuunsysteem wat sterker.

En stilaan begon er iets te veranderen.
De afgelopen drie jaren waren zeer intens. Ik schreef meer dan ooit, lange tijd naast een job en een gezin, ik hield er allerlei nevenactiviteiten op na en flirtte regelmatig met slaaptekort.
En ik hield stand.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Als ik het vanop een afstandje bekijk, merk ik dat mijn toenemende energieniveau en mijn robuustere immuunsysteem gelijke tred houden met mijn geluksgevoel. Ik ben de laatste jaren gewoon veel gelukkiger – persoonlijk, professioneel, artistiek, spiritueel – dan vroeger. Ik heb op al die vlakken mijn plek gevonden en ik ervaar diepe zingeving.
Het fysieke effect daarvan lijkt nog het meest op dat van een stevige, makkelijk herlaadbare batterij. Ik respecteer nog altijd mijn grenzen, en dat doe ik heel bewust. Maar die grenzen zijn veel rekbaarder dan vroeger, en de laatste jaren presteer ik fysiek dingen die ik eerder niet voor mogelijk had gehouden.

Misschien had mijn man al die jaren geleden dus ook wel een beetje gelijk. En intussen gebruik ik echt wel meer dan de helft van mijn krachten, en ik voel dat ik, mocht het nodig zijn, nog dieper in mijn reserves kan gaan. Dat is een ongekende luxe voor het ziekelijke vogeltje dat ik ooit was.
Hij van zijn kant mag dan wel van uitstekende genetische stock zijn en een broer hebben die effectief Iron Man-triatleet is, zelf voelt hij zijn onuitputtelijke energie met de leeftijd wel wat afnemen. “Je wordt nog een normaal mens”, grap ik. Hij moet de laatste jaren ook al eens uitzieken en het rustiger aandoen. Zijn grenzen, ooit zowat onbestaande, tekenen zich wat scherper af.

Ik weet precies hoe dat voelt. En nu ben ik sterk genoeg om het werk even van hem over te nemen, als dat nodig is.
Ook dat is een luxe.

Hout of steen? (c) Inaya photography