De diepere stroming


Er was een tijd, in mijn tienerjaren en late puberteit, dat ik woorden vond tekortschieten om de omvang te vatten van wat ik voelde. Binnen in mij waren er oceanen van stroming die ontsnapten aan elke vorm van beschrijving. Ze waren niet noodzakelijk amoureus getint of zelfs maar stormachtig, ze waren voornamelijk diep. En hoezeer ik ook genoot van schrijven, woorden bleken onmachtig ze te capteren.
In die dagen keerde ik me naar de piano om een stem (of eerder: een klank) te geven aan al wat zich wel liet voelen maar niet liet uitspreken.

Ik heb de muziek nooit vaarwel gezegd, hoewel ik ideeën over een professionele muzikale carrière lang geleden al opborg. Woorden, verhalen, taal, ze zijn mijn roeping en mijn diepste liefde. En intussen ben ik een schrijver en redacteur die weet waar ze staat.

Maar de liefde voor diep waargenomen maar onbenoembare dingen heeft mij ook nooit verlaten. Vandaar mijn fascinatie voor beelden. Van de natuur, meer dan van wat ook.
Mijn relatie tot taal heeft zich in de loop van de jaren versterkt en verfijnd, zowel professioneel als persoonlijk. Maar een gevoel van spreidstand houdt daarmee gelijke tred. Ik begeef mij tegelijk steeds dieper in dat domein dat geen woorden nodig heeft en zelfs geen taal tolereert.


Wat mijn aandacht trekt, zijn wortels, verbindingen, stengels, takken, bladeren, stromen, stroming. Sterrenstelsels, deel van deze wereld of niet, die zich uitrekken en weer inkrimpen, telkens opnieuw. De gelijkenissen tussen alle levende vormen. De stroom die door alles, dood of levend, heen spoelt. De ademhaling van het universum.

Ik snap dat dat voor veel mensen erg ver afstaat van hun dagelijkse bezigheden, die kleine maar zo belangrijke vreugdes en verdrietjes van hun leven. En ik bedoel dat niet kleinerend. We bewonen allemaal een verhaal dat met ons resoneert, en zoals in elk gezond ecosysteem is er ruimte voor allen. Mijn persoonlijke perspectief blijkt gewoon nogal sjamanistisch te zijn, dat is alles. Ik voel mij het meest thuis aan de rand van de menselijke samenleving. Mijn loyaliteit ligt, vrees ik, niet bij de mens.

Het verhaal dat ik bewoon heeft meer te maken met atomen en sterrenstelsels dan met samenlevingen. Ik ben geen kluizenaar en koester een aantal mensen in mijn directe omgeving, maar een ander stuk van mij aanvaardt dat ieder van ons weinig meer is dan sterrenstof in een tijdelijke verschijning, op weg van de ene vorm van fysieke manifestatie naar een volgende. Het enige wat we zeker kunnen weten, is dat alles in de kosmos constant verandert maar dat niks ooit verloren gaat.

Zoiets is dus navigeren in een ingewikkelde matrix van materie en energie waarin de contouren van het menselijk leven weinig meer zijn dan een laagje vernis. Die contouren zijn wel handig om te functioneren binnen de wetten van maatschappij en zwaartekracht, maar vanuit het groter perspectief bekeken zijn ze op geen enkele manier essentieel.


De reis die ik onderneem, is verre van voltooid. Ik hoop dat de woorden mijn bondgenoten zullen blijven op dit pad dat ik aanvoel als het mijne. Om nu en dan iets over mijn avonturen en inzichten te kunnen vertellen, als dat wenselijk is. Maar ik zal ze niet forceren. Ik hoop dat ook beelden en wie weet zelfs muziek eveneens mijn bondgenoten zullen blijven, om een gezicht of een stem te geven aan datgene wat ik niet langer kan beschrijven.

En als er uiteindelijk toch alleen maar stilte wil overblijven, de centrale as van een leven dat resoneert met schoonheid en verbondenheid, wie ben ik dan om te klagen?

De diepere stromingen hebben immers hun eigen manieren om verhalen te weven.

(c) Inaya photography, alle foto’s genomen in Plantentuin Meise en op de tentoonstelling met werk van Antony Gormley in de Royal Academy of Arts, Londen
Advertenties

Een kwestie van perspectief #2

Het universum omhelzen

(c) Inaya photography

Als luchtbellen in donker water, aangedreven door een onzichtbare kracht, wentelen werelden om elkaar heen in wat wij het heelal noemen. Dat heelal deint uit. Of het een uiterste punt heeft, weten we niet. Mogelijk krimpt het op een dag weer in, en zuigt het alle wervelende materie, van meteoriet tot supernova, van sterrenstof tot zwart gat, weer naar zich toe, om steeds dichter en hechter samen te drukken en samen te smelten. Het is niet eens onrealistisch om te veronderstellen dat de Big Bang zichzelf om de zoveel miljoenen eeuwen herhaalt.

Ik heb bij dit denkbeeld altijd aan een ademhaling moeten denken.
Alles, werkelijk alles in de levende wereld, van het allerkleinste tot het onmetelijk grootste, werkt volgens dezelfde wetten: fractale expansie en implosie, groeien en krimpen, verbranden en transformeren, ontvouwen en terugplooien. Het is van een onwaarschijnlijke en vooral een waanzinnig simpele schoonheid.

In die enorme zwarte uitdijende oceaan vol luchtbellen is er eentje die wij intiem kennen omdat we erop leven: een ademende groene planeet, bevolkt met ontelbaar veel organismen. Een van die organismen is het menselijk ras. En van die miljarden mensen, zijn jij en ik een uniek, minuscuul, exemplaar.

(c) Inaya photography

Hoe langer je erover nadenkt, hoe onbevattelijker het wordt. Of hoe tastbaarder, misschien. Maar meer dan ooit verankert het ons, kleine mens, als weinig meer dan onbenullig sprankeltje stof in een onmetelijk universum.

Ik vind dat een prachtig idee, ik voel hoe diep het in mij resoneert. Want hoe minuscuul ook, wij zijn gemaakt van dezelfde stof als de sterren en alles om ons heen in dat enorme, ademende heelal. Dat is een fysiek feit, maar het voelt ook spiritueel, bijna religieus.

De katholieke liturgie stelt dat de mens God niet kan kennen omdat hij fundamenteel anders zou zijn dan wij. Ik heb me altijd tegen dat idee verzet, zelfs als kind, zelfs nog voor ik precies begreep wat er bedoeld werd of hoe het christendom ontstond als spirituele maar vooral politieke stroming. Het klopte niet voor mij, het voelde anders. Ik had altijd de diepe overtuiging dat er een diepe verbinding liep tussen ons en de schepper van het universum, dat wij een deel van hem/haar/het waren en dat er helemaal geen scheiding bestond.

De fysica lijkt me gelijk te geven. En de bron van alle leven hoeft voor mij geen menselijk gezicht te hebben, integendeel. Ik weet mij veel makkelijker verbonden met een alles doordringend energieveld dan met een of ander superbrein. Menselijke verhalen zijn per definitie veel te klein bemeten om de immense rijkdom van het bestaan te vatten. Wat ons en alles in het universum verbindt, is dezelfde levenskracht als waar varens zichzelf uit optrekken, waar bomen uit groeien, embryo’s hun cellen uit delen en planeten hun momentum in vinden om te wentelen.

Rest ons nog een laatste, praktische kwestie, bijna als een voetnoot: wat met de betekenis van ons eigen leven? Dat oplichtende speldenprikje, een vuurvliegje onder de Melkweg dat één keer oplicht en vervolgens verdwijnt?
Het is alles wat we hebben, en voor ons is het, begrijpelijk, van het allergrootste belang. Maar met al het bovenstaande in gedachten wacht ons zacht gezegd een oefening in bescheidenheid.

Bescheidenheid hoeft natuurlijk nog geen zinloosheid te zijn. We mogen dan onooglijk klein zijn in het perspectief van het universum dat zich uitstrekt voorbij elk mogelijk referentiepunt, dit leven, hier en nu, is waar we liefst iets van willen maken. En tijd is relatief, dat is een van de inzichten die Einstein ons gaf. We meten ze af aan onze eigen referentiepunten, zo zitten we in elkaar. En zelfs de eendagsvlieg leeft een volwaardig bestaan in minder dan een etmaal.

(c) Inaya photography

Waar dit spoor eindigt – in de oneindige leegte tussen de sterren misschien, tussen de diepste wortels van een mammoetboom, of in het kleinste alledaagse gebaar naar iemand die ik liefheb – is mij niet duidelijk. En het is ook niet belangrijk. Want alles, hoe je het ook draait of keert, is op het diepste niveau opgetrokken uit gemeenschappelijke resonantie, uit dezelfde energie – al dan niet waarneembaar voor onze dierbare, maar zeer grove menselijke zintuigen. We mogen het God noemen, of fysica. Of het heelal dat langzaam ademt en ons meeneemt op zijn stroom.

Daar kan ik wel mee leven, geloof ik.

Verblindend, maar helder

(c) Inaya photography


Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.

Dat niet-weten heeft iets bijzonders, zo’n beetje als lentelicht: helder en verblindend. Ik voel de warmte en de onrust die er vanaf straalt even fel. Ik ben pril, zegt het, ik ben nog maar pas begonnen. Maar ik ben sterk, voel je hoe sterk ik ben, en hoe ongeduldig.

Er doorheen proberen te kijken, is onbegonnen werk. Ik heb er maar op te vertrouwen dat de bron van waaruit het schijnt de essentiële dingen zal verlichten op het juiste moment, terwijl het andere juist aan het zicht onttrekt.

Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.
Ik voel de roep van het Grotere. Ik voel hoe mijn ziel antwoordt.

Dit is de plek om de onzekerheid te omhelzen, en mijn hele leven te laten bestaan in het huidige moment. Het is een fijne plek.
Verblindend, maar helder.

(c) Inaya photography

Het ogenblik dat ik ben

(c) Inaya photography


waar ik heenga – geen idee
zelfs van een pad geen spoor
ik vlieg blind

de enige frequentie die telt
is die waarop ik hier en nu
teken van leven ontvang

vertrouw ik op de schemering
en haar regenboogsluier
van stervend licht

omhels de oneffenheid
even innig
als de schoonheid

kijk zwijgend
hoe het blad eerst
zwelt dan verwelkt

en laat het opgaan
in het ogenblik
dat ik ben

(c) Inaya photography


Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography

De naam van de oude wijze vrouw

(c) Inaya photography

Bij je geboorte krijg je een naam van je ouders. Met wat geluk is het een naam die je zelf ook mooi vindt en graag gebruikt. Maar soms heb je nood aan nóg een naam.

Ik ben boeken aan het herlezen waaraan ik ooit veel plezier gehad heb, werk dat te maken heeft met persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ik merk: ze zijn nog altijd goed. Ik merk ook: ik ben op een paar jaar tijd een heel eind opgeschoten. Wat ooit baanbrekend was en diep voedend, is nu vooral thuiskomen in iets wat ik beheers.

Soms vraagt een bijzonder interessante oefening erom om te worden herdaan. Je maakt immers nooit twee keer precies dezelfde reis.
Ik ben dus een oude vrouw gaan opzoeken. De vorige keer toen ik haar bezocht, was ze nog een stuk jonger. Ze zag er heel anders uit. Ze woonde op een andere plaats. Maar in wezen is ze nog steeds dezelfde.
Ze vertelde mij wat ik moest horen, en ik zal in de toekomst nog heel vaak bij haar op bezoek gaan. Ze zei mij ook haar naam.

(c) Inaya photography

De onverwacht vroege komst van de lente dit jaar houdt gelijke tred met mijn ontluikende gevoel van mogelijkheden. Ik heb een grote knoop doorgehakt, er liggen nieuwe horizonten open. Er zijn nog wat dingen af te ronden, in schoonheid. Er zijn nieuwe draden om op te pikken.
Alles is welkom, want vanaf nu is alles een avontuur.

Ik proef de naam van de oude, wijze vrouw op mijn tong. De klanken zingen, zachtjes.

(c) Inaya photography

Zweverig

De waarde van leven in ijlere lucht

(c) KV

Ik ben vaak bezig met dingen die onder de noemer ‘zweverig’ vallen. Of die mensen zweverig vinden.
Zelden bedoelen ze dat als een compliment.

Als je management, wetenschap, economie of informatica wil gaan studeren, vindt de publieke opinie dat vandaag fantastisch. Dat zijn opleidingen die bezig zijn met de echte wereld. Geneeskunde, liefst van de soort die peperdure onderzoeken en spitstechnologie met zich meebrengt, is ook oké.
Voor ecologie en groene technologie willen we best wat begrip opbrengen, dezer dagen. Met de hele warmtehuishouding van de planeet die dreigt te ontsporen en ons misschien als gevolg daarvan wel uitroeit, en zo. Dat kan nog net.
Zorg, opvoeding, kunst en alles wat tot de zachte sector behoort, wordt vooral bekeken als iets wat geld kost, en niets opbrengt (lees: niets financieels). Wie daarin goed gedijt, heeft op te boksen tegen het gefrons van de marketingjongens en de informaticabonzen.

Maar begin niet over spiritualiteit, zingeving, de diepe verbondenheid met al wat leeft of de meer-dan-menselijke wereld. Zwijg over intuïtie, resonantie, energievelden, meditatie en dieper weten. Dan word je stante pede weggezet als een dromer, een fantast met het hoofd in de wolken… Zweverig, dus.

(c) KV

Voor een stuk begrijp ik het wel. Een groot deel van mijn core-business bevindt zich helemaal bovenaan de behoeftepiramide van Maslow. Daar kom je pas aan toe als al de rest vervuld is.
Eerst moeten we de zogenaamde deficiëntiebehoeften vervuld hebben (anders hebben we een tekort aan levensnoodzakelijke basiselementen). Dan pas komen we toe aan aandacht voor de groeibehoeften. En het klopt natuurlijk: wie keihard moet knokken voor een dak boven zijn hoofd of eten op zijn bord, wie op de vlucht is voor oorlog of probeert te overleven in een gezin waar geweld en onveiligheid de norm zijn, die heeft weinig energie over om zich bezig te houden met diepere zelfverwezenlijking.

Behoeftepiramide van Maslow – bron

Maar een enorme meerderheid van ons in het welvarende Westen is de stippellijn op het diagram hierboven ruimschoots voorbij. En het moet gezegd: velen van ons vinden de twee eerste balkjes van de groeibehoeften ook absoluut de moeite waard. Wetenschap en kunst, intellectuele ontwikkeling en schoonheid, psychologie, pedagogiek en hartelijke gezelligheid zijn daar te vinden.

Maar wat met die laatste, hoogste twee balkjes, de top van de piramide? Daar is lucht veel ijler. Dat is waar zich het zweverige deel van het bestaan afspeelt. En dat is een fantastische plek.

(c) KV

Ik weet dat het woord ‘hoogste’ meteen een waarde-oordeel lijkt in te houden, maar het is een puur geografische vaststelling. Het zou trouwens dwaas zijn om te beweren dat de hogere niveaus op een of andere manier ‘beter’ zouden zijn dan de lagere. Zonder die lagere wáren ze er gewoon niet. Geen enkele piramide kan een top hebben zonder stevige basis. Anders heb je niet meer dan een gammele constructie met een bordje ‘instortingsgevaar’ ervoor.

Wat wél zo is, is dat de lucht hogerop dunner is. Wat je van daaruit ziet, geeft je een enorm overzicht over de dingen, en neigt naar het abstracte en het universele. Je hebt er niets aan in termen van huizen bouwen, kinderen opvoeden of een plaats in de wereld veroveren. Het toont je daarentegen hoe nietig je wel bent, en hoe groot en machtig de kosmos is waarvan je deel uitmaakt. Je voelt je dichter bij ‘God’ (het universum, het transcendente) en verder van de menselijke wereld dan ooit. Tegelijk ben je sterker verbonden met alles en iedereen. Precies zoals op de hoogste bergtop.

De top van de piramide is smal, om meer dan één reden. Je moet niet alleen verlangen naar de hoogte, maar ook een getrainde klimmer zijn, én bestand tegen hoogteziekte, om daar te gedijen. Er zijn er niet zoveel die dat lukt.
Maar de top is nooit exclusief terrein. Iedereen met genoeg wilskracht en doorzettingsvermogen kan er geraken. Het betaamt de klimmer dus niet om misprijzend neer te kijken op al datgene wat hem, lager gelegen, ondersteunt.
Omgekeerd getuigt het van bijzonder veel onwetendheid als wie zich met de basis bezighoudt, beweert dat de inzichten die van de top komen niet bestaan, wegens ‘te zweverig’.

(c) KV

Er zijn heel veel terreinen van het dagelijks leven waarop het woord ‘zweverig’ wordt losgelaten. Deze blog is niet de plek om het debat te openen over welke vormen van spirituele of alternatieve praktijken al dan niet écht werken of waardevol zijn. Ik ben de eerste om te waarschuwen tegen charlatans of machtswellustelingen (je moet er een paar tegenkomen om te beseffen hoe gevaarlijk ze zijn), maar dat wil niet zeggen dat de bergtop en alles wat erbij hoort niet bestaan.

Trouwens, op elk niveau van het leven blijft het mensenwerk, en dat wil zeggen dat er fouten gemaakt worden. We kennen allemaal wel een gediplomeerde arts, marketeer of boekhouder die er op zeker moment een potje van maakte. Met je twee voeten op de grond staan, staat niet gelijk aan altijd goed bezig zijn.

Wat een foute uitdrukking, trouwens: met je twee voeten op de grond staan. Alsof je moet kiezen: met de ‘lagere’ niveaus dan wel de ‘hogere’ bezig zijn. Het is een valse keuze. Ik hou van de piramide van Maslow omdat ze duidelijk maakt dat je, in een evenwichtige en diepe ontwikkeling tot volwaardig mens, juist niet zonder die grondbasis kunt. Hoge bomen die slecht geworteld zijn, leven niet lang: ze waaien om. Een solide vorm van verankering is absoluut noodzakelijk. Maar het hoeft daar – het mág daar, wat mij betreft – niet bij blijven.

Niet iedereen hoeft zich geroepen te voelen om de berg tot op het hoogste punt te beklimmen. Ieder van ons heeft zijn talenten en zijn sterktes. Hoogtewerker zit niet in ieders takenpakket. Maar dat mag geen excuus zijn om laag te mikken en al te snel tevreden te zijn.
Mijn ervaring leert me dat de invloed van de hogere lagen zich, eens verworven, wel laat voelen op de diepere niveaus. Hoe hoger je gaat, hoe meer de inzichten en ervaringen die je daar verwerft je invulling van de niveaus eronder bijkleuren en verrijken.
En dat is waar het ‘zweverige’ dus een voor velen onverwachte bijdrage kan leveren.

(c) KV

Voor de duidelijkheid, ik bedoel niet: traditionele godsdienst.

Als ik verhalen lees die een sterk Vlaanderen-onder-de-kerktorengehalte hebben, word ik altijd lichtjes ongemakkelijk. Omdat er zoveel ontwikkeling gesmoord werd in die wereld, en zoveel mensen diep ongelukkig geleefd hebben, vaak onder het juk van de katholieke moraalridders of op zijn minst stevig door hen bezwaard. Een terugkeer naar ‘vreest God en weest vroom, o zondaar’ is dus het laatste wat ik hier nastreef. Dat is ook niet waar de top van de Maslow-piramide om draait; de toegang tot het transcendente komt pas in zicht ná de fase van zelfverwezenlijking. En als er nu iets was waar de katholieke kerk een funeste rol in heeft gespeeld in de afgelopen eeuwen, dan was het wel dat laatste. Zwijgen en luisteren naar meneer pastoor, levend onder het juk van een constant gevoel van schuld en zonde, kunnen nauwelijks zelfverwezenlijking genoemd worden.

Wat wél zo is: wie toegang heeft tot de hogere, ijlere lagen, beleeft de wereld als een rijker canvas. In de wetenschap passen we die kennis al eeuwen toe. Eén banaal voorbeeld: ons gehoor is niet in staat om ultrasone of infrasone geluidsgolven op te pikken. Maar ze bestaan, dat hebben we intussen kunnen vaststellen met technieken die niets te maken hebben met onze eigen basale zintuigen. En we gebruiken ze in allerhande toepassingen, van medische technologie tot weersvoorspellingen.

Wie de geschiedenis van de fysica leest (zoals beschreven door de meesterlijke Carlo Rovelli, bijvoorbeeld), leert al snel dat de mens met zijn zintuigen in de verste verte niet in staat is om de werkelijkheid te kennen zoals ze echt is. Het universum zit oneindig veel complexer, subtieler, grilliger en mooier in elkaar dan wij vanuit onze beperkte waarneming ook maar kunnen vermoeden.
Wetenschap en spiritualiteit liggen volgens mij dan ook veel dichter bij elkaar dan we nu doorgaans aannemen. Het is een van de redenen waarom ik gefascineerd ben door dingen als quantumfysica en fractale geometrie. Iets wat ik ten diepste aanvoel als spiritueel raakt daar aan wat we met de huidige wetenschappelijke en wiskundige technieken kunnen meten, vaststellen en creëren. Er is een snijvlak tussen wat voelt als het transcendente, en wat kan worden gemeten en berekend door de masterminds van de quantumfysica. Dat wil niet zeggen dat alle spiritualiteit wiskunde is. Het betekent gewoon dat ons buikgevoel van verbondenheid het wel eens verbazend goed eens zou kunnen zijn met de meest ingewikkelde wiskundige berekeningen in de toplaboratoria van de wetenschappelijke wereld.

Voor de rest is het wachten op een nog beter model, een nog beter verhaal, om de wereld te beschrijven.

“We moeten af van dat woord ‘zweverig’,” zei ik onlangs tegen een dierbare vriendin. “Het is te veel een scheldwoord.”

Haar antwoord verraste me.
“Nee. Het is een lief woord. Iedereen wil wel eens zweven, toch? Ik in ieder geval wel.”

Dat was het moment waarop ik het zag: de boom, met zijn wortels diep in de grond en zijn pluizigste zaad hoog in de lucht, meegevoerd door de wind. De piramide van Maslow, met zijn krachtige basislagen en zijn steeds ijlere hogere niveaus.

We zijn het allemaal. Diep verankerd én ijl en zweverig. Krachtig materieel en diep spiritueel. We moeten alleen de mogelijkheid krijgen, van de wereld of van onszelf, om het ene na het andere niveau te ontplooien, en de piramide in onszelf te laten ontluiken.

Ik kan alvast verzekeren: het uitzicht hoger op de berghelling is adembenemend.

(c) KV


De schemering verlaten

IMG_2815 (2) klein
(c) KV

Er is iets verschoven. Alsof de lucht gekeerd is, alsof er een deur is opengegaan die van het voorportaal leidt naar een veel ruimere kamer daarachter. Ik aarzel op de drempel maar ik blijf nauwelijks dralen, want ik weet dat ik geen andere keuze heb dan binnen te gaan. Ik ben dat in feite nu al aan het doen.

Ik ben bang. Niet verlamd door een of andere levensbedreigende angst, want deze reis is niet gevaarlijk. Integendeel, alle tekenen vertellen me dat ik me mag opmaken voor de tocht van mijn leven, en de pret begint hier en nu. Maar toch ben ik bang.

De auteursresidentie in Zweden, waar ik al maanden naar uitkijk, is eindelijk aangebroken. Voorlopig heeft het allemaal nog iets surreëels. Een beetje alsof je eindelijk voor een wereldberoemd monument staat en probeert de ware omvang ervan te verzoenen met zowel de postzegelgrote plaatjes uit de brochure als de torenhoge verwachtingen in je eigen hoofd.

De grens naar Zweden oversteken (via de befaamde ‘Bron’ brug die Kopenhagen verbindt met Malmö), lijkt ook symbool te staan voor onbekend terrein betreden. Mijn reizen in de buitenwereld lopen nogal eens parallel met de wegen van innerlijke evolutie die ik bewandel, en gaan die doorgaans vergemakkelijken of versterken. Maar in dit geval voelt de fysieke reis als een miniatuurversie van een veel bredere, diepere, innerlijke verschuiving.

IMG_2786 (2) klein
(c) KV

In de aanloop naar de residentie in Björköby kreeg ik het gevoel dat er een niet te negeren stroming mij aanzoog. De lancering van STROOM zat er voor iets tussen natuurlijk, omdat we toen naar buiten kwamen met zowel het boek als de Zaailing-samenwerking, stralend en ongegeneerd. En het feit dat er voor najaar 2019 een jeugdboek (11+) van ons tweeën in de maak is (het contract met de uitgeverij wordt op dit eigenste moment opgemaakt), zorgt voor nog meer beweging. Een groot deel van de residentie zal trouwens in het teken van dat boek staan. Dit alles zorgt voor duidelijke toekomstperspectieven, en het bijhorende momentum. Dat is een welkome verandering na jaren van steeds maar werken aan hetzelfde manuscript, dat na maanden van nagelbijtend afwachten dan weer eens geweigerd werd door een uitgeverij, en andermaal op mijn bureau belandde voor een nieuw rondje herschrijven. Maar hoe welkom en motiverend deze projecten en de daarbij horende veranderingen ook zijn, ze zijn niet de bron van de stroming die ik aan me voel trekken. Integendeel, ze lijken weinig meer dan kleine manifestaties ervan, voorbeeldjes van iets veel, veel groters en krachtigers dat een heel eind dieper stroomt, en dat zich nu en dan even kenbaar maakt aan de oppervlakte.

Het zijn de omvang en de kracht van de stroming die me beangstigen. Een beetje toch. Want zowel het tempo als de reikwijdte van hoe ik tot nu toe gewerkt en geleefd heb, staan op het punt te veranderen. Ten goede, zoveel is wel duidelijk. Maar ook definitief. En hoe dat echt zal voelen, is nog een vraagteken.

Ik heb heel lang uitgekeken naar dit kantelpunt. In zekere zin werk ik er al heel mijn leven naartoe. Op zeker moment had ik me neergelegd bij het feit dat het nooit zou komen. Nu het toch aangebroken is, heb ik echter het gevoel dat ik veel moet achterlaten van wat ik kende en waarmee ik vertrouwd was. Dat klinkt nogal als mijn vorige ervaring op het plateau, maar het voelt helemaal anders. Ik krijg de duidelijke vraag om een oud verhaal af te sluiten en me te begeven in iets groters, gedurfders, en totaal onbekend.

Dit soort vraag leg je niet naast je neer. Ik stap over de drempel, en verlaat het schemerige voorportaal, dat ik zo vaak benauwend maar bij momenten ook veilig en vertrouwd vond. Achterom kijken heeft geen zin. Waar ik nu sta, is de enige weg die vooruit.

IMG_2858 (2) klein
(c) KV