Winterslaap

(c) Inaya photography


Daar lijkt het wel op, nietwaar?
Het is al een hele tijd geleden dat ik nog zó weinig schreef. Of toch op deze blog. Maar dat is gewoon hoe de dingen zijn. De oogst het ene jaar is ook de andere niet.

Deze winter trek ik mij bewust terug in mijn hol. Ik krul me op, houd winterslaap. Het is een compensatie voor al wat voorafging. Ik laat me drijven op een stroom die beter dan ik zelf weet waar ik heen moet.

Er zijn weinig woorden op dit moment, en weinig redenen om naar buiten te komen. En dat is prima.

Maar net als in elke andere slaap ben ik niet passief. Ik verwerk dingen van het afgelopen jaar. Ik heb dromen – fijne en andere, die zelfs veel weg hebben van nachtmerries. Ik aanvaard dat er in deze donkere, trage dagen gewoon minder gebeurt, dat ik minder zin heb in actie en dat ik dat ritme ook niet wil bestrijden, eerder bestendigen.

Ik volg de vogels in volle vlucht en ik droom van een luchtruim zonder einde, een plek van oneindige mogelijkheden. Wie weet wat voor blad er binnen een paar maanden uit de botten barst?

Er zijn momenten dat ik me nog eens wil omdraaien in bed en doen alsof de wereld me niet roept. Soms lukt dat, soms wat minder. Als de muizen de waterleiding van de vaatwasser doorknagen en de keuken herscheppen tot een zwembad, bijvoorbeeld.

Maar muizen kun je levend vangen en vervolgens uitzetten in het veld. En de rust keert terug.

Wie weet houd ik dat nog een tijdje vol.

(c) Inaya photography

Het geschenk

Ik wil bloot zijn
en beginnen
(Paul Van Ostaijen)


Het begon met een liedje.


We treffen elkaar op het plein – er staat wind, het is helder
Ik kom van overal en jij, jij moet nergens zijn
Reizigers rennen op weg naar hun trein
zelfs de wolken hebben hemelse haast
Ik voel hoe de hoop schuilt onder mijn jas
de wereld is twee mensen klein



Soul studies #1 (c) Inaya photography // art by Anthony Gormley



Nee, het begon natuurlijk al veel vroeger, voor er sprake was van welk liedje dan ook. Het begon met een vonk, een moment van vertrouwen, ogen dicht en springen, het onbekende tegemoet. Zo doet het leven dat soms: we krijgen maar heel even de tijd om te aarzelen. En als we niet springen op het moment dat de uitnodiging komt, is het moment onherroepelijk voorbij.

Soms heeft het te maken met professionele keuzes, soms met familiale beslissingen of heel persoonlijke intuïties. Het maakt niet uit: we horen de roep en we besluiten hem te volgen, of niet.

Ik sprong, die keer.
Ik besloot om te vertrouwen, ook al begreep ik niet waar dat vertrouwen vandaan kwam. Maar zoals altijd wanneer de ziel het voor het zeggen heeft, weet die het echt wel beter dan wij.


Mijn handen zochten een melodie
jouw stem was al jarenlang stil
Nu is er dat deuntje dat drijft op de wind…


Een van de grootste geschenken die we iemand anders kunnen geven, is de gave van ruimte: een plek om datgene wat de nood heeft om gehoord te worden te mogen uiten, een veilige plaats om dat wat diep persoonlijk is, doorvoeld en heel erg kwetsbaar, naar buiten te mogen brengen.

Want hoe sterk we ook geworden zijn, ieder van ons blijft kwetsbaar. We dragen wonden mee, diepe oude pijnen die we soms hebben leren bedekken of maskeren, maar die op gekke momenten de kop opsteken en denken dat ze ons, door ons leven te dirigeren, beschermen tegen erger.

Op een bepaald moment moet je ze durven uitspreken. Durven zeggen: dit is wat mij zeer doet, dit is waar ik moeite mee heb. Niet om de ander daarvan de schuld te geven, niet opdat die plotseling allerlei dingen zou gaan doen om jou daarvan te bevrijden – dat kan ook helemaal niet, het is en blijft jouw pijn, jouw wonde. De ander is dan misschien je spiegel, hij is jou nooit iets verplicht.

Maar zo naakt durven zijn, is een geschenk.

(c) Inaya photography // art by Anthony Gormley



Jezelf durven tonen, gezien worden, tot op de bodem van je kwetsbaarheid, dat is voorbij de angst gaan dat je zult worden afgewezen, voorbij de overtuiging dat je sterk moet zijn om geliefd te zijn.

Een ander de ruimte geven om zó kwetsbaar te zijn, is toegelaten worden tot iemands diepste intimiteit, weten en ervaren dat je hun vertrouwen waard bent. Want op dat moment zijn ze een weekdiertje in je handen – zonder schelp.

Waar je je ook bevindt in dit verhaal, koester die kwetsbaarheid.
Ze is zelden pijnloos, maar ze is het mooiste wat er is.



Ik haal mijn angst van onder mijn jas
Jij zegt: wees gewoon wie je bent
Want wie zich niet blootgeeft, die wordt niet herkend.



Soul studies #3 (c) Inaya photograhy // art by Anthony Gormley

Een kleine meditatie voor de donkere dagen

Ik was het bijna vergeten, maar vandaag kwam het opeens in mijn gedachten.

“We denken vaak aan goed en kwaad – licht en duister – in termen van strijd, en we zien die strijd vaak verbeeld in de vorm dat het licht het duister overwint, voor eens en altijd. Dit is een misvatting.
De enige soort van overwinning die het licht ooit kan behalen, is om er te ZIJN. Hoe klein ook, hoe tijdelijk ook. Want anders was er alleen maar duister. Daar waar licht is, is op dat moment geen ruimte voor duister. Daarin schuilt de overwinning.”

Laat avondlicht tijdens storm (c) Inaya photography


Het is een citaat uit Meditations on the tarot, een omvangrijk en zeer indrukwekkend boekwerk van een anonieme auteur. (Die intussen al niet meer anoniem is, maar dat geeft niet. Zijn intenties waren zuiver. Het boek heeft een sterk mystiek-christelijke inslag die ik niet per se altijd volg, maar het is zonder meer een fantastisch boek. Je moet het maar doen, ruim 600 bladzijden vullen over de Grote Arcana alleen, 22 diepe filosofische meditaties over de menselijke aard en de relatie tot het goddelijke.)

Ik heb over het beeld in dit citaat misschien al geschreven op deze blog, maar als dat effectief zo is, vind ik het stuk niet meer terug. Mijn geheugen op dat vlak is een zeef, en zoekfuncties willen wel eens haperen. In elk geval: het moest opnieuw de wereld in, voelde ik.

Het bovenstaande is geen letterlijk citaat, zelfs geen vertaling (het boek was lang alleen maar te vinden in het Duits en het Engels). Maar het vat wel de kern van wat ik koester als een zeer krachtig en rijk inzicht.

Duister is misschien wel de basistoestand van het universum. En dat zal altijd zo blijven.
De enige soort van overwinning die het licht ooit kan behalen, is om er te ZIJN. Hoe klein ook, hoe tijdelijk ook. Daar waar licht is, is op dat moment geen ruimte voor duister.

Een droom die je draagt



Ik heb iets met het hoge noorden.

Misschien komt dat door mijn naam, een Scandinavische naam die beter past bij ruige dennenbossen en fjorden en meters sneeuw dan hier, in het Vlaamse polderlandschap waar hij steevast verkeerd uitgesproken wordt.

Mijn mama had ook een zwak voor Scandinavië, daarom heeft ze haar beide kinderen Noorse namen gegeven. Geen van drieën zijn we er ooit echt geweest (tot ik tenslotte vorig jaar twee weken op residentie naar Zweden mocht), maar als kind liet ik mijn vinger glijden langs de boeken van Margit Söderholm en Sigrid Undset op de boekenplank. Mijn mama vond ze prachtig. Ik was vooral gefascineerd door het feit dat de naam van Kristin Lavransdochter maar één letter verschilde van de mijne, het leek telkens bijna alsof ik mezelf op de cover van een boek aantrof. Hoewel ik geen enkele van die boeken ooit las, werd er toen toch iets gezaaid.



Dat ik Ronja de roversdochter in mijn hart draag boven zowat mijn hele boekenkast, had toen ik het boek als kind ontdekte niks te maken met het feit dat Lindgren Zweedse was. Maar dat ik er zoveel van ben blijven houden, heeft daar volgens mij wel mee te maken. Maar op een vreemde manier. Want ik heb eigenlijk heel weinig met Lindgrens andere boeken. Ik ben totaal niet dol op Pippi Langkous, bijvoorbeeld. Kinderen van Bolderburen vind ik oeverloos saai. Maar het bos van Ronja, waar de roversburcht van Mattis uitkijkt over de woeste rivier, de donkere dennen en de rotsspleten, waar de aardmannen en de vogelheksen huizen en je het leven in de natuur bijna kunt proeven en ruiken, dát is waar ik thuiskom. En ja, dat heeft ook met de illustraties te maken, laat ik dat maar gewoon toegeven.

Ik heb geen lijf om in het hoge noorden te gaan wonen, denk ik. Noch de koude, noch de lichte zomers en duistere winters zouden me fysiek goed afgaan. Maar soms droom ik er toch van. Want ik ben er een stukje van mijn hart verloren. Aan wat? Geen idee. Aan de droom die ik erfde van mijn moeder? Aan Ronja? Aan de trollen en moenen? Aan de echo van iets ouds en tijdloos? Soms lijkt het alsof ik voorouders heb daar, alsof er nog iets van die cultuur ruist in mijn bloed. Er is een deeltje van mij dat met onzichtbare draadjes vast hangt aan Scandinavië, aan de taal en het landschap rond de poolcirkel.

Naar Zweden gaan vorig jaar was dan ook bijzonder op een symbolische manier maar heeft mijn honger naar het land niet gestild. Dat is ook helemaal niet erg. Er zijn gewoon meer draadjes bijgekomen.
Eentje daarvan loopt naar Embla Granqvist, een jonge illustrator die ik toen ontmoette en die wondermooie dingen doet met aquarel. Samen zijn we al een aantal maanden bezig een prentenboek voor te bereiden. En toen ik een tijdje geleden polste of ze misschien zin had om samen een Engelstalige winterwenskaart te maken, een kleine internationale samenwerking, was ze meteen heel enthousiast.



Als mijn mama kerstkaarten verstuurt (zoals zij ze noemt en ik ze eigenlijk ook blijf noemen, al hangt er voor mij totaal geen religieuze connotatie meer aan, het is gewoon een mooi woord), dan móét daar sneeuw op staan. Het leidt vaak tot pijnlijk sentimentele clichés in keuze van kaarten (sorry, mams), maar ik begrijp het ergens ook wel.
En Embla ook. Sneeuw is in Scandinavië natuurlijk lang niet zo sterk verbonden met ‘kerst’ (of ruimer gesteld: de feestdagen in het diepst van de winter) als bij ons. Maar Embla woont tegenwoordig in Denemarken, en daar sneeuwt het nauwelijks. Nooit gedacht dat ik sneeuw zou missen, schreef ze mij. Maar dat doet ze dus wel degelijk, en daarom schildert ze hem in de winter vaak.

Het idee voor de kaart ontstond bij een ouder schilderijtje van Embla waarop een kind een wit rendier omhelst. De sfeer die erin zat, sprak de Ronja in mij, dat oude, stille kind met Noorse wortels, heel erg aan. Maar het hoefde geen rendier te zijn, zei Embla, die mijn knipoogjes over clichés en Rudolf-met-de-rode-neus had opgepikt en het schilderij sowieso wilde hermaken.



Tijdens mijn reis naar de VS deze zomer zag ik in een tentoonstelling een opgezette eland. Ik was zwaar onder de indruk van de omvang van het dier, en dat was het eerste wat in mij opkwam dat mogelijk nog beter zou werken dan een rendier. Het idee sprak ons allebei aan. En ook elanden kunnen trouwens wit zijn. Ga eens googelen en val achterover. (Of nee, ga niet googelen, en kijk eerst onderaan deze blog.)

Ik ben dus geen klein beetje blij en trots om dit werkje te mogen voorstellen. Mijn innerlijke Ronja doet een vreugdedansje en weet dat ze thuis is.

Voor wie er even blij van wordt als ik: dit kaartje is te koop (2,5 euro/stuk) en ik laat er een beperkt voorraadje van drukken. Spreek mij aan, vind me op Messenger of stuur een mailtje, en ik zorg dat het tot bij jou raakt.

Een droom die je draagt, door de nacht.

(c) Kirstin Vanlierde & Embla Granqvist

Terugtrekken?

(c) Inaya photography


Er is een opmerkelijke evolutie aan de gang, diep in mij.

Zoveel in mijn leven heeft de laatste jaren in het teken gestaan van naar buiten treden. Mijn kin een beetje hoger heffen en durven zeggen: dit is wat ik doe en dit is waar ik voor sta en hier word ik gelukkig van. En daarmee gezien worden. Daar appreciatie voor krijgen, ook (soms).
Maar vooral: voelen wat en wie ik ben, en wat mijn plek in de wereld is. Eindelijk.

Een van mijn favoriete motieven is: alles is een ademhaling, een onbewust maar krachtig ritme van expansie en contractie. De natuur met haar seizoenen, ons uitdijend universum, de manier waarop wij – individuen, groepen, culturen, continenten, planeten – leren en groeien en vervolgens uiteenvallen en sterven: sommige patronen gaan op voor elk aspect van dit universum. En dat is prachtig.

(c) Inaya photography


Het verbaast mij dus niet dat ik nu, na een aantal jaren van sterke expansie, de drang voel om mij terug te trekken. Niet per se uit de publieke sfeer, niet uit schrijven of blogs publiceren of werken of mijn gezin of wat dan ook. Dit is een psychologisch proces, een ondergrondse stroming. Misschien word ik de komende jaren juist nog zichtbaarder en trek ik verder de wereld in. Maar binnen in mij is de richting onmiskenbaar de omgekeerde.

Die roep tot terugtrekken heeft gedeeltelijk te maken met het feit dat onze mondiale cultuur op zoveel vlakken de grenzen van haar draagkracht aan het overschrijden is.
De planeet en de natuur, waar wij allen deel van uitmaken, is waar mijn loyaliteit ligt. In vergelijking daarmee zijn de besognes van individuele mensen zo onbeduidend als die van mieren in een mierenhoop ergens in een groot regenwoud op een nog veel groter continent. We wanen ons de meesters van de schepping, dat wel. En we jagen de illusie van almachtigheid na, net als Icarus die dacht dat hij kon vliegen. Maar hoeveel technologie we er ook tegenaan gooien, we zullen neerstorten. En de val zal zeer pijnlijk zijn.

(c) Inaya photography


Ik voel de trekkracht van iets dieps, iets fundamenteels, dat als een soort sourdine bromt en ruist onder onze voeten, de stem van de aarde zelf. We hoeven de sterren niet te koloniseren om te begrijpen hoe het leven in dit universum in elkaar zit. We zouden gewoon beter een paar uur onder een boom gaan zitten en alles wat er om ons heen gebeurt op ons laten inwerken.

De grondstoffen die we opsouperen om die Icarusvleugels te maken, doden al het leven om ons heen. En onze droom om aan ‘de natuur’ te ontsnappen, zoals zovelen in dit digitale tijdperk maar al te graag geloven – maar eigenlijk is die droom veel ouder – is ronduit een waanbeeld. We kunnen niet aan de natuur ontsnappen, we zijn de natuur. We zijn gekoloniseerd door bacteriën, we staan in intieme verbinding met elk levend organisme om ons heen. Als we in het leven landschap om ons heen snijden, hakken we in onszelf.

We zijn ons daarvan misschien nauwelijks nog bewust, omdat ons hoofd vol zit met abstracte ideeën, religieuze of zogenaamd ‘rationele’ theorieën over hoe uitzonderlijk de mens wel niet is en ander fraais, maar er hoeft maar een vloedgolf, een aardbeving of een ander natuurfenomeen ons leven door elkaar te gooien, en we weten tot in onze kern weer heel goed wat we zijn: mensdieren die klauwen om te overleven. Probeer het eens zonder huis, zonder verwarming, zonder veiligheid. Er blijft niet veel meer over, en bedrading alleen zal ons niet helpen.

(c) Inaya photography

Oké, misschien is dit allemaal onkarakteristiek scherp van mij. Een beetje te veel Paul Kingsnorth gelezen, de laatste tijd. Zelden een boek gehad dat zo glashelder en pijnlijk de vinger legde op al mijn persoonlijke wonden als Bekentenissen van een afvallig milieuactivist.

In The Lord of the Rings noemen de elfen hun trage maar onontkoombare evacuatie uit uit Middle Earth the slow defeat. En dat is het precies: de trage, tragische nederlaag van wie deze levende planeet in ere wil houden. De overmacht voelt bij momenten gigantisch, en hoop is een luxe die steeds schaarser wordt.

Ben ik één haar beter dan degenen op wie ik mij soms machteloos woedend maak? Ik ben een kind van mijn tijd, opgevoed in een cultuur die mij gekneed heeft tot een door en door energie-afhankelijk wezen. Ik zou geen drie weken overleven in de wilde natuur, op mezelf aangewezen. Met mijn fragiele gezondheid zou ik honderd jaar terug waarschijnlijk niet eens de twintig gehaald hebben. Het is een ontnuchterende gedachte. Maar het is geen excuus om door te gaan zoals we bezig zijn.

(c) Inaya photography


Dus luister ik naar die diepe roep in mij. Ze heeft iets van de klank van wortels, van het wijd vertakte mycelium dat oerbossen met elkaar verbindt tot één groot, levend organisme. Ze fluistert over gesteentelagen, geologische tijd, stof van sterren en de (on)eindigheid. Ze is alle behalve het kleine menselijke verhaal van jezelf vleugels aanmeten en denken dat je de zwaartekracht kunt uitlachen.

Diep en oprecht luisteren naar dit soort stem vraagt een vorm van stilte. Terugtrekking, dus.

Dat ga ik doen. Dat ben ik al aan het doen. Je ziet het misschien niet aan mij, je hoort het niet in de toon van mijn stem. Maar het is een levend en actief proces, het ontplooit zich stilzwijgend onder alles wat mijn dagelijks leven van mij vraagt. Ik eindig in de praktijk misschien niet als een kluizenaar op een bergtop, maar in gedachten en symbolisch ben ik dat al lang, en dat gevoel wordt alleen maar sterker.

En wat zou ik dan nog willen doen, vraag je je misschien af (en ik mezelf soms ook), vanop die bergtop, tussen de smeltende gletsjers, met het geraas van kettingzagen op de achtergrond, die de laatste moederbomen van het oerbos vellen?

Schoonheid zaaien. Betoverend en fragiel als zeepbellen. Verbondenheid een stem geven. Want wat ons bijeen houdt, is sterker dan verhaal, of verval.

De ademhaling gaat door.

(c) Inaya photography

Huid

(c) Inaya photography




jarenlang zocht ik het hoger
doorzocht de ijlere lagen
van zin en geest en leerde
gehoor te geven aan hun roep

nu duik ik onder
de oppervlakte, zwerf langs
de barsten van kalksteen, de lijnen
in de bodem, de wortels van de wereld

er is niets meer te verbergen
van het dier vanbinnen, de adem
van de ziel die weet dat elke muur
een val bouwt om in te sterven

ik heb niets beters te bieden
dan huid en buig in overgave
voor de wetten van datgene
wat altijd veel groter was dan wij

Kaders

(c) Inaya photography


Hoe we onszelf soms vastrijden in hokjes van eigen makelij.
Hoe we ons blindstaren op pijn, op het verhaal,
op alles waaraan we ons zo hardnekkig vastklampen
in een poging onszelf te voorzien van houvast.

Ik geloof niet dat het kan, leven zonder kaders.
Ze hoeven gewoon niet altijd getooid met stekels
of glasscherven, de vertrouwde middelen waarmee
we onszelf telkens weer overtuigen dat leven pijn doet.

We mogen de omkadering dankbaar zijn – hoe zouden we
anders onze blik kunnen richten? Maar laten we vanaf nu
dan toeschouwers worden, liefdevol en open, van alles wat
aan onze lens voorbij komt en vervolgens ook weer wegwaait.

(c) Inaya photography


ZAAILING #70 – Hoe ver we gekomen zijn

(c) Jurgen Walschot



Een pad laat zich maar één stap per keer lopen. En met elke pas verschuift alles subtiel van perspectief.

Bomen die als wachtposten toekijken hoe wij langslopen, wijken geleidelijk terug uit ons blikveld. Contouren die we niet vermoedden, komen steeds scherper in beeld. De diepte waar we doorheen wandelen wordt rijker, het woud zelf een omhelzing.

De nevel die zich tussen de stammen weeft, kleeft aan onze jassen en onze haren. Het dikke bed van bladeren dempt onze passen op de weg omhoog. Dit is terrein waar maar weinigen zich wagen, maar wij zijn er thuis.

Je wijst mij op de vlammende contrasten, op de penseellijnen die stromen tussen bodem en kruin. Ik vlecht ze tussen mijn taal en ga steeds helderder zien.
Een lied ontsnapt aan mijn lippen. Het leert jou de woorden voor wat zich pas blootgeeft als je dicht genoeg genaderd bent. Je ogen worden zachter.

Hoe langer we lopen, hoe minder houvast we nodig hebben.
Hoeveel stappen hebben we al gezet sinds deze tocht begon?

Misschien slaan we bovenaan de heuvel even kamp op. Voor een adempauze, een knik, een enkel zacht woord.
Als we het willen, kunnen we dan achterom kijken – en vaststellen hoe onwaarschijnlijk ver we samen al gekomen zijn.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #69 – Uitgestrooid

(c) Jurgen Walschot


Hier sta je dan.
Ik zal je niet zeggen dat het geen pijn doet. En ik zal, hoe graag ik dat ook zou willen, je niet toewensen dat het snel overgaat. Leren leven met verdriet vraagt tijd.

Tijd – was er niet ergens een sprookje dat vertelde over wonden die geheeld worden, of op zijn minst verzacht?
Dichter bij de waarheid is dat we de tijd scheppen met beide handen tegelijk, ongeveer zoals je zand schept om een kuil te graven, waarin je vervolgens oude dromen bergt.
Je kunt ze ook uitstrooien, als dat je een goed idee lijkt, over water liefst. Dat weet waar het heen moet vloeien.

Wat ook mooi zou zijn, is dat het zand daar zachtjes bezinkt. En dat het water stilaan helderder wordt, terwijl het stroomt zoals het altijd doet, in lange, brede banen, naar zee.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Normale mensen

“Volgens mij gebruik jij nog niet de helft van je fysieke krachten”, zegt mijn man.
Het is niet de eerste keer dat hij dit zegt.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Vroeger maakte die uitspraak me kwaad. Probeer het maar eens, dacht ik, om je lichamelijke uithoudingsvermogen op te bouwen als je de helft van je kindertijd in bed doorbrengt, koortsig en ziek van onnozelheden waar andere kinderen niks van weten, tussen de eindeloze verkoudheden en bronchitissen (een paar keer op het randje van longontsteking, vermoed ik zelfs) door ook nog eens snakkend naar adem door astmaopstoten.
Mijn symptomen waren nooit mild, mijn lichaam overreageerde altijd. Ziek zijn betekende voor mij altijd platgeslagen worden, niets meer of minder. Het maakte mij erg bewust van en voorzichtig met hoe ik mijn energie doseerde. Waar anderen – normale mensen, naar mijn gevoel – fluitend bergen gingen beklimmen, was ik al blij als ik eens niet ziek werd.

Zoiets was erg moeilijk duidelijk te maken aan iemand die qua fysieke robuustheid in mijn ogen zo’n beetje in de buurt kwam van Iron Man: gewend 24-shifts te draaien in het ziekenhuis, in staat tot stevige sportprestaties, zelden ziek (en als dat al eens voorkomt met zulke milde symptomen dat je er amper iets aan zag en hij in elk geval gewoon dóór kon blijven gaan met wat er moest gebeuren). Voor hem was dát normaal, voor mij voelde dat als een bijna bovenmenselijke en in elk geval ongekende luxe.

Mijn man was wel de eerste om grif toe te geven dat ik de atleet van ons twee was op een ander gebied dat ik (misschien zelfs wel dankzij die eindeloze weken ziek in bed liggen) heel sterk had ontwikkeld: mentaal en emotioneel ben ik een langeafstandsloper. Mijn hoofd is het laatste wat ermee stopt. Ik kan moeiteloos lange, glasheldere filosofische discussies hebben terwijl mijn lichaam zo ziek is dat het nauwelijks uit de zetel kan komen.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Naarmate ik ouder werd, had ik betere periodes, maar net zo goed slechte. Klierkoorts, om maar iets te zeggen, ironisch genoeg juist nadat wij een stel werden. Ik was elk schooljaar minstens drie weken out omdat een banale verkoudheid bij mij altijd gepaard ging met de complicaties.
Later ook, toen ik door een diep dal ging in een combinatie van burn-out, depressie en totale post-partumuitputting met een kind dat het eerste jaar constant ziek was en ons makkelijk tien keer per nacht uit bed haalde. Elk onnozel virus raapte ik op, en het kluisterde mij telkens een week in bed of aan huis. Ik kreeg een échte longontsteking. Keer op keer moest mijn man zowat het hele huishouden overnemen omdat ik al mijn energie nodig had om te genezen en aan te sterken. Ik werd er moedeloos van. Kon ik dan niks?

Hij stelde een behandeling voor zoals hij ze met zijn robuust lijf zou willen: stevige medicatie om een aantal symptomen onder controle te krijgen en sportieve duurtraining, om mijn fysiek energieniveau op te krikken. Hij bedoelde het goed en voor hem zou dat vast werken, maar mij streek het heel erg tegen mijn haren in, een beetje alsof je een Monet wilde restaureren met fauvistische technieken. Het moet zachter voor mij, wist ik, geleidelijker.
Ik deed het omgekeerde van wat hij in gedachten had: ik schroefde terug tot ik het gevoel had dat ik werkelijk op alles nee zei – mijn jaar van de schildpad, zoals ik dat later noemde. Traag, trager, net geen stilstand. Maar ik kreeg wel de tijd om te bekomen, en ik voelde hoe, heel geleidelijk, mijn grenzen weer wat breder werden, mijn immuunsysteem wat sterker.

En stilaan begon er iets te veranderen.
De afgelopen drie jaren waren zeer intens. Ik schreef meer dan ooit, lange tijd naast een job en een gezin, ik hield er allerlei nevenactiviteiten op na en flirtte regelmatig met slaaptekort.
En ik hield stand.

Hout of steen? (c) Inaya photography


Als ik het vanop een afstandje bekijk, merk ik dat mijn toenemende energieniveau en mijn robuustere immuunsysteem gelijke tred houden met mijn geluksgevoel. Ik ben de laatste jaren gewoon veel gelukkiger – persoonlijk, professioneel, artistiek, spiritueel – dan vroeger. Ik heb op al die vlakken mijn plek gevonden en ik ervaar diepe zingeving.
Het fysieke effect daarvan lijkt nog het meest op dat van een stevige, makkelijk herlaadbare batterij. Ik respecteer nog altijd mijn grenzen, en dat doe ik heel bewust. Maar die grenzen zijn veel rekbaarder dan vroeger, en de laatste jaren presteer ik fysiek dingen die ik eerder niet voor mogelijk had gehouden.

Misschien had mijn man al die jaren geleden dus ook wel een beetje gelijk. En intussen gebruik ik echt wel meer dan de helft van mijn krachten, en ik voel dat ik, mocht het nodig zijn, nog dieper in mijn reserves kan gaan. Dat is een ongekende luxe voor het ziekelijke vogeltje dat ik ooit was.
Hij van zijn kant mag dan wel van uitstekende genetische stock zijn en een broer hebben die effectief Iron Man-triatleet is, zelf voelt hij zijn onuitputtelijke energie met de leeftijd wel wat afnemen. “Je wordt nog een normaal mens”, grap ik. Hij moet de laatste jaren ook al eens uitzieken en het rustiger aandoen. Zijn grenzen, ooit zowat onbestaande, tekenen zich wat scherper af.

Ik weet precies hoe dat voelt. En nu ben ik sterk genoeg om het werk even van hem over te nemen, als dat nodig is.
Ook dat is een luxe.

Hout of steen? (c) Inaya photography