Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

ZAAILING #82 – Wilde geest

Deze Zaailing kwam tot stand naar aanleiding van een hartverscheurende gebeurtenis. Je leest het relaas van Jurgen hier.

Maar wilde geesten laten zich niet tegenhouden. Hun schaduw blijft onverstoord en ongehinderd door de schemering glippen.
In onze herinnering. Op papier. In werkelijkheid.



Wilde geest

Ik wil je weer vrijbuiter zien, vluchtig
als wind, scherp als een bijtende streek
die je telkens weer vergeven wordt.

Want wilde geesten zijn niet gemaakt
voor duisternis, zelfs niet in herinnering.
Ik ken jou tot je laatste strakgespannen spier.

Vaste voet aan de grond gun ik je
hier waar schaduwen met de kleur van koper
en zonsopgang alles verlichten op hun pad.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Kostbare kwetsuren

(c) Inaya photography

Soms vallen we aan gruzelementen. Het leven heeft zo zijn eigen manieren om ons te dwingen tot inzicht. Verandering. Groei.
Ze zijn niet zelden pijnlijk.

Meestal zetten we onszelf vervolgens met spuug en plaktouw weer in elkaar. We proberen onze oude vorm weer aan te nemen. Die was immers vertrouwd. Te krap, misschien, niet meer gepast bij wie wij intussen geworden zijn. Maar toch: vertrouwd.

Laten we het maar van de eerste keer toegeven: dat lukt dus niet. In het slechtste geval steken er scherpe punten uit, gapen er gaten, worden we gedwongen tot een constant verdedigen van zwakke plekken, hozen waar het lekt, stutten waar het zaakje weer uiteen dreigt te vallen.

In het beste scenario is het hele geval min of meer waterdicht. Maar het voelt niet veilig. En je blijft altijd de breuklijnen zien.

In de eerste weken van de Covid-19 lockdown brak ik een fragiel aardewerken kommetje dat voor mijn verjaardag gemaakt was door mijn vriendin Maja Jantar. Ik liet het ironisch genoeg niet eens uit mijn handen vallen. Ik stootte iets anders om dat er bovenop viel en het op de grond deed belanden, in stukjes.

Ik hield de scherven bij. Nogal veel van wat ik de afgelopen weken schreef of maakte had – het is u misschien opgevallen – te maken met, juist ja, scherven.



Met niet één maar twee beste vrienden die een band hebben met de Japanse cultuur, kon het niet anders of ik zou in de nasleep van de breuk horen over wabi sabi (de schoonheid van wat niet perfect is) en kintsugi, de techniek waarbij gebroken aardewerk gerepareerd wordt met lijm waaraan goudpoeder is toegevoegd.

De symbolische schoonheid ervan was mij onmiddellijk duidelijk. De bedoeling van kintsugi is immers niet om de scherven zo te lijmen dat de schijn van eerdere perfectie hooggehouden wordt. De breuklijnen worden integendeel extra zichtbaar gemaakt door de goudkleurige lijm.
De kwetsuren en littekens maken in de benadering van kintsugi niet alleen deel uit van de unieke eigenheid van het voorwerp. Indien ze met liefde en zorg behandeld worden, maken ze het geheel juist mooier.

Onze kwetsuren zijn kostbaar.

Eigenlijk weten we dat allemaal wel, diep vanbinnen. Maar in een wereld die draait om schijnbare perfectie, ijskoude concurrentie en de mythos van onsterfelijkheid zouden we dat al eens durven vergeten.

Ik ben geen knutselaar, verre van. Maar deze uitdaging droeg mijn naam. Na een paar uur snuisteren op het internet bestelde ik bij een Belgische website een startsetje met materiaal.
Het arriveerde keurig met de post. Ik bekeek nog een paar YouTube-filmpjes, las de handleiding en… stelde uit.



Tot er een nieuwe gelegenheid kwam waarop ik me plots bijzonder breekbaar voelde, mezelf als het ware in stukjes weer van de grond moest rapen.
Ik voelde dat dit het moment was om mijn twijfels over mijn (on)handigheid en mijn gebrek aan ervaring opzij te zetten en mij er, geknoei of niet, mogelijke mislukking of niet, gewoon aan te zetten.

De meditatieve concentratie en het langzame tempo waartoe de kintsugi-techniek dwingt (een kleine hoeveelheid van de twee componenten van de lijm mengen met elkaar en met het goudpoeder, lijm aanbrengen, scherven aandrukken, vasthouden, lang genoeg wachten, voorzichtig loslaten – herbeginnen, zo vaak als er scherven zijn) bleek mij heel erg goed te bevallen.

Dit is het soort werk dat je niet kunt doen als je zenuwachtig of gestresseerd bent. Je wordt er vanzelf kalm van. De tijd wordt stroperig als de lijm waarmee je werkt, stroomt snel en traag tegelijk. En scherf per scherf groeit er onder je vingers iets aaneen.
Vertrouwd. Geliefd. Maar toch nieuw.




Ik ben zeer dankbaar om deze ervaring. En ik neem ze mee, op meer dan één niveau van mijn wezen.

Dat je kwetsbaarheid durven tonen geen schande is, wist ik al. Dat het goed is om je barsten en breuken te koesteren, was evenmin een verrassing.
Maar wat ik wel wilde aannemen in theorie maar tot op dat moment niet echt kon voelen, werd duidelijk en tastbaar toen ik het zelf mocht ervaren: de barsten zijn nu het mooiste stuk.


(c) Inaya photography



Breken doet altijd pijn, daar is niets aan te doen.
Maar ik wens het iedereen toe: kwetsuren te koesteren als de kostbaarheden die ze zijn, en ze weer in elkaar te passen met een gouden randje.

Fantoompijn

De wereld wordt nooit meer zoals hij was, zeggen ze.

(c) Inaya photography


Vanuit mijn veilig holletje, in een huis met een tuin die elke dag mooier wordt, met voorraadkasten waarin ik niets tekort kom, een gezin dat ik graag zie en familieleden in binnen- en buitenland die het goed stellen, is het moeilijk mij daar een beeld van te vormen. Of nog simpeler: ik kan dat niet.

Dit zijn Schrödingerdagen – dagen waarop alles mogelijk lijkt en niets nog kan.
Dit zijn dagen waarin de toekomst gloort met de hartverwarmende hoop van een bocht richting duurzaamheid, en tegelijk elke ontsnapping uit het neoliberale virus dat de planeet sloopt een illusie lijkt geworden.

Het zijn dagen dat ik mezelf de grootste gelukzak ter wereld vind. Het zijn dagen dat ik de muren oploop.

Het zijn dagen dat ik mezelf betrap op het verlangen naar een terugkeer naar wat ‘normaal’ is. Maar eigenlijk wil ik dat ook niet. Want ‘normaal’ was een ecologische en humanitaire ramp, een droom van blinde economische machtswellust, met de mens als losgeslagen virus op een koortsig belegerde planeet.

Het zijn dagen waarin ik ongerust ben voor wat de Machten die deze wereld besturen zullen beslissen, over onze hoofden heen. Ik ben bang dat alles teruggaat naar het oude. Ik ben bang dat niets nog teruggaat naar het oude.

Mijn hele leven jeukt en schuurt.

Ik lijd aan fantoompijn, geloof ik. Alleen weet ik nog niet zeker of de ledemaat die ik voel jeuken écht geamputeerd werd, of gewoon even buiten gebruik is gesteld.

Ik weet niet welke van beide scenario’s ik verkies.

Ik zie de wereld dezelfde blijven als hij altijd al was.
Ik zie de wereld onherroepelijk veranderen, en al onze levens erbij.

Gelukkig brengt de natuur raad, zoals altijd. In wat voorbij is, schuilen altijd de zaden van een nieuw begin.

En ik koester, bij gebrek aan beter, mijn fantoompijn als een springlevende vorm van herinnering.

(c) Inaya photography

De zaag bovenhalen

Loop je de laatste tijd soms wel eens tegen je grenzen aan? Lijkt de kamer te krap, de wereld te vreemd, het leven een film waarin je niets meer herkent?

Er komt veel op ons af. Ook op plekken en in landen die – laten we eerlijk zijn – op het eerste zicht niet bijzonder zwaar getroffen zijn door de hele coronastorm. Het is nutteloos en onwenselijk om onzekerheid en menselijk leed in honderd-en-één vormen tegen elkaar te gaan afwegen. Er zijn persoonlijke drama’s, en er is een grote, collectieve golf. Beide raken ons in meerdere of mindere mate. Op welk punt van het driedimensionaal spectrum je je ook bevindt, het is ingrijpend.

Dat is altijd het geval, als oude werelden aan het wankelen gaan.

Boomverzorger aan het werk (c) Inaya photography



Ik zit in een luxepositie. Ik hoef niet veel meer te doen dan de bordjes van gezin-werk-school-huishouden-persoonlijke behoeften in de lucht te houden, zonder dreigend faillissement, zonder zware ziektes of verliezen (voorlopig).
En toch ben ik ook al een paar keer tegen mezelf aan gelopen.

De details doen er totaal niet toe – mijn demonen en processen zijn de mijne. Maar wat ik wel leerde, is dat wat vaak het meest uitdagend is, het taaist om op een nieuwe en andere manier mee om te gaan, niet de veranderende leefomstandigheden zijn, maar mijn eigen innerlijke strategieën die een nieuwe situatie willen benaderen op een oude manier.
Ik loop niet tegen de situatie aan, maar tegen mezelf.

Vandaag kwam onze vaste boomverzorger de bomen in onze tuin snoeien. Elk gezond levend wezen moet zich van tijd tot tijd ontdoen van wildgroei. Boomverzorgers zijn geen doorsnee snoeiers. Ze weten precies welke takken op termijn een risico vormen op doorscheuren, insluipend rot, schuurschade. Ze aarzelen niet om de zaag boven te halen. Het huis dreunde van het gewicht van de takken die de grond raakten. Maar ze snoeien nooit zomaar, ze verminken niet. De bomen die zij onder hun hoede hebben, floreren.

Er is iets fundamenteel aan het schuiven in het onderbewustzijn van de mensheid, deze dagen. We voelen het allemaal. Het neemt de mooiste en de lelijkste vormen aan, en het zal blijvende impact hebben.

Maak ik mezelf groter, of juist kleiner? Houd ik mijn adem in tot morgen of neem ik ten volle bezit van vandaag? Bereken ik wat er in de toekomst misschien nog (of weer) zal kunnen, of sta ik toe dat dit proces mij wezenlijk verandert, hier en nu?

Ik geef me over aan het werk van dit tijdsgewricht als een boom onder de handen van een boomverzorger. Ik heb geen persoonlijke controle over welke takken er nu sneuvelen. Ik weet wel dat ik, dankzij wat er nu op mij inwerkt, zal groeien en bloeien op een heel nieuwe manier.

Boomverzorgers aan het werk (c) Inaya photography

A room of one's own

(c) Inaya photography



Virginia Woolf wist het als geen ander: een vrouw moet een kamer voor zichzelf hebben als ze wil schrijven.

Nu ons dagelijks leven er plots anders uitziet, bevind ik mij 24/7 in het gezelschap van twee mannen: een grote en een kleine, die mij allebei op heel innige manieren lief zijn, maar die ook allebei een aantal eigenschappen gemeenschappelijk hebben. Waaronder: flauwe humor, een onleesbaar geschrift en een onuitputtelijke voorraad energie.

Ik ben een stiltemens. Ik was dat misschien niet van bij aanvang, maar in de loop der jaren ben ik dat steeds meer geworden. Ik hou nog altijd van muziek, en ik vind het leuk om naar interessante video’s te ‘luisteren’ terwijl ik strijk. Maar over het algemeen: hoe meer stilte, hoe liever.

(c) Inaya photography


Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger was mijn hoofd vol stemmen. Angstige, goed bedoelende stemmen, die klonken als versies van mijzelf maar het toch niet waren, die me aan alles lieten twijfelen, me over alles deden tobben, me af hielden van dingen die ik eigenlijk wilde. Ik heb ze in de loop der jaren zachtjes aan tot zwijgen kunnen brengen. Ik heb ze gekoesterd, gerespecteerd en gerustgesteld. Ze zijn ingedommeld of verdwenen.
In de diepe ruimte van mijzelf die toen helemaal beschikbaar werd, is het heerlijk toeven in de stilte. Als mijn ziel een subtiel en betoverend melodietje neuriet, heb ik het onmiddellijk gehoord.

Enter corona, en mijn twee actieve – of op zijn minst zeer aanwezige – mannen.

(c) Inaya photography


Wij leven in een belétagewoning. Woonruimte boven, slaapkamers beneden. De eerste dag dat hij thuis werkt, zit Christophe in een marathonsessie vijf uur lang aaneengesloten digitaal les te geven. Sobran houdt zich flink aan de afspraak om zich te verschansen in de speelkamer beneden en niet te storen. Maar omdat ons bureau overloopt in de leefruimte, zit ik zelf geprangd tussen het digitaal klaslokaal boven en de eindeloze schetterende luisterverhalen beneden.
In de keuken, de badkamer of onze piepkleine slaapkamer is het niet zo makkelijk schrijven. Hier moet ik een oplossing voor vinden, dit houd ik geen weken uit. Ik ben gewend het huis hele dagen voor mij alleen te hebben.

Maar ik heb daar helemaal geen heel huis voor nodig. Dankzij een nieuwe plant, die ik voor het raam van de logeerkamer posteerde omdat hij nogal groot was en ik er nergens anders plaats voor had, groeit het plan om die ongebruikte kamer (wie zou er de volgende maanden logeren??) voor de komende tijd een beetje ‘van mij’ te maken.

(c) Inaya photography


Ik ga niet sleuren met meubels, de kast en het bed laat ik staan. Meer dan een hoekje hoeft het eigenlijk niet te worden, met planten en stenen, een poef om op te zitten, zicht op de tuin, groen om mij aan te laven. Een vertrek waarvan de deur dicht kan, een holletje waar anderen mij met rust laten.

Ik breng er mijn dagen niet door, hoogstens een paar uur per dag, en dan zelfs niet altijd om te schrijven. Ik kan er ook gewoon in alle rust telefoons of andere gesprekken voeren waarmee ik de concentratie van mijn huisgenoten niet wil belasten. Maar wat een luxe! Wat een zegen om een deur te hebben die je kunt sluiten, en ruimte waar de wereld even mag stilvallen.

Hulde, waarde mevrouw Woolf. Ik bewonderde u twintig jaar geleden al, als schrijfster en als mens, toen ik voor het eerst in contact kwam met uw werk. Ik doe het nu nog veel meer. En in deze hoogst ongewone tijden apprecieer ik ten volle elke minuut van het voorrecht dat mij gegund is: een kamer voor mezelf.

(c) Inaya photography

ZAAILING #79 – De geheime tuin

(c) Jurgen Walschot


Zie mij graag, zegt ze.
Dat doe ik, zeg je. Van zo dichtbij als ik mag.
Je mag wel wat dichter komen, hoor, zegt ze.
Je knikt. Maar je doet het niet. Soms moet je iemand de ruimte geven, ook als ze zelf niet weet dat ze die nodig heeft.

Je lijkt een beetje op een madonna, zeg je.
Hoezo, vraagt ze. Heb ik geen kleren aan of zo?
Madonna’s hebben juist wel kleren aan, grijns je. In statige gewaden staan ze onder stolpen te staren naar wie hoopt hun zegen te krijgen.
Ik sta niet, zegt ze. Ik zit. Ik lees. Laat me met rust.

De wereld komt bij momenten zo hard binnen dat afstand het grootste geschenk is dat je iemand kunt geven. Dichtbij willen zijn maar toch niet binnendringen. Het gebaar van de ander laten komen, ook als dat wil zeggen dat je er misschien heel lang op moet wachten.

Hoe breek je uit een stolp van eigen makelij? Hoe leren we leven met de begrenzingen die het leven ons oplegt? Onze wanden zijn zo dun dat ze maar al te vaak vragen om bescherming. De ene maakt er een klein koninkrijk van, een geheime tuin, de ander een terrarium waaruit langzaam alle lucht weg sijpelt.

Ze kijkt op van haar boek. Ze glimlacht. Je ziet mij graag, zegt ze.
Ik voel het tot hier.



ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Groeien – naar binnen toe

(c) Inaya Photography



De afgelopen weken zat ik met een vreemd gevoel.
Ik wilde niet naar buiten. De lente kwam te vroeg, daar had ik het al over, maar er was meer aan de hand. Het voelde een beetje alsof ik kluizenaar wilden worden. Liefst zo weinig mogelijk mensen wilde ik zien, zo weinig mogelijk gedoe aan mijn hoofd hebben.

Dat was een ongewone ontwikkeling op het moment dat de lente op uitbreken stond en traditioneel overal in het land kinderboeken en hun makers naar buiten komen om zoveel mogelijk (jong) publiek te bereiken. Ik beken: ik stelde me plots vragen, bij alles inclusief mezelf.

Intussen is de wereld helemaal in overeenstemming gekomen met mijn bizarre gevoel van naar binnen keren. Veel mensen hebben het er moeilijk mee en het vraagt van bijna iedereen een enorme aanpassing. Juist voor het duidelijk werd dat de crisis rond Covid-19 ernst was en dat er maatregelen zouden komen, had ik vrede gevonden met mijn situatie.
Daarom wil ik hier nu delen wat ik een paar weken terug aangereikt kreeg.

Ik heb geleerd om te luisteren naar wat zich innerlijk aandient, ook als dat een bevreemdend gevoel is. Daarom ging ik er niet tegen in verzet, ik onderzocht het. En ik liet de antwoorden spontaan opkomen, van een diepe (of hoge) plek in mezelf.

Dit is wat ik leerde.

We zijn gewend om groei en ontplooiing, van welke soort dan ook, te associëren met een dynamiek naar buiten toe, een expansie. We willen meer doen, meer zijn, meer mensen bereiken, meer begrijpen, meer inzichten delen, meer verwezenlijken. We associëren groei met het innemen van meer terrein. Maar dat is in feite een misvatting.

Groei kan net zo goed naar binnen toe. Dan wordt het een vorm van verdieping, een brede resonantie die, als ze de kans krijgt, in alle subtiliteit zelfs veel verder reikt dan de luidruchtige en ogenschijnlijk actievere uitwaartse beweging.

(c) Inaya Photography


Net zoals bij eb het water zich terugtrekt en precies daardoor het strand veel groter en uitgestrekter wordt, is een beweging naar binnen toe een uitnodiging om een aspect van onszelf aan het licht te laten komen dat gewoonlijk schuilgaat onder de deining van de dagelijkse drukte en hectiek.

Als we onszelf niet meer (kunnen) afleiden, verdoven of bezighouden met de dynamiek van het water, worden we bijna gedwongen om te kijken naar het strand. Op het eerste zicht lijkt dat misschien leeg, een verlaten vlakte met eindeloze verveling als horizon. Dat kan beangstigen, maar het kan ook een enorm bevrijdend zijn. Veel mensen gaan niet per toeval uitwaaien aan zee en maken dan hun standwandelingen het liefst bij eb. De wind, de ruimte, het gevoel dat de vereisten van de wereld even losgelaten kunnen worden, het is er allemaal.

Hoe tegenstrijdig het ook kan klinken in deze tijden, maar precies dat gevoel is ook nu binnen handbereik. Zó groot kan onze innerlijke ruimte zijn, zelfs in een klein appartement in de stad.
Want kijk, het water trekt zich terug. Activiteiten worden geschrapt, onze bewegingsvrijheid wordt drastisch beperkt. We worden zowat verplicht – door deze hele toestand, maar ik noem het liever door het Leven Zelf – om naar binnen te keren.

Ik maak me geen illusies: er zullen nog kwade dagen komen. Medisch, sociaal, emotioneel, voor heel veel mensen persoonlijk en voor ons allen als samenleving. We zullen tegen conflicten met huisgenoten aanlopen, tegen eenzaamheid, tegen allerlei vormen van confrontatie met onszelf. We zullen ziek worden en mensen verliezen of dierbaren kennen die dat doen. We zullen als samenleving daveren op onze sociale en economische grondvesten. Maar als er één ding is wat Covid-19 ons nu al, na een paar luttele weken, scherper duidelijk heeft gemaakt dan wat ooit tevoren, dan is het dat alles met alles verbonden is, en wij allemaal met elkaar. Het is een wake-up call van formaat, en steeds meer mensen hebben ze begrepen.
Laten we vanuit die hervonden kwetsbaarheid en verbondenheid ook de inzichten verwelkomen van de weken die nog zullen volgen.

Want het water trekt zich terug. De golfslag van het gewone dagelijkse leven valt stil.
Nu kunnen we kiezen. Gaan we die ontruiming te lijf met zoveel mogelijk trucs en technieken om onszelf bezig te houden en de stem van ons innerlijk te overschreeuwen terwijl we de muren stilaan op ons zien afkomen?

Of staan we toe dat het strand bloot komt te liggen?

(c) Inaya photography

De dood wint altijd – net als het leven

Er is een bekende acteur overleden, een grote meneer, die ooit in een iconische scène als ridder een potje schaakte met de dood. ‘De dood heeft gewonnen’, zei iemand op Facebook. ‘De dood wint altijd’, antwoordde iemand anders.

Het trof me als een opmerking met oogkleppen, want de laatste tijd zie ik dat niet meer zo.

Marigold Tarot – VIII Strength


Ik weet het, we houden er niet van om te denken aan ons lichaam als iets wat vervalt en zal vergaan, om verbrand of verteerd te worden. Het confronteert ons te hard met het feit dat we geen antwoord hebben op de vraag waar onze persoonlijkheid (of onze ziel, kies wat voor jou past) dan heen gaat. Een hiernamaals, een wedergeboorte, het grote niets? We weten het niet en we zijn er bijgevolg bang voor.

Het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen, is dat energie in dit universum (en alle materie, dus ook wij, ons lichaam en onze gedachtenvormen, zijn een vorm van energie) nooit verloren gaat, en dat alles op een of andere manier hergebruikt zal worden.
Dat is niet eens ‘zweverig’, dat is fysica. Of biologie.

Zeggen dat de dood altijd overwint, is dus een typisch menselijke uitspraak, gebaseerd op angst, zonder kennis van zaken. Het is zoiets als zeggen dat de maan het altijd wint van de zon. Of eb van vloed. Of de uitademing van de inademing. Beide zijn fases in een veel groter en complexer proces, momentopnames die elk hun recht en hun tijd hebben. Ja, natuurlijk trekt eb het water altijd terug naar zee. Net zoals vloed het altijd weer terug aan land spoelt. Het is geen gevecht, het is een dans, een evenwicht.

Marigold Tarot – XVII The Star


Alles in de kosmos bouwt zichzelf op een of andere manier op, dient een doel, kent een bepaalde tijd in die vorm, en vervalt vervolgens weer. De bouwstenen worden tot de allerlaatste en allerkleinste gebruikt voor iets anders.

Groei om de groei is de filosofie van de kankercel. Levensvormen moéten vervallen en verdwijnen om het grotere geheel, waarvan we allemaal deel uitmaken, gezond te houden. Het klinkt als moderne ketterij in deze hypergemediatiseerde tijden van antibacteriële zeep, steriele hospitalen en paniek om een nijdig virus, maar de dood is geen vijand waartegen we altijd en overal, uit principe, moeten vechten.

Het leven kan zichzelf pas in stand houden als het ook mag sterven. Dat de mens daar op een of andere manier buiten of boven zou staan, is de gevaarlijkste en schadelijkste illusie die onze prefrontale cortex ons ooit heeft voorgespiegeld (en de rechtstreekse oorzaak van het ecologische drama waar we recht op afstevenen, want waar zijn wij anders mee bezig dan groei om de groei?).

Marigold Tarot – Four of Wands


Al het bovenstaande wil niet zeggen dat ik onderschat wat de dood in ons persoonlijk leven met ons doet. We zijn sociale, voelende wezens, we zien elkaar graag en hebben nood aan verbondenheid.

Als iemand sterft, missen we zijn aanwezigheid, haar stem, de knuffel, de grapjes, de ruzies zelfs, het gevoel dat we hadden met hem of haar in de buurt. Daar valt niets tegenin te brengen. En dat gemis kan heel diep gaan. Dat mag, dat is zelfs mooi. Want vaak groeien we ook, precies als we zo diep durven voelen. Pijn legt onze diepste, kwetsbaarste stukjes bloot, voor onszelf en voor de buitenwereld. Als iemand die we graag zien sterft, sterft een stukje van ons mee.
Maar in beide gevallen komt er precies daardoor ook ruimte voor iets anders om geboren te worden.

Marigold Tarot – I The Magician


Dus ja, geef mij dan de Magiër maar, de sjamaan met een ster in de ene hand en een granaatappel in de andere, verbonden met alles wat groeit en sterft in de kosmos, alles één grote belofte van leven en verval, van duisternis en licht. Want wat zijn de zaden van een dode vrucht anders dan kleine sterrenstelsels, klaar om geboren te worden in de donkere grond van een nieuw universum?

De dood wint altijd. Gelukkig maar. Zo hoort het ook. Net als het leven.



Noot over de afbeeldingen:

Ik ben al ruim twintig jaar bezig met de tarot. De laatste paar maanden verdiep ik me in de Marigold Tarot. Veel mensen schrikken er intuïtief van terug. Ze vinden de tekeningen luguber, vooral omwille van het consistent gebruik van beenderen in plaats van herkenbare figuren. Maar beenderen, leerde ik, zijn gewoon een diepere laag van het lichaam dan huid. Ze hebben niets met de dood te maken, wel alles met de kern, de onderliggende kracht, de structuren die ons dragen. De combinatie met de sterrenhemel, de botanische rijkdom en een aantal goed gekozen symbolen, maken deze kaarten van het beste en het sterkste waar ik al mee gewerkt heb. Wie oude clichés opzij durft zetten en open staat voor de zeer zintuiglijke manier waarop ze werken, wordt beloond met boodschappen van een grote subtiliteit en een diepe zachtheid. Laat dit een uitnodiging zijn, van dezelfde omvang als de sterrenhemel.