Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

De aspergelente

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~10~

Ik hield als kind niet van asperges. Of misschien moet ik zeggen: ik kende die groente niet, want mijn grootmoeder – de vaste kok bij ons in huis – maakte die nooit klaar. Schorseneren maakte ze wel, en die werkte ik naar binnen om haar een plezier te doen. Maar asperges kreeg ik pas voor het eerst op mijn bord toen ik bijna meerderjarig was, in een of ander chique restaurant, en toen benaderde ik ze met het wantrouwen van iemand die nieuwe smaken niet zonder voorbehoud verwelkomt. Ze vielen tegen, ik vond ze slap en smakeloos. Dat ik na dat bewuste diner geveld werd door een zomergriep hielp de populariteit van de asperges weinig vooruit; een mens legt rare verbanden als ze koorts heeft. Sabayon heb ik sindsdien ook nooit meer aangeraakt.

Asperges heb ik in de twee decennia tussen dat diner en nu wel leren appreciëren, voldoende alvast om ze nu en dan zelf klaar te maken. Gewoonlijk ging ik dan voor de smalle, groene scheutjes die je voorverpakt in de supermarkt vindt.

De afgelopen maanden is dat veranderd. De lente van 2020 zal voor mij niet alleen maar de lente van het coronavirus zijn, maar ook de lente van de asperges.



Een eindje verder bij ons in de straat woont R., een onwaarschijnlijk kranige 91-jarige, die nog dagelijks zijn eigen – gigantische – moestuin onderhoudt. We kunnen het als sinds mijn man en ik hier bijna vijftien jaar geleden kwamen wonen heel goed vinden. Hij heeft, om bij de moestuintermen te blijven, een boontje voor ons. Sporadisch hebben we contact, we wisselen kerstkaartjes uit, en de afgelopen jaren stond hij in de herfst wel eens aan onze deur met een verse pompoen. Als hij begint te vertellen over zijn jeugd, valt je mond open. Ik heb al een paar keer gedacht dat ik zijn verhalen zou moeten opnemen, hij is een wandelend overblijfsel uit een tijd die wij nu, in al onze luxe, alleen nog associëren met namen als Buysse en Streuvels. Hij heeft amper meer onderwijs genoten dan de lagere school en hij lacht smakelijk om die twee ingeweken universitairen zonder verstand van groenten, die ook nog eens de meest normale Hamse woorden voor palen, grachten, greppels, steunmuren en werktuigen niet kennen. Maar hij mag ons. En wij hebben ook een dikke boon voor hem.

Op een dag in april stond hij plots aan de deur, in volle corona-lockdown, met een volle zak asperges. Vers uit de moestuin, zelf gestoken die ochtend. Het had die ochtend gegoten, een van de laatste fantastische lange regenbuien van deze lente. Schitterend voor de bodem, maar hondenweer om in te werken, voor iedereen, laat staan een man van over de negentig. En nu stond hij hier met een voorraad joekels van witte scheuten waar ik meer dan een uur aan stond te schillen. Het werd een feestmaal, die avond.

Een paar dagen later belde hij weer aan, ’s ochtends dit keer. Ze waren aan het opkomen, de nieuwe scheuten. Ze mochten niet te lang aan de zon blootgesteld zijn of ze verkleurden naar groen en waren niet meer lekker. Hij had in totaal een meter of veertig staan, dus hij had veel meer dan hij ooit op kon. Of mijn man even wilde komen helpen om er nog wat uit te steken?

En het bleef niet bij die ene keer. Laat ik de afgelopen maanden maar samenvatten als een aspergefestijn. Ik heb recepten opgezocht, en er zelf uitgevonden. Ik bereidde asperges voor het avondmaal, ik schilde ze voor in de diepvries om later dit jaar in soep of andere gerechten te worden verwerkt.

De porties waarmee R. telkens kwam aanzetten, of die mijn man na een uurtje steken, met blaren op zijn veel te delicate kantoorhanden, mee naar huis bracht, waren genoeg om een gaarkeuken voor twee dagen van groenten te voorzien.


De moestuin van R. heeft mij een aantal waardevolle lessen geleerd dit voorjaar. Ik heb deze lente niet alleen deze groente leren appreciëren zoals het hoort, maar ook het meditatieve plezier ontdekt van zonder haast, urenlang, geconcentreerd bezig te zijn met iets ogenschijnlijk eenvoudigs als asperges schillen. Arbeid als deze laat een concrete indruk na van hoe rijk de bodem van dit land is, als we die goed verzorgen en verstand hebben van planten. Het geeft ook een idee van de hoeveelheid werk die er voor nodig is, niet zelden met de hand, om verse groenten te verwerken tot iets smakelijks op een bord. Dat dwingt respect af. Het heeft mijn uren in de keuken fysieker gemaakt, de tijd zichtbaarder, onze band met het land tastbaarder.

Sommige dingen leer je pas als de omstandigheden je ertoe dwingen. Ik had werk te weinig en tijd te veel, de winkels hadden veel te lange rijen en R. had meer asperges dan hij op kon. Ik ben er dankbaar om.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De Toren en De Ster

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~9~


Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Als schrijver word ik er duchtig mee geplaagd. Als mijn lieve vriend Jurgen Walschot, de illustrator, het zegt, klinkt het ongeveer als: wie léést die teksten ooit? Waarna hij een spreekwoordelijk kussen naar zijn hoofd krijgt.

Maar het klopt wel: beelden kunnen een gelaagdheid en een diepgang presenteren die in een oogopslag te vatten is en vaak zelfs zintuiglijk binnenkomt. Ik hou van sterke beelden.

Een bijzonder systeem van beelden dat ik heel erg waardeer, is de tarot. In oorsprong Middeleeuwse kaarten met symbolische afbeeldingen, waarvan de wortels mogelijk nog veel verder teruggaan in de tijd.

De tarot is een spiegel van de menselijke persoonlijkheid in al haar facetten. Elke kaart beeldt een stuk van onze ontwikkeling uit, ons karakter, onze behoeften, gewoontes, obstakels, talenten. In weerwil van het populaire geloof heeft tarotkaarten trekken weinig te maken met wat er in de toekomst ligt, maar alles met het heden: wie we nu zijn, waar we vandaan komen, hoe we in deze positie geraakt zijn. Het is een spiegel, in gelaagde tekeningen.

Er zijn twee tarotkaarten waaraan ik de laatste weken voortdurend loop te denken: De Toren en De Ster.

De Toren stelt een bouwsel voor dat getroffen wordt door een blikseminslag. Het is een ramp, een ravage. Er vallen zelfs mensen uit die toren naar beneden, een soort middeleeuwse Twin Towers. Het bouwwerk staat symbool voor onszelf, of iets in ons leven dat we opgebouwd hadden, wat nu met grote kracht verwoest wordt.

Toch is de betekenis van de kaart niet zo negatief als op het eerste zicht lijkt. Want die hele toren was in feite een nogal gammele constructie: een geïmproviseerd bouwsel (wie weet op voorhand écht waar hij heen wil in het leven?), de mankementen die zich voordeden in de loop van de jaren werden al dan niet deftig gerepareerd, sommige delen moesten wat gestut, er werden compromissen gemaakt… Dat rommeltje, hoe graag we er ook woonden, is nu door de bliksem verwoest. En die bliksem staat symbool voor iets wat groter is dan onze persoonlijkheid, iets wat het beter weet dan de hoogmoedige bouwers die we, zelfs met goede bedoelingen, onvermijdelijk zijn.

(c) Inaya photography

Wat wel stevig en solide was aan onze toren, de funderingen, de diepe basis, een steunmuur of twee, misschien, blijven overeind. De uitnodiging is om op de fundamenten een beter bouwwerk op te trekken.

Velen van ons zagen de afgelopen weken bliksems inslaan en torens instorten. Sommige klappen kwam hard aan: economisch, financieel, persoonlijk. Hele segmenten van de samenleving liggen gevloerd na de uppercut die corona heet, of in de nasleep van de maatregelen om het in te dijken. Het stof van de instortingen is nog lang niet gezakt. In het beste geval kunnen we pas nu beginnen met puin ruimen.

Maar laten we proberen niet te diep te treuren over wat niet meer overeind staat. Laten we dromen van een beter bouwwerk, kleiner misschien maar meer solide, en dichter bij onszelf.

(c) Inaya photography

Want vanuit een breder perspectief bekeken, arriveert De Toren in de tarotcyclus ook op het typische moment dat we in een mensenleven vaak de midlife crisis noemen: de diepe fase van twijfel en zoeken naar zingeving. En de uitkomst van beide processen (de wederopbouw en de zoektocht naar zingeving) is dezelfde: een sterkere, diepere, meer waarachtige versie van onszelf.

Aan die uitkomst wijdt de tarot de kaart die op De Toren volgt: De Ster. Het is waar we uitkomen als we de gevolgen van de blikseminslag durven omarmen.

De Ster stelt een naakte vrouw in de natuur voor, die in het licht van de sterren het water uit haar kruiken over de grond en in een vijver laat stromen. Ze is puur en kwetsbaar. Ze heeft niets te verbergen, niets te beschermen. Ze is in diep contact met zichzelf, met haar omgeving, met de kosmos. Ze schenkt gul het water uit haar kruiken, en ze heeft rechtstreeks toegang tot de bron. Het is een beeld van diepe eenvoud, en enorme overvloed.

Ook ik sta op dit moment even te bekomen tussen het puin van een ingestorte toren. Het stof zakt al een beetje. Ik haal diep adem, en ik weet dat op ontelbaar veel plaatsen in de wereld op dit moment mensen hetzelfde doen.

Elk van onze verhalen is anders, maar laten we samen puin ruimen. Laten we denken aan de zachte eerlijkheid die geen bescherming nodig heeft, de kwetsbaarheid die gul kan schenken aan de wereld, vanuit verbondenheid en vertrouwen, in het licht van de sterren.




De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

ZAAILING #83 – De droom die we werkelijkheid noemden



Sommige verhalen vragen niet naar woorden:
de belofte van de ochtend tegemoet lopen
de taal benaderen van vogels of boomstammen
onszelf kennen als verstrikt, gezaaid, besmet

met schoonheid. Gretig lezen we de lijnen
voor zover we ze kunnen volgen. Wie deze
wereld wil bewonen, moet leren om te spreken
in sporen, reiken naar het licht doorheen de filter

van de kooi. Voor een paar onbetaalbare uren
bloeien we open en geven alles wat we hebben.
We overtuigen onszelf dat binnen de beperkingen

van de tralies onze verstrengelingen
even diep kunnen wortelen als in de droom
die we werkelijkheid noemden, voorheen.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Je bent thuis

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~8~

My home is my castle was de uitdrukking waarmee ik deze column begon. We hadden toen niet durven denken dat het gekroonde virus zo lang de plak zou zwaaien over ons leven. We kunnen op dit moment niet eens met zekerheid zeggen wanneer het die koninklijke houdgreep eindelijk lost. En onze huizen hebben twee maanden later nog steeds iets van versterkte burchten. Maar ieder van ons heeft onze woonst intussen een heel stuk beter leren kennen.

We hebben het zonlicht langs haar wanden zien kruipen op elk uur van de dag. We zijn tegen haar muren opgelopen. We konden niet langer doen alsof we het stof niet zagen dat zich ophoopte in de kieren waar we nooit grondig stofzuigden, noch de schaduwen die elke avond groeiden in de stilste hoeken. We zijn ontelbare keren over die ene oneffenheid in de vloer gestruikeld. We hebben de ramen gelapt om beter naar buiten te kunnen kijken naar alles wat nu even niet meer kon. Of we hebben het zo gelaten, omdat het toch geen zin had.

In dromen staat een huis doorgaans symbool voor ons innerlijk. Gebeurtenissen die plaatsvinden in een huis, spelen zich op een ander niveau af in het diepste van onszelf. We ontvangen er mensen, ontdekken verborgen kamers, proberen dingen die we liever niet meer onder ogen te komen in de kelder te verbergen.

Hebben we de afgelopen weken een warme, stille vorm van wortelen herontdekt op een plek waar we vroeger te weinig aandacht aan schonken? Of zijn de muren waarbinnen we ons ooit met plezier wilden vestigen, alleen of met geliefden, stilaan steeds meer een gevangenis geworden, een kooi?

Mijn werkruimte, mijn heiligdom – thuis (c) Inaya photography



De muren van mijn huis benauwen mij niet. Integendeel, mijn nood om naar buiten te gaan, wordt zelfs kleiner. Als kind groeide ik op in een huis waar niet alleen mijn ouders maar ook mijn grootouders langs moederskant woonden. Mijn oma kwam nooit buiten. Nooit. Tot op het terras in de tuin, misschien, om erwtjes te doppen in de ochtendzon, en in de late namiddag in een windstil hoekje op de bank te zitten breien en verstellen. Maar ze deed geen boodschappen, ze had geen vrienden. Eén keer per jaar ging ze Oudejaar vieren bij haar zoon, mijn peter. Nochtans stonden de deuren van haar huis open voor iedereen. Het is een houding die mijn moeder overnam: ik groeide op in een huis waar iedereen welkom was. Voor een middag, voor een maal, voor een nacht, voor een jaar.

Mijn oma moet hoogsensitief geweest zijn, dat kan niet anders. Toen ik klein was, zei ze tegen mijn moeder, die zich met mijn angstige, schuchtere benadering van het leven soms geen raad wist: ‘Ik begrijp dat kind.’ Ik heb haar lang niet begrepen, niet echt. Maar nu, na twee maanden huisarrest, wél. Dit bestaan bevalt mij. Mijn lichaam voelt minder verkrampt. Het bombardement aan zintuiglijke prikkels is enorm afgenomen. Er mocht veel minder, maar er moést ook minder.

Knaagt de hunker naar verdere horizonten dan niet? Soms wel een beetje.

Maar als schrijver (en lezer) heb ik een beproefde ontsnappingsroute: mijn hoofd is de plaats bij uitstek om verre reizen te maken. Als ik Paolo Cognetti of Bregje Hofstede lees, dan ben ik in de bergen. Pak ik er Sylvain Tesson bij, dan breng ik de winter door aan het Baikalmeer in Siberië. Met Robert MacFarlane daal ik af in een gletsjer in Groenland en de catacomben van Parijs. In de broekzak van Elizabeth Gilbert dwaal ik via Italië en India tot in Bali, en Helen MacDonald neemt me mee naar de velden en hemelen rond Oxford waar ze met haar havik jaagt. Met Tonke Dragt reis ik naar de vochtige, hete wouden van Venus zoals zij die ooit voor zich zag. En het hoeven niet altijd verre plekken te zijn: Evelien De Vlieger volg ik op haar innerlijke reis naar zichzelf, in de caravan in haar achtertuin.

De wereld is zo rijk en zo groot als we hem in onszelf kunnen maken. Ons innerlijke huis heeft ontelbaar veel kamers. Doe gewoon een andere deur open. Maak het jezelf gemakkelijk. Je bent thuis.



Leeslijstje van de hierboven vermelde boeken:
– Paolo Cognetti ~ De acht bergen
– Bregje Hofstede ~ Bergje
– Sylvain Tesson ~ Zes maanden in de Siberische wouden
– Robert MacFarlane ~ Underland
– Elizabeth Gilbert ~ Eat Pray Love
– Helen Macdonald ~ H is for hawk
– Tonke Dragt ~ Torenhoog en mijlenbreed
– Evelien De Vlieger ~ Caravandagen


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Nieuwe kaartjes!

Nieuwe postkaarten: Praten in sporen

Ik hoor u vragen: waarom nu?

Omdat Jurgen Walschot en ik plantengek zijn en de lente een uitstekende gelegenheid is?
Omdat woorden en beelden tijdloos zijn en harten kunnen verwarmen?
Omdat we zo de afstanden tussen ons en onze geliefden toch een beetje kunnen overbruggen?

Inderdaad, om al die redenen, en nog een paar.

Praten in sporen

Prijs:
12 euro/reeks (= 6 verschillende kaarten, worden niet afzonderlijk verkocht) – verzendkosten niet inbegrepen
vanaf 2 reeksen een exemplaar van ‘Portaal’ gratis per extra aangekochte reeks

Bestelling en betaling via mail en overschrijving of via de webshop (enkel PayPal).

Kleine tip: de voorraad is beperkt, dus in geval van interesse: niet te lang wachten. 😉

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

Virusje spelen

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~7~

Okay, this is when the gloves come off.

Ik was een jaar of twintig toen ik in een cinemazaal Hugo Weaving tegen Lawrence Fishburne zag zeggen: ‘Human beings are a virus.’ Het was een eye-opener zoals je er maar een paar in je leven krijgt, en ik ben nog altijd van mening dat de Wachowsky brothers het toen bij het rechte eind hadden. The Matrix werd de standaard voor alle actiefilms met special effects die ooit nog zouden volgen. Maar het zijn ook hun ideeën die wortel hebben geschoten bij generaties kijkers.


Agent Smith is als personage een regelrechte creep, maar metaforisch heeft hij met zijn uitspraak gewoon gelijk. De menselijke soort gedraagt zich op het niveau van de planeet als een virus in een lichaam. We nemen in razendsnel tempo meer oppervlakte in dan goed is voor het geheel, we vervuilen en tasten elke biotoop aan waar we ons vestigen, putten de voorraden uit en geven onze gastheer niet de kans zich voldoende te herstellen.

Een lichaam zal zijn uiterste best doen om het virus te verslaan, of eraan bezwijken. In beide gevallen sterft het virus zelf ook – tenzij het een nieuwe drager vindt. Aangezien wij als menselijke soort niet meteen een planeet B hebben om te besmetten – pardon, naar te verhuizen – zouden we dus beter twee keer nadenken. Het wordt tijd dat we stoppen met het virus uit te hangen.

Eén manier om dat te doen, is de dood herwaarderen.

(c) Inaya photography

Okay, let’s rewind.

Er is niets mis met de dood.

In tijden als deze, waarin we bang gemaakt worden met sterftecijfers en er op elke straathoek wordt gezwaaid met de heiligheid van het menselijk leven, klinkt die uitspraak wellicht nogal cru. Maar we kunnen niet om de simpele natuurwet heen: de dingen groeien tot ze uitgegroeid zijn. Dan gaan ze dood, vallen ze uiteen en worden ze voeding voor al wat na hen komt. De dood is nódig, op elk niveau. Een cel die zich ongebreideld blijft uitbreiden, is een kankercel. De dingen moeten ergens eindigen, zodat nieuwe dingen kunnen groeien. De dood is de compagnon van het leven, niet de tegenstander.

Dat we dat als mensen niet zo fijn vinden, heeft vooral te maken met hoe we onszelf door middel van slimme verhalen hebben overtuigd dat we boven de natuur staan, en dat we dus ook boven de dood zouden moeten staan. Als individu én als soort. Het is precies daarom dat we zonder het te beseffen virusje zijn gaan spelen.

Maar we staan helemaal niet boven de natuur, leert corona ons. Niks van. We zijn er een piepklein, zij het eigenwijs, deeltje van. En we gaan nog altijd allemaal dood. Aan ouderdom. Aan ongelukken. Aan een virus. En dat is, hoe triestig we dat ook vinden, prima.

Let wel, de diepe eenzaamheid van zwaar zieke mensen deze dagen vind ik absoluut niet om mee te lachen. We kunnen niet tegenhouden dat we doodgaan, maar we hebben verdomd wel een hand in de manier waarop. En bij sommige middelen die we inzetten om deze pandemie aan te pakken heb ik fundamentele twijfels op vlak van verbondenheid en welbevinden.

(c) Inaya photography

Maar de dood zelf vind ik geen vijand. Ook niet als hij komt door Covid-19. Wat dit virus ons ontnomen heeft, schrijft de Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer, die van in Italië de diepste ellende van nabij meemaakt, is onze illusie van controle. Niet de controle die we hadden, maar de illusie dat we ze ooit hadden.

Uit dromen moet je wakker worden. Dus laten we de dood verwelkomen. Niet als een spook met een zeis, een vijand om tegen te vechten, maar als een vorm van balans. Als een wake-up call die ons leert dat alles grenzen heeft. We zijn aan het ontwaken, net als Neo in The Matrix, in de echte wereld. Dit is het moment om Agent Smith te bewijzen dat hij ongelijk had. En snel wat.

Okay, let’s accelerate.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

ZAAILING #82 – Wilde geest

Deze Zaailing kwam tot stand naar aanleiding van een hartverscheurende gebeurtenis. Je leest het relaas van Jurgen hier.

Maar wilde geesten laten zich niet tegenhouden. Hun schaduw blijft onverstoord en ongehinderd door de schemering glippen.
In onze herinnering. Op papier. In werkelijkheid.



Wilde geest

Ik wil je weer vrijbuiter zien, vluchtig
als wind, scherp als een bijtende streek
die je telkens weer vergeven wordt.

Want wilde geesten zijn niet gemaakt
voor duisternis, zelfs niet in herinnering.
Ik ken jou tot je laatste strakgespannen spier.

Vaste voet aan de grond gun ik je
hier waar schaduwen met de kleur van koper
en zonsopgang alles verlichten op hun pad.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg