Er is loslaten, en… loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb dit jaar heel veel tijd doorgebracht op ons terras, overschaduwd door de takken van drie dicht naast elkaar groeiende eiken. Dat terras bevindt zich op de eerste verdieping en dat wil zeggen dat we letterlijk in de takken zitten. Heerlijk vind ik dat.

Dit jaar kondigde zich aan als een heel rijk eikeljaar. In de lente hingen de bomen vol, écht vol: handenvol rijpende eikeltjes aan één tak. Maar de klimaatverandering hakte erin. Begin augustus, lijdend onder de aanhoudende hitte en droogte, begonnen de eiken noodgedwongen hun kostbare oogst te lossen, veel te vroeg. Alles werd op een mum van tijd bedekt onder een tapijt van onrijpe, groene eikels. We veegden ze van het terras af, naar beneden de tuin in. Een dag of wat later zag het eruit alsof we nooit geveegd hadden.

Het was zielig en zonde, maar het leverde ook grappige taferelen op. Eikels die vallen van dik tien meter hoog doen pijn! Buiten eten (wat we heel graag en zo lang mogelijk doen) werd bij momenten een risicovolle bezigheid, je wist nooit wat je op je bord, op je hoofd of in je kopje koffie ging krijgen.

Intussen is het herfst. En de eikels vallen nog. Nu zijn ze bruin en steviger, en ze vallen ook harder. Werden ze in augustus met spijt door de boom gelost, nu worden ze bijna gekatapulteerd. Ze stuiteren van het terras, ketsen terug, een meter of hoger soms, en belanden niet zelden vanzelf in de tuin, een verdieping lager. Wie ze op zijn hoofd krijgt, weet even niet wat hem overkomt.

We genieten ervan. Hoe harder ze vallen, hoe blijer ik word. Dit is zó’n verschil met de zomer.

Zomerzonde (c) Inaya photography



Ik kan me niet ontdoen van het idee dat de eik een soort plezier heeft in dit afvuren van eikels. Er is sprake van doelgerichtheid, spunk. Ik gun hem (nee, als ik eerlijk ben voelt het als haar) elke welgemikte hoop op voorplanting. Ik bescherm wel mijn gsm als ik die meeneem naar buiten – één foute (of welgemikte?) inslag en ik kan hem vervangen, zoveel kracht hebben die projectieltjes.

Dit is geloof ik het verschil tussen loslaten omdat je niet anders kunt, uit noodzaak dus, en loslaten omdat het moment juist is en je er klaar voor bent. Het is het verschil tussen verlies en vooruitgang.

Binnenkort slaan de weersverwachtingen om en krijgen we meer kilte en regen. Prima, het werd tijd. Zo hoort dat in dit seizoen, en wie weet hoe lang kennen we hier nog iets wat op een echte herfst lijkt. Ik ga het terras wel missen, inclusief het ketsende, petsende eikelbombardement. Maar op dit moment ben ik gewoon blij dat ik het verschil tussen de beide zo bewust en zo duidelijk heb mogen meemaken.

Het brengt mij bij een derde vorm van loslaten, de mooiste misschien, degene die ik zelf verkies, als ik er iets aan te zeggen heb. Die heeft niets met eikels te maken, en alles met waterdruppels.

(c) Inaya photography



De zwartbladige moerasplant die ik meebracht uit een magische tuin in Zuid-Frankrijk koestert elke regen- of dauwdruppel als was het een parel. Hoe het water zich op de bladeren verzamelt, zwelt, schittert, en vervolgens loom en elegant naar beneden glijdt, het is een levende meditatie.

Dát is loslaten, denk ik dan.
Geen pijnlijk verlies uit schaarste, waarbij prachtig potentieel ongebruikt en met spijt moet worden gelost.
Geen ambitieus en doelgericht mikken, met een voortdurende kans op teleurstelling als het projectiel niet landt in vruchtbare grond.
Wel dit: een helder, zacht verzamelen van zichzelf, tot het zo vol is dat momentum vanzelf ontstaat: de omvang van de waterdruppel overstijgt de grip van het blad en rolt er in een laatste liefkozing vanaf, richting bestemming. Het blad houdt niets tegen, houd niets vast, en mist niets. Het laat los en ligt open voor de volgende dauw of regenbui.

Zo loslaten is schenken.
Zo losgelaten worden, is gratie.

(c) Inaya photography

De ligstoeltoestand

(c) Inaya photography



Ik kreeg niets gedaan deze vakantie.

Is dat niet waar vakanties voor dienen, hoor ik u denken. Om achterover te liggen in een strandstoel en niets gedaan te krijgen?

Meestal wel, inderdaad. Het was ook lang zo voor mij. De openingspassage van Anne Morrow Lindberghs Gift from the sea beschrijft bijzonder treffend het gevoel dat ik als adolescent en later als volwassene vaak had als ik op vakantie ging aan zee: hoe de immense ruimte die gecreëerd wordt door strand en water, de getijden en de wind, alles wegspoelt van concrete gedachten en plannen die je misschien nog heimelijk op zak had. Ik ben vaak aan vakanties begonnen met het idee: dan ga ik eindelijk schrijven. En na twee dagen gaf ik het op, of er nu zee aan te pas kwam of niet. Er lukte totaal niets. En dat was niet erg.

Lindberghs woorden zijn zó mooi, en zó juist, dat ik ze hier graag deel in een gelegenheidsvertaling.

(c) Inaya photography



“Het strand is niet de plaats om te werken; om te lezen, te schrijven noch te denken. Dat had ik moeten weten van vorige jaren. Te warm, te vochtig, te vormeloos voor werkelijk mentale discipline of scherpe scheervluchten van de geest. Maar je leert het nooit. Hoopvol zeul je de verschoten rieten mand mee, uitpuilend met boeken, wit papier, achterstallige correspondentie, vers geslepen potloden, lijstjes, en goede voornemens. De boeken blijven ongelezen, de potloden breken hun punten, en de papieren blijven even blank en smetteloos als de wolkeloze lucht. Er wordt niet gelezen, niet geschreven, zelfs niet helder nagedacht – tenminste, niet meteen.

Eerst neemt het vermoeide lichaam het over. Cruisegewijs laat je je zakken in de apathie van de ligstoel. Je wordt tegen je eigen hoofd en al je keurige voornemens in teruggedrongen in de oeroude ritmes van de kustlijn. De golven die aanspoelen op het strand, de wind in de pijnbomen, de trage vleugelslag van reigers over de duinen, ze overstemmen de hectische ritmes van stad en verkaveling, van uurroosters en schema’s. Je bezwijkt onder hun bezwering, je ontspant, gaat languit liggen. Je wordt in feite zoals dat element waarop je ligt, uitgevlakt door de zee; bloot, open, leeg als het strand, door de getijden van vandaag blank gegomd van alle krabbels van gisteren.

En dan, ergens in de loop van de tweede week, wordt de geest wakker, komt weer tot leven. Niet in de stadse zin – nee – zoals de zee. Hij begint te zwalpen, te spelen, om en om te rollen in zachte, achteloze tuimelingen zoals die lome golven in de branding. Je weet nooit welke toevallige schatten deze onbewuste deining naar boven zal woelen en tot op het gladde witte zand van de bewuste geest zal dragen; een perfect gepolijste steen, een zeldzame schelp die rustte op de zeebodem. Een wentelwulk misschien, een maanschelp, of wie weet zelfs een papiernautilus.

Maar je mag er niet naar zoeken, of – godbetert! – naar graven. Nee, geen gebagger op de zeebodem hier. Dat zou de hele onderneming zinloos maken. De zee beloont niet wie te gehaast is, te hebberig, te ongeduldig. Naar schatten graven is niet alleen een teken van ongeduld en hebzucht, maar ook van een gebrek aan vertrouwen. Geduld, geduld, geduld, dat is wat de zee leert. Geduld en vertrouwen. Je moet leeg liggen, open, blank van keuze als een strand – en wachten op een geschenk van de zee.”

(Anne Morrow Lindbergh – Gift from the sea, Chatto & Windus Publishers, p. 21-23 – mijn vertaling. Engels origineel: zie onderaan deze blog)


(c) Inaya photography



En zo was het dus ook voor mij, heel lang. Vakantie was: overal de stekker uit trekken. Het was aanvaarden dat ik er bijvoorbeeld niet in zou slagen om te schrijven, dat dat vreemd genoeg beter lukte in de scherpte van het dagelijkse werkleven, zelfs al leek er dan juist minder tijd voor te zijn. Ik had Anne Morrow Lindbergh toen nog niet gelezen, maar elk woord dat ze schrijft, komt overeen met mijn ervaring.

Alleen de laatste jaren was daar wat verandering in gekomen. Dat viel samen met het steeds regelmatiger schrijven van deze blog, en het (her)ontdekken van het artistieke proces aan de hand van de Zaailingen. Die creatieve dialoog luwde wel een beetje tijdens de zomermaanden, maar viel nooit echt stil. En omdat ik op mijn blog zoveel te vertellen had dat altijd bruggen sloeg tussen mijn dagelijks leven, mijn innerlijke omzwervingen en mijn ambacht, gingen werk en leven steeds meer in elkaar overvloeien en ging de blog gewoon mee op vakantie. Mijn hoofd en mijn creatieve drive stonden in feite nooit meer af.

Dit jaar lukte het niet. Ik ging met mijn gezin naar mijn ouders, heel blij hen terug te zien en een paar weken uit de benauwde Covid-bubbel van Vlaanderen te kunnen ontsnappen naar de uitgestrekte vergezichten van het Franse platteland. Het was er warm en weldadig. We kozen onze zeer schaarse ontmoetingen zorgvuldig en genoten daarvan. Op de markt droeg iedereen mondkapjes, maar het was gezellig. Ik hielp mijn mama met de planten en het eten, we praatten, we lazen, speelden spelletjes, redden beestjes uit het zwembad waarin mijn zoon elke dag rond plonsde en ik nu en dan eens ging zwemmen. Er moest niets, er was tijd en ruimte.

(c) Inaya photography



Ik voelde me prima, maar for the life of me kreeg ik geen blog uit mijn pen gewrongen. Ik maakte wel een paar krachtige momenten mee, maar ik voelde dat ik ze zelf eerst moest laten bezinken voor ik er iets over zou kunnen schrijven. Ik werkte één Zaailing af, omdat ik met een vormelement wilde experimenteren (die delen we misschien nog, of misschien ook niet), maar het had veel weg van kleine brokjes taal weghakken uit massief en ontoegeeflijk graniet, en nadien had ik totaal geen fut meer om woorden te formuleren, er stroomde niets.

Dat was best bevreemdend en het duurde even voor ik het door had: ik was op vakantie gegaan. Echt, dit keer. Mijn geest was overgegaan op ruis, zoals het geluid van de wind in de eiken aan het zwembad, en vervolgens op zachtjes zwalpen en dobberen.
Ik verwelkomde de ligstoeltoestand, de warme, aardige vorm van apathie. Dan registreer je, voel je, laat je alles komen en gaan. Dan geniet je en kom je tot rust. Maar dan schrijf je geen heldere stukken.

Dus dat is wat ik deed, de afgelopen weken. Niets. Het was nodig. Het mocht.

En nu ben ik er weer. Met goesting. Met een vers geslepen potlood, zoals Anne Morrow Lindberg het zegt, en mijn geest verfrist en gescherpt.

Er staat heel wat te gebeuren. En de woorden zijn er ook klaar voor.

(c) Inaya photography





Anne Morrow Lindbergh – Gift from the Sea (p.21-23)
The beach is not the place to work; to read, write or think. I should have remembered that from other years. Too warm, too damp, too soft for any real mental discipline or sharp flights of spirit. One never learns. Hopefully, one carries down the faded straw bag, lumpy with books, clean paper, long over-due unanswered letters, freshly sharpened pencils, lists, and good intentions. The books remain unread, the pencils break their points, and the pads rest smooth and unblemished as the cloudless sky. No reading, no writing, no thoughts even – at least, not at first.
At first, the tired body takes over completey. As on shipboard, one descends into a deck-chair apathy. One is forced against one’s mind, against all tidy resolutions, back into the primeval rhythms of the sea-shore. Rollers on the beach, wind in the pines, the slow flapping of herons across sand dunes, drown out the hectic rhythms of city and suburb, time tables and schedules. One falls under their spell, relaxes, stretches out prone. One becomes, in fact, like the element on which one lies, flattened by the sea; bare, open, empty as the beach, erased by today’s tides of all yesterday’s scribblings.
And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no – but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a chanelled whelk, a moon shell, or even an argonaut.
But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach—waiting for a gift from the sea.

ZAAILING #84 – Alles wat ooit was


Als een gordijn dat langzaam het toneel
prijsgeeft, walsen de wolken
met de eerste aarzelende stralen licht.

Soms is betovering solide als rots.
De ochtend proeven, de belofte
van de tocht die ons pas na pas omhelst.

Haast leert de reis ons af, tot we leren
vallen als regen, voor elke stap
een weerschijn in de wolken

voor elk ogenblik een druppel. Maar die ene,
die zowel het licht vangt als de schaduw,
gestold in het moment als een geschenk

dat de adem inhoudt, die
verandert het verhaal, en ons
en alles wat ooit was.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Fantoompijn

De wereld wordt nooit meer zoals hij was, zeggen ze.

(c) Inaya photography


Vanuit mijn veilig holletje, in een huis met een tuin die elke dag mooier wordt, met voorraadkasten waarin ik niets tekort kom, een gezin dat ik graag zie en familieleden in binnen- en buitenland die het goed stellen, is het moeilijk mij daar een beeld van te vormen. Of nog simpeler: ik kan dat niet.

Dit zijn Schrödingerdagen – dagen waarop alles mogelijk lijkt en niets nog kan.
Dit zijn dagen waarin de toekomst gloort met de hartverwarmende hoop van een bocht richting duurzaamheid, en tegelijk elke ontsnapping uit het neoliberale virus dat de planeet sloopt een illusie lijkt geworden.

Het zijn dagen dat ik mezelf de grootste gelukzak ter wereld vind. Het zijn dagen dat ik de muren oploop.

Het zijn dagen dat ik mezelf betrap op het verlangen naar een terugkeer naar wat ‘normaal’ is. Maar eigenlijk wil ik dat ook niet. Want ‘normaal’ was een ecologische en humanitaire ramp, een droom van blinde economische machtswellust, met de mens als losgeslagen virus op een koortsig belegerde planeet.

Het zijn dagen waarin ik ongerust ben voor wat de Machten die deze wereld besturen zullen beslissen, over onze hoofden heen. Ik ben bang dat alles teruggaat naar het oude. Ik ben bang dat niets nog teruggaat naar het oude.

Mijn hele leven jeukt en schuurt.

Ik lijd aan fantoompijn, geloof ik. Alleen weet ik nog niet zeker of de ledemaat die ik voel jeuken écht geamputeerd werd, of gewoon even buiten gebruik is gesteld.

Ik weet niet welke van beide scenario’s ik verkies.

Ik zie de wereld dezelfde blijven als hij altijd al was.
Ik zie de wereld onherroepelijk veranderen, en al onze levens erbij.

Gelukkig brengt de natuur raad, zoals altijd. In wat voorbij is, schuilen altijd de zaden van een nieuw begin.

En ik koester, bij gebrek aan beter, mijn fantoompijn als een springlevende vorm van herinnering.

(c) Inaya photography