Schoonmaakploeg in vier shiften

bloody-vulture.ngsversion.1480973645113.adapt.1900.1.jpg
 (c) Charlie Hamilton James – Bloed druipt van de bek van een Rüppel gier. De nek en de kop van het dier hebben weinig veren, zodat er geen vuil, ingewanden of uitwerpselen blijven hangen als hij zijn kop diep in een karkas steekt. Deze foto werd oorspronkelijk hier gepubliceerd in Januari 2016

Ik hou van gieren.
Ik ken geen ander dier dat met zo’n waardigheid de hoge luchtlagen domineert, en op de grond de taak van schoonmaker op zich neemt.

Wie door de Grand Site des Gorges du Tarn, de la Jonte et des Causses trekt en zich ophoudt in de buurt van de kliffen die door de rivieren Tarn en Jonte werden uitgesneden in het hoogplateau, hoeft niet lang te wachten voor hij ze ziet: donkere silhouetten in de lucht, indrukwekkend zoals alleen grote roofvogels dat zijn.

Er is iets machtigs aan de manier waarop gieren zweven. Ze navigeren meesterlijk op stijgende luchtstromen, halen grote snelheden en blijven uren in de lucht zonder één keer met hun vleugels te slaan. Eentje doet ons onverwacht de eer van een scheervlucht, rakelings langs het plateau. Het zonlicht op zijn vleugels laat elke veer glanzen.

 

Gorges & Causses 218 - kopie.JPG
(c) KV

Van kop tot staart is een vale gier ongeveer een meter lang, en zijn vleugelspanwijdte kan meer dan tweeënhalve meter bedragen. Hij weegt pakweg acht kilo. De monniksgier is zelfs nog wat groter dan zijn vale neef (spanwijdte bijna drie meter) maar wel lichter gebouwd. Monniksgieren leven minder graag in groepen en nesten liever in boomtoppen dan op kliffen.

Gieren zijn niet alleen indrukwekkend en gracieus, ze zijn ook ongelooflijk nuttige dieren. Als een schoonmaakploeg in vier shiften kunnen Europese gieren samen een kadaver opruimen tot er geen spoor meer van te vinden is.

Nadat kraaien hebben nagegaan of de prooi werkelijk dood is, arriveren de gieren. Het is drummen rond het kadaver maar niemand kan aan de maaltijd beginnen voor de monniksgieren ter plaatse zijn. Zij doen het zwaarste werk en scheuren het kadaver open. De vale gieren verdelen de grote, malse stukken van spieren en ingewanden. Door zijn lange nek zonder veren kan de vale gier zijn kop redelijk diep in het kadaver steken en blijft hij gezien de omstandigheden behoorlijk schoon. Ondertussen doen de monniksgieren zich tegoed aan de huid, en de vrijgekomen pezen en het kraakbeen. Als deze twee groepen hun deel hebben gehad, moeten de veel kleinere aasgieren zich tevreden stellen met de restjes en pikken het karkas schoon tot op het bot. En voor die botten wordt tenslotte gezorgd door de lammergieren, een opvallende donkere soort met een oranje buik en karakteristieke kop. Lammergieren laten de botten van op grote hoogte met indrukwekkende precisie naar beneden vallen, waar ze tegen de rotsen in stukken slaan. Als zij klaar zijn met hun deel van de maaltijd, blijft er van het kadaver geen splinter meer over.

70.000 jaar lang leefde de vale gier in Frankrijk vreedzaam samen met de mens, maar in het midden van de 19e eeuw kwam daar verandering in. Hij werd het slachtoffer van vergiftiging (lood in aangeschoten wild, vergif in kadavers bedoeld voor wolven of vossen) maar stierf vooral uit door hongersnood omdat de boeren hun dieren uit hygiënische overwegingen niet meer op het land lieten liggen. Rond 1950 verdwenen de laatste vale gieren in Frankrijk. In de loop van de jaren tachtig werd werk gemaakt van hun herstel door dieren geboren in gevangenschap opnieuw te introduceren in het wild. Een volière met vale gieren werd op een van de kliffen van de Jonte geïnstalleerd en stapsgewijs wenden de dieren aan de vrijheid. Het project werd een succes: dertig jaar later bevolken meer dan tweehonderd wilde vale gieren de Gorges de la Jonte et du Tarn, en domineren ze er het luchtruim.

gorges-causses-304

 

Het laatste woord is voor David Abram, goochelaar, filosoof, diep-ecologisch mens en stichter van the Alliance for Wild Ethics:

“Ik bracht een tijdje een bezoek aan een Sherpa dzankri , wiens rotshut was aangebouwd tegen een van de steile berghellingen van de Khumbu-streek in Nepal. Op een van onze wandelingen langs de smalle bergpaden die langs de flanken kronkelen, wees de dzankri me op een bepaalde uitstekende rotspunt, waar hij soms “danste” als hij zich voorbereidde op een bijzonder moeilijke genezing. Ik herkende de rots een paar dagen later, op de terugweg van de hoger gelegen yakweiden naar de hut van de dzankri , en ik klauterde op de rots, niet om te dansen, maar om naar de bleke wit en rode korstmossen te kijken die zijn oppervlak tot leven brachten, en om uit te rusten. Aan de overkant van de droge vallei zweefden twee lammergier condors tussen de glinsterende, met sneeuw bedekte toppen. Het was een zinderend zonnige dag in de Himalaya, helder als een kerkklok. Algauw pakte ik een zilveren munt uit mijn zak en begon doelloos een eenvoudige goochelvingeroefening, waarbij ik de munt over de knokkels van  mijn rechterhand liet rollen. Ik had de gewoonte van deze redelijk monotone oefening opgepikt als een soort antwoord op het eindeloze ronddraaien van de gebedskralen van de oudere Sherpa’s, een praktijk die gewoonlijk vergezeld werd door het repetitieve gebedsgezang: “Om Mani Padme Hum” (O, het Juweel in de Lotus). Maar er hoorde geen gebed bij mijn rollende zilveren munt, behalve mijn zachte ademhaling en het verblindende zonlicht. Ik merkte dat een van de twee condors in de verte weg gezwenkt was van zijn partner en nu met uitgestrekte vleugels boven de vallei zweefde. Terwijl ik hem groter zag worden, realiseerde ik me, met een zekere vreugde, dat hij grofweg mijn richting op kwam; ik stopte met spelen met de munt en staarde. Maar juist op dat moment stokte de lammergier in zijn vlucht, bleef even bewegingloos hangen, keerde om en ging terug naar zijn partner in de verte. Teleurgesteld pakte ik de munt weer op en liet die opnieuw langs mijn knokkels rollen. Het zilveren oppervlak ving het zonlicht bij het draaien, en spiegelde de stralen terug naar de lucht. Onmiddellijk week de condor af van zijn route en maakte in een wijde boog rechtsomkeer. Weer zag ik hem groter worden. Toen de omvang van de vogel duidelijk werd, voelde ik de rillingen over mijn rug lopen. In mijn huid ontwaakte een bijenzwerm, in mijn oren klonk steeds luider een soort gezoem. De munt bleef tussen mijn vingers rollen. Het dier werd groter, en nog groter, tot het, plots, daar was – een immense silhouet juist boven mijn hoofd, met gigantische vleugelpennen die zachtjes ruisten bij het bespelen van de wind. Mijn vingers waren bevroren, en konden niet meer bewegen; de munt viel uit mijn hand. En toen voelde ik mezelf uitgekleed door een onwereldlijke blik, oneindig veel helderder en scherper dan de mijne. Ik weet niet hoe lang ik daar gehypnotiseerd zat, alleen dat ik nog de lucht langs mijn blote knieën voelde strijken en de wind in mijn veren hoorde fluisteren lang nadat de Bezoeker vertrokken was.”

(Uit The spell of the sensuous, p. 23-24, mijn vertaling)

Gorges & Causses 221 ed.jpg
(c) KV
Advertenties

Indiaan worden

Ik word indiaan.
Als het ooit het moment was, dan wel nu.

Al van toen ik een kind was, genoot ik van de verhalen over het Wilde Westen, vol schermutselingen tussen cowboys en indianen. Ik koos gewoonlijk de kant van de roodhuiden, wat voor aandeel ze ook hadden in het verhaal. Er was iets met hun wilde natuur, hun diepe verbondenheid met het land, hun levenswijze, dat iets wakker riep wat ik alleen maar kan omschrijven als een roep om thuis te komen.

Ik herinner me dat mijn moeder als klein meisje ook dol was op de indianen. Misschien heeft haar vereenzelviging de mijne beïnvloed, maar er was altijd meer aan de hand dan dat.

usa-2006_447

Tien jaar geleden bezocht ik de indianenreservaten in Utah en Arizona en huilde. Reizend door de eindeloze rode woestijn voelde ik steeds weer dezelfde droeve mantra. We can never again go home. Ik had heimwee naar een volk waar ik niet toe behoorde in een tijdperk toen ik niet op aarde leefde. Niet in dit leven, tenminste. Maar de doffe dreun van de pijn gaf het ritme van mijn reis aan, en ik respecteerde dat. Ze leverde de brandstof  voor twee adolescentenromans toen ik thuiskwam. De eerste regels van dat verhaal schreef ik in hotels en op het vliegtuig, in een schrift dat ik in een of ander grootwarenhuis langs een Amerikaanse snelweg had gekocht.

Vandaag lees ik David Abrams monumentale boek The spell of the sensuous, en ervaar ik de levende, ademende wereld om me heen niet alleen scherper dan ooit tevoren, dankzij zijn evocerende stijl  die mij herwortelt in de pulserende bodem van het bestaan als de dierlijke levensvorm die ik uiteindelijk ben; de inzichten die ik krijg door zijn omzwervingen en zijn diepe contemplatie brengen me ook dichter bij het mysterie van de schoonheid van het bestaan, de magie van creatie, en voor de eerste keer in mijn leven kijk ik door de lens van het leven met iets wat lijkt op indianenogen.

Het voelt als thuiskomen. In de wilde natuur. In de magie van het bestaan. In de oude, inheemse culturen die ik al mijn hele leven liefheb zonder echt te begrijpen hoe of waarom.

Vandaag lees ik het nieuws dat de Waterbeschermers van Standing Rock een grote overwinning hebben geboekt door hun vreedzaam verzet, hun gebed en hun onverzettelijkheid om datgene te beschermen wat heilig is.

Ik ben zo lang bezorgd om ze geweest. Ik brandde kaarsen, telkens als het duister al te dichtbij leek te komen. Ik werd geraakt door hun groeiende aantallen, hun verbondenheid, recent nog de aankondiging dat een grote groep oorlogsveteranen naar het kampement afzakten met de bedoeling om te dienen als menselijke schild. Toen ik vanmorgen het nieuws las dat het leger geen toestemming gaf om de pijpleiding door hun gebied (en dat van de Sioux) te trekken, kreeg ik het bijna kwaad.
Voor een keer lijkt het alsof gebed en gemeenschap wonderen kunnen verrichten.
Ik heb nog nooit zo hard een indiaan willen zijn als vandaag.

Ik ben niet naïef.
Ik weet dat er rechtszaken zullen komen, en meer confrontaties. Er is een Trol die op het punt staat de trappen van het Witte Huis te bestijgen, met een leger Orcs in zijn kielzog. De donderwolken zouden nog wel eens een heel stuk donkerder kunnen worden. Maar de hoop die vandaag het licht zag, vanuit het hart en het verzet van een vredelievende en spirituele gemeenschap van inheemse volkeren, zal niet zo gemakkelijk gedoofd worden.

Ik word nu indiaan. Het is de hoogste tijd.