Grote zus

Een overlijdensbericht bij de post. Ik denk aan de lieve kennis van wie ik weet dat ze zwaar ziek is.
Ik plooi de brief open, een zielloos, koud ontwerp. Ik zie een Engelse naam en mijn eerste vrees is: familie van mijn man uit de VS. AFS-ouders zo oud als onze eigen ouders, en dus nog te jong om nu al te verliezen.

Het blijft een paar seconden troebel, omdat de woorden niet accorderen met wat ik kan begrijpen of accepteren. Maar de betekenis dringt uiteindelijk toch tot mij door.

Het is niet de lieve kennis. Het is geen familie uit Amerika.
Ik lees mijn eigen naam.

Soms verlies je mensen uit het oog. Eerst zijn ze een tijd erg belangrijk in je leven, maar op zeker moment drijven ze stilletjes bij je vandaan. Je verstaat elkaar niet meer zo goed als vroeger. Je laat elkaar los. Je vraagt je nu en dan af hoe het met de ander gaat, maar je contacteert haar dan toch maar niet. De laatste ontmoeting was immers niet zo’n succes.

Wat een rotte manier om nu toch afscheid te moeten nemen.
Haar familie heeft mijn adres gevonden. Of heeft zij het hen bezorgd?

My dear… why didn’t you reach out?

david-newbatt
David Newbatt – Bathing in the pool. Kocht ik deze kaart voor jou? Kreeg ik ze van jou? Ze is het eerste waar ik aan denk .

Soms herken je iemand, en omarm je een vreemde als een verwant, omdat het op een of andere manier gewoon zo is.

Sherry.
Je kruiste mijn pad tijdens een opleiding die ik volgde op een heel diep en fragiel moment in mijn leven. Je ademde wijsheid. Je was een cancer survivor, puur op je eigen kracht en met een batterij aan research en alternatieve middelen, tegen alle adviezen van artsen in. Je was een sterke vrouw met een scherpe geest en een heerlijk Brits gevoel voor humor.

Sherry, wij kwamen thuis bij elkaar. Niet zo gek, want we deelden veel. Verstand, gevoeligheid, een liefde voor energiewerk, een liefde voor dagboeken en voor graven in onszelf en onze evolutie. Kwetsbaar en oersterk tegelijk. Onze paden liepen een hele tijd parallel. Bovendien hadden we – lichtjes ongelooflijk – dezelfde voornaam, én dezelfde geboortedatum. Mijn oudere tweelingzus leek je wel. We stuurden elkaar jaren wederzijdse verjaardagskaartjes. Onze dag.

Mijn naam was jouw échte voornaam. De naam waarmee iedereen je nu aansprak, legde je uit, was er gekomen omdat je Zweedse moeder in je kindertijd hertrouwde met een Brit en je toen ongevraagd met zich meenam om daar te gaan leven. Tsjisjtin (zoals onze naam in het Zweeds eigenlijk wordt uitgesproken) zou geen Engelsman over de lippen krijgen en vroeg dus om een verengelsing. Naturally.

We gingen door een heleboel interessante kronkels in onze persoonlijke ontwikkeling, en gebruikten elkaar voor een stuk als herkenningspunt. Je was bijna dertig jaar ouder dan ik, maar dat leek niet te deren.
Jij was mijn wijze klankbord, degene die me de juiste kritische vragen stelde op het juiste moment. Je geest was zo scherp, ik kon weinig of niets voor je verbergen.
Die geest was ook je vloek. Je kruisigde jezelf ermee. Je worstelde, harder en bewuster dan ik ooit enig mens heb zien worstelen, om in je emoties te kunnen afdalen, de gevoelens die daar om uitdrukking smeekten gewoon te kunnen laten zijn, je eraan over te geven zonder de angst om erdoor te worden vernietigd. Je werkte hard om tot dat punt te komen. Elke stap van dat proces leek zo zwaar voor jou. Er was zoveel weerstand te slopen.

Tegelijk kon ik zien, steeds duidelijker met het verglijden van de jaren, dat jij bleef worstelen met dezelfde oude demonen. Ik betrapte mezelf op de gedachte dat ik naar je opgekeken had, en dat ik nu op gelijke hoogte gekomen was maar jij blijkbaar niet meer evolueerde. Zo voelde jij het niet. Je had het gevoel dat je juist een aantal waardevolle inzichten aan het formuleren was, en je wilde er voor het eerst in je leven mee naar buiten komen – een heel gewaagde stap voor jou; ik herinner me dat het ooit maanden van deliberatie vroeg of je al dan niet een LinkedIn-profiel zou durven aanmaken…

Misschien heb ik je evolutie toen niet genoeg gewaardeerd. Indertijd – onze laatste e-mails dateren van 2013 – dacht ik alleen maar: Jesus, Sherry, after all this time, are you still trying to get over that part of your childhood? Een aantal van de dingen die je me presenteerde om na te lezen klonken voor mij zó evident. Ik kon me niet voorstellen dat iemand als jij, die ik altijd op een hoger niveau dan mezelf had gezien, nog altijd bezig zou zijn om dingen te ontrafelen die ik ondertussen al jaren achter me had gelaten.

Ik zal nooit weten of ik het bij het rechte eind had, of dat jij gewoon een heel fundamenteel aspect van ons mens-zijn – de conceptie van de ziel, de relatie van kinderen met hun ouders en de manier waarop hen dat vormt en in zekere zin bepaalt voor de rest van hun leven – wilde uitdiepen tot op een niveau waar het voor mij zijn relevantie verloor, omdat mijn weg nu eenmaal gewoon een andere was dan de jouwe.

Hoe het ook zij, de conversatie verstomde. De voorgestelde nieuwe afspraak kwam er niet. En de stilte trad in. Drie jaar. In diepe vriendschappen niet eens zó veel. Maar genoeg om blijkbaar opnieuw ziek te worden, af te takelen, en in stilte te sterven.

Vorige week nog vroeg ik me af of ik toch niet nog eens contact moest opnemen, kijken hoe het met je ging. Het is te lang geleden, dacht ik. Het moet ongeveer het moment geweest zijn dat jouw familie mijn adres vond in je archieven en besloot mij een bericht van je overlijden te sturen.

Je laatste verblijfplaats was een palliatief centrum, leer ik als ik de naam opzoek van de instelling die bedankt wordt in je overlijdensbericht. Is de kanker uiteindelijk toch teruggekomen? Heeft iets anders het leven uit je weggevreten?

Ik kan me alleen maar afvragen: waarom heb je me niets laten weten? Ik zou gekomen zijn. Ik zou mijn tweelingzus begeleid hebben tot waar ze moest gaan.

K's Choice_103.JPG

Sherry, ik kom je overal tegen hier in huis. De amethyst die je me gaf, straalt op het kastje op de overloop. De hopeloos onpraktische toiletrolhouder in de vorm van een engel (geen rol die daarin past, tenzij hij al half opgebruikt is) houden we koppig in dienst.

Ik weet niet eens of ik een foto van je heb. Misschien sta je ergens, in een lade vol analoge prints, op de achtergrond. Een huwelijk, een feestje? Ik zal je gezicht waarschijnlijk tegenkomen op een moment dat ik het het minst verwacht. Of misschien ook niet. Maar ik heb geen foto nodig, ik herinner me nog perfect hoe je eruit zag. Je magere, bijna uitgeteerde lijf, de pezige holte aan je keel, het blauw van je ogen en het blond van je haren. Ik herinner me je stem, hoog en een beetje gebroken. Ik herinner me de twinkeling in je ogen toen je binnenviel op de house warming van het huis in Aalst dat Christophe en ik als eerste stap in ons leven samen hadden gehuurd, en hoe je daar iedereen charmeerde, je grote rieten mand naast je stoel zette, je wollen mantel die dienst deed als jas opzij sloeg en om een glas water vroeg. Je geraakte aan de praat met deze en gene, en ik holde van hier naar daar in de drukte. Na een half uur herinnerde je me luid en duidelijk ten aanzien van de hele kamer aan wat ik je bij het binnenkomen al beloofde: ‘Kirstin, could I please have my drink?’
Hilariteit.

Dat is hoe ik me jou zal herinneren.

Farewell, big sister.
Till we meet again.

Advertenties

Wat de pijl vraagt

Dat het tijd was voor andere horizonten, leerde het plateau mij.

Dat ik sommige dingen die mij alles gegeven hadden wat ze konden, mocht loslaten. Dat ik in plaats daarvan vlinders mocht volgen, liefdes mocht voelen. Dat ik gekke dromen en invallen mocht onderzoeken op hun toepasbaarheid in mijn dagelijkse realiteit.

Eén vlinder die passeerde, zelfs toen ik me nog volop in de verwarring van mijn ‘plateaufase’ bevond, was kyudo.

dsc_0324
Bron: https://tokyobling.wordpress.com/tag/kyudo

Ik had er eerder over gehoord, en ik werd er nu aan herinnerd. Een mens krijgt de juiste zetjes op het juiste moment. Een artikel gedeeld op Facebook, meer hoeft dat niet te zijn. Ga dat onderzoeken, fluisterde een stemmetje in mij. Ik zocht meer informatie, en ik herkende de roep van iets wat misschien wel bij mij paste. Het stemmetje fluisterde luid genoeg om contact op te nemen met de Belgische federatie en de dagen af te tellen tot de dojo in Brussel eindelijk weer open ging na de zomerstop, zodat ik kon gaan proeven van de eeuwenoude discipline van Japans boogschieten. Een combinatie van meditatieve concentratie en discipline met bescheidenheid, focus en meesterschap.

Ik wist toen niet wat ik moest verwachten. Maar ik schreef wel dit:

Kyudo:

To be straight like a tree,
firmly rooted and open to the world as the bow
is drawn and stretched;

to be focused on the moment
and only that, a pristine stillness of thought and action;
to release an arrow, not because
there is a target to be hit
but because that is what the bow is for and what the arrow
asks it to do;

to be a human bow, open,
firm and stretched to the point of utter focus
and to release one’s arrow into the world,
not because there is a target that needs to be met,
but because that is what you are for
and what the arrow asks you to do

 

Nu, een half jaar verder, heb ik geleerd dat, zoals alles wat schijnbaar moeiteloos gaat, deze meditatieve kunstvorm eigenlijk heel moeilijk is.
Ik heb geleerd dat er tweehonderd dingen zijn waarop je tegelijk moet letten.
En ik vermoed dat ik er, net als voor schrijven, waarschijnlijk talent voor heb.

02042010001
Bron: http://www.lx-archerie.fr

In december was ik uitgeput. Het jaareinde was door omstandigheden erg zwaar, ik was óp. Ik sleurde mezelf naar de training omdat ik het gevoel had dat ik dat aan mezelf verplicht was. Maar ik stond niet ‘in mijn kracht’. Ik schoot slecht, ik verwondde mezelf, tot twee keer toe (een boogpees die terugslaat op een blote arm = drie dagen schaaf/brandwonden en twee weken blauwe plekken).

Ik ging de kerstvakantie in met een wrang gevoel: was dit meer dan ik aankon? De trainingen vielen op weekdagen na het werk. Ik moest naar huis met trein en fiets en was doorgaans pas tegen elf uur ’s avonds thuis. Eén keer op twee moest ik de dag daarop om zes uur alweer uit de veren. Ik functioneer maar gezond met acht uur slaap, dus dit was per definitie roofbouw. Kon ik dit wel volhouden?

Ik nam vakantie, ik ging uitwaaien in de Pyreneeën, parkeerde tijdelijk mijn vragen en mijn onbehagen.
Vorige week ging ik, met een klein hartje en nogal wat reserves, terug.

Het ging goed.
Ik had bijgeleerd. Ik nam de tijd tussen redactie en dojo. Ik at lekker, ik ontspande. Ik was op tijd voor de training maar geen half uur meer te vroeg, zoals daarvoor. Ook de training zelf was verrassend goed. Mijn lichaam had een aantal dingen geïntegreerd. Mijn houding klopte, mijn bewegingen waren beter. Ik kon houdingen corrigeren. Ik schoot juist. Of alvast zonder mijzelf te verwonden.

Iedereen die ergens aan begint, droomt ervan om er goed in te worden. Maar ik neem de dingen één dag per keer, en ik kan nog niet met zekerheid zeggen of dit iets is wat ik op lange termijn kan waarmaken. De discipline van een aantal van de oudere leden, die mij geregeld minzaam helpen bij mijn stuntelende pogingen, maakt mij erg bewust van mijn eigen bescheidenheid. Twintig, dertig jaar onafgebroken oefening, het vraagt een bijzonder soort toewijding.

Tegelijk weet ik dat dit voor mij niet draait om een titel. Ik geniet van elke stap, hoe klein ook. Ik vind het niet erg om een beginner te zijn die er nog niets van bakt. Elke keer dat ik erin slaag om de boog te openen en die krachtmeting door mijn lijf voel gaan, elke keer dat er een pijl vertrekt en landt waar hij hoort, is een moment waarop alles even helemaal juist is.

Als er één ding is wat ik ondertussen begrepen heb, dan is het dat elke stap van het pad telt.

En dat mijn impulsieve poëtische bespiegeling deze zomer helemaal niet zo ver naast het doel schoot.

5041b056ea5971ebba281ae1273726e2
Bron: Pinterest