“Vaak zit er een logica achter verzet”

Autonomie-ondersteunend opvoeden #1

Nogal wat benaderingen in de ontwikkelingspsychologie gaan ervan uit dat de mens weinig meer is dan een blanco blad dat ingevuld wordt door zijn omgeving, of een dierlijk vat vol driften die door middel van opvoeding onder controle moeten worden gehouden. De ZelfDeterminatieTheorie (ZDT) vertrekt van een positiever mensbeeld: de mens wordt geboren met de neiging om zich spontaan te ontwikkelen in de richting van groei en zelfontplooiing.

De brandstof daarvoor ligt in het vervullen van de drie grote psychologische basisbehoeften: autonomie (jezelf mogen zijn en je eigen keuzes mogen maken), competentie ervaren (goed zijn in iets en daar ook erkenning voor krijgen) en verbondenheid met anderen (vertrouwen in en ondersteuning door de omgeving). Als deze be­hoeften vervuld worden, leveren ze de mens ener­gie om zich te ontwikkelen. Als ze gefrustreerd of onderdrukt worden, krijgt de persoon het moei­lijker om zich te ontplooien en welzijn te ervaren. Steeds meer onderzoek bevestigt de conclusies van de ZDT. Ook in Vlaanderen wordt onderzoek gedaan naar deze theorie, bijvoorbeeld door Maar­ten Vansteenkiste en Bart Soenens, ontwikkelingspsychologen verbonden aan de faculteit Psycholo­gie en Pedagogische Wetenschappen van de UGent. Dat onderzoek levert boeiende gespreksstof over autonomie-ondersteunend opvoeden. In deze re­portage leggen we uit wat de ZDT precies inhoudt en we focussen daarbij op jonge kinderen. In de ‘Bond’ van 17 april volgt een tweede luik rond ado­lescenten en jongvolwassenen.

“Je kunt je kind vrij vroeg
als een relatief gelijkwaardige
partner in het gesprek betrekken”

Het perspectief van het kind

“De ZelfDeterminatieTheorie is in de jaren zeven­tig ontstaan in zeer controversieel vaarwater”, ver­telt Bart Soenens. “Kinderen en studenten werkten aan een taak die op zich al leuk was. De ene geteste groep werd ervoor beloond, de andere niet. Volgens de toen gangbare principes werden mensen veron­dersteld harder te werken als ze er extra voordeel bij hebben. Maar men moest vaststellen dat de be­loning niet alleen niet werkte, ze verminderde zelfs de motivatie. Dit kon alleen worden verklaard als je aannam dat mensen een nood aan autonomie hebben die door de beloning werd ondermijnd. De processen die de ZDT beschrijft, gelden voor ieder mens, ongeacht leeftijd, omstandigheden of cultuur. Maar het is wel zo dat die diepe psycholo­gische noden zich aan de oppervlakte anders uit­drukken van leeftijd tot leeftijd en van cultuur tot cultuur.”

Cadzand_046

“Als je je kind autonomie-ondersteunend opvoedt, wil je het het gevoel bieden dat het vrij is om zijn eigen voorkeuren te laten spreken en de persoon te zijn die hij wil zijn. Dat begint bij empathie. Het is zeer belangrijk om goed te luisteren naar je kind en zijn gevoelens te erkennen vóór jij als ouder je mening geeft. Als je kind zegt: ‘Ik wil niet naar oma, het is daar stom’, reageren veel ouders spontaan dat zo’n uitspraak niet gepast is. Maar je kunt ook zeg­gen: ‘Je gaat blijkbaar niet graag. Vind je het niet leuk? Hoe komt dat?’ Zo zal het kind zich vrijer voelen om dingen openlijk te bespreken en kan er ook makkelijker een oplossing gevonden worden.” Iets anders wat je kunt doen, is keuzes geven: ‘Ga je meteen je huiswerk maken of ontspan je liever eerst een beetje?’ Je kunt je kind daar mee laten experimenteren om te ontdekken wat er het best bij hem past. Mensen verwarren autonomie-ondersteuning soms met laissez-faire, maar dat is het echt niet. Je kunt zeer duidelijke regels en structuur aanbrengen binnen een autonomie-ondersteunende context. Het moet duidelijk zijn: het huiswerk zál gemaakt worden en daar is geen discussie over. Maar over de manier waarop het gebeurt, kun je wel keuze laten. Mogen meebeslissen zal het gevoel van autonomie bij kinderen versterken. Ze zijn immers geen satellietlichaam van de ouder, maar een eigen persoonlijkheid.

Uitleggen waarom iets nodig is, is ook belangrijk. Je kunt je kind vrij vroeg als een relatief gelijkwaar­dige partner in het gesprek betrekken. Ouders den­ken wel eens dat het pas vanaf lagere-schoolleeftijd interessant wordt om duidelijke redenen te geven waarom iets moet of niet mag. Ik denk integendeel dat het belangrijk is om juist zeer vroeg al te be­ginnen praten met je kind. En zelfs al komen de fi­nesses niet altijd over, je kind voelt dat iets een be­paalde achtergrond heeft en dat de beslissing niet zomaar een machtsspel is van jou als ouder. En als het kind niet meegaat in wat jij wilt, kan het inte­ressant zijn om eens te luisteren waarom dat zo is. Vaak zit er een logica achter verzet.”

Wie een rotdag had op het werk, heeft ‘s avonds
meestal weinig energie over om
ten volle autonomie-ondersteunend te zijn

“Jonge kinderen worden geboren met een enorme interesse in hun omgeving. Daarop inspelen is een belangrijke manier om autonomie-onder­steunend te zijn. Als je peuter of kleuter van al­les wil uitproberen, geef je hem best die kans, ook al ben je misschien bang dat er dingen ka­potgaan of vuil worden. Natuurlijk moeten er grenzen zijn, qua veiligheid bijvoorbeeld. En je gaat je kind ook geen dure vaas uit de auto laten dragen. Maar als die zak chips op de grond valt, tja… Als ouder is het belangrijk om je kind tege­moet te komen met zoveel mogelijk speelruimte binnen grenzen die voor jou aanvaardbaar zijn. Naarmate je kind ouder wordt, beginnen meer din­gen tot zijn ‘persoonlijke domein’ te behoren. Daar­in is het zeer moeilijk om als ouder autonomie-on­dersteunend te zijn. Zeggen wie er volgens jou bij­voorbeeld al dan niet een goede vriend voor je kind is, is een wespennest waar je je beter niet te diep in begeeft. Maar als je merkt dat je kind deel uit­maakt van een kliekje dat dingen doet die niet door de beugel kunnen, kan je wel het ter tafel brengen. Om openheid te creëren zal je het echter moeten hebben over het gedrag van die vrienden – gedrag dat jouw kind mogelijk ook stelt – en niet over wie die vrienden zijn als persoon.”

Eksaarde_033

Zwaaien met de stickerkaart

Iets waar we bij het opvoeden vaak niet bij stil­staan maar wat van bijzonder groot belang blijkt, is de reden waarom een kind gehoorzaamt. “Een kind kan gehoorzaam zijn omdat het echt begrijpt dat een regel zinvol is”, legt Bart Soe­nens uit. “Dan zal het zich die regel stilaan eigen maken en spontaan toepassen in andere con­texten. Maar het kind kan ook gehoorzamen uit angst of schuldgevoel naar de ouder toe. Dat zie je vaker als ouders controlerend opvoeden.” Met controlerend opvoeden wordt bedoeld: druk zetten op het kind op een manier die zijn basisbehoeften niet respecteert.

“Psychologische controle of druk geeft het kind de boodschap dat de liefde van de ouder niet gratis is. Als het niet aan de opgelegde standaarden voldoet, schiet het tekort als persoon. Bovendien wordt er veel vaker gewerkt met externe motivatie: straffen en belonen. Het probleem met die technieken is dat ze op korte termijn werken. Je dreigt met een zware straf of je zwaait met de stickerkaart, en je kind past zijn gedrag aan. Het is dus verleidelijk om daar mee door te gaan. Maar wat je niet ziet, is dat het kind onderhuids en op een veel fundamente­ler niveau geen enkele voeling met de regel krijgt. Het volgt die ook niet op omdat hij erachter staat, maar omwille van de externe druk. En zodra de druk ver­dwijnt, valt het gewenste gedrag weg.”

Kinderen betalen een prijs voor het leven in een klimaat van sterke psychologische controle, wees onderzoek uit. Ze kroppen hun pro­blemen meer op, hebben een lager zelfwaardegevoel, zijn vaker perfectionistisch. Dat alles werkt dan weer als een rem op hun spontane ont­wikkeling en hun ervaring van welzijn en geluk. En ook ouders breekt controlerend opvoeden uiteindelijk zuur op: “Jongeren die veel psycho­logische controle en dwang ervaren, kunnen wel een aantal jaren in de pas lopen, maar keren zich op een gegeven moment vaak juist harder tegen hun ouders. Er komt een soort bruut verzet waarbij alles wat je zegt, ook de juiste en goedbedoelde zaken, niet langer gepikt worden omdat ze van jou komen, de autoriteitsfiguur. Soms hoor je wel eens dat het beter is om wat controle en dwang mee te krijgen van thuis om later beter voorbereid te zijn op de samenleving. Maar daar bestaat geen enkel weten­schappelijk bewijs voor. Het is zelfs zo dat mensen die een controlerende voorgeschiedenis hebben sneller dingen zullen aanvoelen als een ver­plichting. In plaats van beter gewa­pend te zijn, ben je er juist gevoeliger voor.”

Wat van groot belang blijkt, is de reden
waarom een kind gehoorzaamt

Genoeg brandstof in je eigen tank

Bart Soenens beseft heel goed dat sommige dingen makkelijker gezegd dan gedaan zijn. Autonomie-onder­steunend opvoeden vergt vooral in de beginjaren veel energie en tijd, en wat hij in ons gesprek schetst, is voor een stuk een ideaalbeeld. Dag­boekonderzoek bij ouders brengt ook grote schommelingen in opvoedstijl aan het licht. Een ouder die een rot­dag had op het werk, heeft ‘s avonds meestal weinig energie over om ten volle autonomie-ondersteunend te zijn. Ook het karakter of het gedrag van het kind zelf kan een belang­rijke rol spelen. Ouders hoeven zich dus zeker niet schuldig te voelen als het eens een dag minder lukt. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er genoeg brandstof in je eigen tank zit, legt Soenens uit. Probeer als ouder te zorgen voor je eigen nood aan autonomie, competentie en verbondenheid. En nadenken over hoe je zelf opgevoed werd, heeft ook een meerwaarde. “Ik herinner mij een moment als kind toen mijn moeder naar mijn kamer kwam om zich te excuseren omdat ze eerder die dag harder was uitgevallen dan ze wilde. Ze legde me uit wat er gebeurd was en excuseerde zich. Zulke momenten zijn erg krachtig en helpen je later als ouder zelf op weg. Omgekeerd herin­ner je je vast ook momenten waarop je ouders je niet begrepen of iets doorduwden wat haaks stond op je eigen voorkeuren. Daarover naden­ken helpt om de goeie dingen over te nemen en je bewust te zijn van wat minder goed was. En het maakt ook duidelijk dat er niet zoiets bestaat als honderd procent goed of slecht op­voeden. Alle ouders hebben potenti­eel voor beide.”

Decemberweekend met kinderen_033

Slecht opvoeden…. Weten dan niet alle ouders zelf wat het beste is voor hun kind? Het klinkt als vloeken in de kerk, maar op dit punt wijken Soe­nens en de ZelfDeterminatieTheorie niet.

“Op basis van wat de media de laat­ste tijd brengen, krijg ik wel eens het gevoel dat je helemaal geen opvoedingsadvies meer mag geven. Er wordt zo relativerend over opvoe­ding gesproken dat het lijkt alsof alles oké is en elke ouder in staat is om het prima voor elkaar te krijgen. De term die daarvoor vaak gebruikt wordt, is ‘buikgevoel’. Maar met alle respect, het buikgevoel van sommige ouders zorgt voor situaties waarin er geen enkele rekening wordt gehou­den met de noden van het kind. En ook: het is niet omdat iets niet een­voudig is dat we moeten laten om er advies over te geven. Als het voor ouders in bepaalde omstandigheden moeilijk is om structuur te bren­gen in het leven van hun kinderen, moeten we het dan maar laten? Ik vind dat een pessimistische houding waarbij ik mij niet wil neerleggen.

Als je alle variaties in opvoedstijl en dagelijkse schommeling bij elkaar neemt, zien we dat ongeveer de helft van het gedrag van ouders stabiele opvoedstijl is. Ouders verschillen dus in belangrijke mate van elkaar, en hun opvoedstijl heeft invloed op de ma­nier waarop hun kinderen zich ont­wikkelen en welzijn ervaren. Maar binnen het gedrag van één ouder zie je ook dat er ongeveer vijftig procent variatie zit. Dat is hoopgevend, want dat toont dat er ruimte is om te ver­anderen en te bewegen in de richting van meer autonomie-ondersteuning. Ouders ondersteunen om zich zelf goed in hun vel te voelen en zo ook hun kinderen meer autonomie-on­dersteunend op te voeden, dat is uit­eindelijk de bedoeling.”

Dit artikel verscheen in De Bond van 20 maart 2015

Advertenties

Dageraad

Gorges & Causses 230 ed crop23

Het gevoel is bekend: door een fotoboek bladeren en de indruk krijgen dat je niet zozeer naar een vorig stukje van je leven kijkt, maar naar een heel ander leven. Je weet wie die mensen op de foto zijn, je kent alle verhalen nog die er omheen hangen, maar je moet je best doen en zeer bewust inzoomen, terugspoelen als het ware, om je er nog mee te kunnen identificeren.
Geen idee waar de grensovergang lag naar het land Nu, waar je momenteel leeft en waar het zo verschillend aanvoelt van het rijk Toen, of wanneer je die precies overgestoken bent. Maar je bent nu hier, dat is duidelijk. En je bent niet meer daar.

Soms weet je het wel. Een nieuwe fase breekt aan, zeg je. De geboorte van een kind, de dood van een ouder, veranderen van job, verhuizen, afstuderen: het zijn duidelijk gemarkeerde grenspalen langs de weg.
Maar de verandering hoeft niet altijd zo concreet of fysiek ingrijpend te zijn. Soms voel je dat het in de lucht hangt, dat er dingen kantelen, dat er zachtjes iets verschuift. Zoals de ochtendschemering op zeker moment dag wordt en daarmee een heel andere toestand om je in te bewegen.

Er is veel verschoven in mij, rond mij, door mij, de laatste maanden. Zachtjes maar heel duidelijk. Er is meer ademruimte gekomen, een bredere en tegelijk scherpere focus. Meer durf om naar voren te komen uit schaduwrijke hoekjes waar het goed toeven was maar wel nogal… schaduwrijk.

Ik sta op de rand van het plateau, en ik voel de warmte van de zon.
Ik spreid mijn vleugels.