Er is loslaten, en… loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb dit jaar heel veel tijd doorgebracht op ons terras, overschaduwd door de takken van drie dicht naast elkaar groeiende eiken. Dat terras bevindt zich op de eerste verdieping en dat wil zeggen dat we letterlijk in de takken zitten. Heerlijk vind ik dat.

Dit jaar kondigde zich aan als een heel rijk eikeljaar. In de lente hingen de bomen vol, écht vol: handenvol rijpende eikeltjes aan één tak. Maar de klimaatverandering hakte erin. Begin augustus, lijdend onder de aanhoudende hitte en droogte, begonnen de eiken noodgedwongen hun kostbare oogst te lossen, veel te vroeg. Alles werd op een mum van tijd bedekt onder een tapijt van onrijpe, groene eikels. We veegden ze van het terras af, naar beneden de tuin in. Een dag of wat later zag het eruit alsof we nooit geveegd hadden.

Het was zielig en zonde, maar het leverde ook grappige taferelen op. Eikels die vallen van dik tien meter hoog doen pijn! Buiten eten (wat we heel graag en zo lang mogelijk doen) werd bij momenten een risicovolle bezigheid, je wist nooit wat je op je bord, op je hoofd of in je kopje koffie ging krijgen.

Intussen is het herfst. En de eikels vallen nog. Nu zijn ze bruin en steviger, en ze vallen ook harder. Werden ze in augustus met spijt door de boom gelost, nu worden ze bijna gekatapulteerd. Ze stuiteren van het terras, ketsen terug, een meter of hoger soms, en belanden niet zelden vanzelf in de tuin, een verdieping lager. Wie ze op zijn hoofd krijgt, weet even niet wat hem overkomt.

We genieten ervan. Hoe harder ze vallen, hoe blijer ik word. Dit is zó’n verschil met de zomer.

Zomerzonde (c) Inaya photography



Ik kan me niet ontdoen van het idee dat de eik een soort plezier heeft in dit afvuren van eikels. Er is sprake van doelgerichtheid, spunk. Ik gun hem (nee, als ik eerlijk ben voelt het als haar) elke welgemikte hoop op voorplanting. Ik bescherm wel mijn gsm als ik die meeneem naar buiten – één foute (of welgemikte?) inslag en ik kan hem vervangen, zoveel kracht hebben die projectieltjes.

Dit is geloof ik het verschil tussen loslaten omdat je niet anders kunt, uit noodzaak dus, en loslaten omdat het moment juist is en je er klaar voor bent. Het is het verschil tussen verlies en vooruitgang.

Binnenkort slaan de weersverwachtingen om en krijgen we meer kilte en regen. Prima, het werd tijd. Zo hoort dat in dit seizoen, en wie weet hoe lang kennen we hier nog iets wat op een echte herfst lijkt. Ik ga het terras wel missen, inclusief het ketsende, petsende eikelbombardement. Maar op dit moment ben ik gewoon blij dat ik het verschil tussen de beide zo bewust en zo duidelijk heb mogen meemaken.

Het brengt mij bij een derde vorm van loslaten, de mooiste misschien, degene die ik zelf verkies, als ik er iets aan te zeggen heb. Die heeft niets met eikels te maken, en alles met waterdruppels.

(c) Inaya photography



De zwartbladige moerasplant die ik meebracht uit een magische tuin in Zuid-Frankrijk koestert elke regen- of dauwdruppel als was het een parel. Hoe het water zich op de bladeren verzamelt, zwelt, schittert, en vervolgens loom en elegant naar beneden glijdt, het is een levende meditatie.

Dát is loslaten, denk ik dan.
Geen pijnlijk verlies uit schaarste, waarbij prachtig potentieel ongebruikt en met spijt moet worden gelost.
Geen ambitieus en doelgericht mikken, met een voortdurende kans op teleurstelling als het projectiel niet landt in vruchtbare grond.
Wel dit: een helder, zacht verzamelen van zichzelf, tot het zo vol is dat momentum vanzelf ontstaat: de omvang van de waterdruppel overstijgt de grip van het blad en rolt er in een laatste liefkozing vanaf, richting bestemming. Het blad houdt niets tegen, houd niets vast, en mist niets. Het laat los en ligt open voor de volgende dauw of regenbui.

Zo loslaten is schenken.
Zo losgelaten worden, is gratie.

(c) Inaya photography

Meer dan één waarheid, meer dan één antwoord

De kloof die ik moet leren verdragen

(c) Inaya photography



De kauwen gaan slapen in de boomkruinen aan de overkant van het veld achter ons huis. Elke avond bij zonsopgang en zonsondergang zorgen ze voor een uitbundig collectief concertje: honderden zangerig gakkende stemmen die elkaar goedemorgen of welterusten wensen. Ik heb ze ’s ochtends nog niet vaak zien vertrekken, de eerste ochtendschemer is nog wat te vroeg. Maar ’s avonds zie ik ze thuiskomen. Ze scheren een hele tijd in wisselende groepen boven de boomtoppen heen en weer tot ze… ik weet het niet, een tak vinden waar ze lekker zitten?

Mensen zijn een collectieve diersoort, net als kauwen. We doen veel samen. We onderschrijven dezelfde verhalen. Als veel mensen hetzelfde denken en vinden en voelen als wij, weten we ons geborgen. We passen ons gedrag aan aan de noden of de verordeningen van de groep. Maar we beïnvloeden de groep ook, door wat we denken, zeggen en doen. Zo bepalen we allemaal samen waar we heen gaan.

Zo begon de blog die ik de afgelopen dagen probeerde te schrijven over de moeheid die we voelen ten opzichte van de corona-maatregelen, over de versnippering van het beleid, over het afkalven van zekerheden ten voordele van meningen, over complottheorieën en goedbedoelde maar misleide spirituele superioriteit.

(c) Inaya photography



Te veel voor één blog? Tja, soms moet je als schrijver vier keer vastlopen vooraleer je door hebt wat anderen meteen al zien: dit is niet te schrijven. Ik krijg deze hele malaise niet helder uitgetekend. Het is een kluwen dat alle kanten op straalt, een multidimensionaal spinnenweb. Ik volg één draadje, en dan een ander, ik zie tegenstellingen en verbanden, maar ik krijg totaal geen overzicht, niet in mijn hoofd en niet in mijn tekst.

Dus: dag, blog.

Maar ik lees dat het aantal besmetting weer stijgt, en aan de binnenlandse horizon doemt alweer het spook op van nog strengere maatregelen. Tegelijk nemen regeringen en bedrijven de ene non-sensicale economische beslissing na de andere, wordt Californië verteerd door bosbranden die de hemel een apocalyptisch oranje kleuren en is het intacte karkas van een holebeer gevonden, omdat de permafrost in Rusland aan het smelten is. Deze dynamieken gaan op vier snelheden, ze kruisen elkaar, blind en zonder elkaar te raken. Maar alles is met alles verbonden. En welke strijd proberen we hier nu eigenlijk te voeren?

(c) Inaya photography



Ik herinner me een TED-talk van een brandweerman (of was het nu een ambulancier, sorry, mijn geheugen is niet goed met dit soort feitjes) die beschreef hoe hij slachtoffers van een brand of ongeval die stervende waren ter plaatse bijstond in hun laatste momenten. Heel vaak voelden ze aan wat er kwam en vroegen hem: ‘Ik ga dood, hé?’ Als hij het met goede bedoelingen ontkende, ze verzekerde dat het allemaal in orde ging komen en dat ze moesten volhouden, ook al wist hij eigenlijk beter, dan waren ze paniekerig en gespannen, dan stierven ze angstig. Maar als hij ze recht in de ogen keek en ‘ja’ antwoordde, gebeurde er iets heel anders. Ze ontspanden zich. Ze aanvaardden het. Wat ze voelden en wat ze te horen kregen, strookte met elkaar. Ze konden ermee in het reine komen, al was het maar in een paar minuten, en op een waardiger manier vertrekken.

Onze samenleving, onze oude manier van leven, lijkt nu op dat stuiptrekkend slachtoffer. Wat gaan we het vertellen? Dat er niemand mag doodgaan? Dat we moeten vechten tegen een Grote Vijand om dit te boven te komen? Doen we er voor de goede orde het slaapliedje van eindeloze groei op een eindige planeet nog eens bovenop?

Ik geloof dat we allemaal gebaat zouden zijn met een staaltje eerlijkheid.

Covid-19 is geen allesverwoestende ziekte die de helft van de wereldbevolking bedreigt, maar sommige mensen gaan er wel aan dood. En we gaan dat niet kunnen tegenhouden, ook niet als we onze samenleving totaal ontwrichten.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, en we kunnen daar niet goed mee om. In het rijke westen zijn we een gezonde omgang met dood en verlies al decennia verleerd. We spenderen fortuinen aan het behandelen van ongeneeslijke ziektes, aan het rekken van een lang leven met nog een paar extra maanden. Wat we ‘winnen’ aan tijd betalen we in verlies van levenskwaliteit en een totaal ontspoorde kost aan gezondheidszorg. En er is geen grens aan onze horizon, we willen hem telkens nog wat verder verleggen. We worden steeds krampachtiger in onze omgang met de dood.

(c) Inaya photography



‘Elke dode is er één te veel.’ Dat horen we deze dagen in het kader van Covid-19 wel vaker.

Eerlijk? Ik vind dat larie, op een zwaar overbevolkte planeet.
Voor iemand mij van harteloosheid beschuldigt: natuurlijk sta ik ook niet te springen om de dierbaarste mensen in mijn leven te verliezen. Wanneer dat gebeurt, zal de leegte die ze laten immens zijn, mijn verdriet peilloos. Maar dat staat geheel los van het biologisch grotere plaatje. We mogen beide niet met elkaar verwarren. Het is niet omdat we verdriet hebben om persoonlijke redenen dat we de natuurlijke wereldorde omver moeten werpen en de dood moeten bevechten. Van hubris gesproken.

En uit de mond van het rijke kapitalistische westen klinkt de uitspraak dat elke dode er één te veel is ronduit hypocriet. De economische en ecologische vernietigende omstandigheden die tot dit virus geleid hebben en vele malen meer slachtoffers maken, die vinden we blijkbaar wel oké, zeker als de slachtoffers in het buitenland vallen. De duizenden vluchtelingen uit het Zuiden zien we liever verdrinken op de Middellandse Zee dan ze op te vangen. Dan hoor je plots heel andere slogans.

De klimaatopwarming die nog veel grotere vluchtelingenstromen op gang zal brengen en mogelijk het voortbestaan van de hele menselijke soort bedreigt, die willen we niet ernstig nemen. En dat de armste en zwakste lagen van de bevolking nu wereldwijd buitenproportioneel getroffen worden, getuigt van de gloeiende oneerlijkheid waarmee we de mondiale samenleving hebben opgebouwd.
Maar dat willen we allemaal niet in vraag stellen. Dat virusje dat er een gevolg van is, daarentegen, een louter symptoom van een veel groter en onderliggend probleem dat we zelf hebben gecreëerd, dát gaan we bekampen met alles wat we hebben. Want daar mag niemand aan sterven. Komaan, zeg.

(c) Inaya photography

Natuurlijk zullen er mensen doodgaan aan Covid-19. Zoals ze al sinds het begin der tijden doodgaan aan duizend-en-een kwalen en ongelukken. Daar moeten we niet flauw over doen, dat moeten we aanvaarden en tot op zekere hoogte in goede banen proberen te leiden. Maar omdat we dat niet kunnen, of toch niet waardig, laat de manier waarop we er nu mee omgaan de wereld zoals we die kenden afbrokkelen in hetzelfde tempo als de ijskappen. We reageren als een paniekerig en op hol geslagen immuunsysteem: vernietigend. We maken onszelf kapot.

De aanhoudende onzekerheid waarin we ons bevinden, maakt ons vatbaar voor de kracht van een Aanlokkelijk Verhaal. Want als mens hebben we een zo’n verhaal nodig, een ruimere context om ons leven in te situeren, de richting waarin we ons bewegen in te kaderen. Net als de kauwen willen we een fijne grote boom voor de nacht, en als die ene waar we ons altijd in hebben terugtrokken plots gaat kraken en scheuren, hebben we heel snel een andere nodig. En dus knoeien we erop los – met de beste bedoelingen, met zuivere intenties. Maar we knoeien.

We grijpen naar wetenschap, naar godsdienst, naar scepsis, naar ecologische verontwaardiging, naar complottheorieën, naar stil verzet, en op allerlei vlakken raakt het een met het ander vermengd. De vertroebeling in communicatie is bij momenten totaal.


V V
V
v v v
v v

En kijk, nu heb ik toch nog een hele blog geschreven die – op een andere manier dan ik van plan was – een aantal punten aanraakt waar ik al lang mee in mijn hoofd zit.

Persoonlijk vind ik dit een behoorlijk somber stukje lectuur. Dat is niet mijn gewoonte. Als kleine, individuele mens hoop ik dat we dit ten goede kunnen keren, en ik wil er alles aan doen om daartoe bij te dragen. Ik wil geen onheilsprofeet zijn die al bij voorbaat de handdoek in de ring gooit omdat er met de mensheid niets aan te vangen valt. Ik probeer mee te werken aan warme verbondenheid en een nieuwe ecologische visie, overal waar ik maar kan. Mijn boeken gaan daar tot op zekere hoogte zelfs over, verdorie.

(c) Inaya photography

Maar als ik kijk als een sjamaan – toch wel, altijd weer, al durf ik dat woord nauwelijks in de mond nemen met betrekking tot mezelf – dan kijk ik vanuit een veel afstandelijker perspectief. De sjamaan dient het grotere geheel, waarvan de mens slechts een heel stukje is. Haar loyaliteit ligt niet bij de mensheid, maar bij het universum en alle evenwichten die daarin bewaard moeten worden. Daarom ook dat ze zelden in het dorp woont, altijd aan de rand ervan, of liever nog op een afgelegen plek in de natuur.

En kijkend als sjamaan zie ik het niet zo rooskleurig in. Er is hoop, er is verzet en heel veel groeiend inzicht. Er zijn prachtige opflakkeringen van licht en kracht. Maar ik weet niet, in de grotere context van alles wat er gaande is, of het voldoende zal blijken te zijn. Voor ons als mensheid. Voor een leefbare planeet. Ik hoop het, ik hoop het echt. Maar dan weer denk ik dat ik mij maar beter schik in het onvermijdelijke. The long defeat, zoals Tolkien het noemde.

Beide van die waarheden – de kleine individuele en de grotere afstandelijke – kloppen, beide antwoorden zijn op hun eigen manier waar. Ze leven allebei in mij, ze kleuren mijn dagelijks leven en mijn beslissingen. Ze geven mij allebei vorm, en ze doen dat helder en krachtig. Ze zijn het alleen niet met elkaar eens.
Dit is de grote spreidstand waarmee ik diep vanbinnen leef, elke dag. Het is de kloof die ik moet leren verdragen, en waarover ik bruggen blijf bouwen – met de moed der wanhoop, soms, en hoe breed hij bij momenten ook wordt.

(c) Inaya photography

De psychologie van motoren en autogordels

Ik heb niet veel zin om het huis te verlaten. Maar de zon schijnt en er is een toffe activiteit waar ik een tijdje geleden enthousiast over was. En ik wil er naartoe. Of daar herinner ik mezelf toch aan. Dus ik verplicht mezelf de voordeur uit te stappen.

De buitenlucht voelt prettig. Het geurt al naar herfst. Ik kruip achter het stuur van mijn wagen, steek de sleutel in het contact. De motor slaat aan, de cd-speler herneemt het lied waar hij gebleven was, een melodie waar ik blij van word, en ik krijg vanzelf meer zin in het uitje.

Dat is het moment waarop de motor pruttelt, sputtert en zwijgt. Verweesd zit ik naar de gevel van ons huis te staren.

(c) Inaya photography



Er is niets mis met onze gezinswagen, maakt u zich geen zorgen. Al het bovenstaande is een metafoor. Het is ongeveer hoe mijn leven aanvoelt, de laatste maanden: plannen, goesting, minder goesting want al zo lang stil gezeten, toch een en ander voorbereiden, een efforke doen om naar buiten te komen, het enthousiasme voelen groeien… en stilvallen.

Dat stilvallen ligt niet aan mij, maar aan de omstandigheden. Afzeggingen, doorkruiste plannen, c***-maatregelen. Het maakt niet uit wat het precies is, het gevoel van de wagen starten en dan toch weer stilvallen is zeer acuut.

Er is zoveel wat op dit moment niet kan. Niet meer kan, of misschien nooit meer kan. Geen idee. Ik ga me er ook het hoofd niet over breken, ik kan alleen in het moment blijven en een nieuwe manier vinden om hiermee om te gaan.

Want zolang als ik probeer de auto te starten op de oude manier, in de veronderstelling of de hoop dat hij vaart zal maken en dat we vertrokken zijn voor honderd kilometer autostrade, ‘zoals vroeger’, zál hij stilvallen. Dat is wat heel dit absurd en bijzonder tijdsgewricht nu eenmaal met zich mee blijkt te brengen.

Is er dan geen uitweg? Rest mij alleen frustratie?

Ah, wie mij een beetje kent (of deze blog al een tijdje leest), weet dat ik niet zo in elkaar zit. Frustratie is een energiebom en een energielek tegelijk, daar komt niets goeds van. Zo leef ik niet en zo wil ik niet leven.

Wat mij te hulp komt, is een andere metafoor. En alweer eentje uit de autowereld. Wie had dat gedacht voor zo’n groen kind als ik.

Je kent het gevoel: je stapt gehaast in de wagen, je moet weg. Je klapt het portier dicht, ramt je sleutel in de ontsteking, reikt naar je gordel, trekt de riem naar je toe en… hij blokkeert.

Iedereen die dit al eens meegemaakt heeft (dat wil zeggen: iedereen die ooit in een auto gezeten heeft), weet dat de enige oplossing is: de gordelriem eerst helemaal laten terugkeren in ontspannen toestand, en hem dan pas rustig en langzaam weer aantrekken. Elke bruuske beweging zal resulteren in een nieuwe blokkade. Iets heeft het mechanisme van de gordel geactiveerd, en hoe harder we proberen het te forceren, hoe meer het volhardt om ons te beschermen.

Ontspannen. Onthaasten. Het trager aanpakken.
Hmm, waar kennen we dat van?

(c) Inaya photography



Er zullen nog wel dingen kunnen én lukken in deze Onzekere Nieuwe Wereld – de gordel zal vastgeklikt raken. Maar niet omdat ik er als een gek aan zit te trekken. Omdat ik hem helemaal loslaat en hem vervolgens langzaam – langzaam!, veel langzamer dan gewoonlijk – weer aanhaal, als een vraag, een liefkozing.

Wie vraagt en liefkoost, moet om kunnen met een weigering. Ik heb niets te dicteren in dit hele proces. Maar dat geeft niet. We gaan nergens heen als de tijd er niet klaar voor is. En als de tijd niet klaar is voor een snelle start, dan moeten we ons tempo aanpassen.

Ik aanvaard de beperkingen die mij telkens weer toe grijnzen. Er schuilt een schoonheid in langzaam. Er leeft geduld onder de motorkap. En als de motor van de auto beslist om het finaal te begeven, heb ik nog altijd mijn benen.

ZAAILING #87 – Teufelsschlucht

De omhelzing van de duivel



Het regent en het bos roept. Ga.
Ga peilloos verdwalen.

Alles wat je meebrengt naar het bos, inclusief jezelf, kan ontbinden. Daarvoor is het ook bedoeld.
Emoties zijn herfstbladeren. Herinneringen zijn humus. Lang voor je lichaam zich uitstrekt om deel te worden van de bodem, ben je al ontelbare keren verzonken en vergaan.

Alles wat leeft, teert op iets wat voorbij is. Van rottende bladeren tot herinneringen: we stampen het eerst dieper de bodem in, laten het in het duister bezinken en vermolmen. Precies daaruit bouwt het leven zichzelf vervolgens weer op.

We houden niet zo van dat idee, wij mensen. Bij doodgaan denken we aan engelen en licht en liever niet aan de oerkracht van vochtige bosgrond. Geen wonder dat we de natuur aan de duivel gingen toeschrijven. Wie haar kende en respecteerde, noemden we heks. Wie haar vernietigde, noemden we slim en ondernemend. Kijk waar dat ons gebracht heeft, intussen.

Want er bestaat niet zoiets als ongeworteld zijn. Afgesneden, dat wel. Door het gerommel in ons hoofd, door de kletspraatjes of verheven sprookjes. En we kunnen onszelf mooi heersers van de schepping wanen, de tijd en het landschap weten eindeloos veel beter. De duivel krijgt altijd gelijk.

Dus zak maar dieper in de greep van de bodem. Los langzaam op in de regen. Je kunt verdrinken in bossen en rotsen zonder ooit in ademnood te komen.

En wat van ons overblijft, gestold en versteend en omhelsd door laag na laag bezonken rots, werkt zich op een dag wel weer naar het licht.


Sommige duivels zijn geen sprookjes, en in het ene landschap is de levende geschiedenis van de bodem een stuk tastbaarder dan het andere. Ik verloor een paar jaar geleden mijn hart aan de fenomenale geologie van Teufelsschlucht, en vorige zomer namen we er Jurgen en zijn gezin mee naartoe. Van hoosbuien tot stralende zon, we kregen het op onze wandelingen allemaal. Een tocht door dit landschap kan je alleen maar nederig maken.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Als boeken pijn doen

(c) Inaya photography



Ik lees Siri Hustvedts Memories from the future. Het is een van de zeldzame fictieboeken die ik de laatste tijd in handen heb. Ik geniet van de vloeiendheid van haar proza, de beelden die ze schetst, de manier waarop mensen, hun manieren en gevoelens overvloeien in het rijke en rauwe decor van New York. Ik apprecieer haar ritmes, haar associaties, de psychologische diepgang van haar personages die overtuigend is, nergens geforceerd en toch niet zó vanzelfsprekend.

Ik ken Hustvedt al meer dan twintig jaar. The blindfold stond op onze leeslijst in de 1e kandidatuur Germaanse Talen (zoals dat toen nog heette).

Net als kinderherinneringen soms scherper zijn dan latere, heb ik een aantal heldere snapshots overgehouden aan dat eerste jaar unief – veel meer dan aan de drie jaren die volgden. Zo weet ik dus nog dat professor Kris Versluys ons behalve Hustvedt toen ook E. L. Doctorow en Paul Auster te herkauwen gaf. Zijn leeslijst bood ons een keur aan Amerikaanse schrijvers, en het thema dat de boeken verbond, was de grootstad.

Dat eerste jaar Germaanse was een bijzonder moeilijk jaar voor mij, niet per se als student maar zeker als lezer. Nu pas, door Hustvedt weer te lezen, begrijp ik waarom. En ik begrijp ook waarom ik de schrijver geworden ben die ik ben.

Toen ik in de lange rij banken van Auditorium E op de Blandijnberg belandde, krap zeventien, kwam ik uit een beschermend milieu en was mijn grote liefde jeugdliteratuur. Ik was hooggevoelig en ik had nog maar nauwelijks mijn emotionele voeten op de grond. Ik dronk niet, ik rookte niet en ik had nog nooit seks gehad. Ik was, in alle opzichten behalve het spirituele en het creatieve, een kind.

Enter Kris Versluys en de Amerikaanse meesters van de grootstadliteratuur.

Ik haatte bijna elk boek dat ik moest lezen.

Let wel, ik vond zijn lessen interessant. En zeker niet elk boek van dat hele eerste jaar viel tegen. Zijn collega professor Rowan liet mij kennismaken met Jeanette Winterson, over wie ik uiteindelijk mijn thesis zou schrijven en wiens werk een blijvende invloed op mij zou hebben. In de praktijklessen maakte ik kennis met Engelse klassiekers zoals Jane Austen, Shelly en Tennyson.

Maar toch. Ik had het lastig. In de twaalf jaar school die aan de universiteit vooraf gingen, had ik altijd genoten van lezen. Nu werd ik geconfronteerd met boek na boek waar ik me doorheen moest worstelen, zowel in het Engels als in het Nederlands. Niet omdat ze saai waren, of taai, of omdat hun taal oud was en ver van mij af stond (hoewel dat soms wel versterkende factoren konden zijn). Ze waren pijnlijk.

(c) Inaya photography



Lezen was altijd mijn ontsnapping uit de realiteit geweest, boeken waren veilige plekken voor mij. Ik identificeerde mij diep met personages. Wat ze voelden, meemaakten en deden, kwam ongefilterd door mijn hooggevoelige membranen binnen. Ik werd aangetrokken tot meer fantasierijk werk, verhalen die mij voedden en innerlijk hielpen groeien. Nu kreeg ik plots alleen maar realistische boeken te lezen waarin mensen slechte beslissingen namen, in afschuwelijke omstandigheden leefden, pijn hadden, in hun ongeluk liepen – en dat de doodnormaalste zaak van de wereld vonden, al dan niet strijdend tegen een noodlot waarvan ze niet konden winnen. Vaak was fantasie ver te zoeken. Hoe realistischer en intellectualistischer hoe liever mijn docenten het hadden. De kwaliteit van het werk dat ze voor ons kozen wil ik niet in vraag stellen, maar ik vond het stuk voor stuk pijnlijke, deprimerende boeken.

Siri Hustvedt roept die herinnering levendig wakker. Ik heb meer eelt op mijn hooggevoelige voelsprieten en ik lees haar nu met het appreciatieve oog van een professional, niet met de emotionele onschuld van het zeventienjarige kind. Daarom geniet ik ook van Memories of the future Maar had Versluys mij indertijd dit boek voorgeschoteld, ik had het ook gehaat.

Het hoofdpersonage in Memories of the future is een jonge vrouw die naar New York gekomen is om te schrijven. Ze kent er niemand en leeft moederziel alleen in een bijna kale flat. Ze dwaalt in het begin van het verhaal door de straten, leest, schrijft en probeert niet gek te worden van eenzaamheid. Ze wordt uitgescholden door een voorbijganger, ze wordt aangeklampt door een geile student in een bar. De buurvrouw in het appartement naast het hare praat hele avonden lang tegen zichzelf, luid genoeg dat zij het kan horen, over een mishandelende echtgenoot en een kind dat uit het raam geduwd werd en stierf. Ze raakt steeds meer in de ban van die stem en haar raaskallende verhaal.

Gezellig is anders, zacht gezegd. Hustvedt beschrijft het op een beklijvende manier, en ze maakt het dubbel interessant omdat de herinneringen van de jonge vrouw worden doorspekt met commentaar van haar oudere alter ego, én door fragmenten van het detectiveverhaal dat ze als groentje in New York probeerde te schrijven, in dat desolate appartement.

Dat zie ik nu, en dat maakt ook dat ik met plezier blijf doorlezen. Maar als zeventienjarige zouden de leefomstandigheden van het hoofdpersonage me naar de keel gegrepen hebben. Ik zou me vertwijfeld hebben afgevraagd waarom dat meisje daar in hemelsnaam wilde blijven. Hoe ze het kon verdragen om die buurvrouw naast zich te hebben. Ik zou mezelf in haar plaats gezet hebben alsof dit het echte leven betrof (want zo voelde het toen ook voor mij) en ik zou helemaal in paniek geslagen zijn.

(c) Inaya photography



Maar paniek is geen toegestane emotie op de universiteitsbanken. Dus las ik door, studeerde wat ik moest studeren, probeerde te begrijpen wat mij aan de hand van al deze boeken uitgelegd werd door mijn proffen. Ik leerde veel bij, maar ik raakte mezelf ook bijna kwijt.

Ik was literatuur gaan studeren omdat ik van boeken hield en omdat ik ze zelf wilde schrijven. Ik had behoefte aan technisch inzicht, en aan verhalen die een klankbord boden aan zowel mijn creatieve honger als mijn (spirituele) gevoeligheid. De opleiding in de Germaanse voldeed beslist aan de eerste behoefte – de solide basis van het technisch inzicht dat ik nu heb, vindt daar zijn oorsprong.

Maar mijn gevoeligheid werd afgestraft met bijtend verhaal na bijtend verhaal. Ik las vier jaar lang niets waarin ik mezelf of mijn eigen verhaalvoorkeuren kon terugvinden (op Jeanette Winterson na, maar zij bood eerder een lichtend voorbeeld dan een herkenning). Toen ik afstudeerde, las ik het daaropvolgende jaar helemaal niets, zo plat gemept was ik. En ik ben nog veel langer blijven twijfelen of ik eigenlijk wel iets kon schrijven wat de moeite waard was. De Literaire Canon was een presse-papier van beton, en ik was het vlindertje dat eronder lag.

(c) Inaya photography



Laat dit niet geïnterpreteerd worden als een kruistocht tegen een academische literatuuropleiding. Het is mij nu meer dan ooit duidelijk dat dit op veel vlakken voor mij persoonlijk gewoon niet de meest stimulerende omgeving was. Voor anderen was het juist water waarin ze fantastisch konden gedijen.

Het maakt ook niet meer uit. Ik ben de weg gegaan die ik gegaan ben, en ik ben het product van al mijn ervaringen. De kneuzingen en littekens van toen doen geen pijn meer, ze jeuken hoogstens nog een klein beetje. Ik kijk er nu vooral met interesse naar. En ik begrijp mezelf nu zoveel beter dan toen.

Het heeft een hele tijd geduurd voor ik in het reine was met het idee dat ik al die pijnlijke, deprimerende boeken misschien wel knap werk vond, maar geen mooie boeken. Ze onderzoeken de condition humaine en ze doen dat meesterlijk, maar ze bieden er geen oplossing of uitweg voor. Het mensbeeld dat eruit spreekt, is vaak somber en uitzichtloos. En ik vind dat, als ik eerlijk ben, tot op vandaag van heel veel literair werk.

Zelf wil ik werk maken dat mensen raakt en hen op een of andere manier een beetje laat groeien. Werk waar schoonheid en hoop in zit. Innerlijke voeding of medicijn, in de vorm van een boek, een gedicht, een verhaal. Of in de vorm van alle andere dingen die ik daarnaast ook nog doe.

Erik Vlamink zei ooit: ik kan alleen maar de boeken schrijven die ik schrijf als ik ne gelukkige mens ben. Wel, voor mij geldt dat ook. En van deprimerende boeken over de condition humaine als status quo, hoe knap geschreven ook, word ik niet gelukkig. Zo eenvoudig is het. Ik heb mezelf dus ruim een decennium geleden de toestemming gegeven dat ik ze niet meer hoef te lezen.

(c) Inaya photography



De ruimte op mijn boekenplanken is beperkt, en ik heb sympathie voor Marie Kondo. Wat voor meesterwerk het ook is, if it doesn’t spark joy, komt het er niet in.

The blindfold is het enige boek van Versluys’ lijstje dat vandaag nog in mijn kast staat. Memories of the future mag er binnenkort naast gaan staan. Mijn overgevoelige jonge leeszenuwen naast mijn meer ervaren en veel robuustere zelf. Siri Hustvedt zou de symboliek kunnen appreciëren.