Er is loslaten, en… loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb dit jaar heel veel tijd doorgebracht op ons terras, overschaduwd door de takken van drie dicht naast elkaar groeiende eiken. Dat terras bevindt zich op de eerste verdieping en dat wil zeggen dat we letterlijk in de takken zitten. Heerlijk vind ik dat.

Dit jaar kondigde zich aan als een heel rijk eikeljaar. In de lente hingen de bomen vol, écht vol: handenvol rijpende eikeltjes aan één tak. Maar de klimaatverandering hakte erin. Begin augustus, lijdend onder de aanhoudende hitte en droogte, begonnen de eiken noodgedwongen hun kostbare oogst te lossen, veel te vroeg. Alles werd op een mum van tijd bedekt onder een tapijt van onrijpe, groene eikels. We veegden ze van het terras af, naar beneden de tuin in. Een dag of wat later zag het eruit alsof we nooit geveegd hadden.

Het was zielig en zonde, maar het leverde ook grappige taferelen op. Eikels die vallen van dik tien meter hoog doen pijn! Buiten eten (wat we heel graag en zo lang mogelijk doen) werd bij momenten een risicovolle bezigheid, je wist nooit wat je op je bord, op je hoofd of in je kopje koffie ging krijgen.

Intussen is het herfst. En de eikels vallen nog. Nu zijn ze bruin en steviger, en ze vallen ook harder. Werden ze in augustus met spijt door de boom gelost, nu worden ze bijna gekatapulteerd. Ze stuiteren van het terras, ketsen terug, een meter of hoger soms, en belanden niet zelden vanzelf in de tuin, een verdieping lager. Wie ze op zijn hoofd krijgt, weet even niet wat hem overkomt.

We genieten ervan. Hoe harder ze vallen, hoe blijer ik word. Dit is zó’n verschil met de zomer.

Zomerzonde (c) Inaya photography



Ik kan me niet ontdoen van het idee dat de eik een soort plezier heeft in dit afvuren van eikels. Er is sprake van doelgerichtheid, spunk. Ik gun hem (nee, als ik eerlijk ben voelt het als haar) elke welgemikte hoop op voorplanting. Ik bescherm wel mijn gsm als ik die meeneem naar buiten – één foute (of welgemikte?) inslag en ik kan hem vervangen, zoveel kracht hebben die projectieltjes.

Dit is geloof ik het verschil tussen loslaten omdat je niet anders kunt, uit noodzaak dus, en loslaten omdat het moment juist is en je er klaar voor bent. Het is het verschil tussen verlies en vooruitgang.

Binnenkort slaan de weersverwachtingen om en krijgen we meer kilte en regen. Prima, het werd tijd. Zo hoort dat in dit seizoen, en wie weet hoe lang kennen we hier nog iets wat op een echte herfst lijkt. Ik ga het terras wel missen, inclusief het ketsende, petsende eikelbombardement. Maar op dit moment ben ik gewoon blij dat ik het verschil tussen de beide zo bewust en zo duidelijk heb mogen meemaken.

Het brengt mij bij een derde vorm van loslaten, de mooiste misschien, degene die ik zelf verkies, als ik er iets aan te zeggen heb. Die heeft niets met eikels te maken, en alles met waterdruppels.

(c) Inaya photography



De zwartbladige moerasplant die ik meebracht uit een magische tuin in Zuid-Frankrijk koestert elke regen- of dauwdruppel als was het een parel. Hoe het water zich op de bladeren verzamelt, zwelt, schittert, en vervolgens loom en elegant naar beneden glijdt, het is een levende meditatie.

Dát is loslaten, denk ik dan.
Geen pijnlijk verlies uit schaarste, waarbij prachtig potentieel ongebruikt en met spijt moet worden gelost.
Geen ambitieus en doelgericht mikken, met een voortdurende kans op teleurstelling als het projectiel niet landt in vruchtbare grond.
Wel dit: een helder, zacht verzamelen van zichzelf, tot het zo vol is dat momentum vanzelf ontstaat: de omvang van de waterdruppel overstijgt de grip van het blad en rolt er in een laatste liefkozing vanaf, richting bestemming. Het blad houdt niets tegen, houd niets vast, en mist niets. Het laat los en ligt open voor de volgende dauw of regenbui.

Zo loslaten is schenken.
Zo losgelaten worden, is gratie.

(c) Inaya photography

ZAAILING #87 – Teufelsschlucht

De omhelzing van de duivel



Het regent en het bos roept. Ga.
Ga peilloos verdwalen.

Alles wat je meebrengt naar het bos, inclusief jezelf, kan ontbinden. Daarvoor is het ook bedoeld.
Emoties zijn herfstbladeren. Herinneringen zijn humus. Lang voor je lichaam zich uitstrekt om deel te worden van de bodem, ben je al ontelbare keren verzonken en vergaan.

Alles wat leeft, teert op iets wat voorbij is. Van rottende bladeren tot herinneringen: we stampen het eerst dieper de bodem in, laten het in het duister bezinken en vermolmen. Precies daaruit bouwt het leven zichzelf vervolgens weer op.

We houden niet zo van dat idee, wij mensen. Bij doodgaan denken we aan engelen en licht en liever niet aan de oerkracht van vochtige bosgrond. Geen wonder dat we de natuur aan de duivel gingen toeschrijven. Wie haar kende en respecteerde, noemden we heks. Wie haar vernietigde, noemden we slim en ondernemend. Kijk waar dat ons gebracht heeft, intussen.

Want er bestaat niet zoiets als ongeworteld zijn. Afgesneden, dat wel. Door het gerommel in ons hoofd, door de kletspraatjes of verheven sprookjes. En we kunnen onszelf mooi heersers van de schepping wanen, de tijd en het landschap weten eindeloos veel beter. De duivel krijgt altijd gelijk.

Dus zak maar dieper in de greep van de bodem. Los langzaam op in de regen. Je kunt verdrinken in bossen en rotsen zonder ooit in ademnood te komen.

En wat van ons overblijft, gestold en versteend en omhelsd door laag na laag bezonken rots, werkt zich op een dag wel weer naar het licht.


Sommige duivels zijn geen sprookjes, en in het ene landschap is de levende geschiedenis van de bodem een stuk tastbaarder dan het andere. Ik verloor een paar jaar geleden mijn hart aan de fenomenale geologie van Teufelsschlucht, en vorige zomer namen we er Jurgen en zijn gezin mee naartoe. Van hoosbuien tot stralende zon, we kregen het op onze wandelingen allemaal. Een tocht door dit landschap kan je alleen maar nederig maken.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Je gewassen eronder ploegen

(c) Inaya photography


Soms komt er vanzelf een zinnetje in mijn hoofd zitten. Een frase uit een liedje, of een zin uit een boek. Het kan jaren geleden zijn dat ik het voor het laatst zag of hoorde, maar plots dringt het zich op. En het blijkt bijna altijd relevant voor een kwestie waar ik op dat moment mee bezig ben.

Een zin die zich de laatste tijd al een paar keer kwam aandienen, is deze: ‘zoals een boer die zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten’.

Bizar? Niet echt als je weet uit welk boek het komt (De weg van de alchemist van Catherine MacCoun). Het trof me de eerste keer dat ik het las meteen als een onwaarschijnlijk krachtig beeld. Het gaat over het bereiken van meesterschap, en dat vervolgens weer opgeven.

(c) Inaya photography



MacCouns boek is een van die weinige op die boekenplank waar het maar al te vaak een commercieel en zweverig circus is, die kennis en ervaring combineert met humor en helderheid. Een boek als Meditations on the Tarot, een van de standaardwerken in het hermetisme (dat ik door haar verwijzing ook ging lezen), is fantastische literatuur van een heel andere orde, maar ook bijzonder… euhm, hermetisch. MacCoun daarentegen is toegankelijk. Als ik haar stem lees, vind ik haar sympathiek. En ze weet waarover ze het heeft, zonder dat ze gaat opscheppen of met wierook zwaaien.

Dat wil niet zeggen dat je alles wat ze beschrijft zomaar snapt. Of kunt toepassen. En dat is een van de redenen waarom ik het een interessant boek vond. Het zette mij op nieuwe manieren aan het voelen en aan het denken over veel dingen waar ik al mee bezig was.

Het zinnetje over de boer komt uit het laatste hoofdstuk van het boek, waarin ook Shakespeares tovenaarspersonage Prospero uit The Tempest besproken wordt, en zijn beslissing om aan het einde van het stuk zijn wraak en al zijn magische krachten op te geven:

“Dit is het gebaar dat van een gewone magiër een alchemist maakt. Het is de zevende fase van het Grote Werk: het vrijwillig opgeven van alles wat voorheen verworven is. In zekere zin sublimeert het de vruchten van de sublimatie, zoals een boer zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten.” (De weg van de alchemist, p.270)

(c) Inaya photography



Het is een vorm van overgave die lastig te begrijpen is, ook na het lezen van het boek. MacCoun zelf kan die laatste stap ook niet helemaal helder uitleggen en is daar heel eerlijk over. Sommige dingen zijn alleen maar te ervaren en ontsnappen ultiem aan de kracht van woorden.

Het beeld van de boer die zijn oogst, volgroeid en voedzaam, weer onder de aarde van zijn veld ploegt, strijkt tegen de haren in. Wat een verspilling! Wat een zonde van al zijn tijd en zijn harde werk! Tenzij… het harde werk en het proces ernaartoe de bedoeling waren, maar het product niet is waar het om draait.

Ik kan wel vermoeden waarom mijn onderbewuste mij de afgelopen weken al een paar keer dit beeld geserveerd heeft. Het bergt echo’s van een gevoel dat ik al een tijdje heb. Het heeft iets met overgave te maken, met het opgeven van ambities en concrete verlangens, met het besef dat de weg die afgelegd is niet blijkt te draaien om geboekte resultaten maar om het feit dat je er zelf, tijdens het lopen, door veranderd werd.

(c) Inaya photography



Dit is, zeker gezien de ravage die Covid-19 door al onze levens trekt op dit moment, geen slechte plek om mij te bevinden. Integendeel. En tot op zekere hoogte zie ik parallellen met waar we ons bevinden als mensheid, op dit scharniermoment in de tijd. Maar ik kan de mensheid en de evolutie van de planeet niet op mijn eentje torsen, zoveel heb ik al lang begrepen. Ik kan wel proberen mijn deel te doen, door mij op een gefocuste en constructieve manier bezig te houden met mijn eigen kleine stukje van de puzzel.

Ik kijk achterom naar mijn donkere, vruchtbare veld, waarin alles waar ik twintig jaar innerlijk mee bezig ben geweest weer in de aarde geploegd ligt, en ik ben dankbaar. De rijkdom die het resultaat is van al die jaren hoef ik niet te proeven om erdoor gevoed te worden.

(c) Inaya photography

Jardin clos

Een visioen * een sprookje * een bestemming

(c) André Vanlierde

Er was eens een meisje dat in een zeepbel leefde. Ze droomde met haar ogen open, ze liep op de tippen van haar tenen door de wereld.

Op zeker moment werd ze te groot voor haar bubbel. Toen die knapte, had ze het een tijdje moeilijk. De wereld daarbuiten was groot en woelig, koud en druk. Het was geen veilige plek. Maar ze bleef de ene voet voor de andere zetten en probeerde zich aan te passen. Ze durfde steeds meer, en stilaan raakten niet alleen haar tenen maar ook haar voetzolen de grond.

Ook toen ze opgroeide, bleef het leven haar voor raadsels stellen. Wat moest ze hier beginnen, in dit enorme circus? Ze leerde haar stem gebruiken. Ze leerde dat woorden, in elke vorm, haar vrienden waren. Op papier kregen ze vleugels, en zij vloog mee.

(c) André Vanlierde & IP



Toen haar vleugels sterk geworden waren en de woorden haar de hemel getoond hadden, en het licht van de zon zoals dat scheen boven de wolken die als donzen bergen tot aan de einder reikten, voelde ze hoe de grond haar riep. Dus keerde ze terug naar beneden.

Daar vond ze een tuin, een rijke, bloeiende plek, vol bomen en struiken en bloemen en waterlelies. Het was een geheime tuin, een groene wildernis die overliep van leven en schoonheid. Er liep een stevige muur eromheen, helemaal begroeid met mossen en klimop en allerlei groene stengels. De vrouw voelde zich er veilig. Ze zorgde voor alles wat er groeide en bloeide en leefde, en ze werd steeds meer deel van de tuin.

(c) Inaya photography



Alle dingen die ze tot dan toe had geleerd en gedaan, kon ze daar nu gebruiken. Ze praatte tegen de planten. Ze vertelde verhalen tegen de vlinders. Ze sloeg haar armen om de stammen van bomen en kroop in hun kruin. Ze plantte en wiedde, ze zaaide en liet begaan. Ze groef naar wortels en at vruchten recht van de struiken. Ze maakte van de tuin een diepe plek, een wilde, vruchtbare plek, een magische plek.

Mensen uit de buitenwereld waren er welkom. Er was een kleine deur en die liet de vrouw bijna altijd open. Wie bij haar wilde zijn en goed keek, vond vanzelf de weg naar binnen. Er was vriendschap, wijsheid en verbondenheid. En om hen heen groeide en bloeide de tuin.

Moeders maken de mooiste foto’s (c) Grietje Bruyland



Zelf ging de vrouw ook nog wel naar buiten, maar het gebeurde steeds minder, en alleen op belangrijke momenten. Dan droeg ze de gloed van haar tuin met zich mee, en als ze sprak, hoorden sommigen geen woorden maar het lied van de vogels, of het ruisen van de wind in de boomtakken.

Hoe oud ze is geworden, weet niemand. Er wordt verteld dat ze op een dag ging zitten aan de rand van de vijver in haar tuin en niet meer opstond. Ze veranderde in een waterlelie, die met haar wortels diep in de donkere vijvergrond stak, haar zachte groene bladeren oprichtte om de dauw te vangen en haar kelken liet uitbarsten in een lied van licht.

(c) Inaya photography

Het enige spoor dat ik kan lezen

(c) DriftHangingGardens


Soms vrees ik dat ik verveel.

Toen ik een jaar of vijf geleden in ernst begon met deze blog, wilde ik er mijzelf als schrijver een beetje meer mee in de kijker zetten. Ik wilde er vooral artikels op publiceren die ik schreef voor het magazine waarbij ik toen in dienst was. Professioneel degelijke stukken. Bespiegelingen over de toestand van de samenleving, mijn onderbouwde opinie over sociale, politieke, ethische en ecologische toestand van de wereld. Nu en dan iets persoonlijks.

Het draaide anders uit.

Dit digitaal platform vervelde tot iets veel persoonlijkers. Dat ging vanzelf en toch ook weer niet.

Je moet een zekere afstand kunnen bewaren van onderwerpen als je er journalistiek over wil schrijven. Dat is niet mijn sterkste punt. Ik ben een veel emotioneler en meer intuïtief gedreven mens dan ik ooit objectief of journalistiek zal zijn. Het ene is niet beter dan het andere, dit is geen oordeel. Maar je moet wel weten wát je schrijft om te weten hoe je het op een integere manier kunt doen.

(c) Inaya photography



Schrijven is altijd een manier om mijn eigen processen helderder te krijgen. Maar ze ook op mijn blog zetten, was meer dan één brug oversteken. Ik kon mijn persoonlijke traject en mijn bekommernissen even goed kwijt in mijn dagboek, of in een intiem gesprek met mijn beste vriend(inn)en. Waarom deed ik dan wat ik doe op deze blog? Was het een verkapte roep om aandacht?

Jezelf online blootgeven is een combinatie van opperste kwetsbaarheid en exhibitionisme. Ik was me van beide bijzonder bewust. Het eerste vond ik doodeng, het tweede zonder meer kwalijk. Wie had er iets aan dat ik in woorden in mijn blootje ging? Ik had geen antwoorden, er was alleen de zachte innerlijke stem die zei: doe het nu maar. En dan drukte ik op ‘Publiceer’.

De respons die kwam, verbaasde mij niet alleen, er zat ook een onwaarschijnlijke logica in. Hoe meer schroom ik had om iets online te gooien, hoe vaker ik reacties kreeg die op verschillende manieren allemaal hetzelfde zegden: ‘Dank je om dit te schrijven, want ik herken mezelf hierin. Dit is mijn verhaal maar ik had er geen woorden voor. Tot nu.’

Van zulke reacties kun je alleen maar heel bescheiden en heel dankbaar worden.
Ik heb ze een voor een gekoesterd en ik voelde ook hoe ze iets in gang zetten. De bevestiging die ze mij brachten, heeft me meer vertrouwen gegeven om online te zetten waar ik mee bezig ben. Ik vraag me niet elke keer meer af: is dit wel een goed idee? Nu overheerst het idee: iemand, ergens, zal er misschien iets aan hebben. En ik laat het dan maar los.

(c) Inaya photography



Toch voel ik de laatste tijd de twijfel weer groeien.
Ik ben bezig aan een proces van substantiële verdieping. Ik graaf letterlijk en figuurlijk naar de wortels. Ik ben heel intensief bezig met planten, structuren, diverse vormen van levend en dood materiaal. Hoeveel boodschap hebben mensen daar nog aan? Heeft het zin dat ik de zoveelste foto van een plant online zet? Willen ze niet liever weten hoe mijn kind door zijn vijfde leerjaar geraakt is en wat ik klaargemaakt heb voor het avondeten?
Anderzijds: is wat mensen willen weten ooit een goeie motivatie om wat dan ook te doen?

Mijn fascinatie met planten gaat veel verder dan het feit dat ze groen en natuurlijk zijn – wat je nog zou kunnen verwachten van iemand die duidelijk te kennen heeft gegeven hoe dierbaar het groene gedachtegoed haar is.
Planten boren naar de bron, ze verrijzen uit iets zo onbeduidends als een zaadje of een knol, ze groeien, dragen vrucht en sterven af. Ze bewegen zo langzaam dat ze naar ons aanvoelen helemaal in het ‘nu’ zijn. Maar eigenlijk evolueren ze gewoon op hun eigen tempo, volgens de cycli van groei, bloei en dood.

Hoe verder de mens afdrijft van de natuurlijke ritmes, de gezonde grenzen en de verbondenheid met wat geworteld is, hoe sterker ik er mij naartoe getrokken voel. Bijna alsof het ene het andere compenseert. Ik schreef ooit over mezelf dat ik een sjamaan in wording was. Ik betwijfel of de echte sjamanen van deze wereld het daarmee eens zouden zijn. Ik hou me niet aan hokjes, vakjes, gebruiken en vormen, dus ook niet aan deze. Maar mijn voelen gaat alsmaar dieper. Ik heb er zelf niet altijd woorden voor. Dat is wanneer beelden het overnemen, en dat zijn bijna altijd beelden van planten.

(c) Inaya photography


Dus bij deze: sorry als ik u verveel. Ik ben bezig mijn wortels te spreiden, zo diep als ik kan, en ik hoop de uitbundigheid van het leven die van daaruit naar het licht reikt recht te doen in al haar diversiteit.

Het klinkt mooi, maar kom me binnen een paar jaar nog maar eens vragen wat ik daar precies mee bedoelde. Op dit moment kan ik het niet zeggen. Ik weet alleen dat het juist voelt. Net zo juist als al die keren dat ik aarzelde om op ‘Publiceer’ te drukken en die zachte stem zei: ‘Doe het nu maar.’

Vleugels als vlammen, wortels als omgekeerde kruinen, vertakt in het duister. Wie niet weet waar hij geworteld is, kan groeien noch gedijen.
Ik volg het enige spoor dat ik kan lezen. Voor wie het ook voelt: ik zal wat broodkruimels strooien onderweg.

(c) Inaya photography

ZAAILING #85 – Werelden die wachten op genezing

Giant redwood @ Houtlab, Plantentuin Meise (c) Inaya photography



Een jaar geleden liepen Jurgen en ik langs de prachtige paden van Plantentuin Meise. We hadden juist een bezoek van de serres achter de rug met de mensen die hun schouders wilden zetten onder de boekvoorstelling van De serres van Mendel. Het was een zonnige zomerdag. We zaten vol goesting en inspiratie en we wilden het samen hebben over hoe een tweede verhaal er kon uitzien.

We hadden het idee voor een tweede boek al eerder uitgesproken, tegen de uitgever en onder elkaar. Zelf had ik niet meer dan een paar vage aanzetten in mijn hoofd, maar Jurgen had er echt al over nagedacht, zo bleek nu. Hij werd in zijn naast omgeving geconfronteerd met een zwaar ziek familielid en gooide een uitdagend idee op tafel: een plaag in de serres. En niet zomaar één: een ziekte die binnengebracht werd door een mens, maar die ook de planten aantastte. Hij had ook al een paar straffe ideeën over hoe dat er voor de personages en het verhaalverloop zou kunnen gaan uitzien.

We dwaalden door het park, we bezochten het Houtlab en we eindigden voor een koffie in de Tuinwinkel. Er ging een spervuur aan ideeën over en weer. Ik ken werkelijk niets wat mij diepere voldoening schenkt dan samen met iemand die ik graag zie een verhaal bedenken, brainstormen, een wereld creëren. Dat is alchemie van de allerbeste soort.

(c) Inaya photography



En nu staan we hier, een jaar verder. De wortels van de wereld verschijnt over twee maanden, eind augustus. En het is een beetje eng hoe relevant alles wat er in dit boek geslopen is, onbewust en spontaan en soms al maanden voor corona uitbrak, nu is voor de wereld zoals ze er vandaag uitziet.

Want dit is het portaal, het kantelpunt. We bevinden ons op een moment in de tijd waarop werelden veranderen.

De afgelopen maanden waren een hogedrukpan. Corona zette de samenleving stil en zette een aantal dingen op scherp. We kunnen niet meer negeren hoe de manier waarop wij leven de planeet verwoest en onszelf dus ook, hoe diep de ongelijkheden zijn, hoe immens de angst en haat. Maar ook de verbondenheid neemt toe, op soms onverwachte manieren, het bewustzijn groeit. Wie altijd al dunne wanden en fijne voelsprieten had, merkt dat ze nu niet alleen nog fijner maar ook veel verder en dieper registreren.

(c) Inaya photography



De kwesties waar we voor staan en doorheen gaan, zijn immens. Dat is bij momenten het ideale recept voor machteloosheid, want wie zijn wij, in ons kleine eentje, nu helemaal om iets te helpen veranderen of verschuiven, op wat voor manier dan ook?

Door ons eigen steentje bij te dragen, zo eenvoudig is het. En in ons geval, van Jurgen en mijzelf, komt dat zonder twijfel onder de vorm van een boek.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

ZAAILING #82 – Wilde geest

Deze Zaailing kwam tot stand naar aanleiding van een hartverscheurende gebeurtenis. Je leest het relaas van Jurgen hier.

Maar wilde geesten laten zich niet tegenhouden. Hun schaduw blijft onverstoord en ongehinderd door de schemering glippen.
In onze herinnering. Op papier. In werkelijkheid.



Wilde geest

Ik wil je weer vrijbuiter zien, vluchtig
als wind, scherp als een bijtende streek
die je telkens weer vergeven wordt.

Want wilde geesten zijn niet gemaakt
voor duisternis, zelfs niet in herinnering.
Ik ken jou tot je laatste strakgespannen spier.

Vaste voet aan de grond gun ik je
hier waar schaduwen met de kleur van koper
en zonsopgang alles verlichten op hun pad.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Mensen lijken op vogels

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~4~

Ik zit op het terras en ik worstel me door een taai hoofdstuk van het nieuwe boek dat ik aan het schrijven ben. Ik vraag me af wanneer ik het in mijn handen zal houden. Normaal gezien verschijnt het dit najaar, maar er is eventjes niets meer normaal of vanzelfsprekend in mijn wereld. Mijn horizon voor projecten en plannen bedraagt op dit moment welgeteld een week.

Boven mijn hoofd en langs mij heen vliegen de vinken, mezen en mussen over en weer. Van de haag naar het nestkastje, van de takken van de bomen naar het vogelvoer en weer terug. Ze verjagen elkaar, ze tolereren elkaar, ze eten en fladderen weer weg. Ik hoor het getik van scherpe bekjes, het geruis van vleugeltjes.

‘Is het jou ook opgevallen’, vraagt een vriendin uit Limburg mij, per mail uiteraard, ‘dat de vogels zoveel vrijer bewegen? De natuur neemt terug wat van haar is, nu de mensen massaal binnen blijven.’ Ik ben een natuurmens. Maar om eerlijk te zijn: nee. Ik zie het niet.


Wij wonen op een bel-étagewoning en de laagste takken van onze eiken strekken zich uit als een natuurlijke parasol op grijphoogte. De hele
winter en een groot deel van de lente hangen we daar vogelvoer. Het is soms een drukte van jewelste op ons terras. We spotten er merels, vinken, drie soorten meesjes, een winterkoninkje, een roodborstje, een boomkruiper. En sinds de buren een eind verderop in de straat hun haag vervingen door hekwerk met draad, geeft onze tuin met zijn struiken en verstopplekjes ook onderdak aan een zenuwachtige mussenfamilie. De tortels en bosduiven tellen we niet mee, noch het kauwenparlement in de populieren aan de andere kant van het veld, die zitten er altijd.

Nu en dan laat de bonte specht zich zien, die is ook niet vies van wat vogelvoer. Zelfs het koppel eksters dat hier al jaren woont en broedt, komt de laatste tijd naar beneden en kan in één enthousiaste schranspartij een kwart van een vetbol wegwerken als ze niet gestoord worden door beweging achter het raam.


Met het eerste mooie weer ben ik ook op het terras gaan zitten, om te schrijven dan. Aan dat boek, weet u wel. Eerst schrokken de vogels daarvan. Het was aandoenlijk hoe ze tussen de toen nog bijna kale takken over en weer vlogen, piepend naar elkaar dat daar plots een mens zat, een mens! zo dicht bij hun maaltijd. Die mens bewoog zich niet, weliswaar, maar ze keek niet alleen naar dat schrift of dat scherm voor haar, ze hield ook hen in de gaten. Takje na takje hupten ze dichterbij – en soms weer weg – tot de eerste dappere toch durfde te komen eten. Twee hapjes van de vervaarlijk schommelende mezenbol, en weg maar weer!

Mensen lijken op vogels. Want we wennen verbazend snel aan nieuwe omstandigheden. Na amper twee dagen fladderen de vogels vrolijk af en aan en hangen ze op amper een dikke meter van mij aan de overgebleven wintervoorraad.

Voelen die vogels het verschil, vraag ik me af, tussen ons gewoonlijke geraas en de kalmte van de wereld nu? Zelf hoeven ze zich geen vragen te stellen over waar hun toekomst naartoe gaat. Ze vangen insecten, pikken een graantje mee van ons terras, en binnenkort gaan ze zitten broeden. Dan wordt het pas hectisch voor hen. In de vroege zomer zien we hier traditioneel het mezenkoppel uit het nestkastje onafgebroken aanvliegen met mondenvol vers groen rupsenvoer voor de kleintjes, recht van tussen de eikenbladeren geplukt. Boven onze hoofden, jawel.


Want wat mijn lieve vriendin ook zegt, dit is niet het eerste jaar dat de vogels eerst een beetje van ons schrikken en vervolgens voor de rest van de lente en de zomer het terras met ons delen. Ik vermoed dat zij het nu gewoon beter opmerkt. Want dat is zeker wél een effect van deze quarantaine.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De zaag bovenhalen

Loop je de laatste tijd soms wel eens tegen je grenzen aan? Lijkt de kamer te krap, de wereld te vreemd, het leven een film waarin je niets meer herkent?

Er komt veel op ons af. Ook op plekken en in landen die – laten we eerlijk zijn – op het eerste zicht niet bijzonder zwaar getroffen zijn door de hele coronastorm. Het is nutteloos en onwenselijk om onzekerheid en menselijk leed in honderd-en-één vormen tegen elkaar te gaan afwegen. Er zijn persoonlijke drama’s, en er is een grote, collectieve golf. Beide raken ons in meerdere of mindere mate. Op welk punt van het driedimensionaal spectrum je je ook bevindt, het is ingrijpend.

Dat is altijd het geval, als oude werelden aan het wankelen gaan.

Boomverzorger aan het werk (c) Inaya photography



Ik zit in een luxepositie. Ik hoef niet veel meer te doen dan de bordjes van gezin-werk-school-huishouden-persoonlijke behoeften in de lucht te houden, zonder dreigend faillissement, zonder zware ziektes of verliezen (voorlopig).
En toch ben ik ook al een paar keer tegen mezelf aan gelopen.

De details doen er totaal niet toe – mijn demonen en processen zijn de mijne. Maar wat ik wel leerde, is dat wat vaak het meest uitdagend is, het taaist om op een nieuwe en andere manier mee om te gaan, niet de veranderende leefomstandigheden zijn, maar mijn eigen innerlijke strategieën die een nieuwe situatie willen benaderen op een oude manier.
Ik loop niet tegen de situatie aan, maar tegen mezelf.

Vandaag kwam onze vaste boomverzorger de bomen in onze tuin snoeien. Elk gezond levend wezen moet zich van tijd tot tijd ontdoen van wildgroei. Boomverzorgers zijn geen doorsnee snoeiers. Ze weten precies welke takken op termijn een risico vormen op doorscheuren, insluipend rot, schuurschade. Ze aarzelen niet om de zaag boven te halen. Het huis dreunde van het gewicht van de takken die de grond raakten. Maar ze snoeien nooit zomaar, ze verminken niet. De bomen die zij onder hun hoede hebben, floreren.

Er is iets fundamenteel aan het schuiven in het onderbewustzijn van de mensheid, deze dagen. We voelen het allemaal. Het neemt de mooiste en de lelijkste vormen aan, en het zal blijvende impact hebben.

Maak ik mezelf groter, of juist kleiner? Houd ik mijn adem in tot morgen of neem ik ten volle bezit van vandaag? Bereken ik wat er in de toekomst misschien nog (of weer) zal kunnen, of sta ik toe dat dit proces mij wezenlijk verandert, hier en nu?

Ik geef me over aan het werk van dit tijdsgewricht als een boom onder de handen van een boomverzorger. Ik heb geen persoonlijke controle over welke takken er nu sneuvelen. Ik weet wel dat ik, dankzij wat er nu op mij inwerkt, zal groeien en bloeien op een heel nieuwe manier.

Boomverzorgers aan het werk (c) Inaya photography

Thuis

(c) Inaya photography


Parallel groeien, maar nooit gelijk.
Dezelfde oever delen, zon en schaduw
en een storm nu en dan. Vogels zien
komen en gaan, een thuis bieden
tussen wortel en tak, onder kreupelhout,
aan nesten en holen en alles wat liever
ongezegd blijft. Geen enkele stam groeit
ongeschonden. Maar dat geeft niet
zolang de wortels elkaar vinden.