ZAAILING #63 – Muizenissen


Het was nochtans geen warme dag, laat staan een warme nacht. Maar na wat draaien en keren was het duidelijk – dit zou weer niets worden. De luiken van het Franse hoeveraam stonden op een kiertje. Het vliegenraam werd dubbel gecheckt. Voor het slapengaan had ik zelfs nog een amusant hoofdstukje gelezen waarin de personages godbetert Kerstmis vierden. (Dat komt ervan als je je niet goed informeert over een boek, niks zo vervelend als over de winter lezen in de zomer.)

Een paar uur eerder was ik door een prachtig aangelegde tuin aan het wandelen. Met gesloten ogen herontdekte ik die nu. Ik waadde opnieuw tussen de gigantische bladeren van de heilige lotussen door, nauwlettend in het oog gehouden door de veelogige zaaddozen die als periscopen tussen het groen priemden.

Het prikkelde me meer dan het me tot rust bracht. Ik wisselde van rug naar zij, trok mijn knieën hoog op en bootste de onvolgroeide varens na. Ik ging opnieuw door het bamboe labyrint maar ook deze keer stond ik te snel in een ander deel van de tuin. Ik verdwaalde in gedachten in de veelheid van te volgen lijnen in de schetsen die ik maakte. Misschien moest ik er nog een extra laagje kleur aan toevoegen? Een eerste klus voor de volgende dag? Of een personage toevoegen? Misschien was deze tekening dan wel bruikbaar voor…


Ze liet het centrum van het stadje achter zich. De huizen lagen steeds verder uit elkaar. De keurige tuinen vol struiken en bloemen, moe van de zomer, werden steeds groter. Hier was het goed lopen, alleen jammer dat er niets eetbaars te vinden was. Haar maag plakte als een lege ballon tegen haar ribben.
Plots zag ze ze: grote donkerrode appels, vuistdik. Haar voeten gingen vanzelf sneller. De boom stond in een immense tuin met een smeedijzeren hek eromheen, en dat hek liep zo ver ze kon zien, zonder een poort of een ingang. Er moest een huis zijn, daar ergens achter al het groen, maar de bomen en struiken onttrokken het aan het zicht.
Wie zo’n grote tuin had, kon best wat appels missen. Het hek was geen obstakel: kinderhanden hebben genoeg aan een paar fijne krullen als houvast. In een wip zat ze boven op het hek, balancerend als een vogeltje.
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent?’
Ze had hem niet horen aankomen, maar de man stond er opeens, aan de overkant van de straat. Ze hield zich vast aan de spijlen en voelde hoe haar vingers trilden.

‘Over je eigen hek klimmen is toch niet verboden?’ was het eerste wat ze kon bedenken.
‘Jij wóónt daar?’
Ze hoopte vurig dat de eigenaar van de reusachtige tuin, wie het ook was, geen goede kennis was van deze man. Ze keek hem uitdagend aan en knikte.
‘Waarom ga je niet langs de ingang?’
Ze grijnsde. ‘Zie je die hier ergens?’
Hij stak de straat over en kwam op haar af.
Ze nam een besluit, zwaaide haar benen over het hek en met landde met een goed gemikte sprong niet ver van de appelboom.
Eén van de takken hing laag genoeg. Als ze op haar tenen stond, kon ze erbij. Ze plukte een appel en zette haar tanden erin. Ze proefde de donkerrode smaak van opluchting en draaide zich om naar de man aan de andere kant van het hek.
‘Tot ziens, meneer’, lachte ze met volle mond.
Hij zei niets en bleef haar aankijken. Hij had een smal gezicht, en donkere ogen. Met de spijlen tussen hen in had ze plots het gekke gevoel dat hij gevangen zat in een met tralies afgesloten domein, en dat zij zojuist vrij land had bereikt. Ze zwaaide nog eens naar hem en liep toen de tuin in alsof ze er de weg kende.


Het was stil tussen de bomen. Dit was meer een park dan een tuin, meer een bos dan een park. Een beekje stroomde en vormde een vijver, half verborgen tussen het groen. Ze zag een brugje maar nergens een pad dat er naartoe liep, en algauw had ze het gevoel dat het groen haar insloot.
Ze nam nog een hap van de appel en keek achterom. De appelaar kon ze nog zien, maar van waar ze stond, leek het hek verdwenen.

Plots voelde ze zich doodop. Ze koos een boom in de buurt en ging er met haar rug tegenaan zitten. De takken boven haar hoofd ruisten zachtjes. Vlekjes zonlicht dansten tussen de bladeren en over de stammen. Daar bestond een woord voor, wist ze, voor dat licht, maar ze kon het zich niet meer herinneren. Waar zou de man die haar had aangesproken nu zijn? Was hij verder gelopen? Of stond hij nog steeds met zijn sombere ogen aan het hek, te speuren tussen het groen? Misschien kende hij het woord wel. Ze wilde dat ze kon teruggaan om het hem te vragen. Maar denken aan hem maakte haar droevig. Ze was moe. Met een zucht sloot ze haar ogen, heel even maar…


Slaapdronken werd ik me bewust van de geluiden boven mijn hoofd. In oude Franse hoeves slaap je nooit alleen. Overdag dutten de habitués in hun warme schuilplaatsen zodat ze geen energie hoeven te sparen tijdens hun wilde nachten. Eerst dacht ik muizen te horen, maar afgaande op sommige van de eerder lugubere schreeuwen zou het wel eens een familie marters kunnen zijn die boven huishielden, en aan het tumult te horen waren ze het kot aan het afbreken. De kleintjes zaten elkaar achterna, racend in de plafonds, zigzaggend tussen de dakspanten.

Tussen het onophoudelijke gesjirp van de krekels door hoorde ik een uil roepen. Zouden uilen marters eten? Zou er een uil op zolder logeren? Ooit vond ik er kippenschedeltjes. Maar uilen aten toch geen kippen? In gedachten zag ik een majestueuze uil, geruisloos navigerend als een ervaren stuntpiloot, tussen de balken van de stoffige zolder. Uit het niets stortte hij zich met stevige klauwen op zijn prooi. Een stofwolk, gevolgd door scherp gepiep. Dichtklappende vleugels, stilte. Einde film.

Dat uilen muizen eten, is zeker maar of er ook marters op hun menu staan, moest ik maar eens opzoeken. Het was alleszins een goed muizenjaar in deze streek want overdag wemelde het van de roofvogels. Geruisloos lieten ze zich meevoeren door de wind, gedragen door de thermiek, steeds hoger en hoger. Mijn gedachten cirkelden mee de blauwe lucht in… Het grote niets lonkte – tot een groter zoogdier besliste om een plaspauze in te lassen. Een deur knalde, voetstappen in de gang, nog een deur, water stroomde. Zelfs de bovendieren schrokken, want ook op zolder was er geritsel te horen. En mijn slaap koos resoluut het hazepad.

Klaarwakker besloot ik dan maar op te staan en als een nachtdier de trap af te sluipen. Ik zou alvast die tuinprent afwerken. Ware het niet dat dat bewuste schetsboek in de auto was blijven liggen… Op dit uur de luiken opendoen en als een dief in de nacht stilletjes mijn eigen auto openmaken zou de anderen misschien onnodig ongerust en vooral ook wakker maken. Dus sloop ik weinig heldhaftig van het bed naar de zetel.

Ik las wat, nam de digitale krant door en voerde een handvol online gevechten. Zoals altijd merkten de wakkere vogels als eersten dat de zon aan haar werkdag begon. De lamp kon nu wel uit, het natuurlijk licht vond zijn weg langs de kleine ramen naar wat mijn tijdelijke werkplek geworden was: een antieke salontafel met overdreven gedraaide poten midden op een weliswaar zacht Perzisch tapijt. Een lichtstraal viel op mijn opengeslagen schetsboek, het kleinere van de twee dat wel in huis lag en waarin ik zonet een zwarte wouw had zitten tekenen. Met prikkende ogen keek ik het zonlicht tegemoet. Misschien kon ik de voorbije nacht als een extra laagje aan deze schets toe voegen. Of ik kon hem opschrijven.

Terwijl ik de laatste woorden op papier zette, strompelden de dagbewoners de trap af. De geur van verse koffie lokte me naar de ontbijttafel. De bovendieren konden weer gaan rusten.

Tekst en beeld: Jurgen Walschot & Kirstin Vanlierde




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Advertenties

ZAAILING #61 – Brandharen

Een drieluik in duet
drie beelden // drie keer twee gedichten

alle beelden (c) Jurgen Walschot






als een jonge vogel spreidt
de zaailing blad en stengel
groei is een richting en de hemel lonkt

misschien lijken bladeren niet
per toeval wat op harten



inzicht slaat in als de bliksem
maar de sterren weten beter

dan het duister te verstoren
elke brandhaard is er een te veel
laat wijsheid maar

langzaam wortelen zoals water
zich vertakt vanuit de bron



onbeholpen willen we de ander
benaderen met open palmen

trek je niets aan van de brandharen
mompelen we, we bedoelen het niet
kwaad en de pijn trekt zo weer weg

wie ons wil kennen moet waakzaam
tussen de nerven leren lezen







verlangend naar licht
spreidt het hart zijn vleugels
en wortelt dieper




de nacht vertakt zich
en waar de bliksem inslaat
groeit nog de stilte




schuchter laten wij
onze brandharen aaien
blad na waakzaam blad







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #57 – Belofte


We slaan het blad van zoveel dagen om.
De herinneringen, dierbaar en voldragen, mogen langzaam vervagen tot schimmen in zwart-wit, gestolde silhouetten in de ochtendnevel die we achter ons laten.

De zon kondigt zich aan met lichtlijnen langs de horizon. Het natte gras prikt onder onze voeten. Alles is scherp en helder op een ochtend als deze. Het is alsof de bodem zelf dampt en ademt, zich loswoelt onder de roep van merel, vink en spreeuw.

Wat zich voor ons uitstrekt, bergt de belofte aan warmere dagen. We snuiven de kruidige lucht en voelen onze longen vollopen met iets wat wil uitbotten.
Zonlicht priemt tussen de takken door. Als we de ogen sluiten, krijgt alles wat we liefhebben vanzelf meer gloed.

(c) Jurgen Walschot







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Leren kijken

“Hoe komt dat toch”, zucht mijn man aan de ontbijttafel, “dat zoveel mensen niet gewoon zien hoe mooi dit is? Ik zou niet zonder kunnen leven.”

(c) Inaya photography

Met ‘dit’ bedoelt hij de wirwar van eikentakken die zich uitstrekt tot bijna tegen ons eetkamerraam op de eerste verdieping. In de zomer heeft ons huis iets weg van een boomhut, omsloten door groen aan alle kanten. En ik deel zijn gevoel: ik zou ook niet zonder kunnen leven. Deze rijke groene wildernis die doorgaat voor tuin is precies wat ons verleidde om het (donkere, vochtige, slecht gebouwde) huis waarin we tot op vandaag wonen vijftien jaar geleden te kopen.

Wat mij intrigeert aan de vraag van mijn man is zijn met droefheid gekruide verbazing. Want ik vind die vraag eigenlijk helemaal niet zo moeilijk te beantwoorden.
We houden niet alleen van wat we geleerd hebben (‘een strak gazon met alleen maar gras is mooi’), maar ook van wat we geleerd hebben om te zien.

Kunnen we dan niet allemaal zien? Hebben we dan niet allemaal ogen? Tuurlijk wel, maar daar gaat het niet om. Van alles wat via ons netvlies onze hersenen binnenkomt, filteren we immers een groot stuk weg. Bepaalde dingen vallen ons pas op, of merken we zelfs pas op, als we geléérd hebben ze te zien. En dat komt niet vanzelf.

(c) Inaya photography

Een groot deel van mijn liefde voor de natuur heb ik te danken aan mijn vader, die ons als kinderen ontelbare keren wees op zaken waar we anders onnadenkend aan voorbij gelopen waren: het spinnenweb, het zonlicht op de sneeuw, de zonsondergang, een wolk met een bizarre vorm, het silhouet van een indrukwekkende boom of een kasteelruïne op een heuveltop.

Want kijken, van in de prille kindertijd, gaat in de eerste plaats om aandacht. Pas als we onze aandacht ergens op richten, zien we het echt. Als we niet aangeleerd krijgen om ergens aandacht aan te besteden, dan zijn we er blind voor, ook al staat het bij wijze van spreken voor onze neus.

Beter leren kijken is soms een heuse openbaring.

(c) Inaya photography

Zo hield ik altijd al van de natuur, maar het was één groot groen decor van in elkaar lopende vormen en lijnen waar ik verder niet bij stilstond. Toen ik mezelf, geprikkeld door nieuwsgierigheid bij de aankoop van ons huis, leerde om boomsoorten te identificeren, kwam de natuur niet alleen veel gedetailleerder tot leven, het was alsof ik ze voor het eerst zag. En eigenlijk was dat ook zo, op het komische af. Want telkens wanneer ik weer een nieuwe boomsoort had leren herkennen, ontdekte ik die plots overal. Ineens sprongen exemplaren ervan me overal in het oog. Die hadden er natuurlijk altijd gestaan, ik had ze alleen niet gezien.

Hetzelfde gebeurde een paar jaar later toen ik me voor vogels ging interesseren. Ik ben verre van een ornitholoog, en vraag me niet om verschillende roofvogels uit elkaar te houden (ik noem alles ‘buizerd’ 😉 of ook wel ‘rapace’, dat mooie woord voor roofvogel in het Frans). Maar vroeger kon ik hooguit een merel of een roodborstje herkennen. Intussen ken ik het gezang van alle soorten die in onze tuin zitten, en kan ik van de meest voorkomende soorten aan de vleugelvorm of het vliegpatroon van een stipje in volle vlucht zeggen wat het is.

En kijken gaat verder dan het puur visuele. Er zit ook een sterke psychologische component in. Wat vind je mooi of lelijk? Wat vind je harmonieus of problematisch? Het hangt er maar van af hoe je er naar hebt leren kijken.
Soms verkoopt het leven je een uppercut en kijk je sindsdien heel anders aan tegen iets wat je daarvoor dik oké vond (probeer maar eens langs de plek te rijden waar je ooit een ongeval had of waar je het uitmaakte met een lief; en wie één keer doodziek is van mosselen kan ze nadien doorgaans niet meer ‘zien’).

Maar ook alle belangrijke mensen in mijn leven hebben in niet geringe mate mijn kijk op de dingen mee beïnvloed. Mijn ouders legden uiteraard een fundamentele basis in hoe ik tegen het leven aankijk. Maar leerkrachten, vrienden, partners… brachten andere elementen aan, andere manieren om naar de dingen te kijken, letterlijk én figuurlijk. Soms gingen die zelfs regelrecht tegen mijn eerder verworven beeld in.

(c) Inaya photography

Het bijzonder intrigerende, labyrintische huis van mijn beste vriendin, volgestouwd met kunst en planten en bijzondere voorwerpen op de meest onverwachte plaatsen, leerde mij twintig jaar geleden anders kijken naar concepten als schoonheid of gezelligheid.
Onze verschillen in karakter en standpunten rond opvoeding van kinderen leerden zowel mij als mijn man heel anders kijken naar wat kinderen nodig hebben en helpen ons nu enorm vooruit in hoe we samen onze zoon grootbrengen.
Mijn zus staat met stip op één als het aankomt op mij goede ideeën of inzichten aanbieden die ik op het moment zelf maar half omarm, maar die nadien fenomenaal waardevol blijken te zijn en mij voor een stuk op mijn levenspad vooruit helpen (een Soul Circle organiseren, om er maar eentje te noemen).
En hoewel ik op mijn eigen manier daar ook al lang mee bezig was, heeft mijn hechte Zaailing-samenwerking met Jurgen mij op zowat alle mogelijke manieren anders leren kijken naar planten, kunst, dieren en weerspiegelingen.

De voorbeelden zijn ontelbaar. Belangrijk hierin is dat ik weet dat mijn blik nooit ‘af’ is, mijn zicht nooit helemaal scherp. Hoe meer ik leer zien, hoe meer ik besef dat wat ik zie maar een heel klein stukje van de totaliteit is, en dat het in feite ook mijn benadering van de wereld weerspiegelt. Andere mensen zien heel andere werelden dan ik. De realiteit is onwaarschijnlijk rijk.

Leren kijken is een levenslang proces.
Ik zet alvast mijn deel van de traditie voort door mijn zoon op elk geschikt moment te wijzen op planten en dieren, boomsoorten, vogels en schoonheid in al haar vormen, op motieven in verhalen, op de kracht van personages en symbolen, waar we ze ook tegenkomen. Wat hij daar later zelf nog aan toe zal voegen, dankzij de mensen die hij in zijn leven nog ontmoet, daar zal ik wellicht op mijn beurt weer van kunnen leren.

Ik kijk er nu al naar uit.

(c) Inaya photography

Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography

De naam van de oude wijze vrouw

(c) Inaya photography

Bij je geboorte krijg je een naam van je ouders. Met wat geluk is het een naam die je zelf ook mooi vindt en graag gebruikt. Maar soms heb je nood aan nóg een naam.

Ik ben boeken aan het herlezen waaraan ik ooit veel plezier gehad heb, werk dat te maken heeft met persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ik merk: ze zijn nog altijd goed. Ik merk ook: ik ben op een paar jaar tijd een heel eind opgeschoten. Wat ooit baanbrekend was en diep voedend, is nu vooral thuiskomen in iets wat ik beheers.

Soms vraagt een bijzonder interessante oefening erom om te worden herdaan. Je maakt immers nooit twee keer precies dezelfde reis.
Ik ben dus een oude vrouw gaan opzoeken. De vorige keer toen ik haar bezocht, was ze nog een stuk jonger. Ze zag er heel anders uit. Ze woonde op een andere plaats. Maar in wezen is ze nog steeds dezelfde.
Ze vertelde mij wat ik moest horen, en ik zal in de toekomst nog heel vaak bij haar op bezoek gaan. Ze zei mij ook haar naam.

(c) Inaya photography

De onverwacht vroege komst van de lente dit jaar houdt gelijke tred met mijn ontluikende gevoel van mogelijkheden. Ik heb een grote knoop doorgehakt, er liggen nieuwe horizonten open. Er zijn nog wat dingen af te ronden, in schoonheid. Er zijn nieuwe draden om op te pikken.
Alles is welkom, want vanaf nu is alles een avontuur.

Ik proef de naam van de oude, wijze vrouw op mijn tong. De klanken zingen, zachtjes.

(c) Inaya photography

De weg die voor ons ligt

(c) KV


Er is iets aan het veranderen.
Of het een subtiele kalibratie is dan wel een aardverschuiving valt nog niet te zeggen. Persoonlijk mik ik op een kruising tussen de beide.

Het is een beetje zoals wat ik deze dagen aan het doen ben: een nieuw programma gebruiken om foto’s te bewerken.
Je kende de basiskneepjes al, maar met dit nieuwe speelgoed komen er opeens een heleboel extra mogelijkheden in beeld. Kleuren worden meer uitgesproken, contrasten worden scherper. Je voelt de lokroep van iets wat belofte inhoudt. Je wil je erin verdiepen, er voluit voor gaan. Het voelt als water waarin je van nature thuishoort.

(c) KV – Eerste probeersel in slechte lichtomstandigheden… Met dank aan de gevleugelde gast die een paar seconden wilde blijven zitten…


Vinnen kweken, zo schreef ik het in Zaailing #48. Daar lijkt het wel op. En wie weet: misschien van de eerste keer ook kieuwen… In ieder geval: ik begin me voor te bereiden op leven in een andere habitat. Het is niet eens een volledig bewuste keuze. Een stuk van mij heeft al lang haar schoenen uitgetrokken en is het water in gelopen. Ik hoef alleen nog écht te duiken.

Ik ben vast niet de enige die de lokroep van nieuwe horizonten en nieuwe mogelijkheden hoort. Want de wereld staat op een kantelpunt. Van oud naar nieuw, van cynisch naar geëngagneerd, van business-as-usual naar hoop voor de toekomst.

Geen idee of hoop genoeg is. Maar het is zoveel beter dan wanhoop.

Confucius zei het al, eeuwen terug: ‘Het is beter om één kaars aan te steken dan te vloeken om het duister.’
Waar ik ook sta, ik zal ze blijven aansteken, die kaars.

En nu: op naar de toekomst.
Het is de weg die voor ons ligt. Er is geen andere.

ZAAILING #46 – De perfecte plek

Midwinter Zaailing
wens voor de donkerste nacht van het jaar

dat er rust mag zijn, en zachtheid
zoals van sneeuw die soms de scheuren
in een landschap toedekt, de breuklijnen
verbergt en barsten in oud water
weer helpt dichtgroeien
zodat de bodem onder onze voeten
ons met het komen van de lente weer licht
en zonder aarzelen draagt

dat er helderheid mag zijn
in ons hoofd zoals die er is
in een lucht waar kleuren
moeiteloos wolken worden
op weg naar ergens of misschien
juist niet, want hier en nu
is de perfecte plek
om te blijven

dat er beschutting mag zijn, en warmte
in onze huizen en onze omhelzingen
dat we niet alleen
glimlachen om hoe het landschap
zich loom uitstrekt langs de ramen
maar ook om onszelf
en elkaar, schouder aan schouder
in dubbele weerspiegeling

Alle beelden (c) Jurgen Walschot




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.