Huid

(c) Inaya photography




jarenlang zocht ik het hoger
doorzocht de ijlere lagen
van zin en geest en leerde
gehoor te geven aan hun roep

nu duik ik onder
de oppervlakte, zwerf langs
de barsten van kalksteen, de lijnen
in de bodem, de wortels van de wereld

er is niets meer te verbergen
van het dier vanbinnen, de adem
van de ziel die weet dat elke muur
een val bouwt om in te sterven

ik heb niets beters te bieden
dan huid en buig in overgave
voor de wetten van datgene
wat altijd veel groter was dan wij

ZAAILING #68 – Praten in sporen

(c) Jurgen Walschot


Een Zaailing met wat uitleg erbij – omdat het zo’n leuk concept is!
En het hoeft niet altijd de schrijver te zijn die de dingen uitlegt… Zo schrijft Jurgen het op zijn blog:

“Al jaren is oktober gelinkt aan tekenen. Acties zoals #inktober trokken wel mijn aandacht maar stootten me ergens ook af. Dit jaar voegde Kunstwerkt er nog een online tekenchallenge aan toe: A Paper / A Day en daagde iedereen uit om een maand lang te tekenen. ‘Af en toe of elke dag’.
Als tekenleraar op Sint-Lukas vraag ik de leerlingen om dit een schooljaar lang te doen. Elke dag een schets, krabbel, tekening, studie… betere training om te leren tekenen bestaat er volgens mij niet. Dit jaar nodigde ik hen ook uit om deel te nemen aan #apaperaday19 en hun werk te delen. En met mijn voorbeeldfunctie in het achterhoofd flapte ik eruit dat ik ook zou meedoen. (Er verder geen rekening mee gehouden dat ik een drukke maand tegemoet ging, met twee boekvoorstellingen, workshops, lezingen, verjaren…) Ik riep op om uit onze comfortzone te komen en een maand lang eens iets anders uit te proberen en dit te delen met ‘de wereld’. Als onderwerp koos ik de planten waarmee ik me thuis omring: A PLANT / A DAY. Ondertussen zitten we al aan dag 13 en mits wat stunt- en vliegwerk ben ik erin geslaagd om elke dag een pagina te posten via mijn Instagrampagina.”



Als Jurgen origineel en uitdagend materiaal produceert, over een thema dat mij heel dierbaar is nog wel, dan gaat mijn pen natuurlijk jeuken. Dus…

“Vanaf dag 1 van de tekenchallenge volgde Kirstin de tekeningen en liet haar schrijfpen op de tekeningen los. Uit al deze fragmenten heeft ze de 68e zaailingtekst gedistilleerd.”

Ik ben van plan om het vol te houden tot en met de laatste dag. Het is fijn schrijven in brokjes, fragmenten en motieven. Het is een leuke uitdaging thema’s en beelden te laten terugkeren op andere manieren, net zoals Jurgen dat in zijn beelden doet.



En (niet zo) stiekem hoop ik dat we met die hele reeks nog iets leuks kunnen doen eens ze af is. De titel van de cyclus ligt nu al vast, en het is ook de titel van de Zaailing deze week: Praten in sporen. Dat is behalve een leuke woordspeling op Jurgens collagetechniek én de voortplantingswijze van varens, zwammen en schimmels ook een verwijzing naar een passage uit het magistrale Benedenwereld van Robert MacFarlane, over het belang om de natuur en onze plaats daarin met heel andere ogen te gaan zien én beschrijven…

Praten in sporen

toon me je snippers
laat mij je breuklijnen lezen
en de gekartelde randen van je angsten

we snijden vensters uit
op verleden en verlangen
blikken terug naar iets beters
dan de beduimelde bladzijde
van het hier en nu

maar hier en nu is wat we zijn
een veeg, een droom, een vergif

de nacht brengt dromen in vergeten talen
kringen die zich teder herhalen
als een voornemen of een val

op arme grond beperkt
de schade zichzelf

wat kunnen wij anders dan praten
in sporen, een stuntelige afdruk laten
van koffievlek of ongeluk, de echo
van een beeld dat ons achtervolgt

ik laat jou langzaam wortelen
dag na dag de bodem aftasten
met aarzelende aanzetten
doen alsof je alleen uit blad bestaat





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #65 – Het diepste punt

(c) Jurgen Walschot


Verdriet zinkt naar het diepste punt
zoals schatten dat doen
herinneringen waarvan we nog niet
weten of we ze wel willen bewaren.
Wat ons raakt, doorboort ons
en precies die wonde wordt de plek
van waaruit we groeien
omhelzen als we durven
en alles wat vooraf kwam
stralend in de schaduw laten.







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Versteende tijd

(c) Inaya photography


Het schooljaar is begonnen en alles voelt als herfst, ook al gaf de zon nog volop warmte. Maar het ruikt anders, buiten, en de manier waarop het licht valt, spreekt al volop over de equinox. Binnenkort zijn dag en nacht weer perfect even lang – heel even. En dan begint de opmars van steeds donkerder ochtenden en avonden.

In ons huis morst de zon kwistig met haar licht, gefilterd doorheen de takken van de bomen voor het raam. Dat levert een poëtisch schimmenspel op van wiegend en bewegend licht. De vormen zijn meestal abstract, en daarom eens zo mooi.

(c) Inaya photography

Precies in deze dagen merk je ook hoe snel de zon eigenlijk opschuift langs de hemel. Intussen weet ik dat ik niet nog even mijn kop koffie moet opdrinken of dat hoofdstuk moet uitlezen als ik een mooie schaduw-en-lichtcompositie zie op het behang. Ervaring heeft me geleerd dat ik NU mijn fototoestel moet pakken, want over minder dan twee minuten is wat ik zo mooi vind alweer weg, de schaduwen verschoven, het licht gefilterd door andere bladeren, aan een andere tak misschien, uit een net iets andere hoek.

Schoonheid is vluchtig. Misschien is dat precies een van de redenen waarom we ervan houden.

Eén schaduw trok vanmorgen in het bijzonder mijn aandacht: het afgetekende profiel van een dennenappel in een schaal met fossielen, genesteld tegen de boog van een ammonietafdruk.
Zij aan zij lagen ze, het zaad voor de toekomst en het geologische geheugen van een tijdperk zo ver van ons verwijderd dat ons verstand het niet eens kan bevatten. Versteende tijd en gestolde hoop.

Het zonlicht, in dat ene moment van gratie, verlichtte beide.

(c) Inaya photography

ZAAILING #64 – Als de regen valt



Als de regen valt

Hoe het landschap langzaam zachter wordt
onder waardig ruisende welvingen, hoe de kleuren
leeglopen tot grijs, de contouren smelten.

Hoe mijn lijf zingend tot leven komt
en mijn zintuigen schreeuwen ik leef
dronken van vochtig donker, doordrongen

van hars en hout en mos en modder.
Hoe de verticale roffel mijn blik met lichte vingers
neerwaarts dwingt, naar de bodem

en de minitatuurmondingen van rivieren
op een steeds riskanter pad. De regen
moedigt niet aan om naar boven te kijken

maar misschien wel om te aanvaarden
wat in hulpeloze schoonheid wegstroomt
als een tedere voorbode van wat ons wacht.

(c) Jurgen Walschot




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Wat een tussenstation…

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #5 (slot)



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien
-Deel #3 – Zîchtbaar, met of zonder schulp : waarin twee boekenmakers steeds meer uit hun schulp komen
– Deel #4 – Dubbele lens, dubbele pen : van solitair werken naar samen creëren



Dus vertelden onze hoofdpersonages het verhaal samen, net zoals wij samen het boek maakten. En dat lukte fantastisch.

Na de residentie ontwikkelden Jurgen en ik, nog veel meer dan daarvoor, een constante en open communicatielijn. Beelden en teksten gingen ook voordien al met de regelmaat van de klok tussen ons over en weer, voor de Zaailingen bijvoorbeeld. Nu kwam daar nog een heleboel bij dat viel onder de categorie ‘bruikbaar voor Mendel’. We brainstormden bij momenten digitaal, we stuurden de ander alles waar we aan dachten of wat onze aandacht trok.

Natuurlijk werkten we niet alleen maar aan dat boek. STROOM, de Zaailingen, de Boekenbeurs, andere boekprojecten, lesgeven, journalistiek werk, gezinsleven… Het kwam er allemaal bij en tussen. Maar dat gaf niet. De lijn stond open en bleef openstaan, we legden de spreekwoordelijke hoorn gewoon niet meer op de haak.

Bij momenten, als het schrijven van mijn kant goed vlotte en Jurgen tegelijk aan het tekenen was, voelde het dankzij die digitale communicatielijn over de fysieke afstand van half Vlaanderen heen een beetje als opnieuw in Zweden zijn: de ander laten meekijken naar jouw stuk van het proces, in real time, voelen dat wat je maakt veel zonder veel uitleg resoneert en begrepen wordt. Woord en beeld in elkaar voelen klikken. Er bestaat, wat mij betreft, niets fijners.


We hadden gekozen om De serres van Mendel toe te vertrouwen aan uitgeverij Van Halewijck omdat we de indruk hadden dat hun visie voor dit boek zowel inhoudelijk als vormelijk het meest op onze golflengte zat. Voor onze residentie hadden we al twee constructieve vergaderingen met de uitgever, en in de maanden die erop volgden, bleken we echt wel met ons gat in de boter gevallen. Niet alleen gingen alle contractuele en financiële afspraken super vlot, ook artistiek was vertrouwen de norm.
Mijn volledig uitgewerkte tekst was een schot in de roos, ik hoefde nergens meer grondig aan te gaan sleutelen. Jurgens voorstel voor vormgeving van het binnenwerk werd ook positief onthaald. We mochten alle registers opentrekken: een ongewoon formaat, hardcover, kleurenpagina’s van begin tot einde, alles bij elkaar een kleine 150 bladzijden. Een volledig geïllustreerde jeugdroman…

Iedereen die in het boekenvak werkt, weet hoe vermoeiend correcties en laatste loodjes kunnen zijn. Er kroop nog een heleboel tijd en werk in de vormgeving, temeer omdat Jurgen had besloten om te gaan voor een overvloed aan visuele details. Op elke pagina is er minstens iets te zien wat aansluit bij of een meerwaarde betekent voor de tekst. Maar de hele redactie verliep erg vlot en consequent, de correcties waren minimaal.

En dan gaat een mens dromen van de boekvoorstelling… Eigenlijk waren we dat al heel lang aan het doen. Wie de met wijn bevloeide mindmap in de vorige blogs aandachtig bekijkt, ziet daar al het woord ‘Meise’ opduiken. Er zitten nogal wat details van de serres van Plantentuin Meise verwerkt in Mendel. Het is natuurlijk niet de enige serre waarop we ons baseerden en de omvang van het koepelcomplex waar Reya woont, is vele malen groter dan die van welke plantentuin dan ook. Maar we koesterden al van heel vroeg de stille hoop dat we het boek misschien wel dáár zouden mogen voorstellen.

We deelden ons idee met de mensen van de uitgeverij. En zij gingen er achteraan. Nog meer gat en boter: ons idee werd in een handomdraai gerealiseerd. Plots hadden we niet een maar twéé organisaties die in ons boek geloofden en met ons mee dachten om er een meer dan memorabele lancering van te maken.

Om organisatorische redenen valt die feestelijke Meisedag pas op 20 oktober. Dat is dus nog even verlangend aftellen. Maar deze week gingen de eerste exemplaren van De serres van Mendel al in de boekhandel over de toonbank. Het is er echt.


Het postpakket met auteursexemplaren uitpakken, had een onwerkelijk aura, alsof het nog niet helemaal ‘waar’ was. En drie jaar hechte samenwerking met een beeldenmaker laten hun sporen na. Mijn eerste blikken waren vooral angstig-kritisch: was de druk kwalitatief in orde? Zaten de kleuren goed? Op papier is alles toch altijd nog nét ietsje anders dan op een scherm. Maar ik zag al snel: het resultaat mocht er zijn. En met elke nieuwe dag die voorbij gaat, word ik blijer.

Terwijl ik dit schrijf, ligt het boek op mijn werktafel. Ik kan het vastpakken, er in bladeren, er aan ruiken (dat deed ik nooit eerder met een boek maar nu wel). Elke keer opnieuw word ik er gelukkig van. Dit boek is alles wat het moest zijn en kon worden. En meer.

De serres van Mendel is het resultaat van veel meer dan een samenwerking. Het is ook geen eindpunt, maar een tussenstation op een lange, totaal onverwachte en onwaarschijnlijk mooie weg. Maar wat een tussenstation. Hier wil ik wel eventjes halt houden om te genieten van het uitzicht.

Jurgen, als dierbare compagnon de route, staat natuurlijk naast mij in dat beeld. We hoeven niets te zeggen, samen genieten van het uitzicht is genoeg. Wat je deelt, gaat zoveel dieper. En wat hebben we veel om dankbaar voor te zijn.






In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

ZAAILING #63 – Muizenissen


Het was nochtans geen warme dag, laat staan een warme nacht. Maar na wat draaien en keren was het duidelijk – dit zou weer niets worden. De luiken van het Franse hoeveraam stonden op een kiertje. Het vliegenraam werd dubbel gecheckt. Voor het slapengaan had ik zelfs nog een amusant hoofdstukje gelezen waarin de personages godbetert Kerstmis vierden. (Dat komt ervan als je je niet goed informeert over een boek, niks zo vervelend als over de winter lezen in de zomer.)

Een paar uur eerder was ik door een prachtig aangelegde tuin aan het wandelen. Met gesloten ogen herontdekte ik die nu. Ik waadde opnieuw tussen de gigantische bladeren van de heilige lotussen door, nauwlettend in het oog gehouden door de veelogige zaaddozen die als periscopen tussen het groen priemden.

Het prikkelde me meer dan het me tot rust bracht. Ik wisselde van rug naar zij, trok mijn knieën hoog op en bootste de onvolgroeide varens na. Ik ging opnieuw door het bamboe labyrint maar ook deze keer stond ik te snel in een ander deel van de tuin. Ik verdwaalde in gedachten in de veelheid van te volgen lijnen in de schetsen die ik maakte. Misschien moest ik er nog een extra laagje kleur aan toevoegen? Een eerste klus voor de volgende dag? Of een personage toevoegen? Misschien was deze tekening dan wel bruikbaar voor…


Ze liet het centrum van het stadje achter zich. De huizen lagen steeds verder uit elkaar. De keurige tuinen vol struiken en bloemen, moe van de zomer, werden steeds groter. Hier was het goed lopen, alleen jammer dat er niets eetbaars te vinden was. Haar maag plakte als een lege ballon tegen haar ribben.
Plots zag ze ze: grote donkerrode appels, vuistdik. Haar voeten gingen vanzelf sneller. De boom stond in een immense tuin met een smeedijzeren hek eromheen, en dat hek liep zo ver ze kon zien, zonder een poort of een ingang. Er moest een huis zijn, daar ergens achter al het groen, maar de bomen en struiken onttrokken het aan het zicht.
Wie zo’n grote tuin had, kon best wat appels missen. Het hek was geen obstakel: kinderhanden hebben genoeg aan een paar fijne krullen als houvast. In een wip zat ze boven op het hek, balancerend als een vogeltje.
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent?’
Ze had hem niet horen aankomen, maar de man stond er opeens, aan de overkant van de straat. Ze hield zich vast aan de spijlen en voelde hoe haar vingers trilden.

‘Over je eigen hek klimmen is toch niet verboden?’ was het eerste wat ze kon bedenken.
‘Jij wóónt daar?’
Ze hoopte vurig dat de eigenaar van de reusachtige tuin, wie het ook was, geen goede kennis was van deze man. Ze keek hem uitdagend aan en knikte.
‘Waarom ga je niet langs de ingang?’
Ze grijnsde. ‘Zie je die hier ergens?’
Hij stak de straat over en kwam op haar af.
Ze nam een besluit, zwaaide haar benen over het hek en met landde met een goed gemikte sprong niet ver van de appelboom.
Eén van de takken hing laag genoeg. Als ze op haar tenen stond, kon ze erbij. Ze plukte een appel en zette haar tanden erin. Ze proefde de donkerrode smaak van opluchting en draaide zich om naar de man aan de andere kant van het hek.
‘Tot ziens, meneer’, lachte ze met volle mond.
Hij zei niets en bleef haar aankijken. Hij had een smal gezicht, en donkere ogen. Met de spijlen tussen hen in had ze plots het gekke gevoel dat hij gevangen zat in een met tralies afgesloten domein, en dat zij zojuist vrij land had bereikt. Ze zwaaide nog eens naar hem en liep toen de tuin in alsof ze er de weg kende.


Het was stil tussen de bomen. Dit was meer een park dan een tuin, meer een bos dan een park. Een beekje stroomde en vormde een vijver, half verborgen tussen het groen. Ze zag een brugje maar nergens een pad dat er naartoe liep, en algauw had ze het gevoel dat het groen haar insloot.
Ze nam nog een hap van de appel en keek achterom. De appelaar kon ze nog zien, maar van waar ze stond, leek het hek verdwenen.

Plots voelde ze zich doodop. Ze koos een boom in de buurt en ging er met haar rug tegenaan zitten. De takken boven haar hoofd ruisten zachtjes. Vlekjes zonlicht dansten tussen de bladeren en over de stammen. Daar bestond een woord voor, wist ze, voor dat licht, maar ze kon het zich niet meer herinneren. Waar zou de man die haar had aangesproken nu zijn? Was hij verder gelopen? Of stond hij nog steeds met zijn sombere ogen aan het hek, te speuren tussen het groen? Misschien kende hij het woord wel. Ze wilde dat ze kon teruggaan om het hem te vragen. Maar denken aan hem maakte haar droevig. Ze was moe. Met een zucht sloot ze haar ogen, heel even maar…


Slaapdronken werd ik me bewust van de geluiden boven mijn hoofd. In oude Franse hoeves slaap je nooit alleen. Overdag dutten de habitués in hun warme schuilplaatsen zodat ze geen energie hoeven te sparen tijdens hun wilde nachten. Eerst dacht ik muizen te horen, maar afgaande op sommige van de eerder lugubere schreeuwen zou het wel eens een familie marters kunnen zijn die boven huishielden, en aan het tumult te horen waren ze het kot aan het afbreken. De kleintjes zaten elkaar achterna, racend in de plafonds, zigzaggend tussen de dakspanten.

Tussen het onophoudelijke gesjirp van de krekels door hoorde ik een uil roepen. Zouden uilen marters eten? Zou er een uil op zolder logeren? Ooit vond ik er kippenschedeltjes. Maar uilen aten toch geen kippen? In gedachten zag ik een majestueuze uil, geruisloos navigerend als een ervaren stuntpiloot, tussen de balken van de stoffige zolder. Uit het niets stortte hij zich met stevige klauwen op zijn prooi. Een stofwolk, gevolgd door scherp gepiep. Dichtklappende vleugels, stilte. Einde film.

Dat uilen muizen eten, is zeker maar of er ook marters op hun menu staan, moest ik maar eens opzoeken. Het was alleszins een goed muizenjaar in deze streek want overdag wemelde het van de roofvogels. Geruisloos lieten ze zich meevoeren door de wind, gedragen door de thermiek, steeds hoger en hoger. Mijn gedachten cirkelden mee de blauwe lucht in… Het grote niets lonkte – tot een groter zoogdier besliste om een plaspauze in te lassen. Een deur knalde, voetstappen in de gang, nog een deur, water stroomde. Zelfs de bovendieren schrokken, want ook op zolder was er geritsel te horen. En mijn slaap koos resoluut het hazepad.

Klaarwakker besloot ik dan maar op te staan en als een nachtdier de trap af te sluipen. Ik zou alvast die tuinprent afwerken. Ware het niet dat dat bewuste schetsboek in de auto was blijven liggen… Op dit uur de luiken opendoen en als een dief in de nacht stilletjes mijn eigen auto openmaken zou de anderen misschien onnodig ongerust en vooral ook wakker maken. Dus sloop ik weinig heldhaftig van het bed naar de zetel.

Ik las wat, nam de digitale krant door en voerde een handvol online gevechten. Zoals altijd merkten de wakkere vogels als eersten dat de zon aan haar werkdag begon. De lamp kon nu wel uit, het natuurlijk licht vond zijn weg langs de kleine ramen naar wat mijn tijdelijke werkplek geworden was: een antieke salontafel met overdreven gedraaide poten midden op een weliswaar zacht Perzisch tapijt. Een lichtstraal viel op mijn opengeslagen schetsboek, het kleinere van de twee dat wel in huis lag en waarin ik zonet een zwarte wouw had zitten tekenen. Met prikkende ogen keek ik het zonlicht tegemoet. Misschien kon ik de voorbije nacht als een extra laagje aan deze schets toe voegen. Of ik kon hem opschrijven.

Terwijl ik de laatste woorden op papier zette, strompelden de dagbewoners de trap af. De geur van verse koffie lokte me naar de ontbijttafel. De bovendieren konden weer gaan rusten.

Tekst en beeld: Jurgen Walschot & Kirstin Vanlierde




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #61 – Brandharen

Een drieluik in duet
drie beelden // drie keer twee gedichten

alle beelden (c) Jurgen Walschot






als een jonge vogel spreidt
de zaailing blad en stengel
groei is een richting en de hemel lonkt

misschien lijken bladeren niet
per toeval wat op harten



inzicht slaat in als de bliksem
maar de sterren weten beter

dan het duister te verstoren
elke brandhaard is er een te veel
laat wijsheid maar

langzaam wortelen zoals water
zich vertakt vanuit de bron



onbeholpen willen we de ander
benaderen met open palmen

trek je niets aan van de brandharen
mompelen we, we bedoelen het niet
kwaad en de pijn trekt zo weer weg

wie ons wil kennen moet waakzaam
tussen de nerven leren lezen







verlangend naar licht
spreidt het hart zijn vleugels
en wortelt dieper




de nacht vertakt zich
en waar de bliksem inslaat
groeit nog de stilte




schuchter laten wij
onze brandharen aaien
blad na waakzaam blad







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.