Het plateau

Cobra_015.JPG

Ik kom uit een lastige periode.
Of, misschien juister: ik kom uit een periode van vervellen. Loslaten. Laagjes afpellen.
En nu heb ik eindelijk de indruk dat ik een interessant punt heb bereikt.

Ik heb mijn levenspad lang beschouwd als een tocht bergop, een berg om te beklimmen. Er moest school gelopen, een diploma gehaald, een job gevonden, een gezin gesticht, een carrière als schrijver nagejaagd.
Jarenlang liep ik dit ingebeelde pad. Soms raakte ik buiten adem, en de weelderig groene alpenweiden leken immer onbereikbaar. Maar ik ging door, ervan overtuigd dat ik op een dag het plateau zou bereiken dat de gevorderden onderscheidde van de  beginners, de professionals van de amateurs. Daar aangekomen zou alles eindelijk op zijn plaats vallen.

(Is het al duidelijk waar dit heen gaat?)

Ik had wat tegenslagen. Ik kreeg twijfels over het werk dat ik deed. Twee stiefkinderen opvangen was ondankbaar en emotioneel zwaar. Mijn eigen zoon baren en opvoeden was een fantastische maar extreem uitputtende onderneming. Ik slaagde er in op tien jaar tijd vier romans te publiceren, maar ik bereikte nooit het punt waarop publiek en uitgever reikhalzend uitkeken naar een nieuw boek.
In plaats daarvan zwoegde ik voort en ploeterde ik verder. Ik klopte op deuren die telkens weer dicht bleven en ik wachtte – hoopte – op het moment dat het hooggelegen plateau eindelijk in zicht kwam.

Cobra_017.JPG

Het verraste me ergens deze zomer. Ik ging al een tijdje door een proces van groeiend bewustzijn over wat ik werkelijk wilde doen om een verschil te kunnen maken in de wereld, en ik had de afgelopen maanden een aantal doelen en idealen losgelaten waarvan ik merkte dat ik ze ontgroeid was. Het leek een beetje op vervellen. En dat voelde goed.

En toen haperde er iets. De ontwikkeling kwam knarsend tot stilstand, twijfel sijpelde binnen. Ik verloor elke vorm van richting en doel. Het leek er sterk op dat ik helemaal nergens raakte.

Ik zat achter het stuur van onze auto, ergens op een bochtige Spaanse autostrade, toen het beeld zich met volle kracht presenteerde. Ik zag mijzelf staan op een weide. Het hoge gras had de strokleur van droge zomers. Vanuit kikvorsperspectief zag ik alleen het gras, en mijzelf daarin vanaf kniehoogte. Om mij heen niets dan blauwe lucht.
Op dat moment besefte ik: ik ben er al. Ik heb dat hoge plateau waar ik naar streefde bereikt. Ik sta er. Alleen… hier is niets.

Ik had het mij voorgesteld als een plek waar ik kamp kon opslaan – of een blokhut kon bouwen – en mij kon innestelen. Van daaruit kon ik verder op ontdekking trekken, de schoonheid en de kracht van de berg opzuigen als nectar. Leven en genieten. En nu stond ik hier – en ik zat vast. Niets dan gras en lucht. Geen alpenweide, geen blokhut, geen hellingen meer om te beklimmen, noch paden om te volgen.
Is dit een midlife crisis, vroeg ik me af. Het leek er wel op.

Het vroeg wat tijd (en een heerlijk verhelderend gesprek met mijn dierbaar zusje) om het volgende te begrijpen: ja, ik heb inderdaad het plateau bereikt. Ik heb alle doelen die ik mij in een eerdere levensfase had gesteld waargemaakt. Ik heb mijn plaats in de wereld veroverd, als moeder, auteur, journalist en professional. Ik ben misschien niet de bestsellerauteur die ik ooit gehoopt had te zijn, maar ik heb niemand nog iets te bewijzen. Ik heb maturiteit gekregen, ik weet wie ik ben en ik word bemind, geapprecieerd en gewaardeerd.
Ik heb de plek bereikt die ik altijd beschouwde als mijn bestemming.

Dus wat nu?

Cobra_003.JPG

Nu – en het was even wennen aan dat idee – is geen troosteloze zee van verdroogd gras. Eigenlijk is het een plek van pure luxe. Ik hoef geen steile hellingen meer te beklimmen, tenzij ik daar zin in heb. In plaats daarvan kan ik rustig rondkijken en beslissen welke richting mij het meest aanstaat. Misschien waait er een fijne wind en wil ik die een tijdje in mijn rug. Misschien is er een vlinder om te volgen. Misschien wil ik alleen maar op de grond liggen en een tijdje naar de wolken kijken. En dat is prima. Alles is prima. Ik mag hier zijn zolang als ik wil. Het voorrecht van deze plek is dat ik alle vrijheid heb om mij te amuseren.

Ik begreep dat ik heel lang alleen maar geklommen had. De droom van het plateau – naïef en wel – hield me op de been. En toen ik de boomgrens bereikte, ergens in de loop van vorig jaar, begon ik laagjes af te pellen die overbodig waren geworden. Het voelde als een bevrijding, tot ik op het punt kwam dat ik voelde dat ik me helemaal had blootgegeven. En nu begrijp ik dat ook dat een bevrijding is.

Dus hier ben ik dan, op het plateau. Geen laagjes meer om af te pellen.
Nu is het tijd om mij te amuseren.

Cobra_013.JPG

Dit stuk verscheen eerder in het Engels op Cowbird.

 

 

Advertenties

Transitie, in alle maten en kleuren

Het is goed dat ze van zich laat horen, denk ik als ik in De Standaard het stuk van Aheda Zanetti lees, de Australische moslima die de boerkini ontwierp. Het is goed dat ze haar stem verheft, en dat ze oprecht is. Ik zal haar, en het recht van moslimvrouwen om boerkini’s te dragen – het recht van elke vrouw om wat dan ook te dragen, punt – altijd blijven verdedigen. En er zijn veel redenen om je als vrouw te bedekken, dat schreef ik al.

Maar als ik lees wat ze zegt, bloedt mijn hart toch.

Ze ontwierp de boerkini omdat haar nichtje zich kapot zweette in de dikke kleren die ze droeg om zich te bedekken tijdens het sporten. Dat is eerbaar, en haar ontwerp bracht vrouwen een vrijheid die ze voordien niet hadden.
Alleen – en dat is waarom ik het er toch nog altijd lastig mee heb – wat voor vrijheid? De vrijheid om je in het openbaar te begeven?
Als je anders helemáál de deur niet uit mag, kan ik me voorstellen dat zo’n pak inderdaad vrijheid belichaamt. Maar het is een vrijheid die de echte ongelijkwaardigheid in een gemeenschap ongemoeid laat. Ze geeft geen kritiek op de diepgewortelde opvatting dat vrouwen zich moeten bedekken, ze omzeilt ze.

Quondam_043.JPG

Aheda Zanetti lijkt geen moeite te hebben met de traditionele denkbeelden uit haar omgeving dat mannen en vrouwen fundamenteel andere rechten en plichten hebben, zoveel kunnen we opmaken uit de rest van haar stuk. Ongelijkheden worden in stand gehouden door beide partijen in een cultuur. Mannen mogen dan veel meer vrijheden hebben dan vrouwen, ze dwingen die niet altijd af met bruut fysiek geweld. Hele gemeenschappen werken daar actief aan mee. Door zich te schikken, door opruiende stemmen het zwijgen op te leggen, door de regels te omzeilen maar niet openlijk aan te vechten.
Vrouwenbesnijdenissen – om het even heel confronterend te zeggen – worden ook niet per toeval uitgevoerd door vrouwen.

En ach, ik besef het maar al te goed, vrouwenemancipatie is van zeer lange adem. Het is een proces dat zich op verschillende plaatsen ter wereld op heel andere snelheden in  diverse fases van ontluiking bevindt. Zoals de Amerikaanse coach Tara Mohr het zo heerlijk zegt: we are the transition team. Vrouwen van onze generatie(s) timmeren aan de overgang van het oude patriarchale systeem naar iets beters en evenwichtigers.
En de weg is veelkleurig en lang. Ook hier in het westen krijgen vrouwen nog altijd geen deftig bestaansrecht in de katholieke kerk. Het glazen plafond wordt ook in de rijkste westerse landen nog steeds gelapt door vrouwen. We mogen ondertussen al naar buiten zonder een chaperone, maar ook ons uiterlijk wordt – op een heel andere manier – onafgebroken onder de loep genomen. Wij protesteren daar wel tegen, velen van ons zelfs heel ostentatief, maar dat wil niet zeggen dat al die zaken in een klap opgelost zijn.

Ik wil deze inventieve, oprechte Australische dan ook niet afvallen of ontmoedigen. Maar ik ben het wel grondig met haar oneens dat de boerkini symbool staat voor vrijheid. Of toch voor het soort vrijheid dat ik in gedachten heb, namelijk de evenwaardigheid tussen man en vrouw. Als een man wil dat zijn vrouw zich bedekt, dat hij dan zelf alsjeblieft ook zo’n surfpak aantrekt, denk ik in een moment van frustratie. En dat hij anders zijn ogen dicht doet.

Er is een hemelsbreed verschil tussen je vrij voelen door de regels te omzeilen en werkelijke emancipatie. Anderzijds: is niet alle emancipatie zo begonnen? Met het omzeilen van regels, tot het voor iedereen duidelijk werd dat die eigenlijk oneerlijk en onwenselijk zijn?
Laten we de boerkini toejuichen omdat hij vrouwen een eerste smaakje van vrijheid geeft. En laten we precies daardoor tonen dat hij eigenlijk helemaal niet nodig is.

Een glibberig symbool

De pro-en-contra discussies over de hoofddoek en – bij uitbreiding – de boerkini, ik krijg het ervan.
Hoe eenzijdig kunnen meningen zijn? Dit is een veelkantige kwestie, een netelig onderwerp waar géén makkelijke en eenduidige antwoorden voor bestaan.

Dat komt omdat de ‘bedekking’ (laten we eens een neutrale term gebruiken die de lading helemaal, euhm, dekt) van moslima’s en vrouwen in de Arabische wereld ook helemaal niet zo eenduidig is als ze lijkt. Die bedekking is met alle vuur te verdedigen én te verwerpen, en alles hangt af van de context. Drie snelle schetsen (maar er zijn nog ettelijke varianten mogelijk).

Quondam_042.JPG

Context 1. Een jonge, moderne, zelfbewuste vrouw zoekt naar een vorm van spiritueel bewust leven. Ze heeft een geloof, en ze wil dat niet alleen tonen door de manier waarop ze leeft maar ook door de kleren of de attributen die ze draagt. Dit zijn nonnen, in India of Vlaanderen. Dit zijn moslima’s in Bangladesh, en Native American grandmothers in Arizona. Dit zijn vrouwen die uit volle overtuiging en in alle waardigheid een uiting geven aan een goed dat in deze neokapitalitische wereld bepaald niet enthousiast onthaald wordt: een bezielde manier van bewust leven, in contact met iets wat dieper gaat dan het tumult van alledag.

Context 2. Een jonge vrouw die opgroeit in een cultuur of een regime dat vrouwen ongeveer op dezelfde hoogte acht als huisdieren, en dat hen alle privileges ontneemt. Bedekking is een plicht, en de straf voor ongehoorzaamheid is uitstoting, of erger. Ze weet niet beter (of ze weet het wel), maar ze aanvaardt de omstandigheden uit noodzaak, want er is geen alternatief.
Ze leeft in door IS bezet gebied, en in landen waar leiders zelfs de vrouwen van andere staatshoofden weigeren de hand te schudden.

Context 3. Een jonge moslima, geboren in het seculiere westen, maar dochter van ouders die nog stammen uit het traditionele patriarchaat dat er maar niet in slaagt een evenwicht te vinden in de moderne Westerse context. Het brengt jonge, gefrustreerde hengsten voort die met hun seksualiteit geen blijf weten, maar eist tegelijk nog altijd van meisjes dat ze kuis en respectabel zijn. Deze jonge vrouwen willen deelnemen aan het alledaagse leven op het continent waar ze zijn opgegroeid zonder van hun familie te vervreemden. Als ze hun hoofddoek afleggen, noemen hun broers ze hoeren. Als ze ze ophouden, zijn ze voor ons niet welkom in het openbaar.

In het westen gruwen we van context 2. Het is ook de meest laakbare van de drie. Alleen: deze praktijken vinden plaats op plekken waar wij vanuit onze fauteuils in Europa nauwelijks vat op hebben. Tenzij we stoppen met zo olieafhankelijk te zijn, klinkt onze morele verontwaardiging goedkoop. Momenteel ligt zelfs eisen dat de echtgenotes van onze politieke leiders met evenveel respect behandeld worden als zijzelf al te gevoelig.

Maar de vrouwen van context 1 en 3 hebben niets te winnen bij een veroordeling van hun klederdracht. Of die bedekking nu een uiting is van een bewuste en doorleefde keuze, dan wel van een ongemakkelijk compromis in een cultuurclash die nog volop gaande is, met een verbod zullen we niemand helpen.

Als de vrouw in kwestie een moslima is, dan zullen we haar – een paar hoopvolle idealisten niet te nagesproken – zelden spontaan in context 1 situeren. Zelfs context 3 is voor velen al te moeilijk. Bij het zien van een hoofddoek springen de conclusies maar al te graag naar context 2. En dat hier in het vrije, Westerse Europa! Dat moeten we verbieden!

We sloegen zelden de  bal zo hard mis. En hij gaat als een boemerang in ons gezicht terugkeren.

 

Voor wie het na het volgen van deze blog nog niet wist: ik ben feministe. Ik houd de waardigheid, gelijkwaardigheid en vrijheid van vrouwen hoog in mijn vaandel. Ik kan woest worden van de verhalen over aangerande vrouwen, over vrouwen die uitgemaakt worden voor ‘hoer!’ omdat ze niet bedekt zijn, over vrouwen van wie vier Olympische medailles vergeten worden maar een man die er twee wint gefeliciteerd wordt.

Maar ik word even woest van een stelletje agenten die een vrouw verplichten zich uit te kleden in het openbaar. In elke andere context noemen we dat aanranding. Maar omdat ze moslima is, en omdat we snel in een wet gegoten hebben dat een hele bevolkingsgroep zich anders moet gaan kleden dan ze voorheen deden, verdient ze het?
Tropische temperaturen of niet, vanmorgen kreeg ik het ijskoud bij zien van de beelden.

De jaren dertig zijn inderdaad terug van weggeweest.

 

De juiste maat

Licht rook thee_063.JPG

Ik drink graag thee.
De bewijzen zitten in mijn kast, ik heb een theecollectie om u tegen te zeggen. Twee grote bamboe dozen vol. Eén doos voor blikken losse thee, één voor verpakkingen met zakjes. En dan zitten er nog wat restjes, cadeautjes, moeilijk weg te puzzelen variaties achter die twee grote bamboe dozen.
Véél thee, dus.

Nochtans betrapte ik mezelf er nog niet zo lang geleden op dat ik amper nog thee dronk. Koffie, dat wel. Het is ook een heerlijk ritueel, ’s morgens een pot verse koffie zetten en de rest van de ochtend kopje per kopje genieten. Maar ik voelde me schuldig. Waarom ging koffie plots zoveel makkelijker, en bleef de thee in de kast staan tot bezoek er naar vroeg?

Het duurde even om te begrijpen wat er speelde. Ik had een oude theepot vervangen door een andere.
Een mooi porseleinen exemplaar, daar niet van. Maar het was wel een erg grote pot. Ideaal voor bezoek. Maar veel te groot voor mij alleen. Ik zette thee, en ik kreeg hem amper half op. Een half gevulde theepot zet geen lekkere thee, die voelt zich leeg. Een volle pot die niet snel leeg raakt, moet je warm houden, en van twee uur op een theelichtje wordt thee echt niet beter, hoe lief de naam van dat kaarsje ook is.
Gevolg: ettelijke halve potten lauw, te sterk brouwsel, en een groeiende tegenzin.
Eindresultaat: nauwelijks nog thee.

Dit ging om de juiste maat van de dingen, begreep ik na een hele tijd. Ik had een kleinere theepot nodig, eentje die ik met plezier zou vullen en helemaal alleen zou kunnen leegdrinken op een ochtend of een middag. De grote mocht blijven, voor bezoek, maar als ik zelf weer iets wilde hebben aan mijn theeritueel, moest ik maken dat mijn werktuigen strookten met mijn behoeften.

Eigenlijk is dat logisch. Je gaat de paardenbloemen in je borders niet te lijf met de bosmaaier, net zo min als je je gazon kort met een grasschaar. Dingen in het leven hebben baat bij de juiste maat. Wat dat dan, al naar gelang de situatie, ook moge zijn.

Sinds een paar weken drink ik weer thee, elke dag dat ik thuis ben. Ik zet mezelf een heerlijk potje. Ik geniet van het ritueel. Ik schenk kopje per kopje, tot de pot leeg is. De thee blijft lang genoeg warm, want zo’n gietijzeren theepot als ik wilde, is net een kacheltje.

En als hij leeg is, denk ik soms: misschien zet ik er vanmiddag nog eentje.

Licht rook thee_070.JPG

Lelijke huizen

Dinosaurussen_010.JPG

“Kijk die lelijke huizen eens!” snuift het kleine meisje, terwijl de trein snelheid wint en een van de grote stations van de hoofdstad achter zich laat.
Onwillekeurig volgt mijn blik de hare, naar de rijhuizen die ik al zo vaak heb gezien dat ik ze eigenlijk niet meer opmerk.

Sommige herinneren nog vaag aan de mondaine luxe die teruggaat op een tijdperk toen wonen in de intieme fysieke nabijheid van het treinspoor werd beschouwd als een bewijs van welstellendheid, en niet van noodzaak. Maar veeleer zijn ze grauw, en etaleren de typische stedelijke vermoeidheid van verzameld vuil en vervlogen tijd. Je kunt je zonder veel moeite de wildgroei van overvolle en smerige achtertuintjes voorstellen, zo vaak te zien op plekken waar de trein langs de achterkant van de beschaving passeert, en niet langs de opgeborstelde gevels: balkons vol wasgoed, speeltuigen, schotelantennes, nu en dan een fiets.

Maar hier – we rijden nu over een groot kruispunt, brede straten die zich uitstrekken in alle richtingen, een rondpunt, verkeer van overal, rijhuizen met een zekere allure – toont de stad haar dappere, zij het vermoeide, façade.

Wat is hier dan zo lelijk aan? Ik zie het niet. De opmerking van dit meisje irriteert mij.

Ze is tien jaar oud, schat ik. Ze zit een eindje voor mij, samen met haar vader en zussen. Twee andere familieleden aan de overkant van het gangpad. Ze zijn het niet gewoon om de trein te nemen, en al helemaal niet om te pendelen, zoveel is duidelijk van het moment dat ze opstappen en met veel aplomb hun zitplaatsen kiezen. Ze markeren hun terrein, door allen te respecteren. In de loop van de reis mag de hele coupé meegenieten van hun commentaar over de kleine vertraging (“Den trein is altoid een beetje reizen, hé?”), welke sandwiches in hun lunchpakket zijn de lekkerste zijn (“Ik em liefst dedie met salami. Hesp goat zue zwieten, hé. Vinde nie? Geeft er nog eens ien…”) en hoe grappig het wel niet is “da al die passagiers hier nog on het wakker worde zen, die zoan allemoal zo stil…”
Als het meisje na een rondje steen-schaar-papier (om een of andere reden luidkeels  uitgevoerd als ‘steen-schaar-papier-SIGARET’, wat mij onwillekeurig ineen laat krimpen) haar ongevraagde opmerkingen over de huizen maakt, valt er dan ook geen bijsturing te verwachten.

Ze is nog een kind, en daarom dus per definitie zonder schuld. Ik voel me een onverdraagzame, zure vrouw omdat ik haar haar botheid kwalijk neem. Maar iets ervan blijft knagen.

Je kunt de meeste huizen van welke industriële grootstad dan ook bezwaarlijk mooi noemen, en die van Brussel vormen geen uitzondering. De trein passeert niet langs de Grote Markt. Ik voel dus geen nood om het naakte standpunt te weerleggen, of een woordenwisseling te beginnen, zelfs niet in mijn hoofd. De zuchtende zieligheid van de stad verruilen voor het groen en blauw van heuvels en horizon is een van de redenen waarom ik altijd blijer ben een stad te verlaten dan er een binnen te rijden. Ja, de stad kan triest zijn. Ja, ze kan lelijk lijken.

Maar mensen wonen hier wel. Ze worstelen om een bestaan op te bouwen, ze proberen het beste te maken van wat ze toebedeeld kregen. Zelfs in een lelijk, zuchtend oud pand met een vuile voorgevel.
Haar uitlating, een van de zovele tijdens de rit, is niets meer dan een goedkope kreet van onwetendheid, een oordeel zonder grond of fundament, geuit met dezelfde gedachteloze dwingendheid als degene die we voelen als we de deur van het WC-hokje achter ons sluiten. Woorddiarree, gedeeld met de hele coupé. Geen greintje zelfbewustzijn of decorum. En de volwassene aan haar zijde grinnikt en spoort haar aan.

Het moet zoveel makkelijker zijn om te oordelen als je absoluut niets weet, bedenk ik.

Wie zwijgt, stemt toe, zeggen ze. Misschien klopt dat wel. Voor een keer denk ik dat de hele coupé het met mij eens is.

 

Terrein heroveren

Somber voorjaar_016 ed cut.jpg

Een huis dat een aantal weken alleen gelaten is, is een vreemd wezen.
Het is in winterslaap gegaan. De stroom van de dingen is gestopt, de hartslag gestaakt. Stilte heeft zich over meubels en voorwerpen gedrapeerd.
Het huis staat niet op wacht tot we terugkeren, het is eenvoudig blijven steken in een schemerzone, halverwege een uitgesproken zin, en daarin bevroren.

Het heeft ons nodig om zijn stroom weer in beweging te krijgen, om een vaas te vullen, een kraan te laten lopen, iets op te bergen, een deur te sluiten, een raam te openen.
Als je roert in water dat een tijdje heeft stilgestaan, krijg je eerst alleen maar viezigheid. Dat is hoe het voelt als ik door de schemerige kamers dwaal van ons voor vakantie verlaten huis: ik waad door enkeldiep water, en overal om mij heen klotst modder in natte wolken. Het ruikt zelfs onaangenaam.

Tegelijk, op een ander niveau, heeft het huis een eigen leven geleefd terwijl wij weg waren. Stof heeft zich verzameld, poezen hebben de piano en de eettafel ingelijfd bij hun territorium, trage tekenen van natuurlijk verval zijn tevoorschijn gekropen uit de schaduwen.
Terwijl we de stroom weer in beweging brengen en het huis wekken uit zijn verdoving, veroveren ook wij weer ons terrein, en dwingen dit andere leven terug naar de hoeken en kieren waar het vandaan kwam.

We bereiden de bodem voor, om er weer in te kunnen wortelen.

 

(De Engelse versie van dit stuk vind je op Cowbird)