ZAAILING #85 – Werelden die wachten op genezing

Giant redwood @ Houtlab, Plantentuin Meise (c) Inaya photography



Een jaar geleden liepen Jurgen en ik langs de prachtige paden van Plantentuin Meise. We hadden juist een bezoek van de serres achter de rug met de mensen die hun schouders wilden zetten onder de boekvoorstelling van De serres van Mendel. Het was een zonnige zomerdag. We zaten vol goesting en inspiratie en we wilden het samen hebben over hoe een tweede verhaal er kon uitzien.

We hadden het idee voor een tweede boek al eerder uitgesproken, tegen de uitgever en onder elkaar. Zelf had ik niet meer dan een paar vage aanzetten in mijn hoofd, maar Jurgen had er echt al over nagedacht, zo bleek nu. Hij werd in zijn naast omgeving geconfronteerd met een zwaar ziek familielid en gooide een uitdagend idee op tafel: een plaag in de serres. En niet zomaar één: een ziekte die binnengebracht werd door een mens, maar die ook de planten aantastte. Hij had ook al een paar straffe ideeën over hoe dat er voor de personages en het verhaalverloop zou kunnen gaan uitzien.

We dwaalden door het park, we bezochten het Houtlab en we eindigden voor een koffie in de Tuinwinkel. Er ging een spervuur aan ideeën over en weer. Ik ken werkelijk niets wat mij diepere voldoening schenkt dan samen met iemand die ik graag zie een verhaal bedenken, brainstormen, een wereld creëren. Dat is alchemie van de allerbeste soort.

(c) Inaya photography



En nu staan we hier, een jaar verder. De wortels van de wereld verschijnt over twee maanden, eind augustus. En het is een beetje eng hoe relevant alles wat er in dit boek geslopen is, onbewust en spontaan en soms al maanden voor corona uitbrak, nu is voor de wereld zoals ze er vandaag uitziet.

Want dit is het portaal, het kantelpunt. We bevinden ons op een moment in de tijd waarop werelden veranderen.

De afgelopen maanden waren een hogedrukpan. Corona zette de samenleving stil en zette een aantal dingen op scherp. We kunnen niet meer negeren hoe de manier waarop wij leven de planeet verwoest en onszelf dus ook, hoe diep de ongelijkheden zijn, hoe immens de angst en haat. Maar ook de verbondenheid neemt toe, op soms onverwachte manieren, het bewustzijn groeit. Wie altijd al dunne wanden en fijne voelsprieten had, merkt dat ze nu niet alleen nog fijner maar ook veel verder en dieper registreren.

(c) Inaya photography



De kwesties waar we voor staan en doorheen gaan, zijn immens. Dat is bij momenten het ideale recept voor machteloosheid, want wie zijn wij, in ons kleine eentje, nu helemaal om iets te helpen veranderen of verschuiven, op wat voor manier dan ook?

Door ons eigen steentje bij te dragen, zo eenvoudig is het. En in ons geval, van Jurgen en mijzelf, komt dat zonder twijfel onder de vorm van een boek.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Een Chinees, een Afrikaan en een mens

Ik ben bij momenten paranormaal. Ik wist dat al langer maar ik val de wereld daar gewoonlijk niet mee lastig. Toch blijven sommige staaltjes mij verbazen.

Vorige week moest ik plots denken aan een tekening die ik in jaren niet meer heb gezien: een kindertekening die voor de rubriek Bondgenootje naar de redactie van De Bond werd gestuurd.

Ik werkte op de redactie van De Bond van begin 2013 tot medio 2019. Bondgenootje was het kinderhoekje van dat blad, een pagina (later een halve en tenslotte helemaal weggesaneerd) met tips en spelletjes en vooral veel ingezonden tekeningen en knutselwerkjes. Elke maand was er een gelukkig kind dat een boek toegestuurd kreeg. Ik heb die rubriek een tijdje onder mijn vleugels gehad, later ging hij over in de handen van een schat van een collega. Mijn zoon heeft lang gedacht dat Bondgenootje echt bestond en als een soort Pippi Langkous op de redactie rondliep.

Zoonlief stond zelf ook een paar keer op de cover van het blad, dit keer per toeval zelfs samen met een vriendin die voor die ene editie de dagboekrubriek schreef…


De bewuste kindertekening die ik mij nu plots herinnerde, toonde drie kleurrijk aangeklede figuren, naast elkaar afgebeeld: een mannelijk figuurtje met een donkerbruine huid, een figuurtje waarvan het niet duidelijk was of het mannelijk of vrouwelijk was met een gele huid, en een blond meisje met een blanke huid.

In dat aandoenlijk zwalpende geschrift van kinderen uit de lagere school had het meisje dat de tekening maakte, er telkens de uitleg over het figuurtje onder geschreven.
Onder het figuurtje met de bruine huid stond: ‘een afrikaan’, onder dat met de gele huid ‘een chinees’. Onder het blonde meisje stond: ‘een mens’.

Mijn mond is nog niet vaak opengevallen maar toen ik die inzending uit de envelop pakte dus wel. Er waren geen kwade bedoelingen mee gemoeid, het kind wist gewoon niet beter. Maar ik vond het des te schrijnender omdat de tekening vergezeld ging van een schrijven door een grootouder die er duidelijk óók geen graten in zag en het mooie werk van haar kleindochter van ganser harte aanprees bij de redactie.

We hebben de tekening niet afgedrukt in De Bond. Ik wilde ze niet houden, maar ik wilde ze ook niet weggooien. Ik besloot ze cadeau te geven aan de collega van de dienst Sociaal-Cultureel Werk die bezig was met diversiteit en kinderarmoede. “Dit”, zei ze met een zucht, “is dus waarom het werk dat ik doe noodzakelijk is.” Ze hing hem omhoog in haar bureau.

Ik werk al een hele tijd niet meer op de redactie van De Bond. Ik had al jaren totaal niet meer aan die tekening gedacht. De bijzonder woelige toestand in de VS (en dichter bij huis) rond racisme en #BlackLivesMattter houden mij net zoals velen bezig, maar er was geen concrete aanleiding die maakte dat die tekening vorige week plots in mijn hoofd opdook. Sommige dingen komen misschien bovendrijven uit de nevelen van je geheugen als er maar lang genoeg over één bepaald onderwerp gepraat en geschreven wordt, dacht ik.




De herinnering liet mij niet meer los. Misschien moest ik toch nog eens een blogje schrijven over gelijkwaardigdheid en discriminatie. Ik heb uitgesproken politieke meningen maar ik voel niet altijd de nood om daar vlammende blogs over te schrijven, anderen doen dat veel beter en ik word er meestal niet gelukkig van. Maar nu dacht ik: dit is te sterk om te laten liggen. Dus ik mailde mijn oud-collega, met de vraag of ze de tekening nog had en er eventueel een foto van kon doorsturen. Vanmorgen kreeg ik antwoord.

“Dag Kirstin,
Fijn om te horen dat je je handen vol hebt en je dagen goed gevuld zijn 😉.
Met je vraag over de tekening kom je helaas net één week te laat. In het kader van de verhuis van de Gezinsbond ben ik vorige week een dag naar Brussel geweest om op te ruimen. Ik heb al mijn postkaartjes en andere fanmail van de muren gehaald. Ook deze tekening. Ik heb veel bewaard en opgeborgen. Bij de tekening heb ik enkele seconden getwijfeld (echt!), maar uiteindelijk beslist om die weg te gooien. Ik dacht: “Ze hangt hier al zo lang, ze zegt zo veel, maar er wordt niet naar gekeken en mijn statement om ze hier te hangen, wordt niet begrepen”. Ik vind het jammer voor jou, maar ben ergens ook wel blij dat de tekening toch nog een extra persoon geraakt heeft.
Ik hoop dat je een andere oplossing vindt, om je blog kracht bij te zetten!
Zonnige groetjes, T.”

Het was duidelijk, ik ging geen politiek betoog schrijven.
Maar ik schreef dus wel een blog. Dankzij de tekening die ik u niet meer kan tonen, maar die u nu net als ik vast nooit meer vergeet.

Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

De vloedgolf en de grot

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~5~
(c) Inaya photogrpahy


Ik onthoud mijn dromen zelden. Of zelden langer dan tot aan het ontwaken. Maar er is één droom die in verschillende vormen al een aantal keer is teruggekomen.

Op een ochtend eind januari 2020 schrijf ik er het volgende over, op de eerste bladzijde van een nieuw dagboek:

Vannacht had ik een droom zoals ik er in de afgelopen jaren vaker heb gehad: vanuit mijn huis zie ik een enorme vloedgolf aankomen, een massieve muur van water. Ik sluit alles af, zoek dekking, krul me op in een hoekje. De golf arriveert. Ik voel het huis daveren maar het houdt stand.

Ik kom er ongeschonden uit, elke keer. De dromen zijn spannend maar niet beangstigend als nachtmerries. Het huis ziet er elke keer anders uit, en ik ben zelden alleen maar de anderen hebben niet altijd een naam of een gezicht. Dit keer is alles herkenbaar: het huis is een kruising van plaatsen waar ik als kind woonde of vaak kwam, en de mensen die bij mij zijn, zijn mijn gezin.

Deze keer gaat de droom uitzonderlijk ook door nadat de vloedgolf gepasseerd is. We lopen om het huis heen. In de tuin naast het huis (je weet hoe landschappen veranderen in dromen, wat eerst een gebouw met zicht op zee was, is nu een huis in een bos) is een volwassen boom geknakt, midden in de stam. Dat van die boom was te verwachten, zegt mijn man. We lopen verder door de tuin die een bos is en vervolgens ontdek ik, half ondergronds, het indrukwekkende wortelstelsel van een andere boom, die daar altijd al moet hebben gestaan maar mij nooit eerder was opgevallen. Onder zijn wortels lijkt het wel een grot, met een gewelf.

De droom met de vloedgolf, wanneer hij zich ook aandient, arriveert altijd aan de vooravond van zeer krachtige en transformerende momenten in mijn leven. Natuurlijk kan ik dat op het moment zelf niet met zekerheid zeggen. Maar omdat ik mijn dagboek al jaren bijhoud, weet ik intussen dat het echt zo is.

Soms overvalt verandering ons. Als een storm, een vloedgolf, een natuurkracht.

(c) Inaya photography


Mijn droom leert mij dat ik dat overleef. De krachten die op mij inwerken, kunnen enorm zijn, maar mijn innerlijk (het huis) houdt stand. Sommige andere dingen, hoe robuust ook, overleven dat niet, worden midden in hun groei geknakt om het nooit meer te boven te komen. Wat overbleef van de boom in de tuin van mijn droom, was een zuil van een stam die met een kroon van gesplinterde punten naar de kruinen van de andere bomen priemde.

Maar het belangrijkste element van de droom was dit keer het gewelf van wortels. De oude, diepgewortelde wijsheid die zich in het onderbewuste van de aarde zelf bevindt en zich openbaart door mij toe te laten.

En er is nog iets.

Eind januari, toen de eerste zachte ritselingen van Covid-19 opdoken in de media, was ik niet alleen begonnen in een nieuw dagboek, ik was ook volop aan het schrijven aan mijn nieuwe boek. Dat verschijnt in augustus en zal De wortels van de wereld heten. Het gaat over de kwetsbaarheid van dingen die we graag zien, en hoe een natuurkracht alles van het ene ogenblik op het andere op de helling kan zetten. Wat vertrouwd was, verandert onherroepelijk in iets wat niet langer herkend wordt. De bakens van veiligheid en zekerheid vallen weg. Maar de diepste, oudste wijsheid, in de wortels van de wereld zelf, komt in het verhaal binnen bereik van wie durft afdalen naar de grot.

Volgende week lees ik er u hier in deze column een stukje uit voor. Want ik heb het gevoel dat het, net als mijn droom, wel eens onwaarschijnlijk toepasselijk zou kunnen zijn voor waar we nu allemaal samen doorheen gaan.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Fantoompijn

De wereld wordt nooit meer zoals hij was, zeggen ze.

(c) Inaya photography


Vanuit mijn veilig holletje, in een huis met een tuin die elke dag mooier wordt, met voorraadkasten waarin ik niets tekort kom, een gezin dat ik graag zie en familieleden in binnen- en buitenland die het goed stellen, is het moeilijk mij daar een beeld van te vormen. Of nog simpeler: ik kan dat niet.

Dit zijn Schrödingerdagen – dagen waarop alles mogelijk lijkt en niets nog kan.
Dit zijn dagen waarin de toekomst gloort met de hartverwarmende hoop van een bocht richting duurzaamheid, en tegelijk elke ontsnapping uit het neoliberale virus dat de planeet sloopt een illusie lijkt geworden.

Het zijn dagen dat ik mezelf de grootste gelukzak ter wereld vind. Het zijn dagen dat ik de muren oploop.

Het zijn dagen dat ik mezelf betrap op het verlangen naar een terugkeer naar wat ‘normaal’ is. Maar eigenlijk wil ik dat ook niet. Want ‘normaal’ was een ecologische en humanitaire ramp, een droom van blinde economische machtswellust, met de mens als losgeslagen virus op een koortsig belegerde planeet.

Het zijn dagen waarin ik ongerust ben voor wat de Machten die deze wereld besturen zullen beslissen, over onze hoofden heen. Ik ben bang dat alles teruggaat naar het oude. Ik ben bang dat niets nog teruggaat naar het oude.

Mijn hele leven jeukt en schuurt.

Ik lijd aan fantoompijn, geloof ik. Alleen weet ik nog niet zeker of de ledemaat die ik voel jeuken écht geamputeerd werd, of gewoon even buiten gebruik is gesteld.

Ik weet niet welke van beide scenario’s ik verkies.

Ik zie de wereld dezelfde blijven als hij altijd al was.
Ik zie de wereld onherroepelijk veranderen, en al onze levens erbij.

Gelukkig brengt de natuur raad, zoals altijd. In wat voorbij is, schuilen altijd de zaden van een nieuw begin.

En ik koester, bij gebrek aan beter, mijn fantoompijn als een springlevende vorm van herinnering.

(c) Inaya photography

Mensen lijken op vogels

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~4~

Ik zit op het terras en ik worstel me door een taai hoofdstuk van het nieuwe boek dat ik aan het schrijven ben. Ik vraag me af wanneer ik het in mijn handen zal houden. Normaal gezien verschijnt het dit najaar, maar er is eventjes niets meer normaal of vanzelfsprekend in mijn wereld. Mijn horizon voor projecten en plannen bedraagt op dit moment welgeteld een week.

Boven mijn hoofd en langs mij heen vliegen de vinken, mezen en mussen over en weer. Van de haag naar het nestkastje, van de takken van de bomen naar het vogelvoer en weer terug. Ze verjagen elkaar, ze tolereren elkaar, ze eten en fladderen weer weg. Ik hoor het getik van scherpe bekjes, het geruis van vleugeltjes.

‘Is het jou ook opgevallen’, vraagt een vriendin uit Limburg mij, per mail uiteraard, ‘dat de vogels zoveel vrijer bewegen? De natuur neemt terug wat van haar is, nu de mensen massaal binnen blijven.’ Ik ben een natuurmens. Maar om eerlijk te zijn: nee. Ik zie het niet.


Wij wonen op een bel-étagewoning en de laagste takken van onze eiken strekken zich uit als een natuurlijke parasol op grijphoogte. De hele
winter en een groot deel van de lente hangen we daar vogelvoer. Het is soms een drukte van jewelste op ons terras. We spotten er merels, vinken, drie soorten meesjes, een winterkoninkje, een roodborstje, een boomkruiper. En sinds de buren een eind verderop in de straat hun haag vervingen door hekwerk met draad, geeft onze tuin met zijn struiken en verstopplekjes ook onderdak aan een zenuwachtige mussenfamilie. De tortels en bosduiven tellen we niet mee, noch het kauwenparlement in de populieren aan de andere kant van het veld, die zitten er altijd.

Nu en dan laat de bonte specht zich zien, die is ook niet vies van wat vogelvoer. Zelfs het koppel eksters dat hier al jaren woont en broedt, komt de laatste tijd naar beneden en kan in één enthousiaste schranspartij een kwart van een vetbol wegwerken als ze niet gestoord worden door beweging achter het raam.


Met het eerste mooie weer ben ik ook op het terras gaan zitten, om te schrijven dan. Aan dat boek, weet u wel. Eerst schrokken de vogels daarvan. Het was aandoenlijk hoe ze tussen de toen nog bijna kale takken over en weer vlogen, piepend naar elkaar dat daar plots een mens zat, een mens! zo dicht bij hun maaltijd. Die mens bewoog zich niet, weliswaar, maar ze keek niet alleen naar dat schrift of dat scherm voor haar, ze hield ook hen in de gaten. Takje na takje hupten ze dichterbij – en soms weer weg – tot de eerste dappere toch durfde te komen eten. Twee hapjes van de vervaarlijk schommelende mezenbol, en weg maar weer!

Mensen lijken op vogels. Want we wennen verbazend snel aan nieuwe omstandigheden. Na amper twee dagen fladderen de vogels vrolijk af en aan en hangen ze op amper een dikke meter van mij aan de overgebleven wintervoorraad.

Voelen die vogels het verschil, vraag ik me af, tussen ons gewoonlijke geraas en de kalmte van de wereld nu? Zelf hoeven ze zich geen vragen te stellen over waar hun toekomst naartoe gaat. Ze vangen insecten, pikken een graantje mee van ons terras, en binnenkort gaan ze zitten broeden. Dan wordt het pas hectisch voor hen. In de vroege zomer zien we hier traditioneel het mezenkoppel uit het nestkastje onafgebroken aanvliegen met mondenvol vers groen rupsenvoer voor de kleintjes, recht van tussen de eikenbladeren geplukt. Boven onze hoofden, jawel.


Want wat mijn lieve vriendin ook zegt, dit is niet het eerste jaar dat de vogels eerst een beetje van ons schrikken en vervolgens voor de rest van de lente en de zomer het terras met ons delen. Ik vermoed dat zij het nu gewoon beter opmerkt. Want dat is zeker wél een effect van deze quarantaine.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De kracht van het kleine

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~3~

Er is een groepspagina op Facebook die ‘Hoop en fotografie’ heet. Lenslustigen laten er deze dagen naar hartenlust plaatjes op los. Het thema van de afgelopen week, compleet met hashtag, was: ‘hier word ik vrolijk van’, en nogal wat leden gaven gehoor aan die voorzet.

Ik vind die foto’s hartverwarmend. Niet omdat ze altijd van zulke hoge kwaliteit zijn, maar om wat mensen onder die noemer vastleggen en willen delen.

We worden blij van de ontluikende lente, zo blijkt. Van een schitterende bloem, een paard in de wei bij zonsondergang. We worden vrolijk van een eend die ligt te broeden in een bloembak op een verlaten terras, van een plakje cake die onze kinderen zelf bakten, van grappige situaties en een dikke knuffel.

Ik zie geen mens foto’s van zijn elektronica delen (tenzij als er gechat wordt met geliefden), of van tv-programma’s, series, archiefbeelden van voetbalcompetities of wielerwedstrijden. Ik zie – eerlijk is eerlijk – ook geen foto’s van lievelingsboeken of theatervoorstellingen. Maar misschien zijn die minder fotogeniek of zijn daar genoeg andere pagina’s voor.

In elk geval hebben al die gedeelde foto’s één ding gemeenschappelijk. We worden gelukkig van de kleine dingen, die we dan ook nog eens recht onder onze neus hebben: de natuur, onze geliefden, schoonheid en humor.

Kijken we nu scherper naar wat we dicht in onze buurt voor het grijpen hebben omdat we nergens anders heen kunnen? Of beseffen we nu gewoon beter dat dít de dingen zijn die ons werkelijk gelukkig maken, en hebben we daar minder oog voor in tijden waarin de wereld veel sneller draait en veel schreeuweriger op ons afkomt?

Er is een wet in de alchemie die stelt dat je voor de oplossing van een knoop best zoekt naar het kleinste draadje dat je kunt vinden om los te trekken, de subtielste handeling, de ingreep die zo weinig mogelijk impact heeft op de omgeving. Want alles wat je doet, heeft niet alleen een resultaat maar ook een bijwerking tot gevolg. Grote middelen inzetten heeft dus grote gevolgen. En die vragen op hun beurt weer om oplossingen. Dat creëert in sommige gevallen zelfs een heuse dynamiek die de vooruitgangsval heet: we graven een telkens iets diepere put om de vorige die we maakten te dempen.

En eigenlijk weten we dat wel. Niet schieten met een kanon op een mug, zeggen we tegen elkaar. Niet meer dan een paar druppels water bij de whisky. Maar als het aankomt op het dagelijks leven, kunnen we wel een opfrissertje gebruiken. Dank u, corona.

In deze lockdown-tijden vinden er aardschokken plaats, economisch en persoonlijk. En natuurlijk is het balen dat een groot project, een reis of een evenement niet kan doorgaan. Maar het zijn vaak de kleine dingen die ons in het dagelijks leven nog het meest uit ons evenwicht brengen. Je familie en je vrienden niet zomaar kunnen zien of vastpakken. Eens geen dagje naar zee mogen gaan uitwaaien. Geen terrasje kunnen doen. Niet gewoon snel even de supermarkt binnen lopen.

Ook hier zien we de kracht van het kleine aan het werk.

Door ons allemaal thuis vast te zetten, dwingt dit virus ons met ongekende kracht tot een verandering van perspectief. Geen viersterrenresort in Bali kan op tegen een knuffel van je kleinkind. Geen digitale tv met zevenhonderd kanalen kan goedmaken dat we ons niet vrij kunnen bewegen.

Aan die toestand komt uiteindelijk wel weer een einde. De tijd van restaurants, festivals, theaterbezoek en verre reizen komt weer terug. Dat weten we.
Maar intussen gaat de alchemie van het leven wel mooi met ons aan de slag. Eén draadje, één druppeltje per keer. En ze verandert ons.

Ik hoop dat we, wanneer het dagelijks leven een nieuw evenwicht vindt en veel van de grote dingen die we nu missen weer mogelijk worden, toch vooral de kracht van het kleine blijven koesteren.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Buiten de lijntjes

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~2~

Wat doen we, als de lijntjes van ons bestaan plots heel erg strak getrokken worden?

We kunnen het een keurslijf dopen, het bevechten, het te lijf gaan als een hinderlijke beperking. Of we kunnen het voor lief nemen en kijken welke onverwachte mogelijkheden het met zich meebrengt.

Soms leveren beperkende omstandigheden fantastische innerlijke vergezichten op. Want als de buitenwereld plots erg klein wordt, is er altijd nog de binnenwereld. En die is zowat eindeloos.

Maar net zo goed vreten de dagen van eentonigheid aan ons gemoed, als een nijdig knaagdier dat hapje per hapje knabbelt aan onze weerstand, ons goed humeur, ons geloof in waar dit allemaal heen gaat.

Je kunt de wanden van je kooi – al dan niet met tralies, kies maar – voor lief nemen. Want de verhalen in ons hoofd, die kennen geen grenzen. Toch niet als wij dat niet willen. Soms is dat mooi. Soms is het triest.

Op een middag loopt er plots een vrouw in onze tuin. Als ik de schuifdeur open en haar vraag wat ze zoekt, reageert ze verbaasd en excuseert ze zich. Ze dacht dat het huis leeg stond, zegt ze, dat het misschien te koop was. Ze wilde eens kijken…

Nu is onze voorgevel inderdaad niet moeders mooiste, en onze oprit is een door onkruid overwoekerde bedoening. Per toeval is hij ook nog eens leeg. We hebben de auto namelijk een eind verderop geparkeerd omdat we met de ladder in de dakgoot aan de slag moesten. Hij stond daar niet meteen in de weg en we gaan deze dagen toch nergens heen.

Kortom: met wat goede wil kan ik het mens nog enigszins begrijpen. Maar wie helder van geest is, zou de gesnoeide struiken zien, de potplanten, de trampoline, het speelgoed en de strijkplank in de tuinkamer, het gemaaide gras, alle andere grote en kleine sporen van actieve bewoning. Om nog maar te zwijgen van het feit dat er overduidelijk geen ‘TE KOOP’-plakkaat voor onze deur staat.

De vrouw reageert oprecht verrast. Ze komt op me toe om te praten, lijkt van plan om gewoon bij ons naar binnen te stappen. Ze schrikt van mijn afwerend gebaar maar blijft dan gedwee staan. Ze schijnt mijn afwijzing niet helemaal te begrijpen. Ik voel me een hardvochtig mens.

Ze woont een eindje verderop in onze straat, zegt ze. Nadat ik haar vriendelijk verzeker dat wij hier al vijftien jaar wonen (‘Oh, echt waar? Dat wist ik niet!’), wijs ik haar hoe ze de tuin weer uit komt. Ze weet plots niet meer hoe ze die eigenlijk is binnengekomen. Ze loopt twee keer na elkaar het doodlopende boogje in, waar struiken haar van alle kanten de weg versperren.

Ten slotte vindt ze op mijn aanwijzingen het pad dat naar het tuinhek leidt. Het tuinhek geeft uit op de oprit, en dan ziet ze de straat. Van daar redt ze het wel. Hoop ik.

In betere tijden zou ik haar naar huis begeleid hebben. Nu sta ik haar na te kijken en mij zorgen te maken. Ik vrees dat er deze dagen nog meer verwarde, vereenzaamde mensen door de straten dolen, vruchteloos zoekend naar houvast.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De zaag bovenhalen

Loop je de laatste tijd soms wel eens tegen je grenzen aan? Lijkt de kamer te krap, de wereld te vreemd, het leven een film waarin je niets meer herkent?

Er komt veel op ons af. Ook op plekken en in landen die – laten we eerlijk zijn – op het eerste zicht niet bijzonder zwaar getroffen zijn door de hele coronastorm. Het is nutteloos en onwenselijk om onzekerheid en menselijk leed in honderd-en-één vormen tegen elkaar te gaan afwegen. Er zijn persoonlijke drama’s, en er is een grote, collectieve golf. Beide raken ons in meerdere of mindere mate. Op welk punt van het driedimensionaal spectrum je je ook bevindt, het is ingrijpend.

Dat is altijd het geval, als oude werelden aan het wankelen gaan.

Boomverzorger aan het werk (c) Inaya photography



Ik zit in een luxepositie. Ik hoef niet veel meer te doen dan de bordjes van gezin-werk-school-huishouden-persoonlijke behoeften in de lucht te houden, zonder dreigend faillissement, zonder zware ziektes of verliezen (voorlopig).
En toch ben ik ook al een paar keer tegen mezelf aan gelopen.

De details doen er totaal niet toe – mijn demonen en processen zijn de mijne. Maar wat ik wel leerde, is dat wat vaak het meest uitdagend is, het taaist om op een nieuwe en andere manier mee om te gaan, niet de veranderende leefomstandigheden zijn, maar mijn eigen innerlijke strategieën die een nieuwe situatie willen benaderen op een oude manier.
Ik loop niet tegen de situatie aan, maar tegen mezelf.

Vandaag kwam onze vaste boomverzorger de bomen in onze tuin snoeien. Elk gezond levend wezen moet zich van tijd tot tijd ontdoen van wildgroei. Boomverzorgers zijn geen doorsnee snoeiers. Ze weten precies welke takken op termijn een risico vormen op doorscheuren, insluipend rot, schuurschade. Ze aarzelen niet om de zaag boven te halen. Het huis dreunde van het gewicht van de takken die de grond raakten. Maar ze snoeien nooit zomaar, ze verminken niet. De bomen die zij onder hun hoede hebben, floreren.

Er is iets fundamenteel aan het schuiven in het onderbewustzijn van de mensheid, deze dagen. We voelen het allemaal. Het neemt de mooiste en de lelijkste vormen aan, en het zal blijvende impact hebben.

Maak ik mezelf groter, of juist kleiner? Houd ik mijn adem in tot morgen of neem ik ten volle bezit van vandaag? Bereken ik wat er in de toekomst misschien nog (of weer) zal kunnen, of sta ik toe dat dit proces mij wezenlijk verandert, hier en nu?

Ik geef me over aan het werk van dit tijdsgewricht als een boom onder de handen van een boomverzorger. Ik heb geen persoonlijke controle over welke takken er nu sneuvelen. Ik weet wel dat ik, dankzij wat er nu op mij inwerkt, zal groeien en bloeien op een heel nieuwe manier.

Boomverzorgers aan het werk (c) Inaya photography