ZAAILING #75 – Trek je bek open

(c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot



Deze Zaailing kwam tot stand in het kader van de 15e Vlaamse Week tegen Pesten.
Meer info: https://kieskleurtegenpesten.be/de-week/

Een auteurslezing aan de hand van deze affiche? Dat kan! Meer info hier.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Hoe dunner, hoe… moeilijker

“Ik zoek een boek voor mijn dochter. Ze is twaalf en ze moet voor school een boek lezen over de Tweede Wereldoorlog. Liefst zo dun mogelijk, want ze leest niet graag.”

Zit je in een leesgroep, werk je in een bib of een boekhandel? Dan heb je dit soort uitspraken vast al tig keer gehoord. Wat een misvatting, denk ik altijd.

Waar halen we in hemelsnaam het idee vandaan dat dunne boeken makkelijker zouden zijn? Leg eens een kortfilm van Michael Roskam naast een drie uur durende blockbuster met superhelden en je hebt meteen door dat de lengte van de film niks zegt over de zwaarte ervan.
Voor boeken is het net zo.


Ik kan me natuurlijk voorstellen dat een kind met zware dyslexie, dat struikelt over elke lettergreep, het zweet voelt uitbreken bij een turf van driehonderd bladzijden. Maar ‘niet graag lezen’ heeft bijna altijd te maken met ‘niet geraakt worden door het verhaal’, en veel minder met struikelen over woorden of de lengte van een tekst.

Het is alsof je een mama hoort zeggen in het restaurant: “Mijn kind is een slechte eter. Dus liever geen kom fruitsla. Doe maar twee spruitjes, dat is minder en dus makkelijker.” Ik betwijfel heel sterk of het kind zo liever zal leren eten.

Lezen is aan de ene kant een vaardigheid (verbale geletterdheid) en aan de andere kant een heel universum toelaten in je hoofd. Als je dat tweede element voldoende cultiveert, door voor te lezen, door kinderen bloot te stellen aan elke mogelijke vorm van verhalen, dan gaan er werelden open en wordt de stap naar zelf lezen stukken kleiner. Het gaat om nieuwe smaken ontdekken. Goesting laten krijgen. Zin voor avontuur, voor informatie en voor betovering laten groeien. Het gaat om de verhalen. Lezen is een zeer verrijkende manier om daar toegang toe te krijgen (ook stukken beter ook voor de hersenen dan film).



Akkoord, we gaan niet van elk kind een veellezer maken, maar dat hoeft ook helemaal niet.

Laten we proberen te beginnen met het keurslijf van het meten en becijferen af te leggen, eens te lachen om AVI-niveaus en kinderen goede verhalen aan te bieden. Voorlezen in de klas, voor het slapengaan (óók als ze zelf al kunnen lezen, het ene versterkt het andere alleen maar), zelf in de zetel gaan zitten met een boek…

Laat kinderen gerust boeken uitproberen die ‘boven hun niveau’ zijn. Als het verhaal hen bijt, houden ze er een fantastische ervaring aan over. De beste boeken die ik las, waren die waarvoor ik net te jong was om ze echt te begrijpen.
Laat kinderen net zo goed plezier beleven aan verhalen die ze geweldig vinden, ook al zuchten wij intussen inwendig dat het weer regenboogkleurige troep is over een zekere muis met een culinaire naam. Het betere werk kan altijd later nog komen.

Schat de keuzes van je kind in op basis van zijn smaak, zijn favoriete onderwerpen, zijn mate van toewijding of koppigheid, zijn schoenmaat desnoods. Alles behalve het aantal bladzijden van een boek.

En aan alle ouders die, hoe liefdevol en goedbedoeld ook, tegen hun kind zeggen: ‘Zou je dat boek wel kiezen, het is zo dik?’, ‘Doe dat maar niet schat, dat is te moeilijk voor jou’, of die omvang nog altijd verwarren met moeilijkheidsgraad, zeg ik bij deze vriendelijk maar beslist: slik je woorden alstublieft in en laat je kind ontdekken waar het zin in heeft. Eens het de smaak van fruit geproefd heeft, eet het de hele kom leeg. Of op zijn minst veel meer dan jij in gedachten had toen je het met de allerbeste bedoelingen twee spruiten bestelde.

ZAAILING #74 – Waar rook is


Ongedierte rook je uit, desnoods met harde middelen.

Je glimlacht om de roekeloosheid van de raaf, de koele berekening waarmee hij zijn vleugels spreidt boven de dampen van schoorstenen, de smeulende resten van sigaretten. Handig, zo’n bondgenoot, zeg je mij, om je te bevrijden van gewriemel tussen je veren dat daar niet thuishoort, van venijn dat bijt en steekt, parasieten die veel meer plaats innemen dan ze zouden mogen. Raven zijn slim. Ze gebruiken wat voorhanden is. En wij geven ze volop munitie.

Is er iets wat nu toekijkt van op grote hoogte, naar die elegante blauwe bol in het onmetelijke luchtruim, en glimlacht? Is er iets wat de koele berekening kan appreciëren van de planeet om haar vleugels te spreiden boven de gloeiende aarde, de hete winden, de verdroogde grond? Eén vonk is genoeg.
Handig, zo’n bondgenoot, om zich te bevrijden van het gewriemel op haar huid dat daar niet thuishoort, van venijn dat kapt en graaft, van parasieten die veel meer verwoesten dan ze zouden mogen.
De planeet is slim. Ze gebruikt wat voorhanden is. En wij hebben haar volop munitie gegeven.

Ongedierte rook je uit, desnoods met harde middelen.



Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is waar-rook-is-klein.jpg
(c) Jurgen Walschot




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

ZAAILING #73 – Zo zie je het licht beter


‘Is het mijn verbeelding, of zijn de nachten de laatste tijd veel langer dan de dagen?’
Robin en Reya zitten tussen de wortels van Yggdrasil, de majestueuze naaldboom die de hele bibliotheek van Mendel overschaduwt. De avondschemer trekt lange, donkere sporen tussen de boekenrekken.
‘Toen je hier aankwam, was het nog zomer’, knikt Reya. ‘In de serres merken we daar weinig van, maar intussen is het buiten winter. Misschien is het zelfs al Kerstmis.’
‘Kers-wat?’
Reya kijkt toe hoe Robin langzaam de pagina’s omdraait van het oude boek dat ze voor hem uit het rek heeft gehaald. De kaft is gevlekt en een beetje rafelig. Op de kaft staat Jul – maar dat kan hij niet lezen.
‘Mensen waren vroeger bang van het donker’, vertelt ze. ‘Dat de dagen in de winter altijd maar korter werden, joeg hen angst aan. Misschien zou er uiteindelijk helemaal geen dag meer overblijven, alleen maar nacht. Maar gelukkig gaat het niet zo. Op een bepaald moment, na het allerdonkerste midden van de winter, komt het licht beetje bij beetje weer terug. Dat wilden ze vieren.’
Robin staart naar afbeeldingen van landschappen vol sneeuw onder koude nachthemels, vreugdevuren met lachende kinderen eromheen, groene takken vol slingers, kaarsen en sterren.
‘Kaarsen in de bomen! Wat een fantastisch idee.’
Reya haalt de schouders op. ‘Er zal er vast nu en dan wel een in brand gevlogen zijn. Maar ze bleven het doen.’
‘Waarom gebruikten ze alleen maar naaldbomen?’
‘Dat zijn de enige die groen blijven in de winter.’
Robin blikt omhoog naar de kruin van Yggdrasil, die in het schemerdonker niet meer groen maar zwart is. ‘Dat hangt ervan af.’
‘Kijk’, wijst Reya, ‘dit vind ik leuke prenten.’
Over de pagina’s huppelt een goedgemutste kabouter in warme groene kleren, met een paar rendieren en een vracht aan pakjes in zijn kielzog. Op sommige prenten is hij geen kabouter maar een grote man, met een stevige baard en een brede lach.
Robin bladert door, naar bladzijden van rijkelijk gedekte tafels, vrolijke gezichten aan de maaltijd, gesuikerde appels als dessert en het uitpakken van geschenken.
‘Het ziet er gezellig uit, Kerstmis.’
Helemaal aan het eind is er ook een tekening met daarop iets wat lijkt op drie berooide vluchtelingen, twee volwassenen en een zuigeling, in het hooi van een schuurtje.
‘Wie zijn dat?’
Reya haalt de schouders op. ‘Die mochten zeker niet meedoen. Je hebt overal vervelende mensen.’
Plots veert Robin op. ‘Zullen we beslissen dat het vandaag Kerstmis is en Yggdrasil versieren? Dat is toch een naaldboom?’
Reya gaapt hem aan maar begint dan te lachen. ‘Ja! Met slingers en appels en…’
‘En ik kan misschien wel wat gloeiende steentjes aan elkaar rijgen om tussen de takken te vlechten.’
‘Dat lijkt me niet veel veiliger dan kaarsen.’
‘Doe niet zo flauw.’
‘Die boom is enorm. Waar vinden we alles wat we nodig hebben?’
‘We hoeven hem toch niet helemaal te versieren? Een klein stukje is genoeg. We zijn maar met ons twee, niet met een heel dorp.’
‘Mendel is er ook nog.’
Robin knikt. ‘Denk je dat hij dit een goed idee zou vinden?’
Reya haalt de schouders op. ‘We vragen het hem als we klaar zijn.’



Versieringen bij elkaar zoeken lukt beter dan Reya had gedacht. De serres zijn gul aan ronde vruchten en taaie lianen. Rozenbottels en knalgele plukjes mos zijn net zo mooi als kerstballen of lampjes en in sommige van Mendels oude voorraadkasten liggen spullen die hij al een eeuwigheid niet meer gebruikt en waarvan ze slingers kunnen knutselen. Robin komt terug met een vrachtje kiezels die hij aan elkaar rijgt met ijzerdraad en een kabel die volgens hem écht geen vlam kan vatten.
Als ze alles voorbereid hebben, moeten ze er ook nog mee naar boven. De onderste takken van Yggdrasil zitten vreselijk hoog, maar Reya en Robin weten intussen hoe ze vanop het bovenbalkon van de bibliotheek op een laaghangende tak kunnen raken.
Maar als ze er eenmaal staan, een wankel evenwicht zoekend op de ruige bast met zware tassen vol materiaal over hun schouders, voelt Reya haar maag tot helemaal onderaan in haar buik zakken.
‘Het is pikkedonker in de boom.’
Robin grijnst. ‘Prima.’
‘Hoezo, prima?’
‘Zo zie je het licht juist beter.’
Reya voelt vingers om haar hand, Robins warme greep die haar omhoog trekt.
‘Wacht maar af.’

(c) Jurgen Walschot


Wil je de Zaailing graag helemaal opgemaakt in Mendel-stijl lezen? Klik hier.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Het so(m)bere seizoen

(c) Inaya photography


Dit is een seizoen van soberheid. De bomen zijn uitgekleed, de dagen zijn spaarzaam met hun licht. Alleen de belangrijke dingen spreken nog, omdat alleen het belangrijke zich nog toont.

(c) Inaya photography


Dit is ook wel een seizoen van somberheid.
Kerst in Fauch, noem ik de reeks foto’s die ik deze week op Instagram en Facebook zet, omdat we de eerste week van het winterverlof bij mijn ouders doorbrengen. Maar dit jaar zal ik geen kerst vieren. Niet omdat we niet met familie aan tafel zitten, niet omdat we de feestdagen overslaan, maar omdat het niet genoeg wintert om het gevoel op te roepen dat voor mij bij Kerstmis hoort.
Twintig jaar geleden lag de sneeuw natuurlijk ook al niet elke winter metersdik, maar ten laatste midden november waren de bomen bladvrij en het was een lange, koude, kale maand in aanloop naar de feestdagen. Midwinter voelde als – effectief – het midden van de winter. Nu is de herfst pas goed voorbij. Het mag dan wel donker zijn, daar hoort wat mij betreft nog niet al te veel glühwein bij.

(c) Inaya photography

De winkelcentra staan vol nepkerstbomen en overal klinkt belletjesmuziek, maar dat is geen troost. Ik betreur het gebrek aan diepe wintersfeer, zoals ik veel betreur aan de manier waarop de zaken zich de laatste jaren steeds duidelijker aan het ontwikkelen zijn. Alleen de commercie en de stemmingmakerij draaien op volle toeren. We leven in tijden waarin licht en donker nog nooit zo sterk gepolariseerd waren, aan welke kant van het kleurenspectrum je je ook bevindt.

Ook in onze families houden we het, alsof het zo afgesproken is, dit jaar erg sober. Geen uitpuilende stapels cadeautjes onder enorme kerstbomen. Een paar kaarsen en een helpende hand bij het eten zullen ruimschoots volstaan.

(c) Inaya photography


Ik keer mij naar de natuur en laat alles los wat mij niet meer dient. Oude ideeën rijp om te vergaan, hardnekkig krappe patronen die langzaam barsten als bolsters om af te werpen. Kerstmis zelf ook, desnoods, of toch zoals ik daar warme herinneringen aan koester uit mijn kindertijd.

Ik graaf me in tussen het mos en de zwammen, ik word stil als de lucht tussen het web van wachtende takken.
De dagen zijn, hoe onmerkbaar ook, alweer aan het lengen.

(c) Inaya photography

Terugtrekken?

(c) Inaya photography


Er is een opmerkelijke evolutie aan de gang, diep in mij.

Zoveel in mijn leven heeft de laatste jaren in het teken gestaan van naar buiten treden. Mijn kin een beetje hoger heffen en durven zeggen: dit is wat ik doe en dit is waar ik voor sta en hier word ik gelukkig van. En daarmee gezien worden. Daar appreciatie voor krijgen, ook (soms).
Maar vooral: voelen wat en wie ik ben, en wat mijn plek in de wereld is. Eindelijk.

Een van mijn favoriete motieven is: alles is een ademhaling, een onbewust maar krachtig ritme van expansie en contractie. De natuur met haar seizoenen, ons uitdijend universum, de manier waarop wij – individuen, groepen, culturen, continenten, planeten – leren en groeien en vervolgens uiteenvallen en sterven: sommige patronen gaan op voor elk aspect van dit universum. En dat is prachtig.

(c) Inaya photography


Het verbaast mij dus niet dat ik nu, na een aantal jaren van sterke expansie, de drang voel om mij terug te trekken. Niet per se uit de publieke sfeer, niet uit schrijven of blogs publiceren of werken of mijn gezin of wat dan ook. Dit is een psychologisch proces, een ondergrondse stroming. Misschien word ik de komende jaren juist nog zichtbaarder en trek ik verder de wereld in. Maar binnen in mij is de richting onmiskenbaar de omgekeerde.

Die roep tot terugtrekken heeft gedeeltelijk te maken met het feit dat onze mondiale cultuur op zoveel vlakken de grenzen van haar draagkracht aan het overschrijden is.
De planeet en de natuur, waar wij allen deel van uitmaken, is waar mijn loyaliteit ligt. In vergelijking daarmee zijn de besognes van individuele mensen zo onbeduidend als die van mieren in een mierenhoop ergens in een groot regenwoud op een nog veel groter continent. We wanen ons de meesters van de schepping, dat wel. En we jagen de illusie van almachtigheid na, net als Icarus die dacht dat hij kon vliegen. Maar hoeveel technologie we er ook tegenaan gooien, we zullen neerstorten. En de val zal zeer pijnlijk zijn.

(c) Inaya photography


Ik voel de trekkracht van iets dieps, iets fundamenteels, dat als een soort sourdine bromt en ruist onder onze voeten, de stem van de aarde zelf. We hoeven de sterren niet te koloniseren om te begrijpen hoe het leven in dit universum in elkaar zit. We zouden gewoon beter een paar uur onder een boom gaan zitten en alles wat er om ons heen gebeurt op ons laten inwerken.

De grondstoffen die we opsouperen om die Icarusvleugels te maken, doden al het leven om ons heen. En onze droom om aan ‘de natuur’ te ontsnappen, zoals zovelen in dit digitale tijdperk maar al te graag geloven – maar eigenlijk is die droom veel ouder – is ronduit een waanbeeld. We kunnen niet aan de natuur ontsnappen, we zijn de natuur. We zijn gekoloniseerd door bacteriën, we staan in intieme verbinding met elk levend organisme om ons heen. Als we in het leven landschap om ons heen snijden, hakken we in onszelf.

We zijn ons daarvan misschien nauwelijks nog bewust, omdat ons hoofd vol zit met abstracte ideeën, religieuze of zogenaamd ‘rationele’ theorieën over hoe uitzonderlijk de mens wel niet is en ander fraais, maar er hoeft maar een vloedgolf, een aardbeving of een ander natuurfenomeen ons leven door elkaar te gooien, en we weten tot in onze kern weer heel goed wat we zijn: mensdieren die klauwen om te overleven. Probeer het eens zonder huis, zonder verwarming, zonder veiligheid. Er blijft niet veel meer over, en bedrading alleen zal ons niet helpen.

(c) Inaya photography

Oké, misschien is dit allemaal onkarakteristiek scherp van mij. Een beetje te veel Paul Kingsnorth gelezen, de laatste tijd. Zelden een boek gehad dat zo glashelder en pijnlijk de vinger legde op al mijn persoonlijke wonden als Bekentenissen van een afvallig milieuactivist.

In The Lord of the Rings noemen de elfen hun trage maar onontkoombare evacuatie uit uit Middle Earth the slow defeat. En dat is het precies: de trage, tragische nederlaag van wie deze levende planeet in ere wil houden. De overmacht voelt bij momenten gigantisch, en hoop is een luxe die steeds schaarser wordt.

Ben ik één haar beter dan degenen op wie ik mij soms machteloos woedend maak? Ik ben een kind van mijn tijd, opgevoed in een cultuur die mij gekneed heeft tot een door en door energie-afhankelijk wezen. Ik zou geen drie weken overleven in de wilde natuur, op mezelf aangewezen. Met mijn fragiele gezondheid zou ik honderd jaar terug waarschijnlijk niet eens de twintig gehaald hebben. Het is een ontnuchterende gedachte. Maar het is geen excuus om door te gaan zoals we bezig zijn.

(c) Inaya photography


Dus luister ik naar die diepe roep in mij. Ze heeft iets van de klank van wortels, van het wijd vertakte mycelium dat oerbossen met elkaar verbindt tot één groot, levend organisme. Ze fluistert over gesteentelagen, geologische tijd, stof van sterren en de (on)eindigheid. Ze is alle behalve het kleine menselijke verhaal van jezelf vleugels aanmeten en denken dat je de zwaartekracht kunt uitlachen.

Diep en oprecht luisteren naar dit soort stem vraagt een vorm van stilte. Terugtrekking, dus.

Dat ga ik doen. Dat ben ik al aan het doen. Je ziet het misschien niet aan mij, je hoort het niet in de toon van mijn stem. Maar het is een levend en actief proces, het ontplooit zich stilzwijgend onder alles wat mijn dagelijks leven van mij vraagt. Ik eindig in de praktijk misschien niet als een kluizenaar op een bergtop, maar in gedachten en symbolisch ben ik dat al lang, en dat gevoel wordt alleen maar sterker.

En wat zou ik dan nog willen doen, vraag je je misschien af (en ik mezelf soms ook), vanop die bergtop, tussen de smeltende gletsjers, met het geraas van kettingzagen op de achtergrond, die de laatste moederbomen van het oerbos vellen?

Schoonheid zaaien. Betoverend en fragiel als zeepbellen. Verbondenheid een stem geven. Want wat ons bijeen houdt, is sterker dan verhaal, of verval.

De ademhaling gaat door.

(c) Inaya photography

Huid

(c) Inaya photography




jarenlang zocht ik het hoger
doorzocht de ijlere lagen
van zin en geest en leerde
gehoor te geven aan hun roep

nu duik ik onder
de oppervlakte, zwerf langs
de barsten van kalksteen, de lijnen
in de bodem, de wortels van de wereld

er is niets meer te verbergen
van het dier vanbinnen, de adem
van de ziel die weet dat elke muur
een val bouwt om in te sterven

ik heb niets beters te bieden
dan huid en buig in overgave
voor de wetten van datgene
wat altijd veel groter was dan wij

Kaders

(c) Inaya photography


Hoe we onszelf soms vastrijden in hokjes van eigen makelij.
Hoe we ons blindstaren op pijn, op het verhaal,
op alles waaraan we ons zo hardnekkig vastklampen
in een poging onszelf te voorzien van houvast.

Ik geloof niet dat het kan, leven zonder kaders.
Ze hoeven gewoon niet altijd getooid met stekels
of glasscherven, de vertrouwde middelen waarmee
we onszelf telkens weer overtuigen dat leven pijn doet.

We mogen de omkadering dankbaar zijn – hoe zouden we
anders onze blik kunnen richten? Maar laten we vanaf nu
dan toeschouwers worden, liefdevol en open, van alles wat
aan onze lens voorbij komt en vervolgens ook weer wegwaait.

(c) Inaya photography


What’s in a name?

Ik heb het even gehad.
Toch wel. Zo heel even. Zo’n beetje. Veel.

Doe je mij eens een plezier? Google mij. Tik mijn naam in, in gelijk welke zoekmachine (persoonlijk verkies ik Ecosia, maar kom) en kijk eens naar de resultaten.


Namen voor kinderen worden met zorg gekozen door ouders die hen heel graag zien. En ik ben bijzonder blij met mijn naam. Het is alleen jammer dat ik hem zelden juist geschreven terugvind.

Soms verbetert zo’n zoekmachine je: ‘Bedoelde u misschien ‘kristin van lierde’? Zucht. Nee, dank je. Dat bedoelde ik níet.

Ik ga er wel eens van vloeken. Hebben andere mensen dat ook? Ik kan me niet voorstellen dat alle Katrienen voortdurend Katrijn genoemd worden, of alle Barts Bert. Maar mensen gaan af op wat ze verwachten, en een naam die ze dénken te kennen – en die dan toch niet is wat ze verwachten… Oh help.

En dan heb ik het nog niet eens over mijn achternaam gehad (Vanlierde dan wel Van Lierde). Dat vind ik ergerlijk, maar minder tegenkrullend dan de fouten tegen mijn voornaam. Leer lezen! denk ik meer dan eens met een diepe, diepe zucht.


Verandert het iets aan de perceptie van een persoon als zijn naam verandert, als is het maar lichtjes? Dat vraag ik mij oprecht af. Schat je iemand net dat ietsje anders in, voelt hij of zij een heel klein beetje anders aan? Denk je anders over mij als je denkt dat ik Kristin heet? Kristen? Kirsten? Kristien?

Ik heb geen idee. Ik weet wel hoe het voor mij voelt als ik mijn naam verkeerd geschreven zie staan. Als nagels over een schoolbord en een groot zwart gat tegelijk.
Dat ben ik niet! gilt alles in mij. Dat is die schaduw, dat spook, die geest die ik nooit afgeschud krijg, die mijn plaats inneemt en zich in ieders hoofd nestelt.

Het is een concurrent van wie ik nooit kan winnen.
Onder mijn eigen naam nog wel – maar dan net ietsje anders.

Humus

(c) Inaya photography


Het is je misschien opgevallen, maar ik post de laatste tijd weinig blogs. Dat verrast mij zelf een beetje, want ik kom uit een periode waarin ik zowat elke week wel minstens één online tekst schreef.

Is de inspiratie op?
Nee, ik zie en voel en denk nog altijd evenveel als vroeger. Misschien zou je kunnen zeggen dat de woorden op zijn, maar dat klopt ook niet. Integendeel.

Wat wel zo is, is dat ik alleen iets online zet als de woorden zelf dwingend aangeven dat ze naar buiten willen. En op dit moment willen ze dat precies niet zo. Het hoeft niet.

Er is nochtans veel aan het gebeuren in de wereld, we staan niet alleen op het kantelpunt van de herfst, maar ook op het kantelpunt van een tijdperk. Soms overspoelt het mij en kan ik het nauwelijks bevatten. Ik ben bang, ik ben hoopvol, ik ben kwaad. Soms neem ik er afstand van, pak het boek waarin ik bezig ben en mijn kop thee, kijk naar de bomen voor mijn raam en denk: ooit zijn we allemaal humus, en dat is goed.

Laat mij maar wortelen, als een luchtplant, in de ruimte waar ik ben. Laat mij maar zwijgend door het raam staren en de wereld om mij heen zien bloeien, verwelken, vallen, veranderen.

(c) Inaya photography