Wat wil je betekenen?


We stellen kinderen de verkeerde vraag.

(c) Inaya photography


“Wat wil je later worden?”
Aan een vijfjarige vragen we het met vertedering, aan een twaalfjarige met mogelijke schoolkeuzes in het achterhoofd. In het geval van een adolescent stellen we de vraag met oprechte interesse en in de hoop op een interessant antwoord.

We bedoelen het goed, maar eigenlijk zetten we kinderen van in het begin op het verkeerde been. We weten zelf niet beter, natuurlijk. We willen hen het gevoel geven dat ze vrij zijn om te doen wat ze willen en niet verplicht zijn, om wat voor reden dan ook, in de voetsporen van hun ouders te treden.

Maar de vraag heeft ook iets van een valstrik. Ze lokt zelden meer uit dan wensdromen (prinses, brandweerman) of door de samenleving naar voren geschoven streefdoelen (rijk zijn, beroemd worden). Tegen dat de vraag de adolescentie bereikt, wordt ze bijna altijd beantwoord met ofwel een beredeneerde keuze waarvan de jongere vermoedt dat ze hem professioneel vooruit zal helpen ofwel, steeds vaker, met niets meer dan een geërgerde, schouderophalende zucht (‘weet ik veel’).

Ik ben met mijn gezin in het noordoosten van de VS, waar we familie bezoeken. Onze eerste stop is het Amerikaanse gastgezin waar mijn man op zijn achttiende een heel jaar woonde. Mom en Dad zijn nog altijd écht moeder en vader. We zijn er (schoon)kind aan huis. Dad leert Sobran papieren vliegtuigjes plooien en gaat met zoon en kleinzoon op fietstocht, Mom zorgt voor ons als haar eigen kroost.


Het is een gesprek over dat tweede antwoord (‘weet ik veel’), in een stampvol restaurantje met uitzicht over de oceaan, met fantastisch eten voor onze neus en het gekletter van borden en de commando’s van het personeel op de achtergrond, dat mij plotseling een inzicht brengt.
Want we klagen wat af over onze jongeren, de jeugd ‘van tegenwoordig’, van wie we zeggen dat ze niks meer kunnen, zich nergens meer voor willen inzetten. We maken ons zorgen om hen, als we zien hoeveel uren ze aan een of ander scherm gekluisterd zitten en weinig meer doen dan spelen en chatten, en geen oog lijken hebben voor de noden of geneugten van het echte leven.
Ze weten niet wat ze met hun leven aanmoeten, zucht Mom.

Eigenlijk is het niet echt eerlijk van ons om van onze kinderen een zinnig antwoord te verwachten. Hoe moet een puber die dagelijks om de oren geslagen wordt met overvloed, quick wins, consumptiecultuur en the survival of the sexiest nu in godsnaam weten wat hij zou willen gaan doen, écht zou willen gaan doen, met zijn leven?

Daar heb je een gevoel van motivatie voor nodig, om te beginnen. De verwezenlijkingen van de voorgaande generaties zijn in dat opzicht vaak geen cadeau voor onze kinderen. Als zelfs de sterren al binnen handbereik liggen, waar kunnen zij dan in ’s hemelsnaam nog naar streven? Het zou ons niet mogen verbazen dat onze jongeren zich terugplooien op comfort of genot, en al helemaal niet omdat we hen geen beter alternatief weten te bieden.

Net zoals we kinderen stap voor stap moeten leren om op een sociaal wenselijke manier om te gaan met andere mensen, is het onze taak als ouder om hen te begeleiden in de ontdekkingstocht naar zichzelf en wat hun diepere zingeving in het leven kan zijn. Want in tegenstelling tot wat we, eens zelf volwassen, lijken te denken, kom je daar als kind echt niet zomaar achter. Zonder die ene grootouder, ouderfiguur, leerkracht, die in ons geloofde en op het juiste moment de juiste dingen zei, waren ook wij waarschijnlijk niet geworden wie we nu zijn.

En dat is in het beste geval. Want laten we eerlijk zijn, velen van ons weten tot op vandaag eigenlijk óók nog niet wat we eigenlijk willen of gewild hadden. We hebben het ons redelijk goed naar de zin gemaakt in het leven dat we hebben, een beetje zoals een kind zich verschanst in een speelgoedkasteel, en doet alsof de zandgebakjes echt voedsel zijn.

Home @ Dartmouth, USA


De bezorgdheid om onze jongeren kan ons zelf ook een stevige spiegel voorhouden. Want de diepere zingeving van iemands leven ligt lang niet altijd in de job die we uitoefenen – wat we ‘geworden’ zijn, dus. Integendeel, meer dan ooit zijn volwassenen in de westerse wereld zelf op zoek naar betekenis in hun leven. We beginnen steeds meer te beseffen dat we onszelf hebben vastgereden in het najagen van puur materieel comfort.

Waar we behoefte aan hebben, is werkelijke, diepere zingeving, zoals die te vinden is in menselijke verbondenheid, of in en het gevoel iets voor de wereld te kunnen betekenen, op een fundamenteel niveau, hoe klein ook. Want er bestaat een punt waarop wat ons hart verlangt en wat de wereld nodig heeft elkaar vinden, een van de ontelbare snijpunten van de kaleidoskoop die het leven is.

Ook al worstelen we als volwassene zelf misschien nog met de antwoorden, wat mij betreft is dat wel het pad waarop we onze kinderen moeten helpen om de eerste stappen te zetten.
Vragen aan het kind wat het wil worden, leidt niet tot een beter zelfinzicht. Het creëert zowel bij ouder als kind alleen verwachtingen, wensdromen of schuldgevoel, hoe sympathiek verpakt ook.

Een juistere vraag om te stellen, zodra een kind rijp genoeg is om daarover na te denken (of misschien beter zelfs: erover te voelen), is: wat wil jij graag betekenen in de wereld? Wat is het unieke talent waarmee je in de wereld een verschil kan maken?

Dat hoeft niets groots te zijn, en het antwoord kan op het eerste zicht schijnbaar onbeduidend lijken. Het vraagt ook van ons als volwassenen een mentale ommezwaai: je kunt niet meteen een carrière bedenken die voortvloeit uit ‘voor mijn hondje zorgen’, ‘met mijn vriendjes spelen’ of ‘een mooie tekening maken’. Maar eigenlijk is dat precies waar alles wél begint. Want in die onschuldige antwoorden liggen veel diepere waarden verscholen, die wijzen op talenten of bijzondere gaven: zorgzaamheid, sociale vaardigheid, artistieke of esthetische creativiteit.

Als we kinderen durven vragen naar wat zij zelf aanvoelen als bijzondere gave die ze aan de wereld kunnen schenken, en op wat voor manier zij, gewoon door zichzelf te zijn, misschien wel een verschil kunnen maken, dan helpen we hen vooruit op meer dan één manier.
We helpen hen in contact komen met zichzelf, en met de dingen waar ze goed in zijn. We helpen hen begrijpen dat iedereen een eigen unieke plaats heeft, waarin elk talent een verschil kan maken. En vooral: we vragen hen niet om een rol in te vullen die wij als ouders of samenleving voor hen voorgekauwd hebben. We geven hen de opening om te luisteren naar de stem van hun hart en ziel. Ze hoeven helemaal niemand te ‘worden’, behalve wie ze diep vanbinnen al lang zijn.

En wie weet weet, als wij hen durven vragen wie zij zijn, kunnen we in de spiegel die zij ons voorhouden ook een stukje zien van wie wij al die tijd al waren – ongeacht wat we denken geworden te zijn.

Inaya photography
Advertenties

Mensen zonder fantasie zijn enge wezens

Een antwoord aan Peter Buwalda

Bekroond kinderboekenschrijver Ted van Lieshout citeerde Buwalda’s uitspraak in zijn blog, en ik dacht: wablieft?
De column van Buwalda ging over het oprichten van Bookaroo, een alternatieve praktijk van online boekenverkoop waar boekhandels wél van profiteren en een initiatief dat ik toejuich. Maar hij nam eerst een onverwachte en inhoudelijk weinig terzake doende bocht om een sneer uit te delen aan de jeugdliteratuur. Dit was de bewuste uitspraak die Van Lieshout met verwondering citeerde:

“Ik lees nooit kinderboeken, ik hoef hopelijk niet uit te leggen waarom, en ik wantrouw volwassenen die wel kinderboeken lezen.”

Jawel, schreef van Lieshout, leg het me alsjeblieft uit, want ik heb geen flauw idee wat je bedoelt. Hij presenteerde een mooie lijst van mensen (ouders, grootouders, docenten, bibliothecarissen, kinderboekenschrijvers zelf) die kinderboeken lezen uit liefde of uit professionaliteit.

Maar Van Lieshout bleef nog beleefd, minzaam zelfs, door de tweede schofferende uitspraak van Buwalda links te laten liggen. Die ging immers nog een stapje verder, een alinea lager:

“Ik ben zelfs van mening dat kinderboeken geschreven moeten worden door kinderen. Mensen als Roald Dahl en Bart Moeyaert spelen vals — dat vind ik ervan. Wat is er mooier dan een trotse kleuter met een Gouden Griffel? Niets toch?”

Dat was het moment waarop ik naar mijn computer stapte met mijn eerste kop ochtendkoffie. Het ontbijt moest maar even wachten, de andere punten op mijn lange takenlijst ook. Dit is wat ik Peter Buwalda wil antwoorden:

Beste meneer Buwalda,

U leest nooit kinderboeken. Dat is uw goed recht. U zegt er in één adem bij dat u volwassenen die dat wel doen wantrouwt, en u weigert erbij te zeggen waarom.
Dat is grof. Of misschien bedoelt u het grappig, dat kan ook. Maar ik beken dat ik uw schrijfstijl niet goed genoeg ken om dat te kunnen beoordelen. Ik las uw boeken (nog) niet. Ik ken u als schrijver wel van naam, maar ik ben niet vertrouwd met uw werk.
Dat kunt u mij aanwrijven, maar er is in deze wereld zoveel moois en interessants te lezen dat een mens onmogelijk het werk van elke auteur goed kan kennen. Na uw uitspraken van 27 juni weet ik ook niet of ik nog veel zin heb in dat van u.

Ik ben een van die volwassenen die nog kinderboeken lezen. Met veel liefde en plezier. En zelfs een die ze – oh huiver! – schrijft. Maar dat is niet waarom ik deze reactie naar u neerpen bij mijn ochtendkoffie. Ik ben niet, mocht u dat soms denken, op mijn persoonlijk tenen getrapt. Mijn huid is veel dikker dan dat, geloof me.

Wat maakt dat ik reageer, is dat u met uw uitspraken een heel segment collega’s en een enorme basis aan lezers behandelt met dedain dat doet denken aan dat van Donald Trump als hij gedegen journalistiek weg wimpelt als fake news.

Het is een straffe vergelijking, ik weet het. Niet elk kinderboek kan de vergelijking met onderzoeksjournalistiek doorstaan (daarover zo meteen meer). En u bent vast veel intelligenter dan Donald Trump. Of dat mag ik toch hopen. Maar daarom is het des te schrijnender om u zo’n ongefundeerde uitspraken te horen doen.

Ik merk twee dingen op uit de voorbeelden die u aanhaalt om kinderboeken en hun makers te schofferen: u pikt er een aantal grote namen uit, met werk dat heel goed verdiend (heeft) (J.K. Rowling, Roald Dahl), of iemand die onlangs heel erg in de belangstelling mocht staan (Bart Moeyaert). Dat ruikt naar jaloezie. Maar ik geef u het voordeel van de twijfel, en ik wil inhoudelijk antwoorden op wat u uit uw nek kletst.

Ik ga beginnen met u voor een stukje tegemoet te komen. Niet elk kinderboek is een literair pareltje. Maar dat is ook niet nodig, en daarin verschillen kinderboeken niet van boeken voor volwassenen. Een goede en gezonde mix komt elk ecosysteem ten goede. Wie beweert alleen maar in vier-sterrenrestaurants te dineren, vind ik bepaald niet sympathieker of betrouwbaarder dan wie toegeeft dat hij ook al eens een frietje gaat steken om de hoek. Integendeel.

Dat gezegd zijnde, de kinder- en jeugdliteratuur kan een aantal sublieme boeken voorleggen, parels van het woord (en vaak ook het beeld!) die het verdienen om door mensen van alle leeftijden gelezen te worden, en te blijven gelezen worden. Echt goede literatuur heeft wat mij betreft een ondergrens, maar geen bovengrens. De beste boeken voor kinderen bieden ook volwassenen nog altijd inhoudelijk en esthetisch plezier en ontroering, omdat ze zo verdomd goed geschreven zijn en op zo’n subtiele manier zoveel meer tussen cover en achterplat steken dan alleen maar een makkelijk verhaaltje.

Uit de paar namen die u noemt, leid ik ook een zekere huiver van fantasie af. U maakt ze in een paar zinnen belachelijk, voornamelijk door te spotten met namen van personages (dat lijkt nogal op kinderen pesten om hun uiterlijk, maar dat terzijde).
In tegenstelling tot wat u lijkt te denken, is fantasie een van de belangrijkste dingen die we kinderen kunnen bieden. In fantasie zit creativiteit, hoop, warmte, en het geloof dat we dingen kunnen veranderen als we er de moed voor hebben… Allemaal eigenschappen waarvan de zogenaamde volwassenen in de wereld van vandaag niet bepaald te veel hebben. En fantasie hoeft lang niet altijd te komen in de sprookjesachtige vorm van tovenaars of reuzen. Het is subtiliteit en fijngevoeligheid, een open blik op de wereld, het omgekeerde van cynisme. Mensen zonder fantasie zijn enge wezens.

Uw sneer naar vals spelende schrijvers van kinderboeken is in het licht van de recente ALMA zacht gezegd opmerkelijk te noemen, en uw uitspraak dat kinderboeken moeten geschreven worden door kinderen, zou hilarisch zijn als ze niet zo intriest was.
We blijven even bij de culinaire metafoor: boeken leren lezen is niet zo verschillend van goed en gezond leren eten. Verschillende smaken leren kennen, proeven van onbekende dingen, goesting krijgen voor het leven, letterlijk. Als we uw redenering volgen, moeten we kinderen in de keuken zetten om voor hun leeftijdsgenoten te koken. De stompzinnigheid daarvan is meteen duidelijk. Zelfs kinderen het menu laten bepalen (voor zichzelf of voor andere kinderen) zou leiden tot scenario’s met alleen maar spaghetti of friet of snoep op het menu.

Nee, meneer Buwalda, kinderboeken moeten geschreven worden door volwassenen die weten wat er nog meer in de wereld te vinden is dan friet en snoep, door schrijvers die geen minachting hebben voor jonge, groeiende mensen en hun leerprocessen, schrijvers die ervan genieten om de grenzeloze schoonheid van geuren, kleuren en smaken te delen en zo hele werelden te laten opengaan in de hoofden en harten van kinderen. Want kinderen worden ook volwassen, en helpen als volwassenen onze wereld mee bouwen. Op wat voor dieet zou u ze graag zien groot worden?

Kinderboeken maken is een lastige stiel, ondergewaardeerd en onderbetaald. We doen het met hart en ziel, en iedereen die er ook maar een heel klein beetje van af weet – waaronder al die volwassenen voor wie u uw neus optrekt – beseft hoe waardevol ons werk is. Blijkbaar vergeten sommige mensen, zelfs schrijvers zoals u, dat zodra ze volwassen worden.

Of bent u het misschien eens met juffrouw Bulstronk, die beweerde dat zij nooit een kind geweest was? We weten wat voor sympathieke figuur dát was. Tenminste, als we onze kinderboekenklassiekers kennen.

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

Pluisjes in een web

(c) Inaya photography

Mijn generatie is kwetsbaar, besef ik, nu meer dan ooit.

Wij zijn de kinderen van de mei ’68-ers, opgevoed door ouders die het toppunt hebben meegemaakt van een samenleving die haar oude ketenen afgooide. The sky was the limit, en flower-power vrijheid-blijheid. Alles mocht, alles kon.

Wij zijn opgevoed met de idee dat jongens niet beter zijn dan meisjes, en dat je alles mag of kunt zijn wat je wilt.
Wij zijn grootgebracht op melk en honing, tijdens een van de allerlangste periodes zonder oorlog in deze contreien.
Ons werd op school geleerd dat het vanaf nu alleen nog maar beter zou gaan.

Evoluties rond vrouwenrechten, emancipatie voor LGBTQ en andere maatschappelijke veranderingen gaven ons hierin gelijk. De klimaatcrisis kwam roet in het eten gooien: de welvaart waarop de generatie van onze (groot)ouders hun imperium bouwde, bleek te gulzig. De ijsschots waarop we wonen, smelt onder onze voeten, en er zijn frustrerend weinig mensen die de ernst van de situatie willen inzien.

(c) Inaya photography

Even confronterend is het om te zien hoe een aantal oude spookbeelden van mannelijke suprematie, blank christendom en andere fossiele gedrochten op dit moment terug zijn van nooit weggeweest.
Natuurlijk beseften we wel dat sommige oude ideeën hardnekkig kunnen zijn. Maar de reikwijdte ervan bezorgt me koude rillingen.

Het spel wordt slim gespeeld, door mannen die precies aanvoelen welke pijnpunten ze moeten bespelen om meer macht te verwerven. De rest van ons staat erbij en kijkt ernaar – in beate bewondering, of in groeiende vrees. Tegen de brute kracht van een knots is geen verfijnd, genuanceerd discours opgewassen.

We zijn niet sterker dan pluisjes, dacht ik, gevangen in het oude web van een spin, voor zolang het duurt. Een windvlaag, en we zijn weer weg.

Toen kwam de storm.
En het was achteraf verbazend hoopvol om te zien hoe goed het web standhield. Met wat minder aangewaaid pluis, jazeker. Maar intact.
En tegen volgende lente vliegen ook de zaadpluisjes weer in alle overvloed door de lucht.

Kwetsbare dingen zijn dan toch niet zo snel klein te krijgen, geloof ik.

(c) Inaya photography

Leren kijken

“Hoe komt dat toch”, zucht mijn man aan de ontbijttafel, “dat zoveel mensen niet gewoon zien hoe mooi dit is? Ik zou niet zonder kunnen leven.”

(c) Inaya photography

Met ‘dit’ bedoelt hij de wirwar van eikentakken die zich uitstrekt tot bijna tegen ons eetkamerraam op de eerste verdieping. In de zomer heeft ons huis iets weg van een boomhut, omsloten door groen aan alle kanten. En ik deel zijn gevoel: ik zou ook niet zonder kunnen leven. Deze rijke groene wildernis die doorgaat voor tuin is precies wat ons verleidde om het (donkere, vochtige, slecht gebouwde) huis waarin we tot op vandaag wonen vijftien jaar geleden te kopen.

Wat mij intrigeert aan de vraag van mijn man is zijn met droefheid gekruide verbazing. Want ik vind die vraag eigenlijk helemaal niet zo moeilijk te beantwoorden.
We houden niet alleen van wat we geleerd hebben (‘een strak gazon met alleen maar gras is mooi’), maar ook van wat we geleerd hebben om te zien.

Kunnen we dan niet allemaal zien? Hebben we dan niet allemaal ogen? Tuurlijk wel, maar daar gaat het niet om. Van alles wat via ons netvlies onze hersenen binnenkomt, filteren we immers een groot stuk weg. Bepaalde dingen vallen ons pas op, of merken we zelfs pas op, als we geléérd hebben ze te zien. En dat komt niet vanzelf.

(c) Inaya photography

Een groot deel van mijn liefde voor de natuur heb ik te danken aan mijn vader, die ons als kinderen ontelbare keren wees op zaken waar we anders onnadenkend aan voorbij gelopen waren: het spinnenweb, het zonlicht op de sneeuw, de zonsondergang, een wolk met een bizarre vorm, het silhouet van een indrukwekkende boom of een kasteelruïne op een heuveltop.

Want kijken, van in de prille kindertijd, gaat in de eerste plaats om aandacht. Pas als we onze aandacht ergens op richten, zien we het echt. Als we niet aangeleerd krijgen om ergens aandacht aan te besteden, dan zijn we er blind voor, ook al staat het bij wijze van spreken voor onze neus.

Beter leren kijken is soms een heuse openbaring.

(c) Inaya photography

Zo hield ik altijd al van de natuur, maar het was één groot groen decor van in elkaar lopende vormen en lijnen waar ik verder niet bij stilstond. Toen ik mezelf, geprikkeld door nieuwsgierigheid bij de aankoop van ons huis, leerde om boomsoorten te identificeren, kwam de natuur niet alleen veel gedetailleerder tot leven, het was alsof ik ze voor het eerst zag. En eigenlijk was dat ook zo, op het komische af. Want telkens wanneer ik weer een nieuwe boomsoort had leren herkennen, ontdekte ik die plots overal. Ineens sprongen exemplaren ervan me overal in het oog. Die hadden er natuurlijk altijd gestaan, ik had ze alleen niet gezien.

Hetzelfde gebeurde een paar jaar later toen ik me voor vogels ging interesseren. Ik ben verre van een ornitholoog, en vraag me niet om verschillende roofvogels uit elkaar te houden (ik noem alles ‘buizerd’ 😉 of ook wel ‘rapace’, dat mooie woord voor roofvogel in het Frans). Maar vroeger kon ik hooguit een merel of een roodborstje herkennen. Intussen ken ik het gezang van alle soorten die in onze tuin zitten, en kan ik van de meest voorkomende soorten aan de vleugelvorm of het vliegpatroon van een stipje in volle vlucht zeggen wat het is.

En kijken gaat verder dan het puur visuele. Er zit ook een sterke psychologische component in. Wat vind je mooi of lelijk? Wat vind je harmonieus of problematisch? Het hangt er maar van af hoe je er naar hebt leren kijken.
Soms verkoopt het leven je een uppercut en kijk je sindsdien heel anders aan tegen iets wat je daarvoor dik oké vond (probeer maar eens langs de plek te rijden waar je ooit een ongeval had of waar je het uitmaakte met een lief; en wie één keer doodziek is van mosselen kan ze nadien doorgaans niet meer ‘zien’).

Maar ook alle belangrijke mensen in mijn leven hebben in niet geringe mate mijn kijk op de dingen mee beïnvloed. Mijn ouders legden uiteraard een fundamentele basis in hoe ik tegen het leven aankijk. Maar leerkrachten, vrienden, partners… brachten andere elementen aan, andere manieren om naar de dingen te kijken, letterlijk én figuurlijk. Soms gingen die zelfs regelrecht tegen mijn eerder verworven beeld in.

(c) Inaya photography

Het bijzonder intrigerende, labyrintische huis van mijn beste vriendin, volgestouwd met kunst en planten en bijzondere voorwerpen op de meest onverwachte plaatsen, leerde mij twintig jaar geleden anders kijken naar concepten als schoonheid of gezelligheid.
Onze verschillen in karakter en standpunten rond opvoeding van kinderen leerden zowel mij als mijn man heel anders kijken naar wat kinderen nodig hebben en helpen ons nu enorm vooruit in hoe we samen onze zoon grootbrengen.
Mijn zus staat met stip op één als het aankomt op mij goede ideeën of inzichten aanbieden die ik op het moment zelf maar half omarm, maar die nadien fenomenaal waardevol blijken te zijn en mij voor een stuk op mijn levenspad vooruit helpen (een Soul Circle organiseren, om er maar eentje te noemen).
En hoewel ik op mijn eigen manier daar ook al lang mee bezig was, heeft mijn hechte Zaailing-samenwerking met Jurgen mij op zowat alle mogelijke manieren anders leren kijken naar planten, kunst, dieren en weerspiegelingen.

De voorbeelden zijn ontelbaar. Belangrijk hierin is dat ik weet dat mijn blik nooit ‘af’ is, mijn zicht nooit helemaal scherp. Hoe meer ik leer zien, hoe meer ik besef dat wat ik zie maar een heel klein stukje van de totaliteit is, en dat het in feite ook mijn benadering van de wereld weerspiegelt. Andere mensen zien heel andere werelden dan ik. De realiteit is onwaarschijnlijk rijk.

Leren kijken is een levenslang proces.
Ik zet alvast mijn deel van de traditie voort door mijn zoon op elk geschikt moment te wijzen op planten en dieren, boomsoorten, vogels en schoonheid in al haar vormen, op motieven in verhalen, op de kracht van personages en symbolen, waar we ze ook tegenkomen. Wat hij daar later zelf nog aan toe zal voegen, dankzij de mensen die hij in zijn leven nog ontmoet, daar zal ik wellicht op mijn beurt weer van kunnen leren.

Ik kijk er nu al naar uit.

(c) Inaya photography

Hoe hanteer je vrijheid?

Of ook wel: geen paraplu’s meer

(c) Inaya photography

Hoe geef je structuur aan je leven als er nauwelijks nog vaste bakens zijn? Met andere woorden: hoe hanteer je vrijheid?

Ik heb nog niet zo lang geleden ontslag genomen uit mijn vaste job. Een paar jaar geleden had ik me niet kunnen voorstellen dat ik zou kunnen leven met het soort onzekerheid dat ik nu dagelijks ervaar in dit nieuwe stuk van mijn leven, en dat ik me daar goed bij zou voelen. Maar de waarheid is: ik was er klaar voor. Mijn vleugels hadden ruimte nodig. Iets in mij wilde niet langer binnen gehouden worden.

Tijdens het hele proces van loslaten kwam ik tot het besef dat de manier waarop ik tot nu toe altijd had gewerkt voor instanties of organisaties eigenlijk wel iets weghad van schuilen onder een paraplu: het hield een soort ‘veiligheid’ in, een beetje zoals ouderfiguren een kind zich veilig kunnen laten voelen. Mijn werk goed doen en daarvoor betaald worden, maar verder geen eindverantwoordelijkheid, en een vangnet.

Nu bevind ik me in een heel andere positie. Er zijn geen paraplu’s of vangnetten meer. Maar het kan me eerlijk gezegd niet schelen. Ik ben klaar voor alles wat de wind naar me toe blaast, maar vooral: ik ben klaar om de hemel te bewonderen.

Maar.
Ik keer terug naar mijn eerdere vraag: hoe hanteer ik deze nieuwe vrijheid? Hoe structureer ik mijn dagen en zorg ik ervoor dat ik genoeg van alles aan bod laat komen: schrijven en ander betaald werk, mails en administratie, huishoudelijke klussen? Hoe loop ik niet hopeloos uit, verdund en vormeloos als een plasje water dat nergens omvat wordt?

(c) Inaya photography

In de korte tijd die verlopen is sinds ik voor de laatste keer op kantoor was, heb ik ondervonden dat het nijdige kleine stemmetje in mijn achterhoofd mij helemaal angstig en opgedraaid kan maken, als ik het de kans geef.
Ik heb geleerd het niet zoveel speelruimte te geven. In plaats daarvan probeer ik te doen wat ik me van in het begin had voorgenomen: de hemel bewonderen, en ingaan op alles wat mijn kant op komt en interessant aanvoelt. De ene dag kan dat de Voorleestoer zijn, met lezingen voor zes klassen middelbare scholieren, de volgende dag mijn wasmand vol strijk.

Ik bewoon het idee ‘vrij zijn’ nog steeds niet helemaal. Dat komt misschien omdat ik maar al te goed besef dat het leven van een volwassen vrouw nu eenmaal een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Anderzijds weet ik ook dat het leven de meest wonderbaarlijke trip kan zijn voor wie van de klif durft stappen in vol vertrouwen dat de thermiek haar draagt. Daar heb ik in mijn eigen leven meer dan genoeg bewijs van, en ik weet precies hoe dat werkt.

Dus, mooie grote hemel… hier zijn we dan. En hier kom ik.

(c) Inaya photography

Barreras: een bijzonder boek



(c) Pantingo


Ik ben blij en vereerd dat ik een tijdje geleden de kans kreeg om een bijdrage te leveren aan Barreras, een uitgave van Pantingo. Pantingo is een jonge uitgeverij van zines en kunstzinnige projecten. Hart en ziel achter dat alles is kunstenares Tessa De Ceuninck.

Haar boek Barreras benadert het verhaal van de bootvluchtelingen door te spelen met ogenschijnlijk tegenstrijdige beelden in dialoog met elkaar.

Ik schreef er de volgende tekst voor, die opgenomen werd in het hart van het boek:





Tell me

Tell me of the hardships we encountered.
Remind me of the victories
we fought for, the defeats we endured.
Help me recall our high hopes
as we set forth, and how we negotiated
the distances against all odds and opposition.
Remind me of how we held on to our stubborn hopes
to reach the other side with our heads held high.

Reassure me that all we did
was somehow worthwhile.
Help me remember their faces,
pleading, cheering, counting on us to go
where they could not, so we could live
their ambitions, fulfill their dreams.

Tell me the story one more time,
of the heroes who fought and conquered,
so that all who followed in their footsteps
would know a better fate.

For stories are all we know.
And stories are all we have to hold on to.

So speak to me. Whisper, if you need to.
Then I can try to tell the story again,
and we can all try to believe it.

(c) Pantingo


Interesse in meer werk van Tessa De Ceuninck? Neem zeker een kijkje op www.pantingo.com.
Pantingo zal aanwezig zijn op de Ghent Art Book Fair (11-12 mei).

Het overgangsteam

Tara Mohr, een van de mooie wijze vrouwen wiens werk ik las en die ik een paar jaar geleden een uur lang kon spreken voor een interview (dat Engelse gesprek lees je trouwens hier), zei ooit: We are the transition team.

Vrouwenrechten gaan niet op een paar decennia in orde zijn, zei Mohr, daarvoor is de erfenis van het patriarchale systeem en het mannelijk geörienteerd denken te diep en te sterk. Maar we hebben al enorme stappen gezet op relatief korte tijd, en er zullen er nog volgen. In plaats van gefrustreerd te raken over waar we ‘nog maar’ staan, kunnen we ons beter vasthouden aan de idee dat wij het overgangsteam vormen, dat we een stukje zijn van een beweging die onszelf overstijgt en die de wereld van één tijd naar een andere leidt. Daar zal langer overheen gaan dan onze generatie alleen. We hoeven ons dus niet uit het lood te laten slaan als het traag gaat. We zullen het einde ervan ook niet meer meemaken. Belangrijk is wel dat we doen wat we kunnen.

(c) Inaya photography

Ik geloof nog altijd dat ze gelijk heeft. Ik had alleen gehoopt dat die overgang waarover ze het heeft een beetje minder op de processie van Echternach leek. Stappen achteruit zetten, is niet fijn. En de Machtige Mannen die met goedkope praatjes verkozen worden (en de onnadenkende scharen volgers die ze in hun kielzog meesleuren) geven aan dat we toch nog wel een beetje worstelen met dat vooruit gaan. Sterker: een heleboel mensen zouden maar al te graag een fors aantal passen achteruit zetten, in ruil voor de illusie van veiligheid en stabiliteit. Ten koste van dezelfde groepen als altijd: vrouwen, kinderen, zachte zielen, denkers, minderheden. Alfa-man regeert, vrouwtje broedt en zorgt. Wat kan er nu beter zijn?

Ik was bezig aan een boze, bange, bezorgde blog hierover. Hij wilde niet zo goed vlotten, mijn emoties zaten mij echt in de weg. En toen verscheen dit stuk. Het zei alles wat ik wilde zeggen, alleen beter, helderder en meer genuanceerd. Lees dit.

https://vrtnws.be/p.8393LJOkp

En ga dan eens hard nadenken over hoe we dit onverkwikkelijke tij kunnen keren. Want zoals Tineke Van Iseghem schrijft: The Handmaid’s Tale komt alweer een stapje dichterbij.

(c) Inaya photography


De relativiteit van gewicht

Voor lezers die hier per Google heen surften en een blog verwachtten over ‘je lichaam is mooi zoals het is’, sorry! Dát soort gewicht bedoel ik niet. Volgers van deze blog weten sowieso dat ze dat soort stukjes hier niet zullen aantreffen.
(Hoewel ik wél vind dat elk lichaam mooi is zoals het is, op voorwaarde dat de eigenaar ervan het liefdevol verzorgt en het met goesting bewoont – maar dat terzijde.)

Soit, gewicht dus.

(c) Inaya photography

‘Zal dat niet te zwaar wegen, die pendel?’ vroegen ze mij zeven jaar geleden, toen ik solliciteerde voor een job bij de organisatie waar ik tot op vandaag werk maar die ik medio april verlaat. De pendel waarvan sprake bedroeg een kleine twee uur, enkele reis: van een dorp met weinig openbaar vervoer tot in het hart van Brussel. De kantoren lagen niet slecht gesitueerd, maar toch ook weer niet zó schitterend, met het dichtstbijzijnde van de drie hoofdstations op twintig minuten lopen, of even lang sporen met overstap – als de treinen tenminste reden.

Ik schudde toen resoluut mijn hoofd – zwaar, welnee! Ik wilde de job.

Het wás ook te doen, bleek toen ik het twee tot drie keer per week deed, heen en terug. Het had wat voeten in de aarde, maar ik had het ervoor over. Lange dagen waren het wel, makkelijk twaalf uur van huis, en mede daardoor vond ik halftijds werken ruim voldoende.

Tegen het einde van het eerste jaar, toen mijn tijdelijk contract afliep en ik uitgekeken was op de job in kwestie, was die pendel wel beginnen wegen. Als een werkelijk gewicht: ik voelde het aan als een last. Het was gedoe, die drie verkeersmiddelen, en het duurde lang.

Maar toen kwam er een vacature vrij, één verdieping hoger in hetzelfde gebouw. Redacteur. Dat was wat ik wilde. Ik had ervan geproefd en ik voelde me er thuis. Ik werd blij van dat soort werk. Ik solliciteerde en kreeg de job.

Toen gebeurde er iets vreemds.

(c) Inaya photography

Ik was misschien twee of drie dagen zeker van mijn nieuwe functie, toen ik merkte dat er iets fundamenteel begon te veranderen. Een week eerder kroop ik nog met een diepe zucht van wilskracht op mijn fiets om naar de bushalte te rijden, daar bibberend te staan wachten op een veel te volle en ongemakkelijke bus, vervolgens de trein te nemen, mét overstap en nog meer bibberen tijdens het wachten daarop, om twee uur later eindelijk mijn kantoor binnen te lopen.

Nu, luttele dagen later, woog die pendel niks meer. Letterlijk: niks. Er was in objectieve of fysieke zin niets veranderd, maar plots kroop ik fluitend op mijn fiets en zat ik met een brede glimlach op de bus.
Het werd me meteen duidelijk: als de beloning die wacht aan het einde van de rit (in dit geval: een job waar ik zielsgelukkig van werd) het waard was, kon ik er veel bijnemen om daar te geraken. Met de glimlach. Gewicht is absoluut relatief. Het hangt er maar van af wat er op de andere helft van de weegschaal ligt.

Ik maakte ook meteen een mentale notitie – eens getraind in coaching, altijd alert: het moment dat die pendel, om wat voor reden dan ook, plots weer zou gaan wegen, moest er een alarmpje afgaan, en dat moest ik kunnen herkennen als een signaal dat er iets aan de hand was. Ik hoopte vurig dat dat nooit zou gebeuren.

Het werden een paar fijne jaren. Het werk was vervullend, mijn leven bloeide open op allerlei vlakken. De reistijd nam eerder toe dan af, maar ik zorgde ervoor dat ik goeie boeken bij had en eigen materiaal om aan voort te schrijven. Er zagen nogal wat Zaailingen het levenslicht in treincoupés. Ik begon uit te kijken naar de pendel als een vorm van quality time. Oké, toegegeven: quality time met vertragingen, nu en dan hinder en ook nog altijd veel te veel volk in de buurt van mijn hoogsensitief persoontje, maar toch. Als mensen ontwikkelen we graag rituelen. Met een kop koffie van bedenkelijke kwaliteit op de trein stappen om daar een klein uur te schrijven en te mijmeren, het werd een van mijn geliefde rituelen.

Na verloop van tijd en dankzij een elektrische fiets trapte ik zelfs fluitend de tien kilometer naar het station en kon ik drie vierden van het bibberend en verveeld wachten en vooral de gehate bus vaarwel zeggen. Goed voor mijn moreel én mijn conditie. Een dikke win-win, op alle vlakken.

En toen veranderde de invulling van de job zelf. Nogal drastisch.

Daar waren geen slechte bedoelingen mee gemoeid, en er waren allerlei beweegredenen die vanuit een bepaalde logica vast hout sneden. Maar van de ene dag op de andere was ik het werk kwijt dat ik jarenlang met zoveel plezier had gedaan. Alle compromissen die ik sloot, voelden aan als een verlies.

(c) Inaya photography

Ik gaf het tijd. Om de zoveel maanden maakte ik de balans op. Hoe ging het met me? Wat stoorde me, waarin vond ik vervulling? Het bleef, om het in KMI-termen te zeggen, kwakkelweer. Maar ik ben trouw, dus ik was bereid om de bui nog wel even uit te zitten, hopend op betere tijden.

Het hield naar mijn gevoel echter niet op met regenen. Het werd integendeel stelselmatig duidelijker dat wat eens een hartverwarmende boulevard was geweest nu een doodlopend straatje was geworden. Beetje bij beetje kalfde mijn werkplezier af. Het gebeurde sluipend, want ik wilde de zeurderige negatieve stemmetjes zeker niet bewust voeding geven. Maar toen ik begin dit jaar merkte dat het me zwaar begon te vallen om de tien kilometer te fietsen en een uur op de trein te zitten, wist ik hoe laat het was.

Ik ben geen dwaze dromer. Ik maak keuzes waarvan ik weet dat ze realistisch verantwoord of op zijn minst haalbaar zijn. Maar één wijsheid staat al jaren boven mijn spreekwoordelijke haard gebeiteld: het leven is te kort om gebukt te gaan onder zinloos gewicht.

Over vier weken loopt mijn pendeltraject naar Brussel definitief ten einde. Dat is veel sneller dan ik indertijd had gedacht of gehoopt dat het geval zou zijn. Maar ik aanvaard het voor wat het is. Dankbaar om de mooie jaren, dankbaar om wat er nog komt, al is het pad dat ik gekozen heb op dit moment nog verre van duidelijk.

Ik voel me wel lichter. Nu al.


Tussen donker en licht: Marit Törnqvist

Voor de literaire podcast Boeken Toe mocht ik als gastredacteur op pad voor een bijzondere opdracht: een diepte-interview met een boekenmaker van mijn keuze.

Die keuze was snel gemaakt.
Op een gure februaridag spoorde ik naar Amsterdam voor een gesprek met Marit Törnqvist. Over dertig jaar kinderboeken maken, over Astrid Lindgren, Nederland en Zweden. En over de bijzondere betrokkenheid bij kinderen hier én van de andere kant van de planeet, over het lot van uitgeprocedeerde vluchtelingen en over je plek vinden in de wereld.