Praten met de duivel

Waarom onze demonen doodmaken ons geen beter mens maakt – integendeel

Yamie Fort_091 ed klein
(c) KV

 

Goed en kwaad zijn concepten waar ik al heel lang mee worstel. Mijn hele leven, denk ik.

Als jongere voelde ik me aangetrokken tot sommige van de meer duistere personages in verhalen. Tegelijk probeerde ik degenen die me afstootten aardig te vinden, of op zijn minst toch te begrijpen. Niemand, vond ik, werd met een slechte inborst geboren. Iedereen, in het echte leven en in boeken, kwam met een eigen verhaal, en hun beslissingen of gedrag moesten hun oorsprong vinden in eerdere ervaringen.

Zoals zovelen van ons hier in het Westen werden mijn opvattingen lange tijd beïnvloed door het christendom. In deze traditie zit het idee dat het goede uiteindelijk het kwade overwint er diep ingebakken. Hoewel ik in de regel streef naar meer harmonie en heelheid in mijzelf, sta ik intussen huiverig tegenover deze archetypische tweespalt waarbij de helft van het spectrum een vijand zou zijn die niet zozeer gerespecteerd of weerstaan moet worden, maar wel totaal vernietigd.

Ik vrees dat hier een van onze grootste misverstanden speelt.

Begrijp me niet verkeerd. Dit is geen pleidooi voor geweld of haat, voor liefdeloze ouders, sadistische leraren, genadeloze dictators of zieke geesten van wat voor allure dan ook. Ik geloof oprecht dat we allemaal beter af zijn als we ons gelukkig en gezond voelen, en onszelf en elkaar respecteren en graag zien.
Alleen denken we dat we een aantal dingen moeten vernietigen om dat punt te bereiken.

Jaren geleden volgde mijn moeder een opleiding rond persoonlijke ontwikkeling waar ze heel veel van opstak. Hoewel ik die bewuste cursus zelf niet ging volgen, plukte ik wel de vruchten van de ideeën die ze mee naar huis bracht. Een daarvan was het concept van ‘the Judge’.

We kennen hem allemaal. Sommigen noemen hem misschien de Innerlijke Criticus, anderen zien hem (of haar) als een ouder, een vroegere leerkracht, een bang of boos stuk van henzelf. Het is dat kleine, zeurende stemmetje in ons achterhoofd dat overal kritiek op heeft en ons er mentaal van langs geeft omdat we niet goed genoeg, dapper genoeg, sterk genoeg, mooi genoeg zijn, vergeleken met een of andere onhaalbare maatstaf.

Mama’s leraar in de opleiding zei haar: ‘Kill the f*cking Judge’. Hoewel hij helemaal gelijk had dat naar die innerlijke litanie luisteren en geloven wat ze zegt niets waardevols bijdraagt en ons alleen maar diep ongelukkig maakt, verlieten we in onze familie algauw zijn concrete aanpak. In plaats daarvan benaderde mijn moeder haar Judge op een andere manier. Ze kocht een snoezig kussentje, en stelde dat tentoon in de woonkamer als een decoratief element op een bijzettafeltje, een plek waar je het absoluut niet kon verwarren met iets om op te gaan zitten. Dit was de plek waar haar Judge zich mocht ontspannen en uitrusten, telkens als hij zijn opwachting maakte. In plaats van uit alle macht te proberen hem te doden, stond ze hem een adempauze toe en zei dat hij zich daar lekker mocht nestelen.

Ik hou van die tweede aanpak. Hoe makkelijk (of moeilijk) het ook is om onze angsten, fouten en innerlijke demonen onder ogen te zien, ik kan getuigen dat ze met mildheid benaderen een veel dieper en lonender traject is dan ze proberen uit te roeien. Ze zijn een deel van ons, en vaak hebben ze ons ook op een of andere manier geholpen, door ons te beschermen, te waarschuwen of ervoor te zorgen dat we twee keer nadachten. Vaak hadden ze helemaal niet de bedoeling de hinderlijke klieren te worden die ze nu zijn. Soms duwden we ze diep weg omdat we niet naar ze wilden kijken, en in het donker voedden ze zich met al wat ze konden vinden en groeiden uit tot iets kwaadaardigs en angstaanjagends, terwijl ze eigenlijk nog altijd hunkerden naar onze liefde en begrip.

Je heelt jezelf niet door de stukken van jezelf dood te maken die je niet aanstaan. Je vindt heelheid door goed naar ze te kijken en mild voor ze te zijn.

Hetzelfde geldt voor elk gevecht tussen het zogenaamde Goed en Kwaad.

 

Yamie Fort_069 ed klein
(c) KV

 

Het behoeft geen discussie dat sommige gedachten en daden ethisch mooier of gezonder zijn dan andere. We kunnen evenmin ontkennen dat sommige daden moreel verwerpelijk zijn en zorgen voor veel lijden. Maar door ze te behandelen als iets wat uitgeroeid moet worden, voeden we alleen hun verdedigingsmechanismen. En als we vasthouden aan onze missie om ze te vernietigen, worden we geen beter mens maar de koude, harteloze, onverzoenlijke versie van onszelf. In plaats daarvan zouden we beter op zoek gaan naar een mooi kussen.

En wanneer onze angsten en fouten, onze verborgen of minder fraaie aspecten en alles wat we verafschuwen aan onszelf of de wereld daar dan plaatsnemen, omdat we ze hebben uitgenodigd en ze voelen aan dat we te vertrouwen zijn, dan moeten we ook de moed hebben om ze in de ogen te kijken en een gesprek te beginnen.

Advertenties

Sant in eigen land

BW17-banner-web

Ik ben opgegroeid in een dorp dat ik nooit heb leren kennen.

Dat had verschillende oorzaken. Een provinciale viervaksbaan sneed een handvol straten – waaronder die van ons – af van de rest van het dorp. Die oversteken was als kind geen sinecure. Daarbij kwam dat we bij mijn grootouders woonden, en zij om diverse redenen al jaren zowat alle contact met hun dorpsgenoten schuwden. Omdat mijn moeder bovendien lesgaf op een school in de stad een beetje verderop, gingen mijn zus en ik daar dus ook naar school, en niet in het dorp.

Ik heb een fijne kindertijd en een warme thuis gehad, maar nooit een sociaal weefsel op de plek waar ik woonde. Dat vond ik niet erg. Want wat je niet kent, mis je niet. Mijn vriendinnetjes woonden in de stad of in andere deelgemeenten. In het dorp zelf kende ik vrijwel niemand.

Toen mijn man en ik naar Hamme verhuisden, deden we dat omwille van de locatie en omdat we verliefd geworden waren op een tuin waarin toevallig ook nog een huis stond – zoals mijn moeder dat indertijd niet onterecht uitdrukte. Ook hier kenden we niemand, maar dat maakte voor mij niets uit. Dat was ik gewend.

Ik was erg verrast en gecharmeerd om een paar jaar later gecontacteerd te worden met de vraag of ik als ‘Hamse auteur’ aanwezig wilde zijn op het Boekenweekend. Die allereerste editie moest ik om gezondheidsredenen passen, maar het jaar nadien was ik van de partij. Wat een fijn concept was dit! En wat een aardige mensen leerde ik er kennen.
Alles ademde de boodschap: jij hoort erbij, jij bent hier thuis. Dat was een nieuwe ervaring voor mij.

Toen ik het jaar daarop gevraagd werd om mee in de organisatie van het Boekenweekend Hamme te komen, leerde ik de ploeg gemotiveerde vrijwilligers achter het mooie concept kennen. De vergaderingen waren interessant, en ik vond het fijn om mijn steentje bij te dragen en dit evenement mee uit de grond te stampen. De après-vergaderingen waren steevast momenten van hartelijk samenzijn. Ook hier hoorde ik erbij. Ik hoorde verhalen over kinderen, ouders, achternonkels, vergeten anekdotes en hoe sommige mensen in dit dorp soms al sinds generaties aan elkaar gelinkt waren. Ik hoorde over de geschiedenis van het dorp dat nu het mijne was, en waar ik voorzichtig mijn wortels wat dieper stak.

Boekenweekend_077

De mensen die ik dankzij het Boekenweekend in mijn hart sloot, kruiste ik op straat, of ontmoette ik waar ze werkten: winkel, school, gemeentehuis, Cultuurcentrum. Stilaan werd Hamme niet alleen maar de plaats waar ik woonde, doorsneden trouwens door diezelfde provinciale hoofdweg als mijn vorige dorp, alleen met twee rijvakken minder, maar een dorp waar ik wél mensen kende, waar er steeds meer draadjes van mij naar anderen liepen en waar ik een plekje vond in een veel groter, verwelkomend web.

Het Boekenweekend is ondertussen aan zijn tiende editie toe – een jubileum. Het is in dat decennium uitgegroeid van een charmant, amateuristisch initiatief tot een semiprofessioneel evenement dat naam en faam heeft in het Vlaamse boekenlandschap. Dat is iets om zonder meer trots op te zijn, als Hammenaar.

Ik heb fijne herinneringen aan zowat elke editie. Ik heb zelf twee keer op het podium gezeten als auteur, en ik heb er bij de opening ooit de toespraak van mijn leven mogen houden. Maar ik ben het Boekenweekend vooral dankbaar omdat het voor mij de poort was naar thuiskomen in deze gemeente, bij mensen en een gemeenschap. Voor het eerst.

Wat je niet kent, mis je niet.
Maar ik weet nu: het is fijn om ‘sant in eigen land’ te zijn.

Op bezoek bij de gieren

Soms ben ik zo content om te mogen werken als journalist…

Gisteren bezochten we het dierenpark GaiaZOO.
Leden van de Gezinsbond krijgen daar korting, en ons blad vond het goed idee om er wat redactionele aandacht aan te besteden (morgen in sneltempo een artikel schrijven). Het park is gelegen in Nederlands Limburg, net over de grens, op ongeveer twee uur rijden van ons thuis. Maar óf het die afstand waard was.

Ik kwam er als journalist maar ik had wel mijn gezin mee. Daardoor mochten we niet alleen gratis binnen, mijn zoon kreeg ook nog een verrassingsgeschenkje: een knuffelaapje waar hij op slag verliefd op was en dat hij die dag overal mee naartoe sleepte.

GaiaZOO_216
(c) KV

Het is beslist een mooi park. En er ligt een ecologische filosofie aan ten grondslag die serieus genomen wordt. De dieren hebben heel veel ruimte, en op een aantal plaatsen delen verschillende soorten die in hun natuurlijke omgeving ook vreemdzaam naast elkaar leven een verblijf. Zo wonen de zebra’s in hun enclave samen met twee indrukwekkende neushoorns en een groepje parelhoenen.

Het landschap is verweven in het park: er staan oude bomen, en overal groeien spontaan uitgezaaide struiken, planten en kruiden. Een parkgids vertelde me dat invasief onkruid wel zo veel mogelijk gewied wordt, vaak zelfs met de hand. Behalve op het gorilla-eiland: die dieren vinden brandnetels en distels namelijk zo  lekker dat ze ze verorberen tot de laatste stengel. Ook een manier van wieden, natuurlijk…

GaiaZOO_304
(c) KV

Bezoekers kunnen heel dicht bij de dieren komen zonder ze te storen – glazen wanden, uitkijkposten, tunnels voor de kinderen. En op sommige plekken kan je werkelijk oog in oog staan met een dier. Zo kan je een paar grote volières en zelfs een heel bos in waar een troep doodskopaapjes woont, op voorwaarde dat je op de paden blijft. Bezoekers wordt wel aangeraden hun tassen goed dicht te doen.

Ik deed mijn job, stelde vragen, nam foto’s. En op het einde van de dag deed ik waar ik de hele tijd naar uitgekeken had: ik bezocht mijn vrienden de vale gieren.

Ze leven in een enorme volière (twaalf meter hoog en ik weet niet hoeveel oppervlakte, maar het is veel – ze kunnen er doorheen vliegen), en dit was er ook een waar bezoekers doorheen mogen wandelen. Met wat geluk kom je op minder dan twee meter afstand van een de twintig (!) vogelsoorten die er samen wonen.

GaiaZOO_537 ed cutGaiaZOO_512

GaiaZOO_107 ed cut2
(c) KV

 

Terwijl ik daar stond, de laatste bezoeker in de nagenoeg verlaten volière, en toekeek hoe de vale gieren geduldig zaten, met het late herfstlicht op hun veren, voelde ik een diepe rust over mij heen komen.
Ik was er met plezier de hele avond en de volgende dag blijven zitten, om naar hen te kijken, zoals ze daar op hun gemak waren, nu en dan eens een vleugel strekten, bij momenten opvlogen.

Het was een goede dag.

GaiaZOO_258
(c) KV – Mijn zoon slaagt erin de minst voor de hand liggende dieren te laten overeen komen…

 

 

Licht

De ogen van de bedelaarster aan de ingang van het station

Barcelona_029 ed cut
(c) KV – licht stroomt door de glasramen in de Sagrada Familia, Barcelona

Licht is altijd een bron van inspiratie voor mij.
Nee, schrap dat.

Licht is een fysieke ervaring, een zintuiglijk hoogtepunt dat me vervult met iets wat ik niet echt kan benoemen, en wat achteraf altijd weer geuit wil worden, de wereld in. Doorheen woorden, een lied, een emotie.
Gewoonlijk maakt licht mij gelukkig op de fijnste manier.
Soms, echter, stemt het mij droef.

Als ik naar het werk pendel, moet ik overstappen in Brussel-Noord. Mijn eindstation is wat de kinderen het station van dinomuseum noemen. Volwassenen kennen het als een van de stations het dichtst bij het Europees Parlement. Het dichtstbijzijnde metrostation, Maalbeek, was het doelwit van de terroristische aanslag vorig jaar.

Er wordt gewerkt aan dat specifieke spoor. Treinen naar Namen of Luik worden omgeleid op de lange afstand. Daarom stap ik al twee weken af in Brussel-Centraal, om vandaar te voet naar mijn kantoor te lopen, een wandeling van twintig minuten.
Dat is niet echt ver, maar (1) wel bergop, (2) mijn astmalongen zijn niet in topvorm en (3) de luchtkwaliteit van onze hoofdstad is de slechtste van het land. Maar ik vind overvolle bussen en metrostellen nog erger dan uitlaatgassen, dus loop ik toch.

Aan de uitgang waarlangs ik het station verlaat, zit een vrouw. Ze moet een jaar of vijftig zijn. Ze ziet er moe, verwaaid en triest uit. Ze bezet een hoek en houdt een beker vast. Elke voorbijganger begroet ze met dezelfde ‘Bonjour. Merci.’, een zielig, onophoudelijk deuntje terwijl de pendelaars langs haar heen stromen.
Ik werp met plezier een muntje in de openstaande vioolkist van een straatmuzikant, maar met bedelaars weet ik me geen raad. Het wordt moeilijk, na een tijd, om alle menselijke ellende die je ziet in de straten van de hoofdstad nog te verteren. Mijn hart is verscheurd, mijn verstand vertelt me dat ik onmogelijk al die mensen te eten kan geven, en soms deins ik gewoon terug voor hun miserie of hun vijandigheid. Ik voel me een lafaard, en ik ben er waarschijnlijk een, zoals ik me langs hen haast, en probeer hen niet aan te kijken.

Iets aan de vrouw bij de uitgang van Brussel-Centraal was anders. Of misschien was ik die ochtend anders. De roltrap bracht me naar boven en voor een moment waren we op dezelfde ooghoogte. Terwijl ik van de roltrap stapte en naar de uitgang liep, zei ze, zoals tegen iedereen: ‘Bonjour’. Ik glimlachte. ‘Bonjour.’

Het licht in haar ogen.

Ik geloof dat ze gelukkiger was met mijn simpele antwoord dan met wat voor som ik haar ook had toegestopt.
Voor een ogenblik waren we gewoon twee zielen die een oprechte ontmoeting hadden.

Ik heb haar sindsdien nog een aantal keer gezien, zittend op haar plekje waar ik de dag in stap.
Ze herkent me. We glimlachen en groeten elkaar.

Ik geef haar geen geld, maar wel iets anders, geloof ik.
Als de onderhoudswerken aan mijn treinverbinding achter de rug zijn en mijn pendelroutine zich hervat als vanouds, zal ik haar missen.

Bxl city_251 cut
(c) KV – Brussel, Europese wijk

Wat dacht je daarvan?

Angst, pathologisch puberen en blanke suprematie

So you found a girl who thinks really deep thoughts
What’s so amazing about really deep thoughts?
Boy, you best pray that I bleed real soon
How’s that thought for you?

(Je valt dus op een meisje dat heel diep nadenkt
Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken?
Gast, je hoopt maar beter dat mijn maandstonden snel beginnen
Wat dacht je daarvan?)

 

Ze zingt het al meer dan een week in mijn hoofd, Tori Amos. Ik hou al jaren van haar werk, en Silent All These Years is natuurlijk een klassieker. Maar als een fragment van een liedje onverwacht opduikt in mijn gedachten, zonder dat ik het nummer hoorde, dan wil dat meestal zeggen dat ik eens goed naar de tekst moet kijken omdat er een onbewuste boodschap aan mezelf achter zit.

Behalve mijn bewondering voor Amos’ meesterschap dat ze erin slaagt een compleet plot mét uitgewerkte personages te schetsen in amper vier regels, is wat mij het meeste treft aan dit stukje de gefrustreerde maturiteit van de vrouwelijke stem.

Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken? Als je een hart in je borstkas hebt en hersens in je kop, waarom zou je dan niet heel diep nadenken?
Ja, waarom niet? Als puber had ik nooit zo’n grote mond, maar ik herken wel dit gevoel.

Dagje Gent_023 zw ed
(c) KV

Ik oordeel niet, het is eerder een soort eenzaamheid, zoals die van een woudloper die een hoge bergpas oversteekt, en met iets van verlangen omkijkt naar de lichtjes in het dorp, veilig beschut in het dal. Zij die daar wonen, hebben geen idee van hoe het er hierboven uitziet, en ze kunnen of willen de tocht niet maken, en hij weet dat zijn thuis niet daar beneden ligt.

Er zijn maar weinig reizigers op dit bewuste pad, dus ja, het wordt wel eens eenzaam. Pas veel later leer je dat je alvast niet de enige bent, en dat er mensen zijn met wie je je verwant voelt, die de lucht op grote hoogte misschien niet op precies dezelfde manier inademen als jij, maar die weten hoe ze de hoge passen veilig kunnen oversteken, en die je binnenhalen als familie.

Dus nee, er is niets bijzonders aan heel diep nadenken. Het vraagt wel een specifiek soort inspanning (of moet ik zeggen: groeiproces?) om dat punt te bereiken, en sinds zoveel mensen het gevoel hebben dat die weg niets voor hen is (of ontmoedigd worden om eraan te beginnen) worden zij die er wel voor kiezen nogal eens bekeken met – in het gunstigste geval – verbazing en – in het slechtste – vijandigheid.

Waarom heb ik het hierover?
Ah, daar is die goeie ouwe Bill Plotkin weer.

Een confronterende uitspraak van deze dieptepsycholoog en wildernisgids is dat de westerse beschaving in zijn geheel de grootste moeite heeft om op te groeien voorbij het stadium van de adolescent. Adolescent in de betekenis van: de neiging hebben om te streven naar aanvaarding binnen de eigen kring, om helden en veroveringen te vereren, en om een onverzadigbare honger voor materieel comfort, erkenning en succes te stimuleren voorbij enige redelijk grens. Ik ben eerlijk gezegd geneigd hem gelijk te geven.

 

Net als zoveel anderen over de hele wereld was ik geschokt door wat er gebeurde in Charlottesville. Maar terwijl ik zat te kijken naar de Vice-reportage over de alt-right leidersfiguur Chris Cantwell had ik het gevoel dat ik Bill Plotkins stelling voor mijn ogen geïllustreerd zag.

1503067513518-Screen-Shot-2017-08-18-at-105506-AM.pngChris-Cantwell17-christopher-cantwell.nocrop.w710.h2147483647

Ik val niet voor clichés, zoveel moge ondertussen duidelijk zijn. En ik weet maar al te goed hoe kwaadheid in feite altijd een vermomming is voor iets wat veel dieper zit, en doorgaans kwetsbaar, bang en triest is. Maar toch dacht ik dat extreem gewelddadig of fascistisch denken een gezicht zou dragen dat leek op een kruising van Rocky en Darth Vader: macho, donker, sterk en totaal overtuigd van het geweld waarvan het doordrenkt was.

Maar de man die getoond werd in de documentaire was niets meer dan een puber. Niet qua leeftijd, uiteraard, en ik wil ook geen seconde suggereren dat hij onschuldig of ongevaarlijk is. Maar luister even niet naar alle vreselijks wat hij zegt, en zoom in op zijn non-verbale taal: de grimmige blikken, de grote mond, de triomfantelijke pose, het vermijden van oogcontact als hij een werkelijk confronterende vraag moet beantwoorden, het gezwaai met wapens… Ik heb precies dit soort gedrag (behalve de wapendracht, goddank!) gezien bij mijn stiefzonen, en bij de honderden leerlingen die ik in mijn jaren als leerkracht in de klas had. Dit is geen volwassen maar wel adolescent gedrag. Alles aan deze man roept: ik ben doodsbang, ik moet mezelf bewijzen en laten respecteren, en ik ga dat op zo’n luide manier doen dat ik er ook mijn eigen angst mee overschreeuw.
Zijn stoere façade verbrokkelde maar al te snel toen hij, als gevolg van de Vice-reportage, doodsbedreigingen ontving. Er zijn beelden waar je hem in tranen ziet, terwijl hij snottert hoe onschuldig hij wel niet is. Alweer: iedereen die een puber in huis heeft, zal dit tafereel al te herkenbaar vinden.

Maar goed, zelfs als veel haat eigenlijk puberale of kinderlijke angst in een agressief jasje is, wat dan nog?
Het houdt hier niet op, jammer genoeg.

In 2008 schreef Bill Plotkin in Nature and the Human Soul, in een passage waarbij hij het heeft over de ‘mannelijke’ (yang) kernkwaliteiten van sommige adolescenten, of dat nu jongens of meisjes zijn (hij heeft het later ook over hun ‘vrouwelijke’ (yin) tegenhangers, maar dat terzijde):

‘Tienerjongens en -meisjes met mannelijke kernen moeten slagen als puberheld. Tijdens het proces waarbij ze een authentieke manier proberen te ontwikkelen om sociaal aanvaard te worden, moeten ze zichzelf bewijzen door de wereld in te stormen, draken te doden en de verdrukten te redden. Of ze nu winnen of verliezen, hun oprechtheid of karakter worden gevormd in het heetst van de ‘strijd’. In posities van leiderschap of onderhandelingen zullen ze eerder de neiging hebben om met grote stelligheid posities in te nemen dan vragen te stellen.
Dat alles is normaal voor jongens en meisjes met mannelijke kernen, maar in een zielsgeoriënteerde omgeving is dit soort puberale heroïek uitgewerkt tegen de tijd dat de jongere een jaar of vijftien is. En zo hoort het ook. Als een man (of vrouw) van dertig jaar of ouder nog altijd bezig is zichzelf te bewijzen door zich te manifesteren als drakendoder, kan hij een ernstig gevaar betekenen voor zichzelf en anderen. Als hij aan het hoofd van een serieus leger of een groot bedrijf staat, kan hij enorm veel schade berokkenen. Als hij de opperbevelhebber is van een nucleaire supermacht kan hij de wereld zoals wij die kennen vernietigen.’

Van vooruitziendheid gesproken.

Ik ben beslist niet de eerste die schrijft dat er op dit eigenste moment een groot verwend kind het Witte Huis op stelten zet met zijn zoveelste woede-uitbarsting. De man die vandaag de controle heeft over de Amerikaanse kernkoppen is het levende bewijs van zowel Plotkins diagnose als zijn ergste nachtmerries.

Wat kunnen we hier in godsnaam tegenover stellen?

Maturiteit.
Diep nadenken.

Dagje Gent_012 cut
(c) KV

Het is een uitdaging die we moeten aangaan als samenleving, als wereldburgers. Dit gaat over onderdrukte groepen hun rechtmatige plaats laten innemen en voorheen gepriviligeerde groepen in contact brengen met hun gevoelens.
Dit gaat over opgroeien tot volwassenen, door onze angsten onder ogen te zien, ze te leren verwoorden en de verantwoordelijkheid te nemen voor alle ballast die we meesleuren van vorige generaties, omdat die ons inzicht nogal eens vervormt.

Dit gaat over volwassen worden en anderen helpen dat ook te doen.

Plotkin, nog een laatste keer:

‘Hoewel vrouwen minstens vijfduizend jaar lang ernstig onderdrukt zijn, en het vrouwelijke aspect voor minstens even lang onderdrukt is (in het bijzonder in mannen), is het probleem niet mannelijkheid maar veeleer immaturiteit. De oplossing is niet om het vrouwelijke belangrijker te maken dan het mannelijke, maar om een zielsgeoriënteerde samenleving te bouwen met meer volwassen mannen en vrouwen dan levenslange adolescenten.

Wat dacht je daarvan?

Lijnen

Bxl city_029 zw ed
(c) KV

de lijnen die we trekken
rond onze opvattingen over onszelf
waarbinnen we ons terugtrekken
hoeveel houvast bieden ze echt
hoeveel eigen ruimte, hoeveel veiligheid

wanneer worden ze een kooi
een donkere kluis waarin we oude angsten
bergen en de rookpluimen van dromen
immer aarzelend om het daglicht
tegemoet te treden

want wat als we het beslissende moment missen
waarop de wereld ons verwelkomt
ons te pletter rijden en eindigen
verwrongen en verknoopt
in nog meer lijnen dan waarmee we ooit begonnen

Een verhaal, verteld of op zijn minst vermoed

Een kennismaking met stadsfotografie

Bxl city_060b
(c) KV – Pool is cool

Vroeger vroeg ik me wel eens af waarom zoveel fotografen graag de stad fotograferen.

Steden verstikken mij. Mijn zintuigen vinden ze een harde, onaangename omgeving. Te veel geluiden, te veel geuren. Te veel lelijkheid, vooral. Draden en afval en stof en vermoeide, verbleekte façades.

Als ik omringd ben door niets dan straten en gebouwen zoeken mijn ogen automatisch naar het dichtstbijzijnde sprietje groen. Ik voel me maar echt op mijn gemak als ik genoeg levende, organische dingen om me heen heb.
Maar in de meeste steden en dichtbevolkte gebieden, dichtgepleisterd met beton en gestructureerd volgens rechte lijnen en strakke afmetingen, is er weinig organisch houvast, en voel ik hoe mijn reservoirs van ademruimte en optimisme langzaam leeglopen.
Je leert je voeden met kruimels in de stad: een paar bloemen op een balkon, een regiment bomen in het gelid langs de straatkant, soms niet meer dan een overwoekerde border. De stad helpt mij zelden aan een beter humeur.

Maar vandaag was het anders.
Ik nam mijn camera mee naar het werk, met een heel bewuste bedoeling. De dag voordien was ik getuige van een scène op weg naar het station, en die wilde ik nu proberen vast te leggen. Een stadsscène – dat op zich is al ongewoon voor mij.

In de ongebruikte verkeersvrije ruimte tussen BOZAR en een grote bouwwerf is een recreatieve ruimte verschenen, compleet met bar, strandstoelen, parcours voor skateboarders en een blauw geschilderde container die dienst doet als het enige openluchtzwembad in Brussel. Het concept op zich was al kleurrijk, maar nu waren allerhande kunstenaars ook nog eens begonnen om de aanpalende houten wanden te beschilderen, én het straatoppervlak. Het was bizar en mooi.

Bxl city_132
(c) KV – Pool is cool

Ik vertrok na het werk op kantoor met mijn cameratas in mijn rugzak gepropt en de camera om mijn nek, voornamelijk omdat ik geen zin had om dat hele eind met twee weinig compatibele tassen te moeten jongleren. Maar met een camera klaar voor gebruik binnen handbereik, ga ik bijna automatisch in foto-modus. En dan kijk ik helemaal anders naar een plek.

Plots leek de lelijkheid van de stad naar de achtergrond te verdwijnen. Kleuren, contrasten en composities verschenen, en een overvloed aan vormen, weerspiegelingen en vervreemdende abstracties.

De mensen veranderden ook. Meestal probeer ik de massa’s vreemden die ik op straat kruis te negeren. Inzoomen op elk van hen afzonderlijk maakt me duizelig en gedeprimeerd door een overdosis emotionele ruis. Maar nu, terwijl ik focuste op een bepaalde plaats, werden mensen plots interessante personages die een scène bevolkten, en de kijker het gevoel gaven dat er een verhaal verteld werd, of op zijn minst vermoed.

Bxl city_152 zw ed cut
(c) KV – Ravensteingalerij

Het is geloof ik makkelijker om een interessante foto te maken in de stad – hoewel ik absoluut niet wil beweren dat goeie foto’s maken makkelijk is. Maar er zijn gewoon zoveel contrasterende elementen dat, als je weet hoe je moet kijken, sommige beelden zichzelf wel lijken te schieten. Gebouwen en straten zorgen haast op natuurlijke wijze – sorry, flauwe woordspeling – voor een aanzet tot compositie. En de lelijkheid, het ruwe en onpersoonlijke van een plek, is het decor waarin plots allerlei dingen beginnen gebeuren.

Ik krijg het gevoel dat ik niet eens zo’n slechte stadsfotograaf zou zijn. En ik denk dat ik vanaf nu mijn camera wat vaker meeneem naar het werk…

Bxl city_051
(c) KV – Pool is cool

 

Dichter bij de hemel, of bij het cliché?

Bergen en koeien à volonté

Aus - Duitsland_019
(c) KV

Ik heb het al eerder geschreven: ik hou van de bergen. Hun vorm, de manier waarop het licht ze steeds weer anders tekent, hun massieve aanwezigheid. Ik hou ook van de sfeer die ze uitstralen, hun ruige natuurlijke schoonheid gekoppeld met iets spiritueel tastbaars. Er is geen plaats op aarde waar je dichter bij de hemel kunt zijn.

Toen ik op de top van Rocca Calascio zat te mijmeren dat ik in de bergen wilde leven, trok mijn echtgenoot de wenkbrauwen op. Ik ben niet bepaald de meest sportieve persoon, en een heuvel op wandelen vinden mijn astmatische longen al uithoudingstraining. Maar mijn verlangen ging er niet om berggeit of lange-afstandstrekker te worden. Terwijl ik daar zat, kon ik me bijna voorstellen dat ik mijn brede vleugels strekte en nu werkelijk het luchtruim koos.

Op deze heerlijke reis zijn we in de meest uiteenlopende situaties terechtgekomen, dus het was onvermijdelijk dat we op zeker moment ook wat berg-onnozelheid zouden tegenkomen.

Na een nacht waarin we niet bijster goed sliepen en een lange, intense rit over de met vrachtwagens dicht geplamuurde autostrade naar de Brennerpas, bereikten we onze stop voor die avond in een klein dorp op een helling boven Innsbruck. Het zicht dat we vandaar hadden op de Gleirsch-Hall bergruggen was overdonderend.

We besloten nog een ommetje te maken. Nu moet je weten – zoals ik door de jaren geleerd heb – dat als mijn dierbare echtgenoot moe is, zijn gevoel voor flauwe humor piekt en het met zijn smaak bergaf gaat.

Dus waren we grapjes aan het maken over Alpenclichés, en hij stond erop een foto van mij te maken met een paar van elementen erin: een kapelletje met roosjes langs de weg, en de bergen op de achtergrond.

Aus - Duitsland_043
(c) KV

Vervolgens wilde hij dat andere Alpencliché fotograferen: een vredig grazende koe (compleet met bel) met (wat dacht je?) de bergen op de achtergrond.

Maar hoe straf de recente generatie smartphones ook zijn, een koe op magische wijze dichterbij laten komen voor een deftige foto kunnen ze alsnog nog niet, dus die poging mislukte.

Liefdevolle echtgenote, getuige van het tafereel, beslist om het haar man naar de zin te maken door de foto voor hem te maken.

Met een kus en wat gegrinnik liepen we terug naar het hotel.

Onverwacht troffen we echter nog meer koeien aan, op een klein stukje boomgaard in het dorp zelf. Eentje daarvan toonde, luid loeiend, bijzondere interesse voor die vreemde wandelaars.

Dat is het moment waarop je op een afstandje moet blijven en dankbaar moet zijn voor de schitterende telelens die je echtgenoot je gaf voor je verjaardag. Daarmee kun je foto’s maken die hij je nooit zou laten maken als hij wist waar je mee bezig was…

Aus - Duitsland_064

Aus - Duitsland_066
(c) KV

Zo kregen we die middag allebei wat we wilden: hij zijn cliché koe, en ik een echte foto.

Het was niet meer dan toepasselijk om deze reeks af te sluiten met een laatste eerbetoon. Toen, verzadigd van de clichés, trokken we naar het hotel voor het echte avondmaal.

Aus - Duitsland_067

Nu even mijn thuis

Italië 2_024
(c) KV – Gran Sasso oversteken (Abruzzo)

Als kind leefde ik in een zeepbel.

We hadden er toen geen woord voor, noch ikzelf, mijn ouders of de samenleving, maar ik denk dat je het het overlevingsmechanisme van een hoogsensitiefje kunt noemen, in een wereld veel te vol met indrukken. Jarenlang liep ik letterlijk op de tippen van mijn tenen: mijn voetzolen kwamen niet in aanraking met de grond. De wereld was een harde plek, boordevol geluiden en geuren en dingen die ruw aanvoelden. Ik leefde veel liever hoog in mijn hoofd, waar ik eindeloze gesprekken hield met ingebeelde vrienden, of van waar ik in een tekening of een verhaal dook. De tastbare wereld was het decor voor mijn mijmeringen, maar op geen enkele manier voedende grond.

Naarmate ik opgroeide, mijn plaats vond in het leven en daar wat zelfverzekerder over werd, begon ik de fysieke wereld stilaan te omarmen als een plek waar ik kon wortelen, en waar ik me op mijn gemak kon voelen. Mijn zeepbel loste heel langzaam op, en ik ontdekte dat ik me kon verbinden met mensen, voorwerpen, de natuur en de sfeer van een bepaalde plek als een manier om mezelf te verankeren.
In de loop van de laatste tien jaar heb ik dit tussenstadium opnieuw voelen evolueren, en ondertussen kan ik in alle eerlijkheid zeggen dat ik kan wortelen in mijzelf, me met de wereld kan verbinden, en alle voortdurende veranderende aspecten ervan kan nemen zoals ze komen. Sommige daarvan ervaar ik als prettig, andere als giftig. Ik herken ze voor wat ze zijn, beslis wat ik ermee wil doen, en vertrek van daaruit.

Italië 2_041
(c) KV – Grazende paarden bij Gran Sasso

Pas twee of drie jaar geleden hoorde ik voor het eerst de term ‘hoogsensitief’ als een manier om een bepaald type persoon te omschrijven. Interessant, dacht ik toen, maar dat gaat niet over mij. Ik was het dromertje, de kunstenaar, de elf die niet helemaal thuishoorde in deze al te concrete, materialistische wereld. Meer dan dat was het toch nooit?

In werkelijkheid zijn er nogal wat typische eigenschappen, toegeschreven aan hoogsensitieve mensen, die overeenkomen met wat en wie ik ben. Ik begon te begrijpen dat mijn kinderlijke zeepbel een zeer efficiënt verdedigingsmechanisme was. Als je niet echt deel uitmaakt van de wereld kan die je ook niet overspoelen.
Pas toen ik mijn draai vond als volwassene, en matuurder manieren ontdekte om om te gaan met alles wat mijn kant op kwam, begon ik te beseffen hoeveel ik de hele tijd eigenlijk wel niet binnenkreeg.

Alles bij elkaar vind ik mijn leven best oké. Zelfs al voelde ik me als kind niet altijd schitterend, ik had wel een liefdevolle en ondersteunende familie, die me toeliet om in mijn zeepbel te leven. Als een gewortelde volwassene merk ik dat ik veel beter in staat ben om om te gaan met allerlei dingen die me als kind totaal van streek zouden hebben gemaakt.
Dat doen ze nu niet meer, hoewel ik me ze wel scherper en bewust voel dan ooit te voren. Maar nu ben ik ook in staat om rekening te houden met mijn noden, en bewust een evenwicht te creëren dat voor mij werkbaar is.

Vaak hoef ik mezelf niet meer te onderwerpen aan allerlei ervaringen die voor mij veeleer beproevingen zijn. Het staat mij vrij om te weigeren.

Italië 1_244 ed cut
Ik klim heel graag in bomen, maar ik ben er niet goed in… Gelukkig zijn er aardige, lage olijfbomen  –  foto door Christophe in de tuin van Montefiori dell’ Aso

Ik merk dat mijn vakantiegevoel ook veranderd is.
Als kind ontvluchtte ik de werkelijkheid op elke mogelijke manier. Op vakantie verslond ik stapels boeken.
Nu ik mijn brood verdien met lezen en schrijven, wil ik mezelf op vakantie gewoon helemaal leegmaken, en ondergaan in de stilte van mijn zintuiglijke ervaringen.
Maar niet om het even welke ervaring. Mijn verscherpt inzicht in mijn eigen gevoeligheden maakt dat ik nu nog minder happig ben om mensenmassa’s op te zoeken, of luidruchtige, onaangename plekken lang te verdragen (zelfs al vinden veel mensen diezelfde plekken heel gezellig). Ik ontvlucht de meute steeds meer. Vaak heb ik zelfs geen muziek meer nodig in de auto, ook niet op verre, urenlange ritten.

Er is een stilte die zich diep in mij genesteld heeft. En hoe meer ik thuiskom in mezelf, hoe meer ik aangetrokken word door lege, vaak onherbergzame landschappen.
Ik geniet van heuvels zoals we ze hadden in Montefiori dell’Aso, maar vooral om het gevoel van ruimte en horizon dat ze bieden. Ondertussen verlang ik toch stilletjes naar de bergen.
De Grand Sasso, die we gisteren overstaken, was een plek van zoveel ruimte en sobere schoonheid dat ik al het geklets in mijn hoofd eindelijk – eindelijk – voelde stilvallen.

Ik stapte uit de auto om wat foto’s te maken, en ging toen zitten op een uitstekende rots, in het late middaglicht, en dronk het land in.
Ik voelde hoe ik ter plekke mijn wortels in de grond kon steken, me kon ingraven in die ruige bodem, zijn droge, licht bittere nectar kon proeven.

Italië 2_027
Bij Gran Sasso – foto door Christophe

De oude botten van de aarde, ontoegeeflijk, ongerept, onherbergzaam. Geen nood om iets te bewijzen of te doen, alleen maar ademhalen en zijn, in resonantie met de polsslag van het levende land.

Laat dit nu even mijn thuis zijn.
Er bestaat geen betere plek.