Meer dan één waarheid, meer dan één antwoord

De kloof die ik moet leren verdragen

(c) Inaya photography



De kauwen gaan slapen in de boomkruinen aan de overkant van het veld achter ons huis. Elke avond bij zonsopgang en zonsondergang zorgen ze voor een uitbundig collectief concertje: honderden zangerig gakkende stemmen die elkaar goedemorgen of welterusten wensen. Ik heb ze ’s ochtends nog niet vaak zien vertrekken, de eerste ochtendschemer is nog wat te vroeg. Maar ’s avonds zie ik ze thuiskomen. Ze scheren een hele tijd in wisselende groepen boven de boomtoppen heen en weer tot ze… ik weet het niet, een tak vinden waar ze lekker zitten?

Mensen zijn een collectieve diersoort, net als kauwen. We doen veel samen. We onderschrijven dezelfde verhalen. Als veel mensen hetzelfde denken en vinden en voelen als wij, weten we ons geborgen. We passen ons gedrag aan aan de noden of de verordeningen van de groep. Maar we beïnvloeden de groep ook, door wat we denken, zeggen en doen. Zo bepalen we allemaal samen waar we heen gaan.

Zo begon de blog die ik de afgelopen dagen probeerde te schrijven over de moeheid die we voelen ten opzichte van de corona-maatregelen, over de versnippering van het beleid, over het afkalven van zekerheden ten voordele van meningen, over complottheorieën en goedbedoelde maar misleide spirituele superioriteit.

(c) Inaya photography



Te veel voor één blog? Tja, soms moet je als schrijver vier keer vastlopen vooraleer je door hebt wat anderen meteen al zien: dit is niet te schrijven. Ik krijg deze hele malaise niet helder uitgetekend. Het is een kluwen dat alle kanten op straalt, een multidimensionaal spinnenweb. Ik volg één draadje, en dan een ander, ik zie tegenstellingen en verbanden, maar ik krijg totaal geen overzicht, niet in mijn hoofd en niet in mijn tekst.

Dus: dag, blog.

Maar ik lees dat het aantal besmetting weer stijgt, en aan de binnenlandse horizon doemt alweer het spook op van nog strengere maatregelen. Tegelijk nemen regeringen en bedrijven de ene non-sensicale economische beslissing na de andere, wordt Californië verteerd door bosbranden die de hemel een apocalyptisch oranje kleuren en is het intacte karkas van een holebeer gevonden, omdat de permafrost in Rusland aan het smelten is. Deze dynamieken gaan op vier snelheden, ze kruisen elkaar, blind en zonder elkaar te raken. Maar alles is met alles verbonden. En welke strijd proberen we hier nu eigenlijk te voeren?

(c) Inaya photography



Ik herinner me een TED-talk van een brandweerman (of was het nu een ambulancier, sorry, mijn geheugen is niet goed met dit soort feitjes) die beschreef hoe hij slachtoffers van een brand of ongeval die stervende waren ter plaatse bijstond in hun laatste momenten. Heel vaak voelden ze aan wat er kwam en vroegen hem: ‘Ik ga dood, hé?’ Als hij het met goede bedoelingen ontkende, ze verzekerde dat het allemaal in orde ging komen en dat ze moesten volhouden, ook al wist hij eigenlijk beter, dan waren ze paniekerig en gespannen, dan stierven ze angstig. Maar als hij ze recht in de ogen keek en ‘ja’ antwoordde, gebeurde er iets heel anders. Ze ontspanden zich. Ze aanvaardden het. Wat ze voelden en wat ze te horen kregen, strookte met elkaar. Ze konden ermee in het reine komen, al was het maar in een paar minuten, en op een waardiger manier vertrekken.

Onze samenleving, onze oude manier van leven, lijkt nu op dat stuiptrekkend slachtoffer. Wat gaan we het vertellen? Dat er niemand mag doodgaan? Dat we moeten vechten tegen een Grote Vijand om dit te boven te komen? Doen we er voor de goede orde het slaapliedje van eindeloze groei op een eindige planeet nog eens bovenop?

Ik geloof dat we allemaal gebaat zouden zijn met een staaltje eerlijkheid.

Covid-19 is geen allesverwoestende ziekte die de helft van de wereldbevolking bedreigt, maar sommige mensen gaan er wel aan dood. En we gaan dat niet kunnen tegenhouden, ook niet als we onze samenleving totaal ontwrichten.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, en we kunnen daar niet goed mee om. In het rijke westen zijn we een gezonde omgang met dood en verlies al decennia verleerd. We spenderen fortuinen aan het behandelen van ongeneeslijke ziektes, aan het rekken van een lang leven met nog een paar extra maanden. Wat we ‘winnen’ aan tijd betalen we in verlies van levenskwaliteit en een totaal ontspoorde kost aan gezondheidszorg. En er is geen grens aan onze horizon, we willen hem telkens nog wat verder verleggen. We worden steeds krampachtiger in onze omgang met de dood.

(c) Inaya photography



‘Elke dode is er één te veel.’ Dat horen we deze dagen in het kader van Covid-19 wel vaker.

Eerlijk? Ik vind dat larie, op een zwaar overbevolkte planeet.
Voor iemand mij van harteloosheid beschuldigt: natuurlijk sta ik ook niet te springen om de dierbaarste mensen in mijn leven te verliezen. Wanneer dat gebeurt, zal de leegte die ze laten immens zijn, mijn verdriet peilloos. Maar dat staat geheel los van het biologisch grotere plaatje. We mogen beide niet met elkaar verwarren. Het is niet omdat we verdriet hebben om persoonlijke redenen dat we de natuurlijke wereldorde omver moeten werpen en de dood moeten bevechten. Van hubris gesproken.

En uit de mond van het rijke kapitalistische westen klinkt de uitspraak dat elke dode er één te veel is ronduit hypocriet. De economische en ecologische vernietigende omstandigheden die tot dit virus geleid hebben en vele malen meer slachtoffers maken, die vinden we blijkbaar wel oké, zeker als de slachtoffers in het buitenland vallen. De duizenden vluchtelingen uit het Zuiden zien we liever verdrinken op de Middellandse Zee dan ze op te vangen. Dan hoor je plots heel andere slogans.

De klimaatopwarming die nog veel grotere vluchtelingenstromen op gang zal brengen en mogelijk het voortbestaan van de hele menselijke soort bedreigt, die willen we niet ernstig nemen. En dat de armste en zwakste lagen van de bevolking nu wereldwijd buitenproportioneel getroffen worden, getuigt van de gloeiende oneerlijkheid waarmee we de mondiale samenleving hebben opgebouwd.
Maar dat willen we allemaal niet in vraag stellen. Dat virusje dat er een gevolg van is, daarentegen, een louter symptoom van een veel groter en onderliggend probleem dat we zelf hebben gecreëerd, dát gaan we bekampen met alles wat we hebben. Want daar mag niemand aan sterven. Komaan, zeg.

(c) Inaya photography

Natuurlijk zullen er mensen doodgaan aan Covid-19. Zoals ze al sinds het begin der tijden doodgaan aan duizend-en-een kwalen en ongelukken. Daar moeten we niet flauw over doen, dat moeten we aanvaarden en tot op zekere hoogte in goede banen proberen te leiden. Maar omdat we dat niet kunnen, of toch niet waardig, laat de manier waarop we er nu mee omgaan de wereld zoals we die kenden afbrokkelen in hetzelfde tempo als de ijskappen. We reageren als een paniekerig en op hol geslagen immuunsysteem: vernietigend. We maken onszelf kapot.

De aanhoudende onzekerheid waarin we ons bevinden, maakt ons vatbaar voor de kracht van een Aanlokkelijk Verhaal. Want als mens hebben we een zo’n verhaal nodig, een ruimere context om ons leven in te situeren, de richting waarin we ons bewegen in te kaderen. Net als de kauwen willen we een fijne grote boom voor de nacht, en als die ene waar we ons altijd in hebben terugtrokken plots gaat kraken en scheuren, hebben we heel snel een andere nodig. En dus knoeien we erop los – met de beste bedoelingen, met zuivere intenties. Maar we knoeien.

We grijpen naar wetenschap, naar godsdienst, naar scepsis, naar ecologische verontwaardiging, naar complottheorieën, naar stil verzet, en op allerlei vlakken raakt het een met het ander vermengd. De vertroebeling in communicatie is bij momenten totaal.


V V
V
v v v
v v

En kijk, nu heb ik toch nog een hele blog geschreven die – op een andere manier dan ik van plan was – een aantal punten aanraakt waar ik al lang mee in mijn hoofd zit.

Persoonlijk vind ik dit een behoorlijk somber stukje lectuur. Dat is niet mijn gewoonte. Als kleine, individuele mens hoop ik dat we dit ten goede kunnen keren, en ik wil er alles aan doen om daartoe bij te dragen. Ik wil geen onheilsprofeet zijn die al bij voorbaat de handdoek in de ring gooit omdat er met de mensheid niets aan te vangen valt. Ik probeer mee te werken aan warme verbondenheid en een nieuwe ecologische visie, overal waar ik maar kan. Mijn boeken gaan daar tot op zekere hoogte zelfs over, verdorie.

(c) Inaya photography

Maar als ik kijk als een sjamaan – toch wel, altijd weer, al durf ik dat woord nauwelijks in de mond nemen met betrekking tot mezelf – dan kijk ik vanuit een veel afstandelijker perspectief. De sjamaan dient het grotere geheel, waarvan de mens slechts een heel stukje is. Haar loyaliteit ligt niet bij de mensheid, maar bij het universum en alle evenwichten die daarin bewaard moeten worden. Daarom ook dat ze zelden in het dorp woont, altijd aan de rand ervan, of liever nog op een afgelegen plek in de natuur.

En kijkend als sjamaan zie ik het niet zo rooskleurig in. Er is hoop, er is verzet en heel veel groeiend inzicht. Er zijn prachtige opflakkeringen van licht en kracht. Maar ik weet niet, in de grotere context van alles wat er gaande is, of het voldoende zal blijken te zijn. Voor ons als mensheid. Voor een leefbare planeet. Ik hoop het, ik hoop het echt. Maar dan weer denk ik dat ik mij maar beter schik in het onvermijdelijke. The long defeat, zoals Tolkien het noemde.

Beide van die waarheden – de kleine individuele en de grotere afstandelijke – kloppen, beide antwoorden zijn op hun eigen manier waar. Ze leven allebei in mij, ze kleuren mijn dagelijks leven en mijn beslissingen. Ze geven mij allebei vorm, en ze doen dat helder en krachtig. Ze zijn het alleen niet met elkaar eens.
Dit is de grote spreidstand waarmee ik diep vanbinnen leef, elke dag. Het is de kloof die ik moet leren verdragen, en waarover ik bruggen blijf bouwen – met de moed der wanhoop, soms, en hoe breed hij bij momenten ook wordt.

(c) Inaya photography

De psychologie van motoren en autogordels

Ik heb niet veel zin om het huis te verlaten. Maar de zon schijnt en er is een toffe activiteit waar ik een tijdje geleden enthousiast over was. En ik wil er naartoe. Of daar herinner ik mezelf toch aan. Dus ik verplicht mezelf de voordeur uit te stappen.

De buitenlucht voelt prettig. Het geurt al naar herfst. Ik kruip achter het stuur van mijn wagen, steek de sleutel in het contact. De motor slaat aan, de cd-speler herneemt het lied waar hij gebleven was, een melodie waar ik blij van word, en ik krijg vanzelf meer zin in het uitje.

Dat is het moment waarop de motor pruttelt, sputtert en zwijgt. Verweesd zit ik naar de gevel van ons huis te staren.

(c) Inaya photography



Er is niets mis met onze gezinswagen, maakt u zich geen zorgen. Al het bovenstaande is een metafoor. Het is ongeveer hoe mijn leven aanvoelt, de laatste maanden: plannen, goesting, minder goesting want al zo lang stil gezeten, toch een en ander voorbereiden, een efforke doen om naar buiten te komen, het enthousiasme voelen groeien… en stilvallen.

Dat stilvallen ligt niet aan mij, maar aan de omstandigheden. Afzeggingen, doorkruiste plannen, c***-maatregelen. Het maakt niet uit wat het precies is, het gevoel van de wagen starten en dan toch weer stilvallen is zeer acuut.

Er is zoveel wat op dit moment niet kan. Niet meer kan, of misschien nooit meer kan. Geen idee. Ik ga me er ook het hoofd niet over breken, ik kan alleen in het moment blijven en een nieuwe manier vinden om hiermee om te gaan.

Want zolang als ik probeer de auto te starten op de oude manier, in de veronderstelling of de hoop dat hij vaart zal maken en dat we vertrokken zijn voor honderd kilometer autostrade, ‘zoals vroeger’, zál hij stilvallen. Dat is wat heel dit absurd en bijzonder tijdsgewricht nu eenmaal met zich mee blijkt te brengen.

Is er dan geen uitweg? Rest mij alleen frustratie?

Ah, wie mij een beetje kent (of deze blog al een tijdje leest), weet dat ik niet zo in elkaar zit. Frustratie is een energiebom en een energielek tegelijk, daar komt niets goeds van. Zo leef ik niet en zo wil ik niet leven.

Wat mij te hulp komt, is een andere metafoor. En alweer eentje uit de autowereld. Wie had dat gedacht voor zo’n groen kind als ik.

Je kent het gevoel: je stapt gehaast in de wagen, je moet weg. Je klapt het portier dicht, ramt je sleutel in de ontsteking, reikt naar je gordel, trekt de riem naar je toe en… hij blokkeert.

Iedereen die dit al eens meegemaakt heeft (dat wil zeggen: iedereen die ooit in een auto gezeten heeft), weet dat de enige oplossing is: de gordelriem eerst helemaal laten terugkeren in ontspannen toestand, en hem dan pas rustig en langzaam weer aantrekken. Elke bruuske beweging zal resulteren in een nieuwe blokkade. Iets heeft het mechanisme van de gordel geactiveerd, en hoe harder we proberen het te forceren, hoe meer het volhardt om ons te beschermen.

Ontspannen. Onthaasten. Het trager aanpakken.
Hmm, waar kennen we dat van?

(c) Inaya photography



Er zullen nog wel dingen kunnen én lukken in deze Onzekere Nieuwe Wereld – de gordel zal vastgeklikt raken. Maar niet omdat ik er als een gek aan zit te trekken. Omdat ik hem helemaal loslaat en hem vervolgens langzaam – langzaam!, veel langzamer dan gewoonlijk – weer aanhaal, als een vraag, een liefkozing.

Wie vraagt en liefkoost, moet om kunnen met een weigering. Ik heb niets te dicteren in dit hele proces. Maar dat geeft niet. We gaan nergens heen als de tijd er niet klaar voor is. En als de tijd niet klaar is voor een snelle start, dan moeten we ons tempo aanpassen.

Ik aanvaard de beperkingen die mij telkens weer toe grijnzen. Er schuilt een schoonheid in langzaam. Er leeft geduld onder de motorkap. En als de motor van de auto beslist om het finaal te begeven, heb ik nog altijd mijn benen.

Het Grote Loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb een nieuw boek uit, dat wist u vast al. De Wortels van de Wereld is van de persen gerold, het is piekfijn in orde en het is verkrijgbaar in elke boekhandel. Dus komt er… geen boekvoorstelling. Ah nee, het corona-effect: de angst voor besmettingen, en de onmogelijkheid om wat dan ook te organiseren dat naar cultuur en gezelligheid ruikt waar meer dan drie man bij elkaar zit. Het contrast met het feestelijke onthaal van De serres van Mendel in de Plantentuin van Meise en meer dan honderd aanwezigen op de voorstelling vorig jaar kan niet groter zijn.

In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zit ik nu niet in zak en as. Ook dat is een corona-effect. De Gekroonde Leermeesteres, zoals schrijver en sater Jeroen Olyslaegers dit virus in het voorjaar al doopte, leert ons enorm veel, als samenleving en als individu, of we dat nu fijn vinden of niet en ook als we daar totaal niet op zaten te wachten.

Ze heeft gezorgd voor een snelkookpan waarin allerlei dingen die al lang aan het sluimeren waren nu in een veel hogere versnelling gaan, maatschappelijk en persoonlijk. Van sociale en economische ongelijkheid tot ethisch engagement, van ziekte en scheiding tot hartsverbondenheid, van depressie tot innerlijk ontwaken, het landschap is even divers als wij mensen dat zijn, maar al die processen hebben gemeenschappelijk dat ze dieper worden, krachtiger en duidelijker omlijnd.

In mijn persoonlijk geval leert deze snelkookpan mij wat ik nog het beste kan samenvatten als het Grote Loslaten.

(c) Inaya photography



Dat gaat over kleine dingen en heel grote dingen. Over constant aanpassen aan maatregelen waar ik soms heel goed, dan weer totaal niet het nut van inzie, over omgaan met wat mij benauwt en ergert, over persoonlijke evenwichten vinden in een voortdurend veranderend landschap. Het gaat over geen enkel plan kunnen maken, persoonlijk noch professioneel, en de plannen en ambities die er toch nog waren, als strohalmen om mij aan vast te klampen, stelselmatig moeten loslaten en uitwuiven terwijl ze verdwijnen op de wind.

Die boekvoorstelling is een goed voorbeeld. We hadden een aantal concrete ideeën, scenario’s en contacten voorbereid, maar in augustus kon er niks. In september is het voor velen nog te riskant en te flou en zelfs voor oktober houden velen uit voorzichtigheid de boot af. Ik hoor uitspraken als: alles even on hold, maar misschien over een paar maanden, misschien volgend jaar…

Ik hou niet van misschiens. Ze klemmen mijn gedachten vast, ze maken dat ik me mentaal ga vasthaken. Dus Laat ik Los. De boekvoorstelling komt er niet? Oké, dan hoefde ze misschien niet. Het idee lost op als een ademwolkje in de winterlucht.

Dat is zeer bevrijdend. We werken aan een alternatief om Wortels onder de aandacht te brengen in de boekhandels en er bestaat een mogelijkheid dat we later dit najaar nog iets concreets rond het boek kunnen gaan doen, maar ook dat is een groot misschien, dus ik ga er nu geen mentale energie in steken, laat staan een houvast van maken. Ik zie het wel als het zover is. En als het er niet van komt: ook prima.

(c) Inaya photography



Ik weet het, ik laat het simpel klinken, en dat ik hier financieel niet van moet overleven, helpt natuurlijk wel. Maar ook zonder dat aspect was dit soort van loslaten heel lang helemáál niet zo simpel voor mij.

Ik heb een sterk hoofd, met gedachten die plakkerig en hardnekkig kunnen zijn. Net als bijna iedereen ben ik opgegroeid zonder het verschil te kennen tussen wat ik dacht en wie ik was, tussen de mentale boodschappen in mijn hoofd en wat daar écht van klopte.

Die kwetterende stem in ons hoofd, die ons voortdurend aanstuurt met oordelen, angsten, projecties voor de toekomst en herkauwsel van het verleden is onwaarschijnlijk krachtig. Die stem leren herkennen en ze zachtjes loskoppelen van mijn beslissingen en mijn welbevinden, zoals ik in de loop van de laatste tien jaar steeds beter heb geleerd, is een stevige brok werk. Je glijdt er zó terug in af, het is een eeuwig herbeginnen. Maar als het een beetje begint te lukken, is het een weldaad. En ik ben er intussen behoorlijk goed in geworden.

Natuurlijk ga ik ook nog eens onderuit en zijn er momenten waarop iets hard binnenkomt en lastig los te laten is. Maar die momenten zijn veel minder talrijk, en het loslaten gaat veel sneller, en veel beter. Ik was daar al een heel eind in opgeschoten voor Covid-19 ons leven op zijn kop kwam zetten, maar de verinnerlijking en verstilling van de corona-lockdown zorgden echt voor een soort van innerlijke upgrade.

Het Grote Loslaten voelt als overschakelen van een gammele oude fiets op een gestroomlijnd nieuw model (of voor wie net als ik weinig fysieke reserves heeft: eentje met robuuste elektrische ondersteuning). Je moet nog steeds je evenwicht houden, op de trappers duwen en sturen, maar wát een verschil van reiskwaliteit.

(c) Inaya photography



En van al dat loslaten word ik vanbinnen niet leger. Ik word vooral helderder, vrij van mentale rommel en ruis, van kleverige gedachten die nergens naartoe gaan en alleen maar ronddraaien op hun eigen boze draaimolen.

Ik kan naar de horizon kijken met aandacht voor de kwaliteit van het licht op het landschap, voor de schoonheid van het moment, zonder mij af te vragen wat er voorbij die heuvelruggen ligt. Daar zal wel iets liggen, natuurlijk. Maar ik kan het niet zien en ik hoef daar nu totaal niet mee bezig te zijn. Ik zal het wel merken als ik daar ben.

Nu ben ik hier. En dat is voldoende.

Het grote afscheid

Breuklijnen, een verlopen visum en een cadeautje

Ik sta al aan de auto met het pannetje als ik me bedenk. Ik keer op mijn stappen terug.

(c) Inaya photography



Ik kan het niet helpen, maar dit voelt als de zomer van het Grote Afscheid.

Het verleden is een land waar we plots niet meer naar terug kunnen. Ons visum ervoor is definitief verlopen en de enige manier waarop we het nog kunnen bezoeken, is in herinnering.

Natuurlijk staat het leven nooit echt stil. Er zijn onophoudelijk verschuivingen, er komen dingen bij en er verdwijnen andere. Maar wat ik nu voel, is dieper, breder, definitiever.

Covid-19 is een aardverschuiving die een barst in het landschap heeft laten ontstaan, zoveel is zeker. Maar er is meer aan de hand. Onderhuids voelt het alsof er een veel grotere verschuiving bezig is, waarvan het virus en al wat het meebracht slechts een zeer zichtbaar en goed herkenbaar symptoom aan de oppervlakte is.

Ik zie het overal, in grote en kleine dingen.



Ik neem afscheid van de jonge kindertijd van mijn zoon die onherroepelijk voorbij is.
Mijn relatie met (schoon) ouders bevindt zich op het kantelpunt van wie precies voor wie moet beginnen zorgen. De omslag is nog niet gemaakt, maar de robuustheid en kracht om alles te torsen die we vroeger bij hen vonden, ligt nu bij ons.
Het is duidelijk dat we voor het laatst naar de vakantieplek van mijn jeugd zijn geweest, die mij al sinds mijn kindertijd dierbaar is en waar we met onze zoon als zuigeling nog heengingen omdat het er zo weldadig rustig was. Ze is in naam van zogenaamde ‘ontwikkeling’ onder de voet gelopen door geld en vastgoed, en ik werd verscheurd door diepe heimwee naar de vroegere oase van kalmte en soberheid.

Ik mis de manier waarop we vorig jaar de boekvoorstelling van De serres van Mendel voorbereidden, en ik mis de dierbare mensen die ons begeleidden doorheen de eindredactie van dat boek. Ik mis het gevoel dat alles mogelijk was, en hoe vanzelfsprekend het toen was om een evenement te organiseren voor een kleine honderd man in een gesloten locatie.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot op de Boekenbeurs van 2019, een event dat dit jaar niet doorgaat en vorig jaar misschien voor het laatst in die vorm heeft plaatsgevonden.



Ik mis de samenleving zoals ik ze kende. Niet omdat ze perfect was, maar omdat ze vertrouwd was en het vertrouwde is altijd makkelijker dan iets nieuws, zeker als dat nieuwe gehavend aanvoelt.

En ik kan me niet van het idee ontdoen dat er heel veel mensen aan gelijkaardige processen bezig zijn. Mensen die onverwacht geliefden verloren en nu met uitstel moeten rouwen. Die plots hun werk kwijt zijn of van wie de jobsector op apegapen ligt en die een gedwongen nieuw begin moeten maken. Die van hoge tronen vallen en heel diep landen. Die plots zieke of behoeftige familieleden moeten verzorgen. Die omwille van de veiligheidsmaatregelen essentiële stukjes van hun leven nog altijd niet kunnen opnemen. Die de trauma’s van hun kindertijd onder ogen zien en de wereld en zichzelf met andere ogen bekijken.

Ik zie bewustzijn groeien, als een vlam in het duister. Ik zie een krachtige massa in opstand komen tegen de structurele onrechtvaardigheid die diepe, oude, etterende wonden heeft geslagen en verandering eisen. Ik zie hoe even diepe en oude angst en onwetendheid en onverdraagzaamheid zich steeds dieper uitzaaien als een ziekte.

Dit zijn geen kleine verschuivingen, dit zijn breuklijnen.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot



Soms hebben boeken, net als films, een tagline: een zin die een diep motief uit het verhaal blootlegt. Tijdens het schrijven van De wortels van de wereld werd het me geleidelijk duidelijk dat dit boek er niet één heeft, maar drie. En ze zijn alle drie even relevant voor ons leven vandaag.

  • Alles is met alles verbonden.
  • Sommige dingen kun je niet meten in lengte, maar in diepte.
  • Doodgaan is niet altijd slecht. Zo komt er ruimte voor iets nieuws.

De eerste is een echo van een idee dat geplant werd in De serres van Mendel en nu alleen maar pertinenter geworden is. De tweede raakte ik eerder al even aan in een eerdere blog. De derde is waarover het hier gaat.

Er komt ruimte voor iets nieuws. Of dat iets moois wordt of niet, dat weten we nog niet. We zullen het ermee moeten doen. Ik voel geen angst, en als ik al ongemak ervaar, dan is dat het gevolg van een niet-weten in verband met de toekomst.
Op dit moment voel ik alleen afscheid. Ik bezoek het land van mijn herinneringen, ik kijk naar de onverwacht afgesneden paden om mij heen. Ik zie het stof neerdalen en maak een inventaris op van wat er nog kan, of niet meer. Ik voel heimwee of verdriet of gemis, en ik laat dat toe. Dat volstaat voorlopig.

En soms komt het in de vorm van een cadeautje.

Het pannetje (c) Inaya photography



Mijn zus en haar man verhuizen van een mooi huurhuis naar een eigen woonst. Nog een fase die ten einde loopt, realiseer ik me terwijl ik ze help inpakken. Ze geven allerlei dingen weg. Potten en pannen onder andere, niet geschikt voor de inductieplaten van de keuken waar ze heen gaan.
In hun uitzet bevinden zich nog twee kleine steelpannetjes van gietijzer en twee kookpotten uit mijn moeders servies. Die wil ik graag. Ze vervolledigen het gedeelte van mama’s keukengerief dat ik zelf ooit kreeg.

Bij de pannetjes aarzel ik. Ik ben geen sausmens, ik zal ze nooit gebruiken, zeker niet in tweevoud. Maar ik wil er toch eentje. Een is wat blanker van bodem. Ik herken het donkerder patroon op de bodem van het andere, en ik sta weer als adolescent melk te warmen in dat pannetje, dat altijd op het randje van aanbrandde, en dat zwaar en heet was in mijn onervaren handen als ik de melk zonder morsen probeerde over te hevelen in een kop.

Het pannetje van mijn jeugd is een beetje gehavend, er is hier en daar wat verf weg, misschien iets wat lijkt op een roestplek. Ik kies het blankere pannetje. Als ik toch nog eens saus zou gaan maken, dan is dat misschien beter bruikbaar.

Ik sta al aan de auto als ik voel dat het niet klopt. Ik gá geen saus maken. Ik wil gewoon dat donkere bodempatroon kunnen blijven zien, omdat ik het herken, omdat het een tastbaar aandenken is van het land waarvoor ik geen visum meer heb. Ik keer op mijn passen terug en ga recht naar de keuken. Mijn zus knikt en glimlacht als ze ziet wat ik doe. ‘Ik herken het ook’, zegt ze.

Er mag ruimte komen voor iets nieuws. Dat is onvermijdelijk, en vaak ook wenselijk. Maar zelfs in een landschap van breuklijnen en versperde wegen, van ingestorte muren en neerdalend stof, wil dat niet zeggen dat er geen kleine aandenkens blijven om te koesteren.

Op de weg naar huis heb ik het pannetje op schoot. Mijn duim glijdt over een van de bekjes waarlangs je de vloeistof kunt uitgieten. De verflaag is glad. Ik aai erover, heel de weg naar huis. Ik neem afscheid.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot

ZAAILING #85 – Werelden die wachten op genezing

Giant redwood @ Houtlab, Plantentuin Meise (c) Inaya photography



Een jaar geleden liepen Jurgen en ik langs de prachtige paden van Plantentuin Meise. We hadden juist een bezoek van de serres achter de rug met de mensen die hun schouders wilden zetten onder de boekvoorstelling van De serres van Mendel. Het was een zonnige zomerdag. We zaten vol goesting en inspiratie en we wilden het samen hebben over hoe een tweede verhaal er kon uitzien.

We hadden het idee voor een tweede boek al eerder uitgesproken, tegen de uitgever en onder elkaar. Zelf had ik niet meer dan een paar vage aanzetten in mijn hoofd, maar Jurgen had er echt al over nagedacht, zo bleek nu. Hij werd in zijn naast omgeving geconfronteerd met een zwaar ziek familielid en gooide een uitdagend idee op tafel: een plaag in de serres. En niet zomaar één: een ziekte die binnengebracht werd door een mens, maar die ook de planten aantastte. Hij had ook al een paar straffe ideeën over hoe dat er voor de personages en het verhaalverloop zou kunnen gaan uitzien.

We dwaalden door het park, we bezochten het Houtlab en we eindigden voor een koffie in de Tuinwinkel. Er ging een spervuur aan ideeën over en weer. Ik ken werkelijk niets wat mij diepere voldoening schenkt dan samen met iemand die ik graag zie een verhaal bedenken, brainstormen, een wereld creëren. Dat is alchemie van de allerbeste soort.

(c) Inaya photography



En nu staan we hier, een jaar verder. De wortels van de wereld verschijnt over twee maanden, eind augustus. En het is een beetje eng hoe relevant alles wat er in dit boek geslopen is, onbewust en spontaan en soms al maanden voor corona uitbrak, nu is voor de wereld zoals ze er vandaag uitziet.

Want dit is het portaal, het kantelpunt. We bevinden ons op een moment in de tijd waarop werelden veranderen.

De afgelopen maanden waren een hogedrukpan. Corona zette de samenleving stil en zette een aantal dingen op scherp. We kunnen niet meer negeren hoe de manier waarop wij leven de planeet verwoest en onszelf dus ook, hoe diep de ongelijkheden zijn, hoe immens de angst en haat. Maar ook de verbondenheid neemt toe, op soms onverwachte manieren, het bewustzijn groeit. Wie altijd al dunne wanden en fijne voelsprieten had, merkt dat ze nu niet alleen nog fijner maar ook veel verder en dieper registreren.

(c) Inaya photography



De kwesties waar we voor staan en doorheen gaan, zijn immens. Dat is bij momenten het ideale recept voor machteloosheid, want wie zijn wij, in ons kleine eentje, nu helemaal om iets te helpen veranderen of verschuiven, op wat voor manier dan ook?

Door ons eigen steentje bij te dragen, zo eenvoudig is het. En in ons geval, van Jurgen en mijzelf, komt dat zonder twijfel onder de vorm van een boek.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

Een Chinees, een Afrikaan en een mens

Ik ben bij momenten paranormaal. Ik wist dat al langer maar ik val de wereld daar gewoonlijk niet mee lastig. Toch blijven sommige staaltjes mij verbazen.

Vorige week moest ik plots denken aan een tekening die ik in jaren niet meer heb gezien: een kindertekening die voor de rubriek Bondgenootje naar de redactie van De Bond werd gestuurd.

Ik werkte op de redactie van De Bond van begin 2013 tot medio 2019. Bondgenootje was het kinderhoekje van dat blad, een pagina (later een halve en tenslotte helemaal weggesaneerd) met tips en spelletjes en vooral veel ingezonden tekeningen en knutselwerkjes. Elke maand was er een gelukkig kind dat een boek toegestuurd kreeg. Ik heb die rubriek een tijdje onder mijn vleugels gehad, later ging hij over in de handen van een schat van een collega. Mijn zoon heeft lang gedacht dat Bondgenootje echt bestond en als een soort Pippi Langkous op de redactie rondliep.

Zoonlief stond zelf ook een paar keer op de cover van het blad, dit keer per toeval zelfs samen met een vriendin die voor die ene editie de dagboekrubriek schreef…


De bewuste kindertekening die ik mij nu plots herinnerde, toonde drie kleurrijk aangeklede figuren, naast elkaar afgebeeld: een mannelijk figuurtje met een donkerbruine huid, een figuurtje waarvan het niet duidelijk was of het mannelijk of vrouwelijk was met een gele huid, en een blond meisje met een blanke huid.

In dat aandoenlijk zwalpende geschrift van kinderen uit de lagere school had het meisje dat de tekening maakte, er telkens de uitleg over het figuurtje onder geschreven.
Onder het figuurtje met de bruine huid stond: ‘een afrikaan’, onder dat met de gele huid ‘een chinees’. Onder het blonde meisje stond: ‘een mens’.

Mijn mond is nog niet vaak opengevallen maar toen ik die inzending uit de envelop pakte dus wel. Er waren geen kwade bedoelingen mee gemoeid, het kind wist gewoon niet beter. Maar ik vond het des te schrijnender omdat de tekening vergezeld ging van een schrijven door een grootouder die er duidelijk óók geen graten in zag en het mooie werk van haar kleindochter van ganser harte aanprees bij de redactie.

We hebben de tekening niet afgedrukt in De Bond. Ik wilde ze niet houden, maar ik wilde ze ook niet weggooien. Ik besloot ze cadeau te geven aan de collega van de dienst Sociaal-Cultureel Werk die bezig was met diversiteit en kinderarmoede. “Dit”, zei ze met een zucht, “is dus waarom het werk dat ik doe noodzakelijk is.” Ze hing hem omhoog in haar bureau.

Ik werk al een hele tijd niet meer op de redactie van De Bond. Ik had al jaren totaal niet meer aan die tekening gedacht. De bijzonder woelige toestand in de VS (en dichter bij huis) rond racisme en #BlackLivesMattter houden mij net zoals velen bezig, maar er was geen concrete aanleiding die maakte dat die tekening vorige week plots in mijn hoofd opdook. Sommige dingen komen misschien bovendrijven uit de nevelen van je geheugen als er maar lang genoeg over één bepaald onderwerp gepraat en geschreven wordt, dacht ik.




De herinnering liet mij niet meer los. Misschien moest ik toch nog eens een blogje schrijven over gelijkwaardigdheid en discriminatie. Ik heb uitgesproken politieke meningen maar ik voel niet altijd de nood om daar vlammende blogs over te schrijven, anderen doen dat veel beter en ik word er meestal niet gelukkig van. Maar nu dacht ik: dit is te sterk om te laten liggen. Dus ik mailde mijn oud-collega, met de vraag of ze de tekening nog had en er eventueel een foto van kon doorsturen. Vanmorgen kreeg ik antwoord.

“Dag Kirstin,
Fijn om te horen dat je je handen vol hebt en je dagen goed gevuld zijn 😉.
Met je vraag over de tekening kom je helaas net één week te laat. In het kader van de verhuis van de Gezinsbond ben ik vorige week een dag naar Brussel geweest om op te ruimen. Ik heb al mijn postkaartjes en andere fanmail van de muren gehaald. Ook deze tekening. Ik heb veel bewaard en opgeborgen. Bij de tekening heb ik enkele seconden getwijfeld (echt!), maar uiteindelijk beslist om die weg te gooien. Ik dacht: “Ze hangt hier al zo lang, ze zegt zo veel, maar er wordt niet naar gekeken en mijn statement om ze hier te hangen, wordt niet begrepen”. Ik vind het jammer voor jou, maar ben ergens ook wel blij dat de tekening toch nog een extra persoon geraakt heeft.
Ik hoop dat je een andere oplossing vindt, om je blog kracht bij te zetten!
Zonnige groetjes, T.”

Het was duidelijk, ik ging geen politiek betoog schrijven.
Maar ik schreef dus wel een blog. Dankzij de tekening die ik u niet meer kan tonen, maar die u nu net als ik vast nooit meer vergeet.

Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

De vloedgolf en de grot

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~5~
(c) Inaya photogrpahy


Ik onthoud mijn dromen zelden. Of zelden langer dan tot aan het ontwaken. Maar er is één droom die in verschillende vormen al een aantal keer is teruggekomen.

Op een ochtend eind januari 2020 schrijf ik er het volgende over, op de eerste bladzijde van een nieuw dagboek:

Vannacht had ik een droom zoals ik er in de afgelopen jaren vaker heb gehad: vanuit mijn huis zie ik een enorme vloedgolf aankomen, een massieve muur van water. Ik sluit alles af, zoek dekking, krul me op in een hoekje. De golf arriveert. Ik voel het huis daveren maar het houdt stand.

Ik kom er ongeschonden uit, elke keer. De dromen zijn spannend maar niet beangstigend als nachtmerries. Het huis ziet er elke keer anders uit, en ik ben zelden alleen maar de anderen hebben niet altijd een naam of een gezicht. Dit keer is alles herkenbaar: het huis is een kruising van plaatsen waar ik als kind woonde of vaak kwam, en de mensen die bij mij zijn, zijn mijn gezin.

Deze keer gaat de droom uitzonderlijk ook door nadat de vloedgolf gepasseerd is. We lopen om het huis heen. In de tuin naast het huis (je weet hoe landschappen veranderen in dromen, wat eerst een gebouw met zicht op zee was, is nu een huis in een bos) is een volwassen boom geknakt, midden in de stam. Dat van die boom was te verwachten, zegt mijn man. We lopen verder door de tuin die een bos is en vervolgens ontdek ik, half ondergronds, het indrukwekkende wortelstelsel van een andere boom, die daar altijd al moet hebben gestaan maar mij nooit eerder was opgevallen. Onder zijn wortels lijkt het wel een grot, met een gewelf.

De droom met de vloedgolf, wanneer hij zich ook aandient, arriveert altijd aan de vooravond van zeer krachtige en transformerende momenten in mijn leven. Natuurlijk kan ik dat op het moment zelf niet met zekerheid zeggen. Maar omdat ik mijn dagboek al jaren bijhoud, weet ik intussen dat het echt zo is.

Soms overvalt verandering ons. Als een storm, een vloedgolf, een natuurkracht.

(c) Inaya photography


Mijn droom leert mij dat ik dat overleef. De krachten die op mij inwerken, kunnen enorm zijn, maar mijn innerlijk (het huis) houdt stand. Sommige andere dingen, hoe robuust ook, overleven dat niet, worden midden in hun groei geknakt om het nooit meer te boven te komen. Wat overbleef van de boom in de tuin van mijn droom, was een zuil van een stam die met een kroon van gesplinterde punten naar de kruinen van de andere bomen priemde.

Maar het belangrijkste element van de droom was dit keer het gewelf van wortels. De oude, diepgewortelde wijsheid die zich in het onderbewuste van de aarde zelf bevindt en zich openbaart door mij toe te laten.

En er is nog iets.

Eind januari, toen de eerste zachte ritselingen van Covid-19 opdoken in de media, was ik niet alleen begonnen in een nieuw dagboek, ik was ook volop aan het schrijven aan mijn nieuwe boek. Dat verschijnt in augustus en zal De wortels van de wereld heten. Het gaat over de kwetsbaarheid van dingen die we graag zien, en hoe een natuurkracht alles van het ene ogenblik op het andere op de helling kan zetten. Wat vertrouwd was, verandert onherroepelijk in iets wat niet langer herkend wordt. De bakens van veiligheid en zekerheid vallen weg. Maar de diepste, oudste wijsheid, in de wortels van de wereld zelf, komt in het verhaal binnen bereik van wie durft afdalen naar de grot.

Volgende week lees ik er u hier in deze column een stukje uit voor. Want ik heb het gevoel dat het, net als mijn droom, wel eens onwaarschijnlijk toepasselijk zou kunnen zijn voor waar we nu allemaal samen doorheen gaan.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Fantoompijn

De wereld wordt nooit meer zoals hij was, zeggen ze.

(c) Inaya photography


Vanuit mijn veilig holletje, in een huis met een tuin die elke dag mooier wordt, met voorraadkasten waarin ik niets tekort kom, een gezin dat ik graag zie en familieleden in binnen- en buitenland die het goed stellen, is het moeilijk mij daar een beeld van te vormen. Of nog simpeler: ik kan dat niet.

Dit zijn Schrödingerdagen – dagen waarop alles mogelijk lijkt en niets nog kan.
Dit zijn dagen waarin de toekomst gloort met de hartverwarmende hoop van een bocht richting duurzaamheid, en tegelijk elke ontsnapping uit het neoliberale virus dat de planeet sloopt een illusie lijkt geworden.

Het zijn dagen dat ik mezelf de grootste gelukzak ter wereld vind. Het zijn dagen dat ik de muren oploop.

Het zijn dagen dat ik mezelf betrap op het verlangen naar een terugkeer naar wat ‘normaal’ is. Maar eigenlijk wil ik dat ook niet. Want ‘normaal’ was een ecologische en humanitaire ramp, een droom van blinde economische machtswellust, met de mens als losgeslagen virus op een koortsig belegerde planeet.

Het zijn dagen waarin ik ongerust ben voor wat de Machten die deze wereld besturen zullen beslissen, over onze hoofden heen. Ik ben bang dat alles teruggaat naar het oude. Ik ben bang dat niets nog teruggaat naar het oude.

Mijn hele leven jeukt en schuurt.

Ik lijd aan fantoompijn, geloof ik. Alleen weet ik nog niet zeker of de ledemaat die ik voel jeuken écht geamputeerd werd, of gewoon even buiten gebruik is gesteld.

Ik weet niet welke van beide scenario’s ik verkies.

Ik zie de wereld dezelfde blijven als hij altijd al was.
Ik zie de wereld onherroepelijk veranderen, en al onze levens erbij.

Gelukkig brengt de natuur raad, zoals altijd. In wat voorbij is, schuilen altijd de zaden van een nieuw begin.

En ik koester, bij gebrek aan beter, mijn fantoompijn als een springlevende vorm van herinnering.

(c) Inaya photography