Het overgangsteam

Tara Mohr, een van de mooie wijze vrouwen wiens werk ik las en die ik een paar jaar geleden een uur lang kon spreken voor een interview (dat Engelse gesprek lees je trouwens hier), zei ooit: We are the transition team.

Vrouwenrechten gaan niet op een paar decennia in orde zijn, zei Mohr, daarvoor is de erfenis van het patriarchale systeem en het mannelijk geörienteerd denken te diep en te sterk. Maar we hebben al enorme stappen gezet op relatief korte tijd, en er zullen er nog volgen. In plaats van gefrustreerd te raken over waar we ‘nog maar’ staan, kunnen we ons beter vasthouden aan de idee dat wij het overgangsteam vormen, dat we een stukje zijn van een beweging die onszelf overstijgt en die de wereld van één tijd naar een andere leidt. Daar zal langer overheen gaan dan onze generatie alleen. We hoeven ons dus niet uit het lood te laten slaan als het traag gaat. We zullen het einde ervan ook niet meer meemaken. Belangrijk is wel dat we doen wat we kunnen.

(c) Inaya photography

Ik geloof nog altijd dat ze gelijk heeft. Ik had alleen gehoopt dat die overgang waarover ze het heeft een beetje minder op de processie van Echternach leek. Stappen achteruit zetten, is niet fijn. En de Machtige Mannen die met goedkope praatjes verkozen worden (en de onnadenkende scharen volgers die ze in hun kielzog meesleuren) geven aan dat we toch nog wel een beetje worstelen met dat vooruit gaan. Sterker: een heleboel mensen zouden maar al te graag een fors aantal passen achteruit zetten, in ruil voor de illusie van veiligheid en stabiliteit. Ten koste van dezelfde groepen als altijd: vrouwen, kinderen, zachte zielen, denkers, minderheden. Alfa-man regeert, vrouwtje broedt en zorgt. Wat kan er nu beter zijn?

Ik was bezig aan een boze, bange, bezorgde blog hierover. Hij wilde niet zo goed vlotten, mijn emoties zaten mij echt in de weg. En toen verscheen dit stuk. Het zei alles wat ik wilde zeggen, alleen beter, helderder en meer genuanceerd. Lees dit.

https://vrtnws.be/p.8393LJOkp

En ga dan eens hard nadenken over hoe we dit onverkwikkelijke tij kunnen keren. Want zoals Tineke Van Iseghem schrijft: The Handmaid’s Tale komt alweer een stapje dichterbij.

(c) Inaya photography


Advertenties

De relativiteit van gewicht

Voor lezers die hier per Google heen surften en een blog verwachtten over ‘je lichaam is mooi zoals het is’, sorry! Dát soort gewicht bedoel ik niet. Volgers van deze blog weten sowieso dat ze dat soort stukjes hier niet zullen aantreffen.
(Hoewel ik wél vind dat elk lichaam mooi is zoals het is, op voorwaarde dat de eigenaar ervan het liefdevol verzorgt en het met goesting bewoont – maar dat terzijde.)

Soit, gewicht dus.

(c) Inaya photography

‘Zal dat niet te zwaar wegen, die pendel?’ vroegen ze mij zeven jaar geleden, toen ik solliciteerde voor een job bij de organisatie waar ik tot op vandaag werk maar die ik medio april verlaat. De pendel waarvan sprake bedroeg een kleine twee uur, enkele reis: van een dorp met weinig openbaar vervoer tot in het hart van Brussel. De kantoren lagen niet slecht gesitueerd, maar toch ook weer niet zó schitterend, met het dichtstbijzijnde van de drie hoofdstations op twintig minuten lopen, of even lang sporen met overstap – als de treinen tenminste reden.

Ik schudde toen resoluut mijn hoofd – zwaar, welnee! Ik wilde de job.

Het wás ook te doen, bleek toen ik het twee tot drie keer per week deed, heen en terug. Het had wat voeten in de aarde, maar ik had het ervoor over. Lange dagen waren het wel, makkelijk twaalf uur van huis, en mede daardoor vond ik halftijds werken ruim voldoende.

Tegen het einde van het eerste jaar, toen mijn tijdelijk contract afliep en ik uitgekeken was op de job in kwestie, was die pendel wel beginnen wegen. Als een werkelijk gewicht: ik voelde het aan als een last. Het was gedoe, die drie verkeersmiddelen, en het duurde lang.

Maar toen kwam er een vacature vrij, één verdieping hoger in hetzelfde gebouw. Redacteur. Dat was wat ik wilde. Ik had ervan geproefd en ik voelde me er thuis. Ik werd blij van dat soort werk. Ik solliciteerde en kreeg de job.

Toen gebeurde er iets vreemds.

(c) Inaya photography

Ik was misschien twee of drie dagen zeker van mijn nieuwe functie, toen ik merkte dat er iets fundamenteel begon te veranderen. Een week eerder kroop ik nog met een diepe zucht van wilskracht op mijn fiets om naar de bushalte te rijden, daar bibberend te staan wachten op een veel te volle en ongemakkelijke bus, vervolgens de trein te nemen, mét overstap en nog meer bibberen tijdens het wachten daarop, om twee uur later eindelijk mijn kantoor binnen te lopen.

Nu, luttele dagen later, woog die pendel niks meer. Letterlijk: niks. Er was in objectieve of fysieke zin niets veranderd, maar plots kroop ik fluitend op mijn fiets en zat ik met een brede glimlach op de bus.
Het werd me meteen duidelijk: als de beloning die wacht aan het einde van de rit (in dit geval: een job waar ik zielsgelukkig van werd) het waard was, kon ik er veel bijnemen om daar te geraken. Met de glimlach. Gewicht is absoluut relatief. Het hangt er maar van af wat er op de andere helft van de weegschaal ligt.

Ik maakte ook meteen een mentale notitie – eens getraind in coaching, altijd alert: het moment dat die pendel, om wat voor reden dan ook, plots weer zou gaan wegen, moest er een alarmpje afgaan, en dat moest ik kunnen herkennen als een signaal dat er iets aan de hand was. Ik hoopte vurig dat dat nooit zou gebeuren.

Het werden een paar fijne jaren. Het werk was vervullend, mijn leven bloeide open op allerlei vlakken. De reistijd nam eerder toe dan af, maar ik zorgde ervoor dat ik goeie boeken bij had en eigen materiaal om aan voort te schrijven. Er zagen nogal wat Zaailingen het levenslicht in treincoupés. Ik begon uit te kijken naar de pendel als een vorm van quality time. Oké, toegegeven: quality time met vertragingen, nu en dan hinder en ook nog altijd veel te veel volk in de buurt van mijn hoogsensitief persoontje, maar toch. Als mensen ontwikkelen we graag rituelen. Met een kop koffie van bedenkelijke kwaliteit op de trein stappen om daar een klein uur te schrijven en te mijmeren, het werd een van mijn geliefde rituelen.

Na verloop van tijd en dankzij een elektrische fiets trapte ik zelfs fluitend de tien kilometer naar het station en kon ik drie vierden van het bibberend en verveeld wachten en vooral de gehate bus vaarwel zeggen. Goed voor mijn moreel én mijn conditie. Een dikke win-win, op alle vlakken.

En toen veranderde de invulling van de job zelf. Nogal drastisch.

Daar waren geen slechte bedoelingen mee gemoeid, en er waren allerlei beweegredenen die vanuit een bepaalde logica vast hout sneden. Maar van de ene dag op de andere was ik het werk kwijt dat ik jarenlang met zoveel plezier had gedaan. Alle compromissen die ik sloot, voelden aan als een verlies.

(c) Inaya photography

Ik gaf het tijd. Om de zoveel maanden maakte ik de balans op. Hoe ging het met me? Wat stoorde me, waarin vond ik vervulling? Het bleef, om het in KMI-termen te zeggen, kwakkelweer. Maar ik ben trouw, dus ik was bereid om de bui nog wel even uit te zitten, hopend op betere tijden.

Het hield naar mijn gevoel echter niet op met regenen. Het werd integendeel stelselmatig duidelijker dat wat eens een hartverwarmende boulevard was geweest nu een doodlopend straatje was geworden. Beetje bij beetje kalfde mijn werkplezier af. Het gebeurde sluipend, want ik wilde de zeurderige negatieve stemmetjes zeker niet bewust voeding geven. Maar toen ik begin dit jaar merkte dat het me zwaar begon te vallen om de tien kilometer te fietsen en een uur op de trein te zitten, wist ik hoe laat het was.

Ik ben geen dwaze dromer. Ik maak keuzes waarvan ik weet dat ze realistisch verantwoord of op zijn minst haalbaar zijn. Maar één wijsheid staat al jaren boven mijn spreekwoordelijke haard gebeiteld: het leven is te kort om gebukt te gaan onder zinloos gewicht.

Over vier weken loopt mijn pendeltraject naar Brussel definitief ten einde. Dat is veel sneller dan ik indertijd had gedacht of gehoopt dat het geval zou zijn. Maar ik aanvaard het voor wat het is. Dankbaar om de mooie jaren, dankbaar om wat er nog komt, al is het pad dat ik gekozen heb op dit moment nog verre van duidelijk.

Ik voel me wel lichter. Nu al.


Tussen donker en licht: Marit Törnqvist

Voor de literaire podcast Boeken Toe mocht ik als gastredacteur op pad voor een bijzondere opdracht: een diepte-interview met een boekenmaker van mijn keuze.

Die keuze was snel gemaakt.
Op een gure februaridag spoorde ik naar Amsterdam voor een gesprek met Marit Törnqvist. Over dertig jaar kinderboeken maken, over Astrid Lindgren, Nederland en Zweden. En over de bijzondere betrokkenheid bij kinderen hier én van de andere kant van de planeet, over het lot van uitgeprocedeerde vluchtelingen en over je plek vinden in de wereld.

Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography

ZAAILING #50 – Passages



We treffen elkaar op de trein in elk seizoen.
Als je lang genoeg reist, weet je wie op welk moment zal opstappen. Er schuilt een bijzondere poëzie in hoe vreemden langzaam ontdooien tot gezichten die je eerst herkent, vervolgens ook toeknikt. Soms ontstaat er een gesprek, tussen onbekenden die verheugd zijn elkaar terug te vinden.

Onze band wordt bepaald en beperkt door de tijdelijkheid van waar we ons bevinden. Wat eindig is, is altijd intenser. En wij zijn hier, gloeiende spatjes licht in het duister van een reis met onbekende bestemming, een menselijk schakelbord van knipperende verbindingen, kort en ongrijpbaar.

De trein rijdt een station binnen. We schorten het gesprek op, nemen efficiënt afscheid. De vreemdelingen verlaten ons leven, wij verdwijnen uit dat van hen. We laten geen sporen, we reiken elkaar geen houvast. Wat oplicht tussen passanten, is per definitie van voorbijgaande aard.

Tussen ons niet meer dan een draad die blijft zinderen in de ruimte, een halve zin, een onafgemaakte gedachte. Maar klaar om weer op te pikken. Bij de volgende passage.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.




Waarom (geen) uitleg?

Ingaan op een uitdaging

We kennen ze wel: de ‘challenges’ op sociale media die je uitdagen om een reeks boekcovers te posten, of zwart-witfoto’s uit je dagelijks leven, of wat voor reeks beelden dan ook. De typische omschrijving gaat als volgt: geen titels, geen commentaren, geen verhalen. Alleen het beeld.

Ik kreeg zo’n uitnodiging van een illustrator die ik ken en waardeer: tien dagen elke dag een beeld van de meesterwerken uit de beeldende kunsten (schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerk, fotografie…) die voor jou iets betekenen. En ja hoor: alleen het beeld, graag, geen commentaar of achtergrondverhaal.

Ik aarzelde. Kon ik genoeg voorbeelden van beeldende kunst bij elkaar schrapen die mij werkelijk – en diep – geraakt hadden?
En waarom mocht ik andere mensen dan niet vertellen waaróm precies?

Ik heb nogal de neiging om dingen uit te leggen. (Nu beginnen er vast een aantal mensen te lachen.) Tja, het is gewoon zo. Zo schrijf ik, praat ik en leef ik. Ik durf er wellicht soms in overdrijven. (Nu zitten ze te knikken, wedden?) Maar wat had je gedacht, met de genen van een leerkracht, derde generatie in rechte lijn? Het is gewoon hoe ik in elkaar zit.
Als ik de posts van kennissen die aan gelijkaardige ‘challenges’ deelnamen, zie verschijnen op mijn tijdlijn, heb ik altijd weer dezelfde reflex: ‘Dit betekent vast iets voor jou. Maar ik heb geen idee wat, dus hoe kan dit nu een verrijkende ervaring worden voor mij?’

De verhalen van anderen kunnen je afleiden van je persoonlijke ervaring, wierp een vriendin op. Ik geef toe dat dat kan kloppen, en zeker in het geval van beeldende kunst wilde ik het argument wel volgen. Tot op zekere hoogte.

Daarom heb ik besloten om deze blog te schrijven – een lange, sorry – die de beide benaderingen combineert.

Hieronder plak ik de tien beelden die ik in de Facebook challenge deelde, zonder commentaar. Als de visuele stimulans alles is wat je wil, zonder mijn persoonlijke mijmeringen erbij: alsjeblieft. Geniet ervan! En stop dan met lezen.
Want dááronder plak ik ze nog eens, een voor een, met een tipje van de sluier waarom ik ze uitkoos.



Beeldende kunst: een persoonlijke reis in tien stappen

Mijn diepste wortels

Ik koester een diepe liefde voor onze prehistorische voorouders, al van sinds ik als kind de grotten van Furfooz (bij Dinant, België) bezocht. Op de wanden van de spelonken daar staan weliswaar geen kunstwerken geschilderd, maar de geesten van de bewoners zijn er nog bijzonder aanwezig. En ze hebben mij nooit meer verlaten.
Van de adembenemende kunst in Chauvet of Peche-Merle, gekoesterd in boeken of bezocht in het echte leven, tot het zinderende lied dat ik mocht zingen in Niaux, onder dezelfde gewelven waar ooit werd gedanst met de trance van trommels en het flakkerende licht van de vuren, terwijl de geesten toekeken vanaf de wanden: prehistorische kunst is een van mijn diepste wortels, mijn oudste liefdes. We kunnen nooit dichter komen bij het kloppende hart van wie we als mens ooit waren, dan daar.

Muurschilderingen uit de grot van Chauvet


Een verhaal kiezen

Ik hou van het duister. Misschien precies omdat zoveel andere mensen van het licht houden. Ik ben ervan overtuigd dat het duister schatten bevat, beangstigend misschien, maar van levensbelang. Ik was een aanhanger van Jung voor ik wist dat hij bestond.

Een heel bijzondere figuur in het dynamische en zeer fragiele evenwicht tussen licht en donker, gekoesterd en bespuwd, geliefd en gevreesd, is de figuur van de Egyptische god Seth/Set.
Hij is een figuur die de woestheid van de woestijn, de (on)vruchtbaarheid en de chaos symboliseerde. Waar Horus (de Oudere) de dag was, was hij de nacht. Samen voerden ze een dans uit die geen van beide kon of moest winnen, en die de wereld in evenwicht hield. Tot de verhalen herschreven werden en er een Goed en Kwaad moesten zijn.

Verhalen zijn relatief.
En in dit verhaal kies is de kant van het Duister.

Seth en Horus zalven Ramses II (Tempel van Abbu Simbel)


Ademruimte

Nog een diepe aantrekkingskracht: alles wat Keltisch, Scandinavisch, Viking of oud Anglo-Saksisch is. Mocht reïncarnatie echt bestaan, dan kom ik waarschijnlijk daar vandaan. Iets in mij krijgt meer ruimte om te ademen als ik me verdiep in die oude noor(d)se culturen.
De complexe schoonheid van hun kunst blijft mij fascineren. En ruim tien jaar geleden kocht ik voor de eerste keer een gebonden schrift uit de Paper Blanks-reeks, omdat ik het zo ongelooflijk mooi vond. Ik wist nog niet waar ik het voor wilde gebruiken. Al snel bleek het dienst te gaan doen als een soort spiritueel dagboek, dat in de loop van de tijd evolueerde tot een volwaardig, persoonlijk dagboek.
Intussen schrijf ik niet meer per se in schriften van de Paper-Blanks reeks, maar mijn dagboek is een essentieel onderdeel van mijn dagelijks leven geworden. En deze beelden vormden de start.

The book of Kells


Van dichten comt mi cleine bate…

Een prachtig geïllustreerde versie van het middeleeuwse Beatrijs-manuscipt, dat het verhaal vertelt van een vrouw die het klooster verlaat om bij haar geliefde te zijn, maar er vele jaren later toch berouwvol naar terugkeert. Haar afwezigheid is evenwel nooit opgemerkt, want de Maagd Maria, tot wie ze trouw is blijven bidden, heeft al die tijd haar plaats ingenomen.

De anonieme dichter van de tekst begint dit bijzonder mooie verhaal met een vers dat een klassieker geworden is in de Nederlandse literatuur:

Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.
Maer om die doghet van hare
Die moeder ende maghetes bleven,
Hebbic een scone mieracle op heven,
Die god sonder twivel toghede
Mariën teren, diene soghede.

(Van dichten heb ik weinig profijt
en de mensen raden mij aan dat ik het laat voor wat het is
en er mijn energie niet aan verspil.
Maar om de deugdzaamheid van zij
die moeder is én maagd bleef
heb ik een mirakelstuk geschreven,
dat God zonder twijfel goedkeurt
om Maria te eren, die hem als kind voedde.)

In deze middeleeuwse klassieker reiken buitengewone beeldende kunst en grote literatuur elkaar de hand.

Aanhef Beatrijs manuscript


Overgave

De schoonheid van pijn, liefde, verlies, verdriet, wanhoop en menselijke intimiteit, dat alles ligt naar mijn gevoel te lezen in het statige en waardige gezicht van de pieta zoals Michelangelo ze sculpteerde. Daarmee wil ik niet zeggen dat verdriet er altijd zo uitziet, een vrede die geen tranen meer nodig heeft. Een geliefde verliezen kan een helse trip zijn naar de bodem van de donkerste put en je hart uit je lijf rukken tijdens de afdaling.
Maar het hoeft niet de enige weg te zijn. Er schuilt een onaardse schoonheid in totale overgave. Na het diepste verdriet is er ruimte voor diepe rust.
Als adolescent heb ik mijn amateuristische tekenkunsten nog gescherpt aan het portret van deze Maria. Mijn model was een zwart-wit foto die wel iets weg had van die hieronder.

Pieta by Michelangelo


Frédéric Chopin

Als adolescent was ik een beetje verliefd op dit brute, getormenteerde gezicht. Mijn verbondenheid met muziek en mijn fascinatie voor de diepere lagen van de menselijke persoonlijkheid kwamen samen in dit schilderij. Weinig of geen portretten hebben op mij een vergelijkbaar diepe en blijvende indruk gemaakt als dit. Het is de enige beeltenis van Chopin die hem lijkt te portretteren als een echt mens, eerder dan als een beheerste wassen beeltenis. De psychologische diepte van dit schilderij en de nauwelijks verholen innerlijke strijd die op het gezicht van de pianist-componist te lezen liggen, laten dit beeld ver uitstijgen boven al zijn tijdgenoten.
Dit is het gezicht dat zich ophield in mijn achterhoofd toen ik mijn debuutroman Als een spiegel schreef, waarin ik twee muzikanten opvoerde als hoofdpersonages. Toen ik Tureck creëerde, de blinde pianist achtervolgd door de spoken uit zijn verleden, was dit de man die ik in gedachten voor me zag.

Portrait of Frédéric Chopin by Eugène Delacroix


Verdrinken in kleuren

Misschien zijn de impressionisten makkelijke kunst. In elk geval: makkelijk om van te houden, behaaglijk om naar te kijken. Ze staan op iets te veel wandkalenders en goedkope reproducties.
Ik laat het niet aan mijn hart komen. Dit is kleurenpracht in lagen, om je helemaal in vol te zuigen en in te verdrinken. Ook dit beeld diende ooit als inspiratie voor creatieve experimenten met pastelkrijt.

Venice © Claude Monet


Opgeslokt worden

Ik ben niet zo vertrouwd met hedendaagse kunst. Maar ik ben zeer blij dat ik deze tentoonstelling ooit zelf kon gaan zien. Mijn vrienden en ik gingen er speciaal voor naar Parijs, bijna twintig jaar geleden.
Rothko’s kunst eer bewijzen, is jezelf toestaan om opgeslokt te worden door wat hij op doek heeft gezet. Toeschouwers doen dat soms op eigen risico. En dat kun je niet uitleggen. De ervaring is zintuiglijk, en totaal, en sommigen zullen zeggen: religieus.

Number 14 © Mark Rothko


Lees haar ook

Ze is een van Amerika’s meest sublieme fotografen. Sally Mann verstaat de kunst om tegelijk te verbergen, te tonen en te suggereren. Elk van haar beelden is een verhaal waarvan ik voel dat ik het begrijp, maar net niet helemaal. Haar kunst vertelt over verborgen waarheden, met nog donkerder schaduwen daaronder, en de meedogenloze zoektocht naar het perfecte beeld.
Ik viel voor haar zowel als fotografe als als schrijfster tijdens het lezen van haar autobiografische boek en tevens familiekroniek Hold still. Haar pen is even scherp als haar oog, en dat is geen overdrijving uit bewondering. Ze is een onwaarschijnlijk goeie schrijfster.
Kijk dus niet alleen naar haar beelden. Lees haar ook.

© Sally Mann


Asse en sneeuw

Gregory Colbert is een fotograaf die alle menselijke parameters uitdaagt bij het portretteren van de relatie tussen mens en dier. Zijn fotografie is poëzie en meditatie tegelijk. Met een sjamanistische gratie en diepgang schiet hij adembenemende beelden van wilde dieren en mensen in onwaarschijnlijke interactie.
Als ik zijn werk zie, wil ik niet op de plek zijn waar het plaatsvindt. Ik wil het moment zijn, het beeld zelf.

© Gregory Colbert
© Gregory Colbert
© Gregory Colbert


P.S. Werk dat je leven verandert

Bedankt om helemaal tot hier door te lezen. Als een extraatje en een persoonlijk eerbetoon, heb ik besloten om nog twee beelden toe te voegen hieronder. Ze maakten geen deel uit van de Facebook challenge. Dat was ook niet nodig.

De mooiste en meest inspirerende werken uit de kunstgeschiedenis… Dat is zo’n breed canvas, die kunstgeschiedenis, dat het gewoon niet mogelijk is om alles te kennen of alle kunstenaars die je op een of andere manier ooit geraakt hebben eer aan te doen. Ik zou een hele challenge kunnen vullen met illustratoren van kinderboeken, of met schilders, of fotografen, of wat voor kunstvorm dan ook.

In plaats daarvan wil ik teruggrijpen naar waar deze uitdaging in de eerste plaats voor mij voor stond: kunst die mijn leven veranderde. En hoe hard ik ook probeer om alle mogelijke kunst te waarderen en begrijpen, een aantal kunstwerken die mijn leven veranderden, zijn – niet verrassend – gemaakt door mensen die mij het meest dierbaar zijn.

Of hun werk de tand des tijd doorstaat en op een dag bij het beste van de kunstgeschiedenis zal worden gerekend, weten we pas over een eeuw. Maar ik leef vandaag, en voor mij is het totaal irrelevant. Wat wél telt, is dat ze mijn leven veranderd hebben, op de best mogelijke manier. En dat ze dat blijven doen, tot op vandaag.

(c) Maja Jantar
(c) Jurgen Walschot

ZAAILING #47 – Achterom kijken

Met nieuwe ogen naar het Afrikamuseum

(c) Jurgen Walschot

Er schuilt een charme in achterom kijken, een onvermoede gratie.
Hoe nijdig de winterwind ook waait en zijn neerslag langs ramen en muren smeert, ons hoeft hij niet te beroeren. Wij kunnen terugkijken op tijden toen het warmer was, toen we ons knus omheen oude denkbeelden konden scharen.

Maar wat als achterom kijken uiteindelijk averechts uitdraait?
De toekomst is al wat ons rest, wordt gezegd. Meegaan met de trends, loslaten wat verouderd is en achterhaald en toch echt niet meer van deze tijd.
Misschien hebben ze gelijk.

Maar ik kan het niet laten om achterom te kijken.
Niet dat het toen beter was, of minder wreed. Maar wel rustiger misschien. Eenzaamheid is niet meer dan een woord. Het betekent vooral meer ruimte om een mens zijn eigen gedachten te laten denken, ook al mocht je ze niet uitspreken.

Er schuilt een stil plezier in achterom kijken, een volstrekt persoonlijke heimwee.
Ik dwaal door de hallen waarin nog niet zo lang geleden alleen mijn eigen stappen weerklonken. Te midden van talloze bezoekers, uitbundig als regen op een vensterraam, vraag ik me af of we het verleden nu beter begrijpen.

Maar misschien is het verleden er juist om naar achterom te blijven kijken, net zoals de toekomst er is om naar te blijven verlangen. Daartussen, in dit moment, gloort iets wat lijkt op licht.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Mini Nieuwjaarswens

(c) KV

wat mag je wensen
als meest bevoorrechte mens op aarde
als je geluk kunt scheppen
met twee harten en vier handen
als je onder je de draagkracht weet
van een snelstromende rivier
en de thermiek onder je vleugels voelt zwellen

wat mag je wensen
als je de ogen niet wil sluiten
voor de kilte die door de kieren sijpelt
kortzichtigheid wil grijpen bij de wortel
als de wurgplant die ze is
de ijskappen sneller weet smelten dan je dessert
in de zomerzon en de vogels ziet
verdwijnen uit een alsmaar zwijgzamer hemel

verbinding misschien
tussen onze wortels nog meer
dan tussen onze takken
een gezamenlijke bloedbaan
een levensader en een hart
dat leert hoe het moet koesteren

(c) KV


Thuis is waar je je veilig voelt, toch?*

*maar Kopenhagen vond ik best oké

Als HSP door de wereld navigeren

Zweden_880 klein
Nyhavn, 17e-eeuwse wijk in Kopenhagen (c) KV

Ik heb al eerder geschreven over hoogsensitief zijn (meer bepaald hier). Ik hoorde een paar jaar geleden pas voor het eerst over dit type mensen, en het duurde even voor ik begreep dat dit ook op mij sloeg. Ik ben mezelf sindsdien op allerlei vlakken een heel stuk beter gaan begrijpen.

En toch zijn er nog momenten waarop het besef mij overvalt, als een waarheid die ik helemaal opnieuw ontdek: ik ben echt hoogsensitief.
Ik zou het intussen toch wel moeten weten, nietwaar? Maar die dunne wandjes van mij blijven heel glibberig en moeilijk te vatten. Ik kan een overdosis prikkels binnen hebben voor ik het zelf door heb. Dat komt omdat het proces vaak nogal ongrijpbaar is. Het zijn niet zozeer geuren of geluiden of andere zintuiglijke ervaringen die al te hard binnen komen, het is iets anders. Drukte. Het humeur of de uitstraling van mensen. De sfeer van een plek. Vage, onvatbare dingen die niettemin een grote impact op mij hebben.

Heel lang had ik geen woorden om dit gevoel in te vatten, en ook geen werkelijk inzicht in wat er gebeurde. En ik was het zo gewend om ‘anders’ te zijn (waarmee gewoonlijk ook ‘lastig’, ‘zwak’ of ‘vreemd’ werd bedoeld) dat ik mezelf tot op vandaag betrap op de neiging om mijn gedrag of mijn voorkeuren te bekijken door een lens die lichtjes (ver)oordeelt, waardoor ik mezelf in feite subtiel ondermijn.

Ik heb een zeer actief hoofd, en daarin zetelt een zeer actieve Rechter voor het leven. Alles wat op mij afkomt, elke fysieke, emotionele of psychologische prikkel, houdt hij tegen het licht om uit te maken of die goedaardig is, dan wel een bedreiging, of misschien gewoon hinderlijk. Gezien mijn membranen en grenzen voor prikkels zo dun zijn, betekent dit dat ik niet alleen onophoudelijk belaagd word door de wereld om mij heen, maar ook nog eens non-stop in gesprek ben met de stem in mijn hoofd die op alles commentaar heeft, in een poging te bepalen of het wel ‘veilig’ is.

Dat is behoorlijk uitputtend.

Zweden_868 klein
Fontein in Kopenhagen (c) KV

Dat is ook waarom – begin ik nu eindelijk te begrijpen – bepaalde situaties waarin ik te maken krijg met veel nieuwe, onvoorspelbare factoren, zoals ergens naartoe gaan waar ik nog nooit eerder geweest ben, zo taxerend voor mij kunnen zijn. Ik heb geen pleinvrees of zo, zo erg is het echt niet. Maar ik ben nooit op mijn gemak. Zal ik de weg wel vinden? Zal ik op tijd zijn? Zal ik de ingang/uitgang/juiste metrolijn/straat/conferentiezaal… wel vinden? Wat als ik de weg kwijtraak? Wat als er iets anders fout loopt?
Dit zijn allemaal praktische onnozelheden (en dat probeert mijn verstand mij ook echt wel duidelijk te maken), en ze zijn onschuldig en ongevaarlijk. Maar ze betekenen ook een bombardement aan onvoorspelbare prikkels – en daarom dus evenzoveel onzekerheden – waarmee ik op een of andere manier moet omgaan als ik me begeef op onbekend terrein.

Op zulke momenten is elk nieuw element een subtiele bedreiging, en ik functioneer in een continue vecht-of-vluchtmodus. Ik ben constant angstig. Niet zó bang dat ik niet meer functioneer, ik kan door die angst heen gaan, en dat doe ik ook voortdurend. Ik ben alleen juist angstig genoeg om me constant ongemakkelijk te voelen.

Zeker, het zou makkelijker zijn als ik me kon ontspannen en mee surfte op het idee dat het onbekende een avontuur is dat je aanpakt als een vorm van improvisatie. En misschien is het ook wel een beetje een mindset – zoals mij bij gelegenheid al gesuggereerd werd. Maar ik weet niet of het echt wel een keuze is, een knop die je kunt omdraaien gewoon door het te willen.
Wat ik wel weet, is dat het iets is wat heel diep gaat.

‘Ik zag dat je veel minder in je element was toen we aankwamen in Kopenhagen’, zei Jurgen. We hadden besloten om na onze residentie in Zweden nog 36 uur in de hoofdstad van Denemarken door te brengen voor we naar huis zouden vliegen. ‘Steden zijn echt niet jouw natuurlijk habitat, niet?’

Steden zijn een fantastisch voorbeeld van alles wat mij droef en bang maakt. Te veel geluid, te veel verkeer, te veel mensen (en alles wat ze uitstralen, van euforie tot duistere wanhoop, door elkaar), belabberde lucht (als astmalijder ondervind ik altijd meteen een effect van verminderde luchtkwaliteit). Ik doe oprecht mijn best om steden te appreciëren als ik daar rondloop, maar ik kan er doorgaans pas echt van genieten als ik er de weg een beetje ken, of als ik me comfortabel genoeg voel om me te ontspannen.

Zweden_877 ed klein
Haven van Kopenhagen (c) KV

Ik ben geboren in november. Zelfs als zuigeling had ik moeite om binnen te slapen. Mijn mama zette de kinderwagen in de tuin, onder onze populieren, met mij erin, ingeduffeld onder een driedubbele laag dekens, als het nodig was zelfs met een warmwaterkruik erbij. In het midden van de winter, drie maanden oud, lag ik buiten onder die bomen te slapen als een roos.

Ik heb intussen begrepen dat mijn verbondenheid met de natuur – waar ik nu op een veel bewustere manier contact mee maak, zowel fysiek als spiritueel – een van mijn belangrijkste voedingsbronnen is. In wat voor omgeving dan ook, stedelijk of landelijk, zal ik zoeken naar iets van groen, soms zoals een drenkeling klauwt naar een boei of een reddingsvest. Als ik me kan verbinden met iets levends, iets groens en gewortelds, dan heb ik het gevoel dat alles wel in orde komt. Bomen, struiken en mossen zijn mijn levenslijn naar die laag van de planeet die aanvoelt als mijn natuurlijke habitat. Het is de sjamaan in mij die thuiskomt, vermoed ik. Of het dier in mij.

Maar als er niets organisch in de nabije omgeving te bespeuren is, of het beetje groen dat er staat wordt gewurgd, gekortwiekt of in veel te beperkte hoekjes gedwongen, dan voel ik mijn luchtkraan dichtgedraaid worden.

Onnodig om uit te leggen waarom zoveel steden zo’n uitdaging vormen.
Of waarom de vernietiging van ons ecosysteem een constante aanval op mijn zenuwstelsel is.

Zweden_932 ed klein
Meta-sequoia, botanisch tuin, Kopenhagen (c) KV

Maar Kopenhagen vond ik best oké. Echt waar.

Het is een aangename stad, met veel groen en water, en ruime voetgangerszones. Er zijn overal fietsen, en niet té veel verkeer. De luchtkwaliteit valt mee. Er zijn prachtige parken en een sublieme botanische tuin. Er is mooie kunst, en lekker eten. Het lijkt me er fijn leven voor de mensen daar. Ik vond het zelfs leuk om de stad te bezoeken, en ik ben blij dat ik er geweest ben.

Maar mijn thuis, en mijn roeping, is de natuur. Zo diep en wild als ze maar kan komen. Zelfs als ik er niet voor gemaakt ben om op een of andere eenzame bergtop te gaan wonen – en tot die conclusie kwam ik deze zomer na mijn bezoek aan Gavarnie – ik heb er wel een vorm van verbinding mee nodig, op een permanente basis. Het ecosysteem is het enige niveau in dit veelgelaagde universum dat zuiver en authentiek genoeg is om mij werkelijk te voeden. Zonder dat contact kwijn ik langzaam weg. De menselijke samenleving komt voor mij in de verste verte niet in de buurt.

Het werk van David Abram leerde me dat een sjamaan niet in het dorp woont, want zijn loyauteit ligt niet bij de mensheid, of bij een volk, maar bij het grotere geheel, het evenwicht tussen alles van menselijke, dierlijke, natuurlijke en spirituele aard.
Zo werkt het ook voor mij, geloof ik. Ik zal er altijd van genieten om bij mensen te zijn, maar ik ga dood als ik verplicht word daar permanent te blijven.

Letterlijk of figuurlijk zal ik altijd de paden tussen de werelden bewandelen, en mijn loyauteit ligt bij iets onnoemelijk veel groters en levenders.

Thuis is waar je je veilig voelt, toch?
Al mijn hooggevoelige tentakeltjes ontspannen zich wanneer ik verbinding kan maken met die diepe bodem die tegelijk onze moeder is, onze levensbron en de kern van ons bestaan.

Voor mij is er geen andere plek die ik thuis kan noemen.

Zweden_936 ed klein
Meta-sequoia, botanische tuin, Kopenhagen (c) KV