Het goede leven

De eerste reis met ons twee in zeventien jaar samen

Italië 1_067 ed cut
(c) KV

Hoe leg je uit dat je voor het eerst in twaalf jaar huwelijk en zeventien jaar samenleven met je echtgenoot op vakantie gaat? Want op dat punt sta ik nu.

Niet dat we in al die jaren geen verlof namen, of dat we nooit eerder naar het buitenland gingen. Maar elke vakantie die Christophe en ik tot nu toe ooit hadden, werd gepland en gehouden in functie van – aanvankelijk – zijn kinderen, en – later – onze zoon. Dat komt ervan als je valt voor een man die twee jonge kinderen heeft, natuurlijk. Op de leeftijd dat andere koppels Italiaanse wijn nipten met zicht op de wijngaard, of met de rugzak door Australië trokken, bouwden wij zandkastelen aan de Belgische kust, in een poging een band te krijgen met twee geperturbeerde kinderen in die paar weken voor zij weer voor zes maanden naar hun moeder terugkeerden, en wij weer naar ons werk.

Er zijn in het verleden momenten geweest dat ik daar, egoïstisch misschien, spijt van had. Ik had me mijn ‘beste’ jaren beslist anders voorgesteld. Maar je speelt met de kaarten die je krijgt, zoals een dierbare vriendin zou zeggen, en ik was absoluut zeker dat dit de man was die ik wilde, dus dan moest ik alle bagage die hij met zich meebracht er bij nemen.

Fauch_736
(c) Zonsondergang in Fauch

Toen mijn ouders naar het zuiden van Frankrijk verhuisden, ontstond er spontaan een nieuw patroon. We gaan er minstens een keer per jaar naartoe, doorgaans in de zomer, wat wil zeggen dat we in plaats van zandkastelen te bouwen aan zee nu met onze achtjarige zoon in het zwembad spelen, en we een aantal van dezelfde plekken elk jaar opnieuw bezoeken. Soms voelt dat als thuiskomen. Soms wordt het een beetje saai – hoe graag ik voor de rest ook bij mijn familie ben. Soms hangt er iets magisch in de lucht, zoals dat dit jaar een week lang het geval was – daar kom ik op een andere blog op terug. Maar meestal is het een huiselijke en ontspannen vakantie waarin er niet veel voorvalt. Hoewel we ondertussen toch al eens wijn kunnen gaan proeven op het château van een of andere Franse wijnbouwer. We boeken vooruitgang.

Christophes zonen zijn ondertussen bijna volwassen, en gaan steeds minder vaak met ons op vakantie. En vorig jaar gooiden mijn moeder en onze toen zevenjarige zoon het onverwacht op een akkoordje om hem twee weken langer in Frankrijk te houden dan ons verlof duurde. Het werkte perfect, en het hele afgelopen jaar smeedden grootmoeder en kleinzoon plannen voor een volgend, zomerlang, verblijf.

Dus daar zit onze jongen nu. Hij plonst in het zwembad en wordt rotverwend door zijn grootouders. En wij zijn kinderloos en vrij om te gaan waar we maar willen, voor de allereerste keer.

We brachten in een week door in Fauch, samen met iedereen – de week waarover ik het binnenkort zal hebben – en vertrokken toen van daaruit met ons twee. We brachten een nacht door in het appartement van een vriend in Grenoble, en staken de zuidelijke Alpen over naar Italië, waar we de streek van Abruzzo willen verkennen – waarom leg ik uit in een volgende blog.

Italië 1_060 ed cut2
(c) KV – Zwembad met uitzicht

De eerste twee nachten brachten we door in de B&B van vrienden van Christophes ouders, gelegen op de heuvel van het dorp Montefiore dell’Aso. Het uitzicht is er zacht gezegd adembenemend, en het is de ideale plek om het stof en de hitte van de reis van ons af te spoelen – ik koop nooit – nooit! – meer een auto zonder airconditioning, hoe nobel en ecologisch mijn idealen voor de rest ook zijn.
Van hieruit trekken we verder zuidwaarts, naar Abruzzo.

Italië 1_061 ed2
(c) KV

Dit voelt een beetje als een huwelijksreis, glimlachen we naar elkaar. En dat doet het ook, behalve dat dit niet onze huwelijksreis is. Dit is, denk ik, eigenlijk nog leuker.

We zijn ondertussen bijna twaalf jaar getrouwd, en we leven zeventien jaar samen. In een stabiele, liefdevolle realtie wil dat zeggen dat je de andere persoon heel goed kent. Christophe en ik vullen elkaar goed aan, en op de punten waar we elkaar minder vinden hebben we aardig leren navigeren. We voelen ons op ons gemak bij elkaar op een manier die er niet spontaan is in een jonge, romantische relatie.

Dat alles samen zorgt voor een heel ontspannen soort avontuur. Uitvissen welke interessante sites in de regio en bezoekje waard zijn (veel te veel!), beslissen waar we gaan eten, een slaapplek zoeken voor de volgende dagen… Niets van dat alles heeft het gestresseerde randje dat het in de prillere dagen van onze relatie zou hebben gehad, toen Christophe de gewoonte had om het in Latijns-Amerika te stellen met het absolute minimum, en ik het brave meisje was dat nog nooit ergens heen was gegaan zonder haar ouders. Zijn verhalen van derderangs hotelkamers met weggerotte badkamerdeuren en niet werkende toiletten deden zijn verkoopspraatje om samen op reis te gaan niet veel goed. En natuurlijk waren er de kinderen, die zowat alles uitsloten wat iets te buitenissig was.

Italië 1_101
(c) KV – Avond in Montefiori dell’ Aso

Ik word dit jaar veertig, en ik voel me veel meer op mijn gemak dan vroeger. In tegengestelling tot veel mensen, die wat meer comfort appreciëren naarmate ze ouder worden en hoger klimmen op de professionele ladder, heb ik geen nood meer aan de luxe van deze eerste, prachtige B&B om me goed te voelen – hoewel het een schitterende plek is om even te ontspannen. Ik kan om met de onzekerheid om niet te weten wat onze volgende bestemming is, en ik verwelkom de teleurstellingen en de foute inschattingen die onvermijdelijk horen bij een ongeplande reis met de glimlach.
Christophe van zijn kant is minder geneigd om te vervallen in extremen. We kennen elkaars voorkeuren en afknappers, en in tegenstelling tot sommigen lijden we geen van beiden aan de veel voorkomende ziekte van ouders dat ze zich zonder hun kinderen plots nog maar een half mens voelen. We denken natuurlijk wel aan ze, maar we dansen moeiteloos onze pas-de-deux. Dat ondervonden we vorig jaar ook al, toen we totaal onverwacht even zoonloos waren. Dus genieten we van elkaars gezelschap, en van alles wat de weg zal brengen.

Italië 1_180
(c) KV – Fresco’s in de kerk van Santa Maria della Rocca (Offida)

Gisteravond dineerden we in het oude dorp en maakten een nachtwandeling door de smalle straatjes. Vandaag bezochten we een prachtige kerk vol fresco’s in het nabijgelegen stadje Offida, en gaven onszelf in de namiddag vrijaf om te ontspannen en logies te regelen voor de volgende etappe van de reis. Vanavond eten we in een ander oud stadje, met zicht op zee.
En nu zit ik hier dus te typen bij het zwembad, met een oog op de zwaluwen die nu en dan langs scheren voor een teug zwembadwater, en ik voel me heel, heel erg bevoorrecht.

Italië 1_224 ed cut
(c) KV

Het goede leven, noemen ze dit. Ik ga genieten van elke druppel.
Net als van die Italiaanse wijn, die ik nu misschien ook ga proeven.

Advertenties

Wachtpost

Voor het zoveelste jaar op rij gingen illustrator/vriend/creatieve zielsverwant Jurgen en ik deze zomer op hetzelfde moment op vakantie naar dezelfde streek , elk met ons gezin, elk met/bij (schoon)ouders, elk ergens in een afgelegen huis tussen de velden op een half uurtje van Albi, en op goed tien minuten rijden van elkaar.

Je zou zeggen dat we het erom doen, maar dat is echt niet zo. De parallellen tussen ons zijn bij momenten gewoon zo opmerkelijk dat ze grappig worden. Of een beetje griezelig.

De aanleiding voor Zaailing #12 is nog zo’n mooi voorbeeld.

 

Na bijna twaalf uur in de auto op weg naar het zuiden is de snelweg verlaten in Montauban altijd een opluchting. Het laatste uur gaat het voornamelijk over kleinere banen, en één bijzonder moment is altijd een bossige heuveltop oversteken en het dal van Gaillac in de diepte zien liggen. Tegen een nabijgelegen helling is een huis gebouwd, en in de tuin daarvan prijkt een majestueuze, oude parasolden. Die boom valt me telkens weer op, dit jaar zei ik het zelfs tegen Christophe. Die kent mij ondertussen goed genoeg om niet meer op te kijken van een echtgenote die, ook als ze haar ogen op de weg heeft, allerlei bomen in het landschap aanwijst.

Eenmaal in Fauch gaf ik Jurgen een teken van leven, en kreeg prompt te horen dat hij  een nieuw idee had voor een Zaailing. Over de haas, of de hop misschien (erg mooie, schuwe vogel) die hij al meteen bij aankomst zag en waarover hij zo enthousiast was? Nee nee, over een mooie parasolboom op de weg naar Albi, die hij bij wijze van traditie elk jaar fotografeerde.
Ik: Ah, ik wees er daarstraks juist ook zo’n mooie aan.
Hij: Toch niet die ene, dáár, op die plek?

We zijn ondertussen op het punt gekomen dat dit soort dingen mij niet meer verbaast.
Ik ga er breed van grijnzen, dat wel.


 

 

Zaailing #12   Wachtpost

 

De stam is nauwelijks dikker geworden. Maar de kroon is wat voller, en die ene kwetsbare tak hangt wat lager. Nog altijd groen, dat wel.

Je kent hem goed, deze boom. Je kijkt naar hem uit tegen het einde van de bochtige klim. Hij is de wachtpost afgetekend tegen de hemel boven de vallei, de silhouet die aangeeft dat de bestemming in zicht is.

Je bent bijna thuis.

 

parasolbomen
(c) Jurgen Walschot

Jaar na jaar steek je, net als hij, je wortels hier wat dieper. Terugkeren naar dezelfde plek betekent je haar eigen maken. Je toetst herkenningspunten af, wordt verrast door wat er veranderd is in je afwezigheid.
Je graaft je in, en je staat het land toe jou te veranderen. Langzaam, elk jaar een heel klein beetje. Tot je het punt bereikt waarop je beseft dat je vertrouwt op de bodem, en dat die je zal dragen – zelfs bij slagregen, wind of lange droogte.
Dat soort wisselvalligheden deren de parasolden ook niet. Hoogstens lost hij wat naalden.

Soms ergert het je, die verknochtheid. Ze heeft iets kleins en beperkends, als van een kind dat op veilig speelt. Is het dan niet beter een zwerver te zijn, een vagebond, nergens thuis en niemand iets verplicht? Een trekvogel, desnoods. Die blijft tenminste in beweging.

Maar het landschap spreekt dat tegen.

Niets in deze wuivende wereld is immers ooit stil. De hartslag van dit land klopt diep en dierbaar. De lome hellingen met stroken kreupelhout geven het tempo aan van ongehaaste seizoenen en levens die zich ontrollen. Je weet: je mag hier zijn. De horizon, vaag blauw en wazig als op een middeleeuws landschapsschilderij, heet je welkom maar verplicht je tot niets.

Vlieg als je dat wil, ruist het land, maar je hoeft niet te vluchten. En elke keer als je landt, wacht ik met open armen.

Als je na een paar weken, met tegenzin op de terugweg naar grijzere oorden, weer langs de statige groene wachtpost komt, neem je zwijgend afscheid. En belooft hem dat je terugkomt.

Want thuis, eenmaal herkend, is de magneet waarnaar ons kompas zich onweerstaanbaar, juichend, wendt.

parasolboompje
(c) Jurgen Walschot

 

ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

 

De ruimte liefkozen die ons scheidt

(c) KV

Mensen zijn misschien wel de eenzaamste wezens op de planeet.

Opgesloten in ons eigen perspectief kijken we naar de wereld vanuit onze kooi van mentale misverstanden, met tralies die ons telkens weer het zicht belemmeren, al is het maar een beetje.

Hoe reik je naar iemand door die smalle repen ruimte om hem aan te raken — écht aan te raken?

Hoe verbind je en verenig je, dwars door de kwetsbaarheid, de obstakelrace van struikelende goede bedoelingen, heen?

Misschien als we de ruimte liefkozen die ons van elkaar scheidt dat onze zielen elkaar vinden, en hun lied weerklinkt in resonerende stemmen.

(c) KV

 

Verzadiging

(c) KV

Het voelt een beetje als herfst, of als een oud huis waarin je juist iets te lang hebt gewoond.

Niet dat de oogst tegenvalt, of dat het huis niet dierbaar is. Maar er heerst een vermoeidheid, een gevoel van verzadiging — je bent hier lang genoeg geweest. Laten we de appels binnenhalen en de wereld buitensluiten, laten we de vensters dicht doen en vertrekken.

De vakantie komt eraan, en ik zit met mijn gezin in Frankrijk, om mijn ouders terug te zien na een aantal maanden afwezigheid, en dan trekken mijn man en ik door naar Italië.

(c) KV

Ondertussen staat mijn oude leven — artikels schrijven, vergaderingen bijwonen, toezicht houden op huiswerk, was en plas — even op pauze. De luiken van de alledaagse beslommeringen zijn gesloten. De dingen mogen een klein beetje uit elkaar vallen.

Ik hoop dat er schoonheid en warmte zal zijn op die ontspannen kronkelende vakantieweg. Ik hoop dat ik zal kunnen schrijven.

Ik ben van plan om schatten mee terug te brengen van mijn reis, en de gloed van de zon. En als ik hier weer binnen stap, zal ik met plezier de luiken weer openen.

(c) KV

 

Hemeluitvaart

Zaailing #11

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut1

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut titel

De lucht is een deken waarop hij rust met gespreide vleugels.

Van op de spiraal van thermiek die hem draagt, kan hij ze zien – de uitstekende rots waar de vreemd geklede, kleurrijke en lawaaierige wezens die hem aanbidden hun geschenken heen brengen.
Ze is verlaten nu, leeg zoals de immense, holle hemel. Maar beneden in de vallei kruipt een rij figuurtjes niet groter dan mieren langzaam de berg op. De wind die door de pas waait, draagt het vage geluid mee van gezang, de echo’s van klokken.

Hij weet hoe het zal zijn.

Op de uitstekende rots zullen ze zich verzamelen. Ze zullen wuiven en bidden en uitpakken wat ze meegebracht hebben. Sommigen zullen neerknielen met water in hun ogen. De heldere weerschijn ervan zal zichtbaar zijn tot waar hij mee zeilt op de wind.

Terwijl de sliert zich als een trage slang de rotswand op slingert, verschijnen zijn verwanten. Zwevende schimmen in de verte, een enkele lome vleugelslag. Ze heersen met velen over de hemel.

Op de helling beneden zal het dode vlees uitgekleed en uitgestald worden. Als een toegift voor hen zal het gevild worden. De ledematen zullen losgesneden worden, de beenderen verbrijzeld. Dat is voor de kleurrijke stoet altijd het moeilijkste moment: de bij leven gekoesterde lijven worden onherkenbaar, een voorbereiding op de overgang.

Walsend op de wind zal de geur van bloed en ingewanden opstijgen, als een uitnodiging.

Ze zullen neerstrijken waar er op hen gewacht wordt en aanschuiven aan het feest. Elke reep vlees, elke peesdraad, elke laatste botschilfer zullen ze op maken, want ze weten dat wat hen gebracht is niet minder is dan het allerdierbaarste.

En wanneer het maal voorbij is, zullen ze één stam zijn. Als deel van zichzelf nemen ze de doden mee, de eindeloze hemel in. Zo wordt de droom van de wereld werkelijk. Want alles wat veroordeeld is tot de grond verlangt ernaar te vliegen.

De klokken en gezangen hebben het platform bereikt. Over de berg daalt de stilte van verwachting.

De gier scheert langs de lijn waar rots en lucht de wereld onder elkaar verdelen, stijgend en dalend in pieken als een rafelige hartslag. Hij buigt zijn hoofd voor de krachten die alles regeren, en begint, omringd door zijn vleugelschare van verwanten, aan de afdaling.

2017 07 05 #11 hemeluitvaartv2 cut 6

 


 

Een ‘hemeluitvaart’ (sky burial) is een traditie in sommige delen van Nepal, Tibet, Mongolië en China waarbij de lichamen van de overledenen niet worden begraven of verbrand, maar op de berghelling aan de gieren worden gegeven. De lege huls van het lichaam gaat terug naar de natuur, de ziel is vrij om te vertrekken naar de volgende incarnatie.
Duiding vind je hier. De fotoreportage van een echte sky burial zie je hier. (Opgelet: confronterend beeldmateriaal.)

 


ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

 

Welkom in de B-ploeg

 Zwemmen in de stroom waar je thuishoort

Page3 cut1 N.jpg
Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Als kind wilde ik schrijver worden. Ik schreef notitieboeken vol verhaaltjes, typte hele schoolvakanties weg. Ik kom uit een gezin waar mensen boeken verslonden als ze er de tijd voor hadden (voor mijn ouders betekende dat doorgaans: de vakanties), en waar lezen altijd en overal werd aangemoedigd. Dus ik dacht dat het wel goed zat toen ik aan de universiteit literatuur ging studeren. Maar dat klopte toch niet echt.

Tegen de tijd dat ik klaar was met het middelbaar, had ik zowat de hele kinder- en jeugdvleugel van de bibliotheek gelezen. Maar de overstap naar literatuur voor volwassenen vond ik helemaal niet zo eenvoudig. Plots waren een aantal van de dingen waarvan ik in boeken zo hield spoorloos verdwenen. Verbeelding. Hoop. Warmte.

De studie taal- en letterkunde aan de universiteit trok mijn wereld open op meer dan één manier. Ik ontdekte schrijvers en oeuvres waar ik voordien nooit van gehoord had. Mijn proffen introduceerden me ook tot de diverse literaire tradities, het werk van eigentijdse auteurs en, misschien nog het belangrijkste: de analytisch gestructureerde manier om een boek te lezen en te begrijpen.

Maar die jaren waren niet alleen een tijd van intense, nuttige opleiding. Ze waren ook het moment waarop ik ontdekte dat ik wel grootgebracht was met liefde voor boeken, maar niet met kritische zin om kwaliteit te onderscheiden. Mijn ouders, leerde ik, lazen niet meteen grote literatuur. En de academische wereld hamerde de boodschap er bij mij stevig in: er was ‘goede’ literatuur, meesterwerken die conventies hadden getrotseerd, een universele snaar beroerden en de eeuwen zouden overleven, en er was — al de rest.

Hoe ambitieus je als jonge kunstenaar ook bent, meestal heb je toch wel genoeg realisme om te begrijpen dat toegelaten worden tot de literaire canon geen evidentie is. Maar als ze zeggen dat je doorgaans het soort boeken gaat schrijven dat je zelf graag leest, wat moet je dan met de ontmoedigende ontdekking dat datgene waar jij van houdt door de experten niet bepaald bij het kwalitatief werk gerekend wordt?

Een vol jaar lang na mijn afstuderen van de Germaanse schreef ik met enorme vertwijfeling. Onbewust werkte ik met maatstaven waaraan ik onmogelijk tegemoet kon komen, omdat ze niet strookten met wie ik was. En erger: ik las niet. Ik was het moe om boeken te lezen waarvan ik geleerd had dat ze ‘goede literatuur’ waren maar die me alleen maar deprimeerden door hun onderwerp, stijl of benadering van de wereld, en ik was bang om te genieten van iets wat misschien weggezet kon worden als triviaal. Die innerlijke worsteling zette me klem in de hoek waar verstomming en verlamming elkaar treffen.

Het boek dat mijn redding werd, was The vintner’s luck van Elizabeth Knox. Daar was het ineens: geschreven in het verfijnd soort poëtisch proza dat ik niet alleen was gaan appreciëren dankzij mijn opleiding maar waarvan ik oprecht hield, en tegelijkertijd een verhaal dat zo ver als maar mogelijk af stond van het in hedendaagse Nederlandstalige fictie zo diep ingeslepen realistisch cynisme. Knox’ roman over de liefde van een Franse wijnbouwer voor een engel die hij een nacht per jaar ontmoet gedurende zijn hele leven opende voor mij een universum van verbeelding, sensualiteit en emotie, geschreven in een taal even subtiel en bedwelmend als zware wijn.

Het voelde als eindelijk aankomen op de plek waar ik thuishoorde. Dit was kwalitatief werk dat mijn hart en ziel beroerde. Dit was het soort boek waarvan ik hield. Dit was het soort werk dat ik zou gaan schrijven.

Page11 cut 1 N

Tot ik het probeerde uit te geven.

Mijn geschreven teksten botsten op een gelijkaardig oordeel als mijn leesvoorkeuren op de universiteit hadden gedaan. Nu lag dat voor een deel beslist aan gebrek aan ervaring en een onvolledig beheersen van het ambacht, zoveel mag duidelijk zijn. Het is niet omdat je mikt op kwaliteit dat je die ook kunt voorleggen. En ik had nog veel te leren. Debutanten die meesterwerken produceren bestaan, maar ze zijn zeldzaam. Maar later werden een aantal van mijn rijpere manuscripten alsnog geweigerd, soms om evenveel verschillende redenen als ik uitgevers had aangeschreven. Elementen die de ene bijzonder geapprecieerd had, waren voor de andere precies de reden om het werk onuitgeefbaar te verklaren.

Het maakte me gek van onzekerheid. Blijkbaar kon niemand me vertellen was ‘goede’ literatuur nu precies was, laat staan hoe je die schreef. Al wat ik wist, was dat ik blijkbaar iets verkeerd deed. Of misschien was dat zelfs niet eens zo, maar kon men mijn werk toch niet smaken, terwijl er stapels boeken uitgegeven werden die ik niet graag las en die ik zelf nooit zou kunnen — of willen — schrijven.

Welkom bij de B-ploeg, schreef Jurgen Walschot, in een poging me op te vrolijken met zijn gebruikelijke mix van humor, ironie en warmte, toen ik weer eens tegen mijn oude muren van perfectionisme aan was geknald en mijn wonden likte, bang dat niets van wat ik deed ooit ergens toe zou leiden. Liever de tevreden hobbyist dan de ongelukkige, gefrustreerde zogenaamde professional.

Hij had gelijk, zelfs al waren we het in feite ondertussen allebei wel, professionals. Maar op een of andere manier moet je het punt bereiken waarop je stopt met je aan te trekken wat mensen denken, of in welk vakje je werk al dan niet geklasseerd zal worden. Je moet stoppen met piekeren en het beginnen maken.

Page15 cut 1 N.jpg

Maar het blijft een glad en hellend vlak, om meer dan één reden.

Een voorwaarde voor lidmaatschap die de Vlaamse Auteursvereniging (waar ik zelf tien jaar in het bestuur zat) naar voren schuift, is dat schrijvers minstens één gepubliceerd werk bij een erkende uitgever (of een voorstel tot contract) moeten kunnen voorleggen.
Dit is het soort maatregel dat actief de bedoeling heeft om de auteurs te scheiden van de amateurs. Uitgevers worden beschouwd als de poortwachters van kwaliteit: als je voorbij hun deur geraakt, heb je het recht verdiend om serieus te worden genomen binnen je genre.

Maar wat als kwaliteit toch niet meer voorbij die uitgeversdrempel raakt?

Om een bekende uitdrukking even naar mijn hand te zetten: ik schiet niet op de uitgever — een uitzondering niet te na gesproken. Zij hebben uiteraard keuzes te maken, en velen van hen doen dat met integriteit en liefde voor de job. Maar de boekenwereld kreunt steeds meer onder de wetten van de markt, en nogal wat schitterend werk geraakt eenvoudigweg niet uitgegeven omdat gevreesd wordt voor een commerciële afgang.

Begrijpelijk? Absoluut.
Te betreuren? Die vraag zou ik redelijkerwijs zelfs niet hoeven te beantwoorden.

Dus enter de B-ploeg, en de professional die het werk maakt dat hij voelt dat hij moet maken, die de uitgevers langszij passeert en het in eigen beheer uitgeeft in een oplage van amper vijftig exemplaren die hij vervolgens verkoopt aan vrienden en familie, als de eerste de beste amateur.

Er was een tijd dat ik daar gillend voor zou zijn gevlucht. Maar toen de uitnodiging kwam, in de vorm van Jurgens uitgestoken hand, en de ervaring van gedeelde creatieve stroom die even voedend en verleidelijk was als ooit een engel in een Franse wijngaard op een beslissend moment in mijn leven, wist ik dat ik klaar was om mijn oude wereld de rug toe te keren.

Page19 cut 1 N.jpg

De afgelopen maand hebben we de laatste hand gelegd aan Stroom, een graphic poem (bij gebrek aan een beter woord) van 50 pagina’s. We hebben het opgestuurd naar een aantal uitgevers in Vlaanderen en Nederland, om de watertemperatuur te testen en de levensvatbaarheid van ons mooie, kleine project af te toetsen. We kregen al wat fijne feedback, en we wachten op een aantal definitieve antwoorden.

Tegelijkertijd verkennen we de mogelijkheden voor Engelse of Franse versies van het boek. We hebben geduld, maar ondertussen werken we door.

En we weten dat Stroom er komt. Uitgegeven in de A-klasse, of gemaakt door de B-ploeg. Hoewel de ene optie om duidelijke redenen zoveel prettiger en makkelijker zou zijn dan de andere, kan het mij in alle eerlijkheid niet meer schelen welke het wordt.

Want hoe weet je nu dat je kwaliteitsvol werk maakt? Misschien is het antwoord gewoon dat je dat niet kunt weten.

Het enige waar je op moet afgaan, is of je zwemt in de stroom waar je thuishoort.

En dat doe ik.

Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Je wandelt Mordor niet zomaar binnen

Ik heb een Frodo-en-Sammomentje.

Terwijl ze uitkijken over Mordor, doodmoe en overweldigd door de verwoestende kracht die ze op hun pad zien opdoemen.

qjd5b

In eerdere blogs heb ik mezelf wel eens beschreven als een gier: majestueus zwevend op hoge thermiekstromen, maar afdalend naar grondniveau om daar het nederig werk te doen, dat een apart soort kracht vraagt: donker en rottend materiaal opkuisen.

Veel van dat donker en rottend spul kom ik tegen in het leven van elke dag, en heeft te maken met de pijn die ik zien in de mensen om mij heen. Ik ben geen genezer, in de zin dat het niet mijn roeping is om met hen een therapeutische relatie aan te gaan en hen zo te helpen openbloeien tot sterkere, gelukkiger en gezondere versies van zichzelf. Maar ik neem wél dingen waar die onder het oppervlak stromen, gedragspatronen die ontstonden uit puur overlevingsinstinct tijdens de kindertijd, die onbewust het zaakje hebben overgenomen en nu aan de touwtjes trekken zonder dat we het door hebben. En ik voel de nood om die aan het licht te brengen en daar op een of andere manier iets mee te doen, ten goede.

Vreemd of arrogant als het misschien klinkt, maar het lijkt een beetje op röntgenzicht: ik kijk onder de oppervlaktelaag van de alledaagse redeneringen naar de psycho-emotionele bedrading daaronder. Terwijl het computerprogramma draait, zie ik de energiestromen in de hardware en de software, en hoe alles met elkaar communiceert. Ik kan redelijk goed duiden wat er voor iemand aan de hand is in een bepaald facet van zijn leven, of in meer dan één facet, en als ik dichter mag komen, kan ik vaak nog veel dieper graven.

Groen & jonkies_020.JPG
(c) KV

Ik wil ook echt dat de mensen die ik graag zie (of iedereen, eigenlijk) mogen openbloeien tot sterkere, gelukkiger en gezondere versies van zichzelf, en ik hoop daar een beetje aan bij te dragen door iets te delen van wat ik voel en zie, als ze ervoor openstaan. Ik doe dat heel graag, en min of meer spontaan, want dat röntgengedoe is er altijd, of ik dat nu wil of niet.
Het voelt als een bescheiden manier om iets bij te dragen aan de wereld.

En gelukkig is het niet dat wat voor mijn Frodo-and-Sammoment zorgde.
Hoewel het wel verband houdt met al het bovenstaande, heeft mijn moment van wanhoop eerder te maken met de toestand van de wereld.

Het zal ondertussen wel duidelijk zijn: ik ben een nogal gevoelig mens, en die gevoeligheid is in de loop van de jaren nog aangescherpt door bewust te leren omgaan met al wat ik oppikte én het verfijnen van mijn ambacht (een deur waar een verhaal doorheen mag waaien, zie Zaailing #8).
Voeg daar nog mijn recent verworven bewustzijn over onze constante communicatie met de meer-dan-menselijke wereld aan toe (bedankt, Bill Plotkin and David Abram), en een sjamanistisch aandoende loyauteit ten opzichte van het levende, ademende web van al wat leeft en wat dat ons kan vertellen, en ik weet zeker dat het plaatje duidelijk is: daar sta ik, met al mijn sluizen open, en de wereld stroomt van alle kanten naar binnen.

Een heleboel dingen die op dit moment gaande zijn in de wereld hebben veel weg een giftig, destructief moeras waar de agressieve neoliberale, egocentristische drang om te veroveren, controleren en vernietigen het bewind voert.
Mordor dus, als je het mij vraagt.

Dat is meer duister en verrotting dan ik op dit moment aan kan.

Van Trump tot IS, van het Europese neoliberalisme tot de wereldwijde vernietiging van onze natuurlijke leefomgeving, van de tekenen van enggeestig racisme in de dorpsstraat tot politiek haat zaaien op grote schaal: soms heb ik het gevoel dat ik giftige dampen inadem. En ik raak buiten adem.

Ik heb steeds de hoogten opgezocht — kunst, schoonheid, natuur, het ontastbare of spirituele — om mijn batterijen op te laden. Dat is nog altijd zo. Mijn creatieve werk (Zaailingen, blogs, het boekje dat aan het voortvloeien is uit Stroom) en de tijd die ik neem om mij te verbinden met de natuur worden steeds belangrijker om mij in evenwicht te houden.

Voor mijn werk als journalist heb ik in de loop der jaren stapels boeken gelezen over allerlei sociale en milieugerelateerde kwesties. Ik heb geschreven — ook op deze blog — over de rechten van mannen en vrouwen, over racisme en homofobie.
Ik trek het mij allemaal aan.

Maar als ik blader door de brochures van de uitgeverijen voor het komende seizoen, merk ik dat aarzel om nóg een boek aan te kruisen over vrouwenrechten, sociale ongelijkheid, de staat van het ecosysteem, het politieke landschap, de wereld.
Ik weet niet of ik ze wel wil lezen en in me opnemen. Ik weet niet of ik ze nog kan verteren.

Ik ben moe.
De tegenstand is zo overweldigend.

Ja, ik besef dat ik al zes maand lang geen deftige week vakantie meer heb genomen. Natuurlijk ben ik moe.
Ja, ik besef dat er méér is dan slecht nieuws. Sommige verhalen die ik hoor over hoe gemeenschappen zich engageren en hoe mensen transformeren zijn bijzonder hoopgevend.
Ja, ik besef dat het beter is om één kaars aan te steken dan te vloeken op het duister (Confusius voor president!).

(c) KV

Maar toch: ik ben moe. Ik merk dat ik wil vluchten.
Ik heb er geen zin meer in om nog een petitie te tekenen, nog een smeekbede te delen, nog een argumentatie op te bouwen. Ik heb het gevoel dat ik het moet opnemen tegen Mordor.

Maar net als Frodo weet ik dat doorgaan de enige optie is.

Dus laat ik maar wat bijslapen. Wat kracht opdoen. Laat ik die vakantie maar nemen en ten volle genieten van al mijn creatieve ondernemingen. Ik zal het allemaal nodig hebben als ik mijn einddoel wil bereiken.

Wat dat ook is. Wat de uitkomst ook moge zijn.
De tocht moet gemaakt worden.

(c) KV