Zichtbaar – met of zonder schulp

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #3



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien


De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Het zijn wellicht twee van de meest fundamentele menselijke basisbehoeften: we willen contact ervaren met anderen, maar we willen ons óók veilig voelen. En in de praktijk lijken die twee vaak incompatibel.

Mensen hebben vaak iets weg van dieren in hoe we de wereld benaderen. Dus rollen we ons op als egeltjes, met alle stekels naar buiten toegekeerd, en begrijpen vervolgens niet waarom anderen ons niet durven aanraken. We kruipen weg in diepe schulpen en achter dikke pantsers, en verwonderen er ons oprecht over dat we onzichtbaar zijn.

Over hoe de dynamieken van (on)zichtbaar zijn zich manifesteren in mijn eigen leven, kan ik een boek volschrijven – en ik ken nog iemand anders voor wie dat op andere manieren minstens even hard geldt (maar die kruipt nu waarschijnlijk in zijn schulp 😉 ).
Laat het volstaan om te zeggen dat ik mijn handen vol heb gehad met pogingen om tot een persoonlijk evenwicht te komen, en waar mij dat op menselijk vlak al snel vrij aardig begon te lukken, had ik waar het mijn werk betrof tot voor kort de ervaring dat ik bleef falen. Als schrijver ervoer ik mezelf (en mijn werk) nog altijd als behoorlijk onzichtbaar.

Voor de duidelijkheid: onzichtbaar zijn biedt behalve teleurstelling ook veiligheid. En schoonheid. Er verscheen laatst een fantastisch mooi boek over de subtiele troeven en nuances van níet zichtbaar zijn, van de hand van Akiko Busch. Maar hoezeer ik onzichtbaarheid en camouflage ook waardeer en tot op zekere hoogte zelfs nodig heb, hoeveel innerlijke veiligheid het ook biedt, als het aankomt op je werk de wereld in krijgen is het geen vruchtbare strategie.

Naarmate mijn samenwerking met Jurgen in de loop van 2017 steeds solidere vormen aannam, merkte ik dat er bij mij iets veranderde. Ik werd op een diep en zeer fundamenteel niveau gevoed door onze creatieve dialoog, zowel als kunstenaar als als mens, tot in mijn kern.
En dat had een interessant neveneffect. Ik maakte ons werk daardoor behoorlijk zichtbaar: ik praatte er met veel enthousiasme over tegen vrienden en familie, in conversaties met kennissen of toevallige ontmoetingen, op sociale media. En ik merkte dat ik daar goed in was, veel beter dan ik ooit geweest was in het zichtbaar maken van mijn soloprojecten.

(c) deAuteurs

Toen Jurgen me eind 2017 schijnbaar achteloos de link forwardde van beheersvennootschap deAuteurs, met daarin een oproep voor kandidaten om zich te melden voor een duo-residentie schrijver & illustrator in Björköby (Zweden) in het najaar van 2018, vond ik het vooral een compliment dat hij het zag zitten om twee weken lang samen met mij in the middle of nowhere te gaan werken.
Geen van beiden verwachtten we er veel van, maar we dienden toch een dossier en een aanvraag in. In Jurgens woorden: “Zo weten ze daar ook dat wij bestaan.” Zichtbaarheid, jawel. We werden er stilaan wat beter in. We staken al eens ons kopje voorbij de rand van onze schulp.

Brief en dossier vertrokken richting deAuteurs op mijn verjaardag. Het zou nog maanden duren eer we wisten welk duo naar Zweden mocht, en ik kon dat hele residentiegedoe heel goed loslaten, maar naarmate de datum van beslissing en bekendmaking naderde, werd het toch spannend. Op de dag van de waarheid was het lang geleden dat ik een mail had geopend met hartkloppingen, maar toen dus wel.

Ik greep mijn gsm om Jurgen te laten weten dat hij zijn mail moest checken, en zag aan de binnenlopende sms dat dat niet nodig was: “We gaan naar Zweden!!”
Het leek erop dat we nóg een stuk zichtbaarder gingen worden.

Met het vooruitzicht van de residentie ontstond er een nieuwe dynamiek. Waaraan konden we daar gaan werken? Misschien was dit wel het uitgelezen moment om de ‘volwaardige’ versie van De serres van Mendel weer op tafel te leggen. We zouden er immers ook het eerste SmåBUS Kinderboekenfestival meepikken.

Het voelde aan als een goed idee. Maar mijn jaren van wachten op antwoord van uitgeverijen hadden mij wel wat wijzer gemaakt dan aan een boek te werken tot het helemaal af was en dan pas te gaan aankloppen bij een fonds in de hoop op interesse. Dit boekidee gingen we op voorhand ‘pitchen’, met de tekst van het kortverhaal en een selectie van Jurgens prenten als visitekaartje. We wilden zicht op publicatie vóór we hier maanden van ons leven gingen insteken, niet omgekeerd. En als er geen interesse voor bleek, tant pis. Dan gingen we in Zweden wel twee weken lang Zaailingen maken, of zo.

Ik schreef vier mails naar vier verschillende uitgevers, waarvan er drie behoorlijk snel aangaven geïnteresseerd te zijn, en er één zelfs de telefoon nam en me opbelde voor een afspraak. Dat was me om eerlijk te zijn nog nooit overkomen. Hier hebben we iets, voelde ik, net als toen we met de Zaailingen begonnen. Hier hebben we echt iets krachtigs in de knop.

De uitgever die ik thuis een uur lang aan tafel had, bleek ook degene die het meest op onze creatieve golflengte zat, zowel qua benadering van het verhaal, als qua bereidheid om de beelden en de vormgeving een maximale rol te laten spelen, in volwaardige dialoog met de tekst, van bij het begin.

De beslissing was dus snel genomen. Er volgde nog een gesprek met Jurgen erbij in de kantoren van Van Halewyck in Antwerpen, en we stapten in september 2018 op het vliegtuig naar Zweden met de garantie van publicatie in het najaar van 2019.

(c) Inaya photography


De residentie in Björköby bleek heel belangrijk, zowel voor De serres van Mendel als voor onszelf. Niet per se om de hoeveelheid werk die we er konden verzetten (minder dan ik had verwacht of gehoopt), maar omdat er toen iets gezaaid is in de vruchtbare bodem van onze samenwerking dat nog jarenlang zal groeien en vrucht dragen. Of misschien moet ik zeggen: de bodem zelf is toen subtiel veranderd.

Ik schreef tijdens de residentie al een blog over dit project en over de onwaarschijnlijke rol die erin was weggelegd voor vriendschap (die lees je hier: Vriendschap is geen zwaktebod). Alles wat erin staat, geldt nog steeds en vormt een mooie aanvulling op dit relaas. Maar ik wil er hier graag nog één ding aan toevoegen, dat ik op dat moment nog niet wist. Je vat de reikwijdte van sommige zaken nu eenmaal beter als je er met wat meer afstand op terugkijkt.

De serres van Mendel (c) Jurgen Walschot

De residentie in Zweden maakte Jurgen en mij niet alleen een stuk zichtbaarder voor de wereld, ze maakte ons ook zichtbaarder voor elkaar. We zijn allebei schelpdieren, om het zo te zeggen, en we hadden elkaar in de loop van bijna twee jaar samenwerken al heel diep onder onze pantsers laten kijken. Nu deelden we twee weken lang dezelfde schulp.

Zichtbaarheid en kwetsbaarheid hangen samen. Psychoanalyticus Paul Verhaeghe noemt dat ‘intimiteit’. Dat was het geschenk dat Zweden ons bracht. En dat is de echte voedingsbodem waaruit De serres van Mendel tot volle wasdom is gegroeid. Het is een diepe, rijke bodem, gelaagd en complex, zacht en uitnodigend, oud en tijdloos.
Ongeveer zoals je ze vindt in Zweedse bossen. Zichtbaar. En toch veilig. Zonder schulp.





In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.
Advertenties

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.

ZAAILING #60 – Door een dubbele lens

Een kleine ode aan onkruid – – ter gelegenheid van het ontstaan van ZaaiGoed

(c) Jurgen Walschot



We vinden elkaar onverwacht
als contrasten die elkaar verankeren
of tegengestelden die toch niet botsen.

Door een dubbele lens kijken we anders
naar de wereld, die zich laat lezen als verhaal
met onverwachte wendingen.

Een oog dat ontluikt, een woekering.
Een droom die wortel schiet op een plek
waar hij kalm de uitgemeten afspraken tart.

We volgen de lijnen
zoals het spel ze trekt. We lopen
schijnbaar in de pas.

Maar geef ons een kier, een kans
en kijk hoe wij onszelf uitbundig   –   eindeloos

uitzaaien.



Deze Zaailing wordt uitzonderlijk gelanceerd om de start te markeren van ZaaiGoed, een initiatief van schrijvers en illustratoren die Zaailing-gewijs aan kruisbestuiving, wederzijdse creatieve uitdaging en verbondenheid willen werken, over alle hokjes en vakjes heen. Hardnekkig en hartverwarmend, als mooi onkruid.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

ZAAILING #59 – Op elke wind


(c) Jurgen Walschot



Hoe de stilte in de lucht hangt
en iets wat groter is dan wij ons
onze haastige stap laat inhouden.

Hoe de wolken onverschillig
langs de hemel razen omdat
wolken dat nu eenmaal doen.

Hoe de schoonheid van iets
schijnbaar kleins en kwetsbaars
de muren en de elementen

uitdaagt met gebogen nek.
Wie zijn vleugels kent, kan vliegen
op elke wind, als hij dat wil.







ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Pluisjes in een web

(c) Inaya photography

Mijn generatie is kwetsbaar, besef ik, nu meer dan ooit.

Wij zijn de kinderen van de mei ’68-ers, opgevoed door ouders die het toppunt hebben meegemaakt van een samenleving die haar oude ketenen afgooide. The sky was the limit, en flower-power vrijheid-blijheid. Alles mocht, alles kon.

Wij zijn opgevoed met de idee dat jongens niet beter zijn dan meisjes, en dat je alles mag of kunt zijn wat je wilt.
Wij zijn grootgebracht op melk en honing, tijdens een van de allerlangste periodes zonder oorlog in deze contreien.
Ons werd op school geleerd dat het vanaf nu alleen nog maar beter zou gaan.

Evoluties rond vrouwenrechten, emancipatie voor LGBTQ en andere maatschappelijke veranderingen gaven ons hierin gelijk. De klimaatcrisis kwam roet in het eten gooien: de welvaart waarop de generatie van onze (groot)ouders hun imperium bouwde, bleek te gulzig. De ijsschots waarop we wonen, smelt onder onze voeten, en er zijn frustrerend weinig mensen die de ernst van de situatie willen inzien.

(c) Inaya photography

Even confronterend is het om te zien hoe een aantal oude spookbeelden van mannelijke suprematie, blank christendom en andere fossiele gedrochten op dit moment terug zijn van nooit weggeweest.
Natuurlijk beseften we wel dat sommige oude ideeën hardnekkig kunnen zijn. Maar de reikwijdte ervan bezorgt me koude rillingen.

Het spel wordt slim gespeeld, door mannen die precies aanvoelen welke pijnpunten ze moeten bespelen om meer macht te verwerven. De rest van ons staat erbij en kijkt ernaar – in beate bewondering, of in groeiende vrees. Tegen de brute kracht van een knots is geen verfijnd, genuanceerd discours opgewassen.

We zijn niet sterker dan pluisjes, dacht ik, gevangen in het oude web van een spin, voor zolang het duurt. Een windvlaag, en we zijn weer weg.

Toen kwam de storm.
En het was achteraf verbazend hoopvol om te zien hoe goed het web standhield. Met wat minder aangewaaid pluis, jazeker. Maar intact.
En tegen volgende lente vliegen ook de zaadpluisjes weer in alle overvloed door de lucht.

Kwetsbare dingen zijn dan toch niet zo snel klein te krijgen, geloof ik.

(c) Inaya photography

ZAAILING #58 – Verdwalen in lijnen

(c) Jurgen Walschot


Als ik je mijn hand geef, zullen we dan samen verdwalen op de kaart?
Dat is zoiets als verdwalen in een stad, of tussen de zinnen van een verhaal. Want elke zin leidt naar een andere maar nooit terug naar het begin.

Als ik mijn ogen sluit, zie ik het landschap waarin wij geboren worden. In de diepte van een donker dal, in het kleine huis een eind buiten het dorp met de onuitspreekbare naam. Ik zie hoe de sterren langzaam bleker worden en de boomkruinen zich grillig aftekenen tegen de oplichtende hemel. Ik hoor hoe onze moeder schreeuwt, en hoe de vroedvrouw onze vader de kamer uit jaagt, terwijl wij ter wereld komen in een spoor van bloed.

We hebben dezelfde lijnen in onze handpalmen, we passen als een puzzel. Maar het leven trekt zijn sporen op vreemde manieren. Je weet nooit waar de weg eindigt en het dwaalspoor begint. Met elke stap die we zetten, maken we keuzes die er geen zijn.

Met mijn ogen op de kaart liep ik in vol vertrouwen voorop en riep over mijn schouder tegen jou dat je me moest volgen. Maar toen ik opkeek, was het landschap veranderd van gezicht en ik was alleen. Mijn handen brandden van leegte.

Ik heb je overal gezocht. Op elke straathoek, in elk station, achter elke balie van elk kantoor. Ik ken de vouwen in de kaart intussen zo goed dat het mij soms verbaast dat de weg voor mijn voeten niet plots indeukt.

We leren leven met de onzekerheid van de reis. We genieten van het zonlicht als het er is en zoeken beschutting voor het zwaarste weer. We kloppen het stof van onze kleren en lopen door. We leren dat we niets voor altijd kunnen vasthouden.

We kennen het grondplan op de kaart zo stilaan uit het hoofd, maar sommige vormen van heimwee krijg je niet afgeschud. Hardnekkig blijven we de weg terug zoeken, als zalmen vechtend tegen de stroom, naar ruisende boomkruinen die een lied zingen dat we herkennen.

Het leven lijkt ervan te houden mensen eindeloos in rondjes te laten draaien. Of zijn wij het, die blind blijven voor de wegwijzers en stug dezelfde patronen vertrouwen in de hoop dat die ons op een dag toch ergens anders heen leiden?

Soms krijgt het grondplan medelijden, lijkt het wel. Dan laat het twee zwervende zielen, elk met hun ogen op de kaart, tegen elkaar opbotsen.

Verbijsterd blijven we staan. We lezen de lijnen in elkaars gelaat, een reisverslag van alle afgelegde trajecten. Hoe vaak hebben onze paden elkaar gekruist? Hoe vaak zijn we elkaar nét misgelopen?

Ik laat de kaart los. Ze waait weg en verkruimelt tot snippers op de wind. Ik steek mijn handen uit en jij pakt ze. Ouder, verweerder en vermoeider, maar de lijnen in onze handpalmen herkennen elkaar nog steeds.

Ik kan je niet beloven dat ik de weg dit keer wel zal weten. Maar als we nog eens verdwalen, doen we het samen.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.