Het Grote Loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb een nieuw boek uit, dat wist u vast al. De Wortels van de Wereld is van de persen gerold, het is piekfijn in orde en het is verkrijgbaar in elke boekhandel. Dus komt er… geen boekvoorstelling. Ah nee, het corona-effect: de angst voor besmettingen, en de onmogelijkheid om wat dan ook te organiseren dat naar cultuur en gezelligheid ruikt waar meer dan drie man bij elkaar zit. Het contrast met het feestelijke onthaal van De serres van Mendel in de Plantentuin van Meise en meer dan honderd aanwezigen op de voorstelling vorig jaar kan niet groter zijn.

In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zit ik nu niet in zak en as. Ook dat is een corona-effect. De Gekroonde Leermeesteres, zoals schrijver en sater Jeroen Olyslaegers dit virus in het voorjaar al doopte, leert ons enorm veel, als samenleving en als individu, of we dat nu fijn vinden of niet en ook als we daar totaal niet op zaten te wachten.

Ze heeft gezorgd voor een snelkookpan waarin allerlei dingen die al lang aan het sluimeren waren nu in een veel hogere versnelling gaan, maatschappelijk en persoonlijk. Van sociale en economische ongelijkheid tot ethisch engagement, van ziekte en scheiding tot hartsverbondenheid, van depressie tot innerlijk ontwaken, het landschap is even divers als wij mensen dat zijn, maar al die processen hebben gemeenschappelijk dat ze dieper worden, krachtiger en duidelijker omlijnd.

In mijn persoonlijk geval leert deze snelkookpan mij wat ik nog het beste kan samenvatten als het Grote Loslaten.

(c) Inaya photography



Dat gaat over kleine dingen en heel grote dingen. Over constant aanpassen aan maatregelen waar ik soms heel goed, dan weer totaal niet het nut van inzie, over omgaan met wat mij benauwt en ergert, over persoonlijke evenwichten vinden in een voortdurend veranderend landschap. Het gaat over geen enkel plan kunnen maken, persoonlijk noch professioneel, en de plannen en ambities die er toch nog waren, als strohalmen om mij aan vast te klampen, stelselmatig moeten loslaten en uitwuiven terwijl ze verdwijnen op de wind.

Die boekvoorstelling is een goed voorbeeld. We hadden een aantal concrete ideeën, scenario’s en contacten voorbereid, maar in augustus kon er niks. In september is het voor velen nog te riskant en te flou en zelfs voor oktober houden velen uit voorzichtigheid de boot af. Ik hoor uitspraken als: alles even on hold, maar misschien over een paar maanden, misschien volgend jaar…

Ik hou niet van misschiens. Ze klemmen mijn gedachten vast, ze maken dat ik me mentaal ga vasthaken. Dus Laat ik Los. De boekvoorstelling komt er niet? Oké, dan hoefde ze misschien niet. Het idee lost op als een ademwolkje in de winterlucht.

Dat is zeer bevrijdend. We werken aan een alternatief om Wortels onder de aandacht te brengen in de boekhandels en er bestaat een mogelijkheid dat we later dit najaar nog iets concreets rond het boek kunnen gaan doen, maar ook dat is een groot misschien, dus ik ga er nu geen mentale energie in steken, laat staan een houvast van maken. Ik zie het wel als het zover is. En als het er niet van komt: ook prima.

(c) Inaya photography



Ik weet het, ik laat het simpel klinken, en dat ik hier financieel niet van moet overleven, helpt natuurlijk wel. Maar ook zonder dat aspect was dit soort van loslaten heel lang helemáál niet zo simpel voor mij.

Ik heb een sterk hoofd, met gedachten die plakkerig en hardnekkig kunnen zijn. Net als bijna iedereen ben ik opgegroeid zonder het verschil te kennen tussen wat ik dacht en wie ik was, tussen de mentale boodschappen in mijn hoofd en wat daar écht van klopte.

Die kwetterende stem in ons hoofd, die ons voortdurend aanstuurt met oordelen, angsten, projecties voor de toekomst en herkauwsel van het verleden is onwaarschijnlijk krachtig. Die stem leren herkennen en ze zachtjes loskoppelen van mijn beslissingen en mijn welbevinden, zoals ik in de loop van de laatste tien jaar steeds beter heb geleerd, is een stevige brok werk. Je glijdt er zó terug in af, het is een eeuwig herbeginnen. Maar als het een beetje begint te lukken, is het een weldaad. En ik ben er intussen behoorlijk goed in geworden.

Natuurlijk ga ik ook nog eens onderuit en zijn er momenten waarop iets hard binnenkomt en lastig los te laten is. Maar die momenten zijn veel minder talrijk, en het loslaten gaat veel sneller, en veel beter. Ik was daar al een heel eind in opgeschoten voor Covid-19 ons leven op zijn kop kwam zetten, maar de verinnerlijking en verstilling van de corona-lockdown zorgden echt voor een soort van innerlijke upgrade.

Het Grote Loslaten voelt als overschakelen van een gammele oude fiets op een gestroomlijnd nieuw model (of voor wie net als ik weinig fysieke reserves heeft: eentje met robuuste elektrische ondersteuning). Je moet nog steeds je evenwicht houden, op de trappers duwen en sturen, maar wát een verschil van reiskwaliteit.

(c) Inaya photography



En van al dat loslaten word ik vanbinnen niet leger. Ik word vooral helderder, vrij van mentale rommel en ruis, van kleverige gedachten die nergens naartoe gaan en alleen maar ronddraaien op hun eigen boze draaimolen.

Ik kan naar de horizon kijken met aandacht voor de kwaliteit van het licht op het landschap, voor de schoonheid van het moment, zonder mij af te vragen wat er voorbij die heuvelruggen ligt. Daar zal wel iets liggen, natuurlijk. Maar ik kan het niet zien en ik hoef daar nu totaal niet mee bezig te zijn. Ik zal het wel merken als ik daar ben.

Nu ben ik hier. En dat is voldoende.

Kostbare kwetsuren

(c) Inaya photography

Soms vallen we aan gruzelementen. Het leven heeft zo zijn eigen manieren om ons te dwingen tot inzicht. Verandering. Groei.
Ze zijn niet zelden pijnlijk.

Meestal zetten we onszelf vervolgens met spuug en plaktouw weer in elkaar. We proberen onze oude vorm weer aan te nemen. Die was immers vertrouwd. Te krap, misschien, niet meer gepast bij wie wij intussen geworden zijn. Maar toch: vertrouwd.

Laten we het maar van de eerste keer toegeven: dat lukt dus niet. In het slechtste geval steken er scherpe punten uit, gapen er gaten, worden we gedwongen tot een constant verdedigen van zwakke plekken, hozen waar het lekt, stutten waar het zaakje weer uiteen dreigt te vallen.

In het beste scenario is het hele geval min of meer waterdicht. Maar het voelt niet veilig. En je blijft altijd de breuklijnen zien.

In de eerste weken van de Covid-19 lockdown brak ik een fragiel aardewerken kommetje dat voor mijn verjaardag gemaakt was door mijn vriendin Maja Jantar. Ik liet het ironisch genoeg niet eens uit mijn handen vallen. Ik stootte iets anders om dat er bovenop viel en het op de grond deed belanden, in stukjes.

Ik hield de scherven bij. Nogal veel van wat ik de afgelopen weken schreef of maakte had – het is u misschien opgevallen – te maken met, juist ja, scherven.



Met niet één maar twee beste vrienden die een band hebben met de Japanse cultuur, kon het niet anders of ik zou in de nasleep van de breuk horen over wabi sabi (de schoonheid van wat niet perfect is) en kintsugi, de techniek waarbij gebroken aardewerk gerepareerd wordt met lijm waaraan goudpoeder is toegevoegd.

De symbolische schoonheid ervan was mij onmiddellijk duidelijk. De bedoeling van kintsugi is immers niet om de scherven zo te lijmen dat de schijn van eerdere perfectie hooggehouden wordt. De breuklijnen worden integendeel extra zichtbaar gemaakt door de goudkleurige lijm.
De kwetsuren en littekens maken in de benadering van kintsugi niet alleen deel uit van de unieke eigenheid van het voorwerp. Indien ze met liefde en zorg behandeld worden, maken ze het geheel juist mooier.

Onze kwetsuren zijn kostbaar.

Eigenlijk weten we dat allemaal wel, diep vanbinnen. Maar in een wereld die draait om schijnbare perfectie, ijskoude concurrentie en de mythos van onsterfelijkheid zouden we dat al eens durven vergeten.

Ik ben geen knutselaar, verre van. Maar deze uitdaging droeg mijn naam. Na een paar uur snuisteren op het internet bestelde ik bij een Belgische website een startsetje met materiaal.
Het arriveerde keurig met de post. Ik bekeek nog een paar YouTube-filmpjes, las de handleiding en… stelde uit.



Tot er een nieuwe gelegenheid kwam waarop ik me plots bijzonder breekbaar voelde, mezelf als het ware in stukjes weer van de grond moest rapen.
Ik voelde dat dit het moment was om mijn twijfels over mijn (on)handigheid en mijn gebrek aan ervaring opzij te zetten en mij er, geknoei of niet, mogelijke mislukking of niet, gewoon aan te zetten.

De meditatieve concentratie en het langzame tempo waartoe de kintsugi-techniek dwingt (een kleine hoeveelheid van de twee componenten van de lijm mengen met elkaar en met het goudpoeder, lijm aanbrengen, scherven aandrukken, vasthouden, lang genoeg wachten, voorzichtig loslaten – herbeginnen, zo vaak als er scherven zijn) bleek mij heel erg goed te bevallen.

Dit is het soort werk dat je niet kunt doen als je zenuwachtig of gestresseerd bent. Je wordt er vanzelf kalm van. De tijd wordt stroperig als de lijm waarmee je werkt, stroomt snel en traag tegelijk. En scherf per scherf groeit er onder je vingers iets aaneen.
Vertrouwd. Geliefd. Maar toch nieuw.




Ik ben zeer dankbaar om deze ervaring. En ik neem ze mee, op meer dan één niveau van mijn wezen.

Dat je kwetsbaarheid durven tonen geen schande is, wist ik al. Dat het goed is om je barsten en breuken te koesteren, was evenmin een verrassing.
Maar wat ik wel wilde aannemen in theorie maar tot op dat moment niet echt kon voelen, werd duidelijk en tastbaar toen ik het zelf mocht ervaren: de barsten zijn nu het mooiste stuk.


(c) Inaya photography



Breken doet altijd pijn, daar is niets aan te doen.
Maar ik wens het iedereen toe: kwetsuren te koesteren als de kostbaarheden die ze zijn, en ze weer in elkaar te passen met een gouden randje.

Groeien – naar binnen toe

(c) Inaya Photography



De afgelopen weken zat ik met een vreemd gevoel.
Ik wilde niet naar buiten. De lente kwam te vroeg, daar had ik het al over, maar er was meer aan de hand. Het voelde een beetje alsof ik kluizenaar wilden worden. Liefst zo weinig mogelijk mensen wilde ik zien, zo weinig mogelijk gedoe aan mijn hoofd hebben.

Dat was een ongewone ontwikkeling op het moment dat de lente op uitbreken stond en traditioneel overal in het land kinderboeken en hun makers naar buiten komen om zoveel mogelijk (jong) publiek te bereiken. Ik beken: ik stelde me plots vragen, bij alles inclusief mezelf.

Intussen is de wereld helemaal in overeenstemming gekomen met mijn bizarre gevoel van naar binnen keren. Veel mensen hebben het er moeilijk mee en het vraagt van bijna iedereen een enorme aanpassing. Juist voor het duidelijk werd dat de crisis rond Covid-19 ernst was en dat er maatregelen zouden komen, had ik vrede gevonden met mijn situatie.
Daarom wil ik hier nu delen wat ik een paar weken terug aangereikt kreeg.

Ik heb geleerd om te luisteren naar wat zich innerlijk aandient, ook als dat een bevreemdend gevoel is. Daarom ging ik er niet tegen in verzet, ik onderzocht het. En ik liet de antwoorden spontaan opkomen, van een diepe (of hoge) plek in mezelf.

Dit is wat ik leerde.

We zijn gewend om groei en ontplooiing, van welke soort dan ook, te associëren met een dynamiek naar buiten toe, een expansie. We willen meer doen, meer zijn, meer mensen bereiken, meer begrijpen, meer inzichten delen, meer verwezenlijken. We associëren groei met het innemen van meer terrein. Maar dat is in feite een misvatting.

Groei kan net zo goed naar binnen toe. Dan wordt het een vorm van verdieping, een brede resonantie die, als ze de kans krijgt, in alle subtiliteit zelfs veel verder reikt dan de luidruchtige en ogenschijnlijk actievere uitwaartse beweging.

(c) Inaya Photography


Net zoals bij eb het water zich terugtrekt en precies daardoor het strand veel groter en uitgestrekter wordt, is een beweging naar binnen toe een uitnodiging om een aspect van onszelf aan het licht te laten komen dat gewoonlijk schuilgaat onder de deining van de dagelijkse drukte en hectiek.

Als we onszelf niet meer (kunnen) afleiden, verdoven of bezighouden met de dynamiek van het water, worden we bijna gedwongen om te kijken naar het strand. Op het eerste zicht lijkt dat misschien leeg, een verlaten vlakte met eindeloze verveling als horizon. Dat kan beangstigen, maar het kan ook een enorm bevrijdend zijn. Veel mensen gaan niet per toeval uitwaaien aan zee en maken dan hun standwandelingen het liefst bij eb. De wind, de ruimte, het gevoel dat de vereisten van de wereld even losgelaten kunnen worden, het is er allemaal.

Hoe tegenstrijdig het ook kan klinken in deze tijden, maar precies dat gevoel is ook nu binnen handbereik. Zó groot kan onze innerlijke ruimte zijn, zelfs in een klein appartement in de stad.
Want kijk, het water trekt zich terug. Activiteiten worden geschrapt, onze bewegingsvrijheid wordt drastisch beperkt. We worden zowat verplicht – door deze hele toestand, maar ik noem het liever door het Leven Zelf – om naar binnen te keren.

Ik maak me geen illusies: er zullen nog kwade dagen komen. Medisch, sociaal, emotioneel, voor heel veel mensen persoonlijk en voor ons allen als samenleving. We zullen tegen conflicten met huisgenoten aanlopen, tegen eenzaamheid, tegen allerlei vormen van confrontatie met onszelf. We zullen ziek worden en mensen verliezen of dierbaren kennen die dat doen. We zullen als samenleving daveren op onze sociale en economische grondvesten. Maar als er één ding is wat Covid-19 ons nu al, na een paar luttele weken, scherper duidelijk heeft gemaakt dan wat ooit tevoren, dan is het dat alles met alles verbonden is, en wij allemaal met elkaar. Het is een wake-up call van formaat, en steeds meer mensen hebben ze begrepen.
Laten we vanuit die hervonden kwetsbaarheid en verbondenheid ook de inzichten verwelkomen van de weken die nog zullen volgen.

Want het water trekt zich terug. De golfslag van het gewone dagelijkse leven valt stil.
Nu kunnen we kiezen. Gaan we die ontruiming te lijf met zoveel mogelijk trucs en technieken om onszelf bezig te houden en de stem van ons innerlijk te overschreeuwen terwijl we de muren stilaan op ons zien afkomen?

Of staan we toe dat het strand bloot komt te liggen?

(c) Inaya photography

Thuis

(c) Inaya photography


Parallel groeien, maar nooit gelijk.
Dezelfde oever delen, zon en schaduw
en een storm nu en dan. Vogels zien
komen en gaan, een thuis bieden
tussen wortel en tak, onder kreupelhout,
aan nesten en holen en alles wat liever
ongezegd blijft. Geen enkele stam groeit
ongeschonden. Maar dat geeft niet
zolang de wortels elkaar vinden.

De uitnodiging

(c) Inaya photography


‘Dat is iets wat je moet leren’, zeiden we vroeger tegen elkaar, mijn moeder en ik, als een van ons beiden weer eens tegen een vervelende (of soms juist heel positieve) situatie was aangebotst die ons een aantal inzichten had gegeven in een aspect van onszelf dat we nog niet goed beheersten.
Geduld hebben. Jezelf graag zien. Plaats durven innemen. Kwetsbaar kunnen zijn. Durven loslaten. Het maakte niet uit wat het was, het was iets wat we nog ‘moesten leren’. En als we het geleerd hadden, werd het leven weer een stukje makkelijker.

We leren nog altijd bij, volop. En we zijn daarin nog altijd elkaars klankbord. Maar we zijn er al een tijd geleden mee opgehouden het woord ‘moeten’ te gebruiken. Ik weet niet meer exact waarom of wanneer, ik weet wel dat zij het was die de klik maakte. ‘Je wordt uitgenodigd om dit te leren,’ zei ze. ‘Er is geen moeten aan, het is een kans, een geschikte gelegenheid, een… ja, een uitnodiging. Je mag erop ingaan, of niet.’

Het leven kan er echt een stukje leuker en positiever gaan uitzien als je andere woorden gaat gebruiken. Je hoeft me niet te geloven, maar wat mij betreft, werkt het.

Ik denk er vanavond aan om een andere reden. Het is zondag, het einde van het weekend, het einde van een schoolvakantie.
Ik kan me nog precies herinneren hoe dat voelde toen ik op school zat, of toen ik zelf nog lesgaf, ja, zelfs toen ik als redacteur werkte voor een blad, een job waar ik immens veel plezier aan beleefde.
Het gevoel was altijd hetzelfde: morgen moet ik weer aan de slag. De zondagavond was een soort laatste klif, een psychologische kaap, en van daaruit ging het steil naar beneden naar het begin van de school- of werkweek.

Nu ontdooi ik een voorraad veggie bolognesesaus, gooi een pak pasta in de kookpot en betrap mezelf op de gedachte: wat heerlijk dat ik dat nu niet voel. Ik weet niet hoe het zit met mijn man of mijn zoon, en of zij dat gevoel wel hebben, maar ik in ieder geval niet.
Natuurlijk ga ik morgen aan het werk, zoals iedereen. Ik ga schrijven, administratie regelen, lezingen voor de jeugdboekenmaand voorbereiden, honderd-en-één vervelende klussen achterna lopen. Maar het is een ander soort werken, meer vanuit het hart en vanuit een diepe, persoonlijke drive. En dat voelt niet als moeten. Dat voelt als mogen.

Als een uitnodiging.

Late winter/eerste lente-snoei: alnus en viburnum in aardewerk van Maja Jantar (c) Inaya photography

Verblindend, maar helder

(c) Inaya photography


Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.

Dat niet-weten heeft iets bijzonders, zo’n beetje als lentelicht: helder en verblindend. Ik voel de warmte en de onrust die er vanaf straalt even fel. Ik ben pril, zegt het, ik ben nog maar pas begonnen. Maar ik ben sterk, voel je hoe sterk ik ben, en hoe ongeduldig.

Er doorheen proberen te kijken, is onbegonnen werk. Ik heb er maar op te vertrouwen dat de bron van waaruit het schijnt de essentiële dingen zal verlichten op het juiste moment, terwijl het andere juist aan het zicht onttrekt.

Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.
Ik voel de roep van het Grotere. Ik voel hoe mijn ziel antwoordt.

Dit is de plek om de onzekerheid te omhelzen, en mijn hele leven te laten bestaan in het huidige moment. Het is een fijne plek.
Verblindend, maar helder.

(c) Inaya photography

De naam van de oude wijze vrouw

(c) Inaya photography

Bij je geboorte krijg je een naam van je ouders. Met wat geluk is het een naam die je zelf ook mooi vindt en graag gebruikt. Maar soms heb je nood aan nóg een naam.

Ik ben boeken aan het herlezen waaraan ik ooit veel plezier gehad heb, werk dat te maken heeft met persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ik merk: ze zijn nog altijd goed. Ik merk ook: ik ben op een paar jaar tijd een heel eind opgeschoten. Wat ooit baanbrekend was en diep voedend, is nu vooral thuiskomen in iets wat ik beheers.

Soms vraagt een bijzonder interessante oefening erom om te worden herdaan. Je maakt immers nooit twee keer precies dezelfde reis.
Ik ben dus een oude vrouw gaan opzoeken. De vorige keer toen ik haar bezocht, was ze nog een stuk jonger. Ze zag er heel anders uit. Ze woonde op een andere plaats. Maar in wezen is ze nog steeds dezelfde.
Ze vertelde mij wat ik moest horen, en ik zal in de toekomst nog heel vaak bij haar op bezoek gaan. Ze zei mij ook haar naam.

(c) Inaya photography

De onverwacht vroege komst van de lente dit jaar houdt gelijke tred met mijn ontluikende gevoel van mogelijkheden. Ik heb een grote knoop doorgehakt, er liggen nieuwe horizonten open. Er zijn nog wat dingen af te ronden, in schoonheid. Er zijn nieuwe draden om op te pikken.
Alles is welkom, want vanaf nu is alles een avontuur.

Ik proef de naam van de oude, wijze vrouw op mijn tong. De klanken zingen, zachtjes.

(c) Inaya photography

Een thuis voor de ziel #2

IMG_1428 (2) klein
(c) KV

 

“En wanneer ik die andere plek vind waarnaar ik lijk te zoeken, onbewust, onophoudelijk, dan zal ik weten dat mijn zoektocht voorbij is.
Ik zal mijn boot naar de kust sturen, aan land gaan, en nooit meer weg willen.”

 

Zo schreef ik het een jaar geleden in Een thuis voor de ziel. Nieuwe plaatsen ontdekken confronteert mij telkens weer met hoezeer de overbevolkte, drukke nevelstad die Vlaanderen steeds meer wordt, ingaat tegen wat mijn ziel verlangt en nodig heeft. Er zijn weinig dingen die mij zo gelukkig kunnen maken als het zicht op een beboste heuvel, een riviertje met rotsbedding, een glooiende horizon zonder gebouwen of andere menselijke constructies om het uitzicht te bederven. Telkens weer betrap ik mezelf op de gedachte: als ik hier maar wat meer van kon hebben in mijn dagelijks leven!

Terugkeren naar huis is daarom zelden een heuglijke gebeurtenis. Om eerlijk te zijn weet ik wel niet echt zeker of het het einde van de vakantie is dat ik betreur, of alleen de onvermijdelijke terugkeer naar Vlaanderen. En zodra ik mijn dagelijkse routine van werk, familie en vrienden weer opgenomen heb, raak ik ook weer snel gewoon aan mijn omgeving. Zo slecht is die tenslotte ook weer niet. En hoezeer ik mijn hart ook voel zwellen bij het zicht van een bergtop in de ochtendzon, ik weet wel beter dan te denken dat ik geschikt ben voor het leven in een hooggebergte. Wat zou ik daar moeten gaan doen, geiten hoeden? Kaas maken? Een B&B openen? Ik heb al een grondige hekel aan de huishoudelijke klussen in ons gezinnetje van drie! Schrijven kan ik natuurlijk overal, maar ik verdien op dit moment nog geen fractie van wat ik zou nodig hebben om er drie mensen van te onderhouden. Kortom: een mens moet verstandig zijn, nietwaar?

Op onze reis door Italië ontmoetten we vorig jaar een Belgisch koppel dat mijn tegenzin voor huishoudelijkheid niet deelt, en effectief een B&B opende in een charmant Middeleeuws dorpje. Onze gastvrouw vertelde me toen hoe ze had gehuild toen ze na haar eerste bezoek aan de plek opnieuw moest vertrekken. “Ik wilde niet weg”, zei ze. “Alles in mij wilde hier blijven. Het voelde alsof ik weggerukt werd van de plek waar ik thuishoorde, waar mijn ziel thuis was.”
Haar woorden vormden de inspiratie voor de blog van vorig jaar, want ik was best jaloers op haar. Ik was nog nooit een plek tegengekomen die me zo’n gevoel gegeven had. Ik voelde me zelfs verlorener door haar verhaal, ook thuis. Maar het maakte mij wel bewuster.

Nu heb ik, voor het eerst, een gelijkaardige ervaring gehad.

 

IMG_1394 (2) klein
(c) KV

_ _

We wilden deze zomer weer een korte trip naar de bergen maken. Van mijn Franse schoonbroer, die ons twee jaar geleden al eens meenam naar de Pyreneeën, hoorden we dat de Cirque de Gavarnie beslist een bezoek waard was.
Wij hadden er nog nooit van gehoord, maar de plek bleek Unesco Werelderfgoed te zijn, en te oordelen naar de foto’s online was het inderdaad erg mooi: een keteldal aan de voet van de eeuwig besneeuwde toppen van de Pic du Marboré en le Taillon, met een tapijt van alpenweide naan hun voeten, onophoudelijk bevloeid door watervallen van smeltsneeuw.
Omwille van haar schoonheid en faam is de Cirque een populaire bestemming, zowel voor dagjestoeristen die de wandeling van een viertal kilometer naar de bodem van het keteldal willen maken, als voor meer ervaren bergwandelaars op doorreis of die naar een van de nog hoger gelegen meren willen klimmen.

Het dorpje Gavarnie, toegangspoort tot het keteldal, ligt aan het einde van een doodlopende weg. Iedereen die er heen rijdt, moet uiteindelijk terug langs herzelfde smalle kronkelweggetje met de rotswand aan een kant en het tumultueuze bergriviertje Gave aan de andere. Het is bij momenten nogal veel verkeer voor één smal baantje. Wij kwamen aan op het einde van een regenachtige dag, en we leken de enigen die nog naar boven wilden. Een onophoudelijke stroom van auto’s, bestelwagens en bussen kwam ons tegemoet, op hun weg naar beneden. Het weer was omgeslagen, dus de massa maakte zich uit de voeten. Het had iets van oproeien tegen de stroom.
Maar tegen dat we ons avondeten op hadden in wat nu weer een zeer rustig klein bergdorpje was, verdampten de wolken en kregen we een eerste blik op de majestueuze wanden van de Cirque in de verte, beschenen door de avondzon.

De volgende dag hadden we stralend weer. Helderblauwe lucht, aangename temperaturen om te wandelen. Dankzij de tip van een ander koppel in dezelfde Bed & Breakfast besloten we om niet de stroom van wandelaars te volgen langs de hoofdweg naar de Cirque, maar om een langere tocht te maken. Daardoor klommen we eerst een paar uur (400 meter niveauverschil, wat ons tot op ongeveer 1800 meter hoogte bracht), en de rest van de wandeling konden we op dezelfde hoogte blijven, en vervolgens geleidelijk wat afdalen, door bossen en langs kliffen. Het werd de mooiste wandeling die ik ooit maakte.

Het Parc National des Pyrenées heeft een ongelooflijk rijke fauna en flora, die voortdurend verandert al naar gelang de hoogte. Hellingen vol blauwe irissen, paarse campanulaklokjes, helleborussen die amper uitgebloeid waren, elegante witte schermbloemen, verschillende soorten varens en volop bloeiende vetplanten, een taai soort beuken, gigantische pijnbomen en grillige dwergdennen, allerlei planten die ik kenden en nog veel meer die ik niet kende, uitbundig bloeiend in de weiden of halstarrig omhoogschietend uit rotsspleten.

 

 

We picknickten op een lommerrijk plekje langs het pad, met onze rug naar de rots en voor ons een uitzicht waarmee niet te concurreren valt (tweede foto van deze blog). Kort na de middag kwamen we ten slotte aan bij de Cirque.

Het was er druk. Aan de mond van het keteldal, waar het makkelijke pad eindige dat door de meesten gevolgd werd, stond een heus hotel met bar en restaurant. De rust van het eenzame bergpad maakte meteen plaats voor iets wat veel toeristischer aanvoelde. We dronken een glas in de schaduw, en keken toe hoe de wandelaars de laatste meters van het pad aflegden, sommigen zelfs te paard of met een ezel aan de hand, met daarop een kind. Het contrast met onze tocht kon niet groter zijn. (We vragen ons trouwens nog steeds af hoe dat hotel er ooit in slaagt bevoorraad te worden, want zelfs het ‘makkelijke’ pad is ongeschikt voor zowat elke vorm van gemotoriseerd vervoer.)

Ik ben gewoonlijk de eerste om te vluchten voor dit soort drukte. De energie van te veel mensen samen op één plek overstemt al te vaak het natuurlijk gevoel van een locatie, en het landschap wordt gedegradeerd tot decor. Meestal vertrek ik van zo’n plek met iets van teleurstelling dat wij mensen niet beter weten en er niet in slagen zoiets moois met rust te laten.
Het verraste me dus wel dat de troep kleurrijke wandelaars me in het geheel niet stoorde. Ik was me wel bewust van hun aanwezigheid, maar alle dingen die drukte een uitdaging maken voor mij (lawaai, nabijheid, teveel mentale en emotionele stoorzenders op te veel verschillende frequenties) leken hier niet van toepassing. Hoeveel volk er ook rondliep, de omvang van het landschap overklaste alles moeiteloos.

 

IMG_1459 (2) klein
(c) KV

 

Dat gevoel bleef aanhouden toen we het keteldal zelf in gingen. Daar liepen ook heel veel mensen, op het pad of ergens ernaast, onder meer omdat de route die naar de voet van de grootste waterval leidde niet bepaald helder aangeduid stond. Blijkbaar moesten we daarvoor zelfs een stuk gletsjer over, en omdat dat niet duidelijk was en ik er niet gerust op was om zo’n breed stuk ijs over te steken, kwamen we terecht langs de verkeerde kant van de Gave (op dat punt weinig meer dan een woeste, brede bergbeek, maar niettemin niet veilig over te steken) en hadden we de keuze: een heel eind terugkeren en toch over die gletsjer heen, aansluiten in het rijtje mieren van wandelaars in de verte, of blijven waar we waren en van het uitzicht genieten. We kozen voor het laatste.

 

IMG_1492 (2) klein
(c) KV

 

Ik zat op een groot rotsblok een eindje boven het riviertje, en keek naar de immense rotswanden en het water dat zich van alle kanten over hun randen naar beneden stortte. Ik kreeg het gevoel dat er niets was wat dit dal van zijn stuk kon brengen. De rotsen, oprijzend vanuit de wortels van de aarde, leken in staat om de wereld zelf te torsen. De watervallen zorgden voor een stromend element, en de wijsheid van loslaten. Het voelde als een perfect yin-yang evenwicht, een immens krachtige plek, onophoudelijk veranderend, tijdloos.
Zwarte kraaiachtigen met gele bekken vlogen als acrobaten op de wind die ook de namiddagwolken meebracht. Bloemen groeiden onverstoorbaar in rotsspleten. De rivier zong zijn luidruchtige lied, ongehinderd door wat voor zwerfkeien of steenbrokken dan ook. En de grote waterval waar we naar keken, aan het andere eind van het dal, veranderde van gezicht met elk wolkje dat passeerde.

Soms kan een plek zo groot en zo juist zijn dat al wat je wil, is om er op een of andere manier deel van te mogen uitmaken.

 

IMG_1504 (2) klein
(c) KV

 

_ _

 

Vanmorgen hadden de wolken het hele dal van Gavarnie gevuld met dikke, grijze mist. We konden amper de auto op de oprit onderscheiden. De Cirque, ver weg hogerop, was totaal onzichtbaar. Ik voelde het aan me trekken terwijl ik bij de voorbereiding van ons vertrek de tassen in de koffer van de wagen stak: het gevoel dat ik niet weg wilde.
Ook dit verraste mij. Rationeel gezien was er niets voor mij op deze plek, in dit kleine bergdorpje dat alleen leek te bestaan bij de gratie van eindeloze stromen wandelaars in de zomer en skiërs in de winter.
Op elke andere plaats zou ik mijn schouders opgehaald hebben en gedacht: mooie wandeling, prachtige berg, misschien komen we hier nog wel eens terug, maar nu: wegwezen! Of zelfs iets van teleurstelling: nee, hier is het ook niet, de plek die ik zoek.
Dit keer was het anders.

Terwijl ik de auto langzaam langs het smalle baantje stuurde, stroomafwaarts mee met de Gave op weg naar lagere heuvels, voelde ik hoe mijn aarzeling groeide tot droefheid. Ik wilde niet weg. Iets in deze rotsen, in deze rivier, sprak tegen mij op een manier die ik nog nergens anders had ervaren. Vertrekken voelde als een navelstreng doorknippen, met dat verschil dat menselijke navelstrengen bedoeld zijn om door te knippen als het kind wil kunnen leven, en dat deze verbinding verbreken helemaal niet juist voelde.

Het was duidelijk: dit was wat mij betrof geen plek als de andere. Dit was, om een of andere ondefinieerbare reden, thuis.

Ik weet nog niet hoe ik aan de slag zal gaan met deze ervaring, en wat de invloed ervan op mijn leven zal zijn. Wat ik heb gevoeld, is bijzonder genoeg om een belangrijk verschil te maken.
Op dit moment koester ik gewoon het feit dat ik me triest en een beetje verloren voel, op een heel andere manier dan vroeger. Want er bestaat ten minste één plek op aarde, weet ik nu, waar ik mij niét verloren voel.

Nu mijn ziel weet wat het is om thuis te zijn, wordt door de wereld dwalen op een of andere manier iets makkelijker te verdragen.

En wie weet waar het volgende pad heen leidt.

 

IMG_1482 (2) klein
(c) KV

x