Een kwestie van perspectief

(c) Inaya photography

Hoe schrijf je over iets waar je geen duidelijk beeld van hebt? Iets wat wazig aanvoelt en buiten bereik blijft maar niettemin zeer aanwezig is? Een groeiend gevoel van onbehagen, een diepe, brede, donkere kuil waarvan de wanden niet onbeklimbaar zijn, maar misschien wel lastig, modderig, onoverzichtelijk?

Ik heb lange tijd sterk het gevoel gehad dat ik overzicht had, thermiek.
Op dit moment is dat anders. Ik moet veranderen van perspectief. Of beter: ik moet verschillende, tegenstrijdige, perspectieven met elkaar weten te combineren.

Nu is veranderen van perspectief altijd interessant. Drie weken naar Amerika gaan en daarbij op drie verschillende adressen logeren bij mensen in hun dagelijkse bezigheden, maakte dat we de VS de hele tijd mochten ervaren door de ogen van de anderen. Geen twee mensen zijn gelijk, dus ook hier verschilden de visies onderling behoorlijk. En dat had effect op ons. We voelden ons anders, aten ander voedsel, hielden ons met andere dingen bezig en keken met een andere blik al naargelang bij wie we ons bevonden.

Na verloop van tijd dreig je jezelf daar wat in kwijt te raken. Ik toch, met mijn dunne wandjes. Ik ben nu alweer even thuis, maar nog altijd bezig mijn eigen vaste grond terug te vinden. Want de wereld is zoveel groter dan we ons kunnen voorstellen vanop ons eigen klein lapje grond, of in ons kleine landje (dat volgens sommigen nog eens de helft kleiner zou moeten zijn). De omvang van andere continenten en de enormiteit van de verschillen in levenshouding, cultuur, comfort en prioriteiten zijn gigantisch. Who the fuck are we to think we know anything at all?

Wat mij verteringsproblemen bezorgt, werken ze aan de andere kant van de wereld dagelijks met de glimlach naar binnen. Wat daar klein is, heet hier groot. Wat daar groot is, is hier onwaarschijnlijk buiten proportie. Arme Amerikanen leven op een terrein dat je hier in de betere Vlaamse buitenwijken een fortuin zou kosten. Rijke Amerikanene bezitten evenveel land – of meer – dan sommige vorstenhuizen in Europa.

Ik zou daar niet zoveel problemen mee hebben als ik me geen zware zorgen maakte over het politieke en ecologische klimaat waarin we vandaag leven. Hier wordt gerooid, gebouwd, verhard, kaalgeplukt, leeggeroofd, daar gebeurt het op nog veel grotere schaal en met een onverschilligheid waar ik het koud van kreeg.
Hoe maak je daarin een verschil, hoe klein ook? En hoe blijf je dat kleine verschil aanvoelen als waardevol, als er intussen hele continenten op verspilzuchtige ramkoers zitten?

(c) Inaya photography

Als er een ding is waarvoor ik de VS dankbaar mag zijn, dan is het dat ze mij mijn eigen nietigheid nog eens heel duidelijk heeft gemaakt. Maar hand in hand met die nietigheid gaat de vraag om zingeving.
Hoe blijf je bezield bezig, puur op vertrouwen?

Misschien is het een banale vraag. Ik twijfel er geen seconde aan dat duizenden voor mij ze al hebben gesteld. En mijn ziel, dat diepe, wijze stuk van mij dat fluistert en warmte geeft op de kilste momenten, is niet erg onder de indruk. Maar de kleine mens in mij kijkt naar de wanden van de mentale kuil waarin ik op dit moment rondjes draai en denkt: verdorie, dit is een taaie klus.

Op een aantal vlakken sta ik momenteel in mijn leven op een betere, sterkere en meer vervullende plek dan ooit tevoren. Op een paar andere heb ik soms het gevoel dat werkelijk niks er nog echt, écht toe doet. Het perspectief van waaruit ik ben gaan kijken – noem het Gaia – is zo ver verwijderd van mijn eigen, kleine, persoonlijke leventje dat het zelfs niet uit lijkt te maken of ik er ben. Dat maakt me niet per se moedeloos. Het stelt mij alleen voor een uitdaging. Hoe leef je een zinvol leven als het niet uitmaakt wat je doet? Hoe veranker je je, in wat dan ook, om te groeien? En waar groei je dan naartoe?

Ik heb het antwoord nog niet.
Dat geeft niet. Niet elke vraag hoeft onmiddellijk beantwoord te worden.
Maar ik zou het wel fijn vinden mochten de randen van die kuil een beetje willen wijken. Het is nogal donker hier beneden, en het is niet mijn gewoonte om in het donker te blijven kniezen. Ik wil weer naar boven, waar de thermiek speelt met wat glinsterend waait op de wind.

(c) Inaya photography
Advertenties

Wat wil je betekenen?


We stellen kinderen de verkeerde vraag.

(c) Inaya photography


“Wat wil je later worden?”
Aan een vijfjarige vragen we het met vertedering, aan een twaalfjarige met mogelijke schoolkeuzes in het achterhoofd. In het geval van een adolescent stellen we de vraag met oprechte interesse en in de hoop op een interessant antwoord.

We bedoelen het goed, maar eigenlijk zetten we kinderen van in het begin op het verkeerde been. We weten zelf niet beter, natuurlijk. We willen hen het gevoel geven dat ze vrij zijn om te doen wat ze willen en niet verplicht zijn, om wat voor reden dan ook, in de voetsporen van hun ouders te treden.

Maar de vraag heeft ook iets van een valstrik. Ze lokt zelden meer uit dan wensdromen (prinses, brandweerman) of door de samenleving naar voren geschoven streefdoelen (rijk zijn, beroemd worden). Tegen dat de vraag de adolescentie bereikt, wordt ze bijna altijd beantwoord met ofwel een beredeneerde keuze waarvan de jongere vermoedt dat ze hem professioneel vooruit zal helpen ofwel, steeds vaker, met niets meer dan een geërgerde, schouderophalende zucht (‘weet ik veel’).

Ik ben met mijn gezin in het noordoosten van de VS, waar we familie bezoeken. Onze eerste stop is het Amerikaanse gastgezin waar mijn man op zijn achttiende een heel jaar woonde. Mom en Dad zijn nog altijd écht moeder en vader. We zijn er (schoon)kind aan huis. Dad leert Sobran papieren vliegtuigjes plooien en gaat met zoon en kleinzoon op fietstocht, Mom zorgt voor ons als haar eigen kroost.


Het is een gesprek over dat tweede antwoord (‘weet ik veel’), in een stampvol restaurantje met uitzicht over de oceaan, met fantastisch eten voor onze neus en het gekletter van borden en de commando’s van het personeel op de achtergrond, dat mij plotseling een inzicht brengt.
Want we klagen wat af over onze jongeren, de jeugd ‘van tegenwoordig’, van wie we zeggen dat ze niks meer kunnen, zich nergens meer voor willen inzetten. We maken ons zorgen om hen, als we zien hoeveel uren ze aan een of ander scherm gekluisterd zitten en weinig meer doen dan spelen en chatten, en geen oog lijken hebben voor de noden of geneugten van het echte leven.
Ze weten niet wat ze met hun leven aanmoeten, zucht Mom.

Eigenlijk is het niet echt eerlijk van ons om van onze kinderen een zinnig antwoord te verwachten. Hoe moet een puber die dagelijks om de oren geslagen wordt met overvloed, quick wins, consumptiecultuur en the survival of the sexiest nu in godsnaam weten wat hij zou willen gaan doen, écht zou willen gaan doen, met zijn leven?

Daar heb je een gevoel van motivatie voor nodig, om te beginnen. De verwezenlijkingen van de voorgaande generaties zijn in dat opzicht vaak geen cadeau voor onze kinderen. Als zelfs de sterren al binnen handbereik liggen, waar kunnen zij dan in ’s hemelsnaam nog naar streven? Het zou ons niet mogen verbazen dat onze jongeren zich terugplooien op comfort of genot, en al helemaal niet omdat we hen geen beter alternatief weten te bieden.

Net zoals we kinderen stap voor stap moeten leren om op een sociaal wenselijke manier om te gaan met andere mensen, is het onze taak als ouder om hen te begeleiden in de ontdekkingstocht naar zichzelf en wat hun diepere zingeving in het leven kan zijn. Want in tegenstelling tot wat we, eens zelf volwassen, lijken te denken, kom je daar als kind echt niet zomaar achter. Zonder die ene grootouder, ouderfiguur, leerkracht, die in ons geloofde en op het juiste moment de juiste dingen zei, waren ook wij waarschijnlijk niet geworden wie we nu zijn.

En dat is in het beste geval. Want laten we eerlijk zijn, velen van ons weten tot op vandaag eigenlijk óók nog niet wat we eigenlijk willen of gewild hadden. We hebben het ons redelijk goed naar de zin gemaakt in het leven dat we hebben, een beetje zoals een kind zich verschanst in een speelgoedkasteel, en doet alsof de zandgebakjes echt voedsel zijn.

Home @ Dartmouth, USA


De bezorgdheid om onze jongeren kan ons zelf ook een stevige spiegel voorhouden. Want de diepere zingeving van iemands leven ligt lang niet altijd in de job die we uitoefenen – wat we ‘geworden’ zijn, dus. Integendeel, meer dan ooit zijn volwassenen in de westerse wereld zelf op zoek naar betekenis in hun leven. We beginnen steeds meer te beseffen dat we onszelf hebben vastgereden in het najagen van puur materieel comfort.

Waar we behoefte aan hebben, is werkelijke, diepere zingeving, zoals die te vinden is in menselijke verbondenheid, of in en het gevoel iets voor de wereld te kunnen betekenen, op een fundamenteel niveau, hoe klein ook. Want er bestaat een punt waarop wat ons hart verlangt en wat de wereld nodig heeft elkaar vinden, een van de ontelbare snijpunten van de kaleidoskoop die het leven is.

Ook al worstelen we als volwassene zelf misschien nog met de antwoorden, wat mij betreft is dat wel het pad waarop we onze kinderen moeten helpen om de eerste stappen te zetten.
Vragen aan het kind wat het wil worden, leidt niet tot een beter zelfinzicht. Het creëert zowel bij ouder als kind alleen verwachtingen, wensdromen of schuldgevoel, hoe sympathiek verpakt ook.

Een juistere vraag om te stellen, zodra een kind rijp genoeg is om daarover na te denken (of misschien beter zelfs: erover te voelen), is: wat wil jij graag betekenen in de wereld? Wat is het unieke talent waarmee je in de wereld een verschil kan maken?

Dat hoeft niets groots te zijn, en het antwoord kan op het eerste zicht schijnbaar onbeduidend lijken. Het vraagt ook van ons als volwassenen een mentale ommezwaai: je kunt niet meteen een carrière bedenken die voortvloeit uit ‘voor mijn hondje zorgen’, ‘met mijn vriendjes spelen’ of ‘een mooie tekening maken’. Maar eigenlijk is dat precies waar alles wél begint. Want in die onschuldige antwoorden liggen veel diepere waarden verscholen, die wijzen op talenten of bijzondere gaven: zorgzaamheid, sociale vaardigheid, artistieke of esthetische creativiteit.

Als we kinderen durven vragen naar wat zij zelf aanvoelen als bijzondere gave die ze aan de wereld kunnen schenken, en op wat voor manier zij, gewoon door zichzelf te zijn, misschien wel een verschil kunnen maken, dan helpen we hen vooruit op meer dan één manier.
We helpen hen in contact komen met zichzelf, en met de dingen waar ze goed in zijn. We helpen hen begrijpen dat iedereen een eigen unieke plaats heeft, waarin elk talent een verschil kan maken. En vooral: we vragen hen niet om een rol in te vullen die wij als ouders of samenleving voor hen voorgekauwd hebben. We geven hen de opening om te luisteren naar de stem van hun hart en ziel. Ze hoeven helemaal niemand te ‘worden’, behalve wie ze diep vanbinnen al lang zijn.

En wie weet weet, als wij hen durven vragen wie zij zijn, kunnen we in de spiegel die zij ons voorhouden ook een stukje zien van wie wij al die tijd al waren – ongeacht wat we denken geworden te zijn.

Inaya photography