Het enige spoor dat ik kan lezen

(c) DriftHangingGardens


Soms vrees ik dat ik verveel.

Toen ik een jaar of vijf geleden in ernst begon met deze blog, wilde ik er mijzelf als schrijver een beetje meer mee in de kijker zetten. Ik wilde er vooral artikels op publiceren die ik schreef voor het magazine waarbij ik toen in dienst was. Professioneel degelijke stukken. Bespiegelingen over de toestand van de samenleving, mijn onderbouwde opinie over sociale, politieke, ethische en ecologische toestand van de wereld. Nu en dan iets persoonlijks.

Het draaide anders uit.

Dit digitaal platform vervelde tot iets veel persoonlijkers. Dat ging vanzelf en toch ook weer niet.

Je moet een zekere afstand kunnen bewaren van onderwerpen als je er journalistiek over wil schrijven. Dat is niet mijn sterkste punt. Ik ben een veel emotioneler en meer intuïtief gedreven mens dan ik ooit objectief of journalistiek zal zijn. Het ene is niet beter dan het andere, dit is geen oordeel. Maar je moet wel weten wát je schrijft om te weten hoe je het op een integere manier kunt doen.

(c) Inaya photography



Schrijven is altijd een manier om mijn eigen processen helderder te krijgen. Maar ze ook op mijn blog zetten, was meer dan één brug oversteken. Ik kon mijn persoonlijke traject en mijn bekommernissen even goed kwijt in mijn dagboek, of in een intiem gesprek met mijn beste vriend(inn)en. Waarom deed ik dan wat ik doe op deze blog? Was het een verkapte roep om aandacht?

Jezelf online blootgeven is een combinatie van opperste kwetsbaarheid en exhibitionisme. Ik was me van beide bijzonder bewust. Het eerste vond ik doodeng, het tweede zonder meer kwalijk. Wie had er iets aan dat ik in woorden in mijn blootje ging? Ik had geen antwoorden, er was alleen de zachte innerlijke stem die zei: doe het nu maar. En dan drukte ik op ‘Publiceer’.

De respons die kwam, verbaasde mij niet alleen, er zat ook een onwaarschijnlijke logica in. Hoe meer schroom ik had om iets online te gooien, hoe vaker ik reacties kreeg die op verschillende manieren allemaal hetzelfde zegden: ‘Dank je om dit te schrijven, want ik herken mezelf hierin. Dit is mijn verhaal maar ik had er geen woorden voor. Tot nu.’

Van zulke reacties kun je alleen maar heel bescheiden en heel dankbaar worden.
Ik heb ze een voor een gekoesterd en ik voelde ook hoe ze iets in gang zetten. De bevestiging die ze mij brachten, heeft me meer vertrouwen gegeven om online te zetten waar ik mee bezig ben. Ik vraag me niet elke keer meer af: is dit wel een goed idee? Nu overheerst het idee: iemand, ergens, zal er misschien iets aan hebben. En ik laat het dan maar los.

(c) Inaya photography



Toch voel ik de laatste tijd de twijfel weer groeien.
Ik ben bezig aan een proces van substantiële verdieping. Ik graaf letterlijk en figuurlijk naar de wortels. Ik ben heel intensief bezig met planten, structuren, diverse vormen van levend en dood materiaal. Hoeveel boodschap hebben mensen daar nog aan? Heeft het zin dat ik de zoveelste foto van een plant online zet? Willen ze niet liever weten hoe mijn kind door zijn vijfde leerjaar geraakt is en wat ik klaargemaakt heb voor het avondeten?
Anderzijds: is wat mensen willen weten ooit een goeie motivatie om wat dan ook te doen?

Mijn fascinatie met planten gaat veel verder dan het feit dat ze groen en natuurlijk zijn – wat je nog zou kunnen verwachten van iemand die duidelijk te kennen heeft gegeven hoe dierbaar het groene gedachtegoed haar is.
Planten boren naar de bron, ze verrijzen uit iets zo onbeduidends als een zaadje of een knol, ze groeien, dragen vrucht en sterven af. Ze bewegen zo langzaam dat ze naar ons aanvoelen helemaal in het ‘nu’ zijn. Maar eigenlijk evolueren ze gewoon op hun eigen tempo, volgens de cycli van groei, bloei en dood.

Hoe verder de mens afdrijft van de natuurlijke ritmes, de gezonde grenzen en de verbondenheid met wat geworteld is, hoe sterker ik er mij naartoe getrokken voel. Bijna alsof het ene het andere compenseert. Ik schreef ooit over mezelf dat ik een sjamaan in wording was. Ik betwijfel of de echte sjamanen van deze wereld het daarmee eens zouden zijn. Ik hou me niet aan hokjes, vakjes, gebruiken en vormen, dus ook niet aan deze. Maar mijn voelen gaat alsmaar dieper. Ik heb er zelf niet altijd woorden voor. Dat is wanneer beelden het overnemen, en dat zijn bijna altijd beelden van planten.

(c) Inaya photography


Dus bij deze: sorry als ik u verveel. Ik ben bezig mijn wortels te spreiden, zo diep als ik kan, en ik hoop de uitbundigheid van het leven die van daaruit naar het licht reikt recht te doen in al haar diversiteit.

Het klinkt mooi, maar kom me binnen een paar jaar nog maar eens vragen wat ik daar precies mee bedoelde. Op dit moment kan ik het niet zeggen. Ik weet alleen dat het juist voelt. Net zo juist als al die keren dat ik aarzelde om op ‘Publiceer’ te drukken en die zachte stem zei: ‘Doe het nu maar.’

Vleugels als vlammen, wortels als omgekeerde kruinen, vertakt in het duister. Wie niet weet waar hij geworteld is, kan groeien noch gedijen.
Ik volg het enige spoor dat ik kan lezen. Voor wie het ook voelt: ik zal wat broodkruimels strooien onderweg.

(c) Inaya photography

Werelden verbinden

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~6~

Vandaag lees ik zoals beloofd een stukje voor uit mijn nieuwe boek, De wortels van de wereld.
Wat voor boek het precies is? Hm.

Ik hou niet van het woord kinderboek. De beste verhalen zijn leeftijd-loos. Ze hebben misschien een ondergrens (een leeftijd waaronder je te jong bent om het verhaal te begrijpen) maar ze hebben geen bovengrens. Soms kun je pas als volwassene alle lagen appreciëren die de schrijver erin stak. Dus ik noem dit boek, net als De serres van Mendel, zijn voorganger, een verhaal voor gevoelige zielen van 10 tot 110.

De wortels van de wereld is een boek over het snijpunt waar werelden elkaar ontmoeten.

In de ene wereld leeft het meisje Reya, samen met de oude Mendel, in een immens complex van koepels en serres. Er zijn meren en mangrovewouden, moerassen en oerwouden. In die enorme overkoepelde biotoop worden de werelden bewaard – letterlijk, in plantvorm: een universum aan zaden, bloemen en mogelijkheden.

In een andere laag van de werkelijkheid woont Robin, een jongen die ooit een tijdje bij Reya en Mendel in de serres verbleef en toen Reya’s beste vriend werd, maar zich daar nu niets meer van herinnert.
Hij is teruggegaan naar waar hij thuishoort en is opgegroeid zoals dat hoort: bij twee ouders, in een woestijndorp waar iedereen, ook de kinderen, aan het werk gezet worden tussen de sloopresten van een grote werf zodra ze daartoe in staat zijn.

Op het moment dat het verhaal in dit boek begint, is Robin twaalf. Hij krijgt flitsen van de serres in zijn hoofd. Wie is dat meisje – Ree heet ze, gelooft hij – dat hij tussen de planten ziet dansen? Ze praat tegen hem, valt te pas en te onpas zijn leven binnen. En wat moet hij met dat bizarre talent in zijn handen, dat hem in staat stelt dingen bijna vanzelf uit elkaar te laten vallen, en dat hij volgens sommigen maar beter verbergt?

In Reya’s wereld vindt een ramp plaats: de serres raken besmet door een ziekte. Ook Mendel zelf wordt levensgevaarlijk ziek. Reya moet haar veilige stolp verlaten om hulp te vinden. Ondertussen zoekt Robin naar een manier om terug te keren naar de plek waarnaar hij werkelijk verlangt.

Ik zou, met de column van vorige week in gedachten, een stukje over de plaag in de serres kunnen lezen: een natuurkracht die als een vloedgolf alle zekerheden van onder Reya’s voeten maait en haar dwingt haar veilige, overkoepelde wereld te verlaten. Maar dat ga ik niet doen. Van dat soort ontwrichting hebben we vandaag al meer dan genoeg. Dus ik neem jullie graag mee naar een andere lijn van het verhaal, iets wat we veel harder nodig hebben: het punt waarop Robin, afgedaald in de grot van de voorouders tot op het diepste punt waar hun tekeningen op de wanden staan, en met de stem van Ree als een constante compagnon in zijn hoofd, begint te begrijpen waar de kracht in zijn handen eigenlijk voor dient: het vertellen van zijn eigen verhaal, het verbinden van werelden.





De wortels van de wereld ~ fragment

Robin loopt naar de natuurlijke nis in de rotswand, een dieper gelegen stuk dat hij tot nu toe niet opgemerkt had. Die nis is één grote verzameling van handafdrukken, in alle formaten, in zwart en rood en oranje en grijs en alle kleuren daar tussenin. Het is bijna alsof ze naar hem zwaaien. Alsof een heel volk in het diepste punt van de grot heeft willen zeggen: wij zijn hier geweest.
Wij zijn hier geweest. En we zijn hier nog. Want jij ziet ons.
– Dat ben ik niet, fluistert Ree. Dat zijn zíj.
Hij loopt naar de nis en blijft een duimbreedte van de rotswand staan, tilt zijn hand op, aarzelt. ‘Als ik nu mijn hand op de rotswand leg, zou ik ze dan kunnen voelen?’
– Ik geloof het wel, knikt Ree.

‘De wortels van de wereld’, p.32-33



Hoe massief de wanden om hem heen ook zijn, op deze plek lijkt de rots niets meer dan een dun vlies. Aan de andere kant strekt zich net als hier een wereld uit waarin gebeurtenissen steeds verder afdrijven vanuit dit punt, zoals rimpels in het water zich verspreiden of jaarringen van een boom steeds breder groeien vanuit de kern.
Robin legt hij zijn handpalmen tegen de rotswand.
Kom, jonge wever. Voel ons en vind jezelf. Dit is waar alles herbegint. Want zolang er iemand is die de lijnen kan lezen, gaat het verhaal door.
De warme gloed zindert door Robins lichaam, dan begint die door zijn handen ook weer naar de rots terug te stromen. Hij hoeft er niets voor te doen, het is zo natuurlijk als ademen. En hij voelt hoe de grot als een levende stroom langzaam om hem heen wentelt, een stenen sterrenstelsel, een universum van rots.
Wat is steen anders dan gestolde tijd? Wat is tijd anders dan ontelbare lagen van leven, gestorven, bezonken, opeen geperst en weer aan het licht gebracht?

Een na een lichten de tekeningen op de wanden op. Hun vormen gloeien en golven, gevormd in de stroom van de rots zelf, door handen als die van hem, die wisten hoe ze dat moesten doen. Ze vertellen over werelden in het hart van zandkorrels, over beschavingen die kwamen en gingen, over de droom van één enkele bloem, over sterren die als stuifmeel uitgestrooid liggen in de nachtelijke hemel.
Sommige verhalen klinken heel zacht, oud en erg ver weg. Andere zijn helder als een bel, vers en dichtbij. Ze zijn allemaal springlevend, alleen op een andere laag van het gesteente dan die waar hij zich bevindt.
– In een andere jaarring van de boom, lacht Ree, langs een andere bocht van dezelfde spiraal. Of van een spiraal die deze kruist. Ze danst langs de wanden, van tekening naar tekening.

Robin in de grot (detail) uit ‘De Wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


En als twee spiralen van licht elkaar kruisen, kun je dan oversteken van de ene naar de andere? Kun je reizen van een laag in het gesteente naar een diepere, als waren het kleuren in een dampkring, wentelingen in een sterrenstelsel, en neerstrijken op de plek waar je hart naar hunkert?
Robin kan onmogelijk zeggen hoe ver hij gaat, of hoe lang dit ogenblik duurt. Tijd en afstand zijn niet alleen te meten in lengte, begrijpt hij, maar ook in diepte.

In zijn zak voelt hij plots zijn geboortesteen gloeien. Hij haalt hem tevoorschijn en weet wat hij gaat zien. Het warme licht in de kei is precies hetzelfde als wat door de rotswanden stroomt.
Wie jou gemaakt heeft, denkt hij, was net als zij.
Ree slaat zachtjes haar armen om hem heen.
– Net als jíj.

een knappe, langere, live versie van hetzelfde nummer als hierboven



Robin in de grot, uit ‘De wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Thuis

(c) Inaya photography


Parallel groeien, maar nooit gelijk.
Dezelfde oever delen, zon en schaduw
en een storm nu en dan. Vogels zien
komen en gaan, een thuis bieden
tussen wortel en tak, onder kreupelhout,
aan nesten en holen en alles wat liever
ongezegd blijft. Geen enkele stam groeit
ongeschonden. Maar dat geeft niet
zolang de wortels elkaar vinden.

Naar de wortel graven

(c) Inaya photography


Soms moeten we graven naar de wortel
van onszelf: wonden blootleggen, lagen
doorkruisen, almaar dieper boren tot de kern.

Soms moeten we de storm vertrouwen
ons te kraken, los te rukken wat eens
veilig vast verankerd lag in gevangenschap.

Soms mogen we vallen, want wat bloot
komt te liggen aan de wind laat ruimte
voor het ongeziene om te groeien naar het licht.

(c) Inaya photography