Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

Mensen lijken op vogels

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~4~

Ik zit op het terras en ik worstel me door een taai hoofdstuk van het nieuwe boek dat ik aan het schrijven ben. Ik vraag me af wanneer ik het in mijn handen zal houden. Normaal gezien verschijnt het dit najaar, maar er is eventjes niets meer normaal of vanzelfsprekend in mijn wereld. Mijn horizon voor projecten en plannen bedraagt op dit moment welgeteld een week.

Boven mijn hoofd en langs mij heen vliegen de vinken, mezen en mussen over en weer. Van de haag naar het nestkastje, van de takken van de bomen naar het vogelvoer en weer terug. Ze verjagen elkaar, ze tolereren elkaar, ze eten en fladderen weer weg. Ik hoor het getik van scherpe bekjes, het geruis van vleugeltjes.

‘Is het jou ook opgevallen’, vraagt een vriendin uit Limburg mij, per mail uiteraard, ‘dat de vogels zoveel vrijer bewegen? De natuur neemt terug wat van haar is, nu de mensen massaal binnen blijven.’ Ik ben een natuurmens. Maar om eerlijk te zijn: nee. Ik zie het niet.


Wij wonen op een bel-étagewoning en de laagste takken van onze eiken strekken zich uit als een natuurlijke parasol op grijphoogte. De hele
winter en een groot deel van de lente hangen we daar vogelvoer. Het is soms een drukte van jewelste op ons terras. We spotten er merels, vinken, drie soorten meesjes, een winterkoninkje, een roodborstje, een boomkruiper. En sinds de buren een eind verderop in de straat hun haag vervingen door hekwerk met draad, geeft onze tuin met zijn struiken en verstopplekjes ook onderdak aan een zenuwachtige mussenfamilie. De tortels en bosduiven tellen we niet mee, noch het kauwenparlement in de populieren aan de andere kant van het veld, die zitten er altijd.

Nu en dan laat de bonte specht zich zien, die is ook niet vies van wat vogelvoer. Zelfs het koppel eksters dat hier al jaren woont en broedt, komt de laatste tijd naar beneden en kan in één enthousiaste schranspartij een kwart van een vetbol wegwerken als ze niet gestoord worden door beweging achter het raam.


Met het eerste mooie weer ben ik ook op het terras gaan zitten, om te schrijven dan. Aan dat boek, weet u wel. Eerst schrokken de vogels daarvan. Het was aandoenlijk hoe ze tussen de toen nog bijna kale takken over en weer vlogen, piepend naar elkaar dat daar plots een mens zat, een mens! zo dicht bij hun maaltijd. Die mens bewoog zich niet, weliswaar, maar ze keek niet alleen naar dat schrift of dat scherm voor haar, ze hield ook hen in de gaten. Takje na takje hupten ze dichterbij – en soms weer weg – tot de eerste dappere toch durfde te komen eten. Twee hapjes van de vervaarlijk schommelende mezenbol, en weg maar weer!

Mensen lijken op vogels. Want we wennen verbazend snel aan nieuwe omstandigheden. Na amper twee dagen fladderen de vogels vrolijk af en aan en hangen ze op amper een dikke meter van mij aan de overgebleven wintervoorraad.

Voelen die vogels het verschil, vraag ik me af, tussen ons gewoonlijke geraas en de kalmte van de wereld nu? Zelf hoeven ze zich geen vragen te stellen over waar hun toekomst naartoe gaat. Ze vangen insecten, pikken een graantje mee van ons terras, en binnenkort gaan ze zitten broeden. Dan wordt het pas hectisch voor hen. In de vroege zomer zien we hier traditioneel het mezenkoppel uit het nestkastje onafgebroken aanvliegen met mondenvol vers groen rupsenvoer voor de kleintjes, recht van tussen de eikenbladeren geplukt. Boven onze hoofden, jawel.


Want wat mijn lieve vriendin ook zegt, dit is niet het eerste jaar dat de vogels eerst een beetje van ons schrikken en vervolgens voor de rest van de lente en de zomer het terras met ons delen. Ik vermoed dat zij het nu gewoon beter opmerkt. Want dat is zeker wél een effect van deze quarantaine.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Landschapspijn

Ik had een oma die nooit buiten kwam.

Wel tot in de tuin, zover waagde ze zich nog. Dan zat ze op warme dagen ’s morgens aan de terrastafel jonge boontjes te doppen. En na de middag in de schaduw van het treurberkje, op de bank in het meest windstille hoekje, met een sjaaltje om haar hoofd (tegen ‘de tocht’) en breide ze, of verstelde ze, las een tijdschrift of babbelde met ons.

Ik heb me als kind nooit afgevraagd waarom mijn oma zelden verder kwam dan de voordeur. Ze ging wel met ons mee oudejaar vieren bij mijn oom (haar zoon), en voor familiefeesten of communies ging ze mee op restaurant, piekfijn uitgedost. Maar verder speelde haar leven zich af binnen de muren van haar huis en tuin. Ze verliet letterlijk de grond van mijn ouderlijk huis niet. Zelfs de boodschappen werden gedaan door mijn grootvader, of door ons.

(c) Inaya photography


Ik stelde mij daar als kind geen vragen bij. Oma was gewoon zo, en haar teruggetrokkenheid hoorde even hard bij haar als haar lange, opgestoken grijze haren, of het feit dat ze altijd broeken droeg – ongewoon voor iemand van haar generatie, maar alweer iets dat ik als kind nooit in vraag stelde.

Waarschijnlijk kwam dat voor een stuk omdat er met oma goed te praten viel. Ze was een gevoelige, belezen vrouw. Ze hield van opera en cultuur. Mijn grootouders waren ook gastvrij: vrienden van mijn moeder en mijn oom waren welkom, later ook bevriende koppels van mijn ouders, de vriendinnetjes van mij en mijn zus… Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgroeide in een kooi, of in een bewaakte burcht. De deuren stonden open. Alleen liep mijn grootmoeder er nooit doorheen.

Ik lijk op haar, geloof ik.
Zij zag dat zelf als eerste. Als mijn moeder iets van me wilde waar ik moeite mee had, zei mijn oma wel eens: “Laat dat kind, ik begrijp haar.”
Ik geloof dat ze hoogsensitief en bijzonder fijngevoelig was, een innerlijke wereld had om in te ontsnappen, en nood had aan de schoonheid die ze om zich heen, in haar eigen nest, creëerde.

De laatste maanden betrap ik mezelf op iets wat me verbaast: ik heb steeds minder zin om naar buiten te gaan. Een klein beetje minder zin maar, gelukkig. Ik heb wél nog alle goesting om vrienden op te zoeken, in mijn lievelingsstad te gaan flaneren of een reis te maken. Maar ik merk een groeiende tegenzin op bij mezelf voor veel van wat er zich buiten de grenzen van ons klein perceel afspeelt. Ik ben heel tevreden met mijn werk thuis, achter mijn scherm, en met al het groen in de tuin dat zich voor ons raam verdringt, zeker nu de zomer op zijn volst en vruchtbaarst is.

Op dagen dat ik geen leuke dingen gepland heb (zoals een uitstap met vrienden) betrap ik mezelf wel eens op een ‘oef, ik hoef niet naar buiten vandaag’ als er geen redenen zijn om het huis te verlaten, zoals noodzakelijke boodschappen doen, of zelfs mijn zoon uit school halen. Ik doe die dingen natuurlijk wel als ze moeten gedaan worden, maar ik merk, alweer, groeiende tegenzin.

Maak u geen zorgen, ik ben niet mensenschuw aan het worden.
Ik vermoed dat die tegenzin met de dagelijkse wereld vooral te maken heeft met iets anders. Ik begreep het dankzij een woord dat ik vandaag voor het eerst las, en dat ik herkende met de opluchting van iemand die een diagnose krijgt die een symptoom beschrijft dat ze al heel lang voelde maar niet kon plaatsen.

Het woord was landschapspijn.

(c) Inaya photography


Met dank aan Dirk Draulans, bij wie ik het las, en die beweerde dat het zelfs een medische term was. Bij het googelen kwam ik vooral het gelijknamige boek van Jantien De Boer tegen, over de teloorgang van het Friese landschap dat plaats moet ruimen voor zielloze akkerbouw.
Maar of het nu gaat over het verlies van biodiversiteit, of het verlies van schoonheid, zoals Draulans met oprechte droeve kwaadheid aanhaalt, wat mij betreft is landschapspijn iets wat ik voel zodra ik de deur van ons huis achter mij dicht sla en de groene wildernis van onze tuin verlaat.

Ik lijd in Vlaanderen bijna constant aan landschapspijn. Ik zie elke vorm van natuurlijk landschap ingedamd, afgestroopt, gemaaid, gekortwiekt. Ik zie negentig procent van de tuinen woestijnen van beton en klinkers of monoculturen van gras en buxus. Als ik mijn blik verleg naar de mensenwereld, zie ik de grauwe lelijkheid van slecht onderhouden straten, trottoirs en fietspaden afsteken tegen de megalomane bouwdrift van ontwerpers van luchtkastelen.
Telkens wanneer ik buitenkom in dit stukje van de wereld dat mijn thuis zou moeten zijn, ben ik op een subtiele manier bijna constant in ademnood.

We zijn met te veel. Te veel volk op elkaar gepakt in dit kleine landje, en bij uitbreiding ook gewoon met veel te veel mensen op deze planeet. Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we breiden ons territorium uit en vervuilen het, ten koste van wat ons voedt en in leven houdt. We doen dat op een kleine, schijnbaar onschuldige manier (zoveel onkruid, meneer, ik leg dan maar klinkers, dat is ‘properder’) of op grote schaal. Het maakt niet uit, we doen het wel. Telkens opnieuw. Telkens meer.

Ik geloof dat ik dankzij dat woord van Dirk Draulans mijn oma nog beter begrijp. Want al was de tuin van mijn ouderlijk huis geen groene wildernis (het had een terras en een met paadjes omzoomd gazon dat juist groot genoeg was voor een krap potje badminton), in de boorden groeiden wél veel verschillende planten, bomen en bloemen.

Ik kan mijn oma bij nader inzien geen ongelijk geven dat ze de schoonheid van haar smaakvol ingerichte woning en de rust van haar tuin niet wilde inruilen voor het geraas van de wereld. Dat ze verkoos bij haar Singer naaimachine te blijven, en bij haar treurberk, haar krieken- en mispelboom, haar geliefde rozen (Madame Heyland) en de seringen waar ze zo van hield, de bessenstruiken, de rode Japanse esdoorn en de oude varen, de overweldigende blauwe regen op de pergola, de rij populieren en de twee immense blauwe sparren achteraan in de tuin, waarvan de laagste takken als uitgespreide vingers over het grasveld reikten en die mijn zus en ik tijdens het schommelen, zo hoog als we konden, probeerden aan te raken.

(c) Inaya photography


Nee, ik kan haar geen ongelijk geven. Ik sta op het terras van mijn huis, onder de eikentakken die een paar twijgen kwijt zijn door de laatste harde storm, maar waar de familie koolmezen en zelfs de bonte spechten intussen weer zorgeloos komen eten van het voer dat we hangen.

Laat mij maar hier blijven, denk ik. In dit landschap.