Bruges la morte

Brugge_0214 ed
(c) KV
Brugge_029 zw ed
(c) KV

 

Liggen
onder eeuwenoude bomen
terwijl tederheid
over mij waakt

Ja.
Ik zou dat kunnen.

 

Brugge_062 ed
(c) KV

 

Brugge_085 ed
(c) KV

 

Brugge_100 zw ed
(c) KV
Advertenties

Licht

De ogen van de bedelaarster aan de ingang van het station

Barcelona_029 ed cut
(c) KV – licht stroomt door de glasramen in de Sagrada Familia, Barcelona

Licht is altijd een bron van inspiratie voor mij.
Nee, schrap dat.

Licht is een fysieke ervaring, een zintuiglijk hoogtepunt dat me vervult met iets wat ik niet echt kan benoemen, en wat achteraf altijd weer geuit wil worden, de wereld in. Doorheen woorden, een lied, een emotie.
Gewoonlijk maakt licht mij gelukkig op de fijnste manier.
Soms, echter, stemt het mij droef.

Als ik naar het werk pendel, moet ik overstappen in Brussel-Noord. Mijn eindstation is wat de kinderen het station van dinomuseum noemen. Volwassenen kennen het als een van de stations het dichtst bij het Europees Parlement. Het dichtstbijzijnde metrostation, Maalbeek, was het doelwit van de terroristische aanslag vorig jaar.

Er wordt gewerkt aan dat specifieke spoor. Treinen naar Namen of Luik worden omgeleid op de lange afstand. Daarom stap ik al twee weken af in Brussel-Centraal, om vandaar te voet naar mijn kantoor te lopen, een wandeling van twintig minuten.
Dat is niet echt ver, maar (1) wel bergop, (2) mijn astmalongen zijn niet in topvorm en (3) de luchtkwaliteit van onze hoofdstad is de slechtste van het land. Maar ik vind overvolle bussen en metrostellen nog erger dan uitlaatgassen, dus loop ik toch.

Aan de uitgang waarlangs ik het station verlaat, zit een vrouw. Ze moet een jaar of vijftig zijn. Ze ziet er moe, verwaaid en triest uit. Ze bezet een hoek en houdt een beker vast. Elke voorbijganger begroet ze met dezelfde ‘Bonjour. Merci.’, een zielig, onophoudelijk deuntje terwijl de pendelaars langs haar heen stromen.
Ik werp met plezier een muntje in de openstaande vioolkist van een straatmuzikant, maar met bedelaars weet ik me geen raad. Het wordt moeilijk, na een tijd, om alle menselijke ellende die je ziet in de straten van de hoofdstad nog te verteren. Mijn hart is verscheurd, mijn verstand vertelt me dat ik onmogelijk al die mensen te eten kan geven, en soms deins ik gewoon terug voor hun miserie of hun vijandigheid. Ik voel me een lafaard, en ik ben er waarschijnlijk een, zoals ik me langs hen haast, en probeer hen niet aan te kijken.

Iets aan de vrouw bij de uitgang van Brussel-Centraal was anders. Of misschien was ik die ochtend anders. De roltrap bracht me naar boven en voor een moment waren we op dezelfde ooghoogte. Terwijl ik van de roltrap stapte en naar de uitgang liep, zei ze, zoals tegen iedereen: ‘Bonjour’. Ik glimlachte. ‘Bonjour.’

Het licht in haar ogen.

Ik geloof dat ze gelukkiger was met mijn simpele antwoord dan met wat voor som ik haar ook had toegestopt.
Voor een ogenblik waren we gewoon twee zielen die een oprechte ontmoeting hadden.

Ik heb haar sindsdien nog een aantal keer gezien, zittend op haar plekje waar ik de dag in stap.
Ze herkent me. We glimlachen en groeten elkaar.

Ik geef haar geen geld, maar wel iets anders, geloof ik.
Als de onderhoudswerken aan mijn treinverbinding achter de rug zijn en mijn pendelroutine zich hervat als vanouds, zal ik haar missen.

Bxl city_251 cut
(c) KV – Brussel, Europese wijk

Lijnen

Bxl city_029 zw ed
(c) KV

de lijnen die we trekken
rond onze opvattingen over onszelf
waarbinnen we ons terugtrekken
hoeveel houvast bieden ze echt
hoeveel eigen ruimte, hoeveel veiligheid

wanneer worden ze een kooi
een donkere kluis waarin we oude angsten
bergen en de rookpluimen van dromen
immer aarzelend om het daglicht
tegemoet te treden

want wat als we het beslissende moment missen
waarop de wereld ons verwelkomt
ons te pletter rijden en eindigen
verwrongen en verknoopt
in nog meer lijnen dan waarmee we ooit begonnen

Een verhaal, verteld of op zijn minst vermoed

Een kennismaking met stadsfotografie

Bxl city_060b
(c) KV – Pool is cool

Vroeger vroeg ik me wel eens af waarom zoveel fotografen graag de stad fotograferen.

Steden verstikken mij. Mijn zintuigen vinden ze een harde, onaangename omgeving. Te veel geluiden, te veel geuren. Te veel lelijkheid, vooral. Draden en afval en stof en vermoeide, verbleekte façades.

Als ik omringd ben door niets dan straten en gebouwen zoeken mijn ogen automatisch naar het dichtstbijzijnde sprietje groen. Ik voel me maar echt op mijn gemak als ik genoeg levende, organische dingen om me heen heb.
Maar in de meeste steden en dichtbevolkte gebieden, dichtgepleisterd met beton en gestructureerd volgens rechte lijnen en strakke afmetingen, is er weinig organisch houvast, en voel ik hoe mijn reservoirs van ademruimte en optimisme langzaam leeglopen.
Je leert je voeden met kruimels in de stad: een paar bloemen op een balkon, een regiment bomen in het gelid langs de straatkant, soms niet meer dan een overwoekerde border. De stad helpt mij zelden aan een beter humeur.

Maar vandaag was het anders.
Ik nam mijn camera mee naar het werk, met een heel bewuste bedoeling. De dag voordien was ik getuige van een scène op weg naar het station, en die wilde ik nu proberen vast te leggen. Een stadsscène – dat op zich is al ongewoon voor mij.

In de ongebruikte verkeersvrije ruimte tussen BOZAR en een grote bouwwerf is een recreatieve ruimte verschenen, compleet met bar, strandstoelen, parcours voor skateboarders en een blauw geschilderde container die dienst doet als het enige openluchtzwembad in Brussel. Het concept op zich was al kleurrijk, maar nu waren allerhande kunstenaars ook nog eens begonnen om de aanpalende houten wanden te beschilderen, én het straatoppervlak. Het was bizar en mooi.

Bxl city_132
(c) KV – Pool is cool

Ik vertrok na het werk op kantoor met mijn cameratas in mijn rugzak gepropt en de camera om mijn nek, voornamelijk omdat ik geen zin had om dat hele eind met twee weinig compatibele tassen te moeten jongleren. Maar met een camera klaar voor gebruik binnen handbereik, ga ik bijna automatisch in foto-modus. En dan kijk ik helemaal anders naar een plek.

Plots leek de lelijkheid van de stad naar de achtergrond te verdwijnen. Kleuren, contrasten en composities verschenen, en een overvloed aan vormen, weerspiegelingen en vervreemdende abstracties.

De mensen veranderden ook. Meestal probeer ik de massa’s vreemden die ik op straat kruis te negeren. Inzoomen op elk van hen afzonderlijk maakt me duizelig en gedeprimeerd door een overdosis emotionele ruis. Maar nu, terwijl ik focuste op een bepaalde plaats, werden mensen plots interessante personages die een scène bevolkten, en de kijker het gevoel gaven dat er een verhaal verteld werd, of op zijn minst vermoed.

Bxl city_152 zw ed cut
(c) KV – Ravensteingalerij

Het is geloof ik makkelijker om een interessante foto te maken in de stad – hoewel ik absoluut niet wil beweren dat goeie foto’s maken makkelijk is. Maar er zijn gewoon zoveel contrasterende elementen dat, als je weet hoe je moet kijken, sommige beelden zichzelf wel lijken te schieten. Gebouwen en straten zorgen haast op natuurlijke wijze – sorry, flauwe woordspeling – voor een aanzet tot compositie. En de lelijkheid, het ruwe en onpersoonlijke van een plek, is het decor waarin plots allerlei dingen beginnen gebeuren.

Ik krijg het gevoel dat ik niet eens zo’n slechte stadsfotograaf zou zijn. En ik denk dat ik vanaf nu mijn camera wat vaker meeneem naar het werk…

Bxl city_051
(c) KV – Pool is cool

 

De kracht die bergen verzet

Italië 2_111
(c) KV – Waterval in Grotte di Stiffe, van bovenaf gezien

Als je leeft in een land met een geologische geschiedenis die zo oud is dat de bergen er al lang afgesleten zijn tot heuvels, dan ken je de krachten van de natuur voornamelijk uit boeken, en niet uit eigen ervaring. Misschien hou ik precies daarom zo van het gebergte.

De regio van Abruzzo wordt gedomineerd door de Appenijnen. Vergeleken met de Alpen (en zeker met andere, oudere en meer verweerde Europese bergkentens zoals de Pyreneeën of zelfs de Ardennen) is deze geologische regio nog springlevend. Italië heeft actieve vulkanen, en er zijn geregeld aardbevingen.

We waren getuige van de relatieve prilheid van dit land in de Grotte di Stiffe, een bescheiden grot met niettemin een heel eigen charme: ze werd nog volop geboetseerd door een riviertje dat de hele tijd naast ons wandelpad liep, en door een aantal watervallen. Je kon de natuur ruimte voor zichzelf zien uitgraven in de rots waar je bij stond. Het ruisen van stromend water was overal. In de grotere, oudere grotten die ik in Frankrijk of België bezocht, was het vertoon aan druipstenen veel indrukwekkender, maar de kracht van de rivier was er niet meer dan een verre herinnering in een of andere stille, diepe kloof.

Misschien was een grot bezoeken in een streek die bekend stond om haar aardbevingen niet meteen het allerslimste idee, bedacht ik terwijl we in het schemerduister achter onze gids aan liepen. Maar er gebeurde niets uitzonderlijks, en na een uurtje stonden we weer buiten in het zonlicht en de hitte.

Waarom hadden we er eigenlijk voor gekozen om naar deze nogal afgelegen, weinig toeristische streek van Italië te trekken? Als ik de resultaten van de natuurkrachten had willen zien in combinatie met de overblijfselen van de oude Romeinse cultuur, had ik toch even makkelijk naar Pompeï kunnen gaan, in de schaduw van de beruchte Vesuvius? Behalve het feit dat een bezoek aan een dodenstad waar de hele bevolking levend begraven was onder de hete as mijn hooggevoelige zintuigjes en mijn levendige verbeelding in alarmfase zou laten gaan, had ik nog een andere goede reden om me niet te concentreren op de beter bekende plekken in Italië, maar in plaats daarvan Abruzzo te verkennen.

Als een schrijver zoiets zegt – welke andere mogelijke reden is er dan iets met een boek?

 

JW Iris bos Sally Mann 1 cut
(c) Jurgen Walschot – Seth variatie (detail)

 

Het is al een hele tijd geleden dat ik voor het eerst op Medium iets liet vallen over Het boek Seth. En ik heb het er hier, geloof ik, zelfs nog nooit over gehad. De tekst van dit manuscript, rijk aan Egyptische en gnostisch-christelijke motieven, liet de eerste vonk van creatieve zielsverwantschap overslaan tussen mij en Jurgen, lang voor we aan ons Zaailing-avontuur begonnen. Hoewel we wisten dat het geen evidente onderneming was (een volledig geïllustreerde literaire roman van tweehonderd pagina’s over de verhoudingen tussen goed en kwaad, iemand interesse?) én een werk van lange adem, vonden we elkaar daar wel in een aantal gemeenschappelijke thema’s en beelden, en dit zorgde voor een eerste laag van de vruchtbare bodem van vertrouwen en creatieve verwantschap die ons het afgelopen jaar al zo gevoed heeft.

Op het moment dat we besloten dit boek samen te maken, was mijn tekst al door een rijpingsperiode van ruim tien jaar gegaan, en door minstens evenveel versies. Als het van mij afhing, was het verhaal af.
Maar zodra Jurgen in ernst mee aan boord kwam, voelde ik dat het cruciaal was dat hij niet zoals gewoonlijk in de ondergeschikte rol van de illustrator zou glippen, om wat aardige prenten te maken bij een al bestaande tekst. Als we deze samenwerking echt wilden laten lukken, moest hij zijn rechtmatige plaats kunnen innemen als mijn gelijke en de medeschepper van dit boek.

Dat wilde zeggen dat ik mijn ‘kindje’ moest delen. Ik moest Jurgen de vrijheid geven om te komen met zijn eigen ideeën en zijn persoonlijke benadering, zelfs als die op zeker moment het originele concept in vraag zouden stellen of het werk substantieel konden veranderen. Ik besloot dat dat voor mij oké was. Ik wilde een creatieve zielsverwant aan mijn zijde die zijn vleugels uitsloeg, geen knecht die mijn aanwijzingen uitvoerde.

Een van de hoofdpersonages, naar wie Het boek Seth genoemd is, is een halfengel die worstelt met zijn afkomst en de krachten die zijn geboorterecht zijn. Op jonge, kwetsbare leeftijd, heeft hij een confrontatie met een goddelijk wezen dat zichzelf JHWH noemt, en dat zich ophoudt in wat ik ‘de kathedraal in de hoofdstad’ had genoemd. Omdat ik in dit boek al zoveel Egyptische, joods-christelijke en gnostische elementen had uit te balanceren, had ik ervoor gekozen om zeer neutrale, abstracte en niet-beschrijvende settings te gebruiken zoals ‘het bos’, ‘de stad’, ‘de woestijn’, of dus ‘de kathedraal’.
Toen ik die scène las, waarin die jongen het probeert op te nemen tegen zo’n formidabele tegenstander in een enorme kerk, zei Jurgen me, dan zag ik de Sint-Pietersbasiliek in Rome voor me.

JW Tombe 2b cut
(c) Jurgen Walschot – Het boek Seth (detail)

Ik voelde onmiddellijk dat dat een schitterend idee was. Waar kon een halve engel beter zijn confrontatie met de oude christelijke orthodoxie aangaan dan in de wereldhoofdstad van het katholicisme?
Daar gaan we voor, zei ik. Ik wist dat dat inhield dat ik een aantal elementen van het plot zou moeten herschrijven, maar dat was goed haalbaar. Ik was sowieso bereid om al wat Jurgen voorstelde te omarmen als dat een verbetering voor het boek betekende, en een manier was voor hem om zich dieper in te graven in het project. Bovendien kwam zijn voorstel op het moment dat ik was gaan twijfelen of die abstracte plaatsen wel echt werkten, dan wel of ze het de lezer gewoon moeilijker maakten om in het verhaal te komen. Ik was aan het spelen met het idee om in plaats daarvan juist heel specifieke locaties te introduceren. Rome prominent laten figureren wilde zeggen dat we die richting uitgingen. En als ik die mentale klik maakte, moest de rest van de settings volgen. Dus: meer herschrijfwerk. Wat mij betrof prima. Ik begon dit steeds leuker te vinden.

Sommige locaties waren gemakkelijk gekozen, andere lagen moeilijker. Ik overlegde met Jurgen om een aantal knopen door te hakken – wat het ook was, eindigde vroeg of laat immers misschien in een van zijn prenten. Egypte en Israël waren altijd al een evidentie. Over de bossen hadden we allebei hetzelfde gevoel. Brussel was om een aantal redenen een evidente keuze als een van de belangrijkste nuclei: internationaal, kleurrijk, groezelig, alle nodige elementen voor woonst en werk van de personages aanwezig, en een stad die vooral Jurgen goed kent. Rome hadden we ook. De moeilijkste knoop was: waar groeide die halfengel op? Ik had scènes met zijn ouders (mensenmoeder, engel als vader) die zich afspeelden tegen een decor van bergen en sneeuwlandschappen, en die wilde ik heel graag bewaren. België heeft geen bergen, dus moest ik het verder zoeken. Zou het een optie zijn, vroeg ik me af, om hem te laten opgroeien in Italië? Dat idee beviel me wel, het zou zijn worsteling alleen geloofwaardiger maken.
Maar was het wel realistisch dat een jongen opgroeide in het meest katholieke land van Europa (Polen niet meegerekend) zonder ooit een grote kerk binnen te gaan, laat staan de hoofdstad te bezoeken voor hij een pakweg zestien jaar was?

Ik zocht een afgelegen dorp in de bergen, waarschijnlijk op een aardige afstand van Rome, maar niets al te toeristisch, zéker geen skistation ergens in de Alpen. Ik lanceerde een vraag onder mijn Facebookcontacten. Daar zitten wat bevriende collega’s tussen die gespecialiseerd zijn in het Antieke Rome en die Italië goed kennen, maar niemand kon me helpen. Maar mijn hoofdredacteur deelde mijn vraag, en kreeg antwoord van een vriendin dat zij op haar beurt een vriendin had die met haar Italiaanse partner leefde in… Abruzzo. Ik kreeg de gegevens van deze Hilde, nam contact met haar op en legde uit wat ik zocht.

 

Italië 2_049
(c) KV – Abruzzo

 

Hilde was hartelijk en meer dan een beetje enthousiast. Abruzzo is de streek die je moet hebben, zei ze. De tijd heeft hier stilgestaan. Je vindt hier dorpjes met maar tien familienamen op de grafzerken van de begraafplaats. Sommige van die plekken zijn ’s winters omwille van de sneeuw wekenlang afgesneden van de beschaving. Het is perfect mogelijk om hier op te groeien, op goed twee uur rijden van Rome, en de hoofdstad pas voor het eerst te bezoeken op een schooluitstap. Zo ging het alvast voor Gianni, en die heeft ongeveer dezelfde leeftijd als jouw personage nu zou hebben. Je kunt hem uitvragen over hoe het was om hier te leven als kind. En wij gaan voor jou op zoek naar het soort dorpje dat je kunt gebruiken als achtergrondlocatie.

Een mens zou niet verbaasd mogen zijn om engelen tegen te komen als je er over eentje aan het schrijven bent.

Nauwelijks een paar dagen later kreeg ik zoals beloofd van Hilde de naam van een dorpje en wat achtergrondinformatie over de regio rond L’Aquila. Maar heel gauw overviel me het gevoel dat ik de plaatsen die ze beschreef zelf wilde gaan zien. Het is mijn ervaring dat ik beter schrijf als ik de plek ken. Zelfs al gaat het maar over tien regels en wat  achtergronddetails, dan nog wil ik datgene wat ik mijn lezer aanbied zelf ook kennen.
Mijn man was helemaal te vinden voor een half avontuurlijke road trip met ons tweeën – daar kwam geen enkele vorm van overtuigingskracht aan te pas. Dus hier zijn we dan, in Abruzzo.

Ik denk niet dat er veel toeristen zijn die een totaal oninteressant slaapdorp gaan bezoeken om puur documentaire redenen. Mijn man was zo aardig om vaak het stuur te nemen, zodat ik vanuit de auto foto’s kon nemen, of er snel even uit kon springen om langs de kant van de weg betere plaatjes te schieten. Ik moest voornamelijk de sfeer opsnuiven, maar Jurgen zou de echte beelden nodig hebben.

Het dorpje dat Hilde en Gianni voor me hadden uitgezocht, lag op een van de hogere hellingen met zicht op L’Aquila in het dal. Schitterend, dacht ik. Seths moeder zal uitkijken over de stad waar ze werkt en waar ze eigenlijk zou willen wonen, maar aangezien de huizen in die dorpjes veel minder waard waren dan vastgoed in de stad kan ze niet ontsnappen uit de plek waar ze vast zit. Ze moet namelijk depressief zijn op het moment dat ik haar introduceer in het verhaal, en de omstandigheden moeten geloofwaardig zijn.

(Ja, ik geef het toe: schrijvers kunnen wreed zijn als dat nodig is, maar ik verzeker u dat we wel degelijk geven om onze personages, en ook om echte mensen.)

Natuurlijk zouden we L’Aquila zelf ook bezoeken, aangezien het de belangrijkste stad in de regio is, en ik wilde een idee krijgen van waar Seths moeder heen ging om haar geld te verdienen. Ik had gehoord over de aardbeving die de stad in 2009 had getroffen, en op onze omzwervingen over het platteland hadden we huizen gezien die gestut werden of toe waren aan restauratie. Maar niets had me voorbereid op wat we in het dal aantroffen.

 

Italië 3_032
(c) KV – L’Aquila

 

De (typisch lelijke) buitenwijken waren levend genoeg om ons te misleiden, maar acht volle jaren na de zware aardebeving (6.3 op de schaal van Richter) is L’Aquila nog steeds niets meer dan een spookstad. Hele straten lang worden de huizen rechtgehouden door niets dan stellingen en wilskracht, totaal verlaten, de ruiten gebroken, de deuren verzegeld. We zagen een middelbare school waar de stapels papier nog op de lessenaars lagen. Stijlvolle façades waar het plaaster half vanaf hing, de pasteltinten vergaan tot een somber, stoffig grijs. De belangrijkste historische monumenten en grotere gebouwen waren half verwoest, half verpakt in stellingen en doeken.
Er was veel werfgeluid te horen, maar voor elk huis dat opgekalefaterd werd, verbrokkelden er dertig andere. Zelfs te voet was het een uitdaging om het centrum van het stadje te doorkruisen, met zoveel versperde steegjes of straten die ontoegankelijk bleken.

Hier en daar was een gebouw al echt herbouwd of hersteld, maar zo’n bar of winkel binnengaan voelde als een scène uit een surrealistische film: binnen was alles veel te schoon en te normaal, business as usual, een parallel universum dat verkruimelde zodra je naar buiten stapte. We passeerden een of twee bars was mensen op een terrasje zaten, vrolijk, druk, alsof ze hun best deden de verwoesting om hen heen niet te zien. Het was een van de voorlopig vreemdste ervaringen in mijn leven.

Ik heb er nu spijt van dat ik niet meer of betere foto’s nam, of probeerde om die groteske contrasten te documenteren, maar terwijl we daar rondliepen, in de middaghitte, met de verbijstering om deze ooit zo mooie plek als een krop in de keel, lukte het mij gewoon niet. De pure kracht van de verwoestende natuur voelde overweldigend, en de pogingen van de mens om op te ruimen en herop te bouwen waren zo nietig in vergelijking. Op de terugweg merkten we in de buitenwijken rijen van prefab chaletjes, ongetwijfeld in allerijl opgetrokken noodwoningen voor een aantal van de duizenden inwoners die niet terug kunnen naar hun huizen omdat het dak ervan naar beneden dreigt te komen. In Het boek Seth zal ik het hebben over een stad die niet meer bestaat.
Eigenlijk was dit veel, veel erger dan een bezoek aan Pompeï ooit had kunnen zijn.

Als je, zoals ik, leeft in een land met een geologische geschiedenis die zo oud is dat de bergen er al lang afgesleten zijn tot heuvels, dan ken je de krachten van de natuur voornamelijk uit boeken. Getuige zijn van het lot van mensen die er uit de eerste hand ervaring mee hebben, maakt je heel nederig.

Schrijvers moeten zorgvuldig zijn, en voorzichtig, met de werelden die ze scheppen.

 

Italië 2_146
(c) KV – Oorspronkelijke loopbrug in de Grotte di Stiffe

Een dagje verwondering

Hoe de ekster je luid klepperend begroet bij het uitstappen en de kauwen een welkomstballet dansen boven de treinsporen.

(c) KV – Kauwenballet

Hoe je bij koffie en een croissant niet weet waar je het eerst naar moet kijken.

(c) KV – Antwerpen Centraal Station

Hoe wereldberoemde kunstwerken héél klein blijken te zijn.

(c) KV – Jan Van Eyck – Heilige Barbara

Hoe engelen blijkbaar kunnen lezen.

(c) KV – Carolus Boromeus kerk

Hoe de stilte neerdaalt het moment dat je door de poort stapt en gewijd terrein betreedt.

(c) KV – Begijnhof Antwerpen, een oase van vrede in het midden van de stad

Hoe je bedankt wordt met bloemen, warmere woorden, en meer waardering dan je dacht dat je verdiende voor iets waarvan je niet eens wist dat het een impact had gehad.

(c) KV – Bedankboeket

Antwerpen, je blijft me verbazen.

Ontmoeting

ZAAILING #4

2017 03 24 Steenmarter
(c) Jurgen Walschot

Muurklimmer
Ventielknabbelaar
Kippenverslinder
Spookje

Tussen onze vestingen van steen voel jij je thuis
zoals je naam het fluistert

De straat is stil waar jij passeert
en watervlug
weer verdwijnt

 


 

ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Zoals elk zaadje groeien onze zaailingen gretig naar het licht,
klein en kwetsbaar, reikend naar hoger.

Bladgoud

 

voor Jurgen Walschot

We troffen elkaar op het plein voor het station, gedreven door de nood om elkaar te herkennen.
Jij droeg een schilderij onder je arm, ik had mijn hoop en mijn angst onder mijn jas.

We keken toe hoe de wind de wolkpluimen langs de hemel joeg. De glazen gezichten van de flatgebouwen waren spiegels van zilver en blauw, waarvoor gehaaste reizigers in tweevoud langsliepen. Nu en dan versomberde het goud van de bomen tot brons. Een handvol minuten later lichtte alles – gebouwen, mensen, weerspiegelingen, bladgoud – weer op.

16406716_573347772864135_4016861744465771911_n
(c) Lynn Van Houtte

Zeg het me eerlijk, zei je. Heeft jouw tekst mijn prenten nodig?

Eerlijk zijn is zoiets als naakt op dit winderige plein gaan staan, voor het oog van ieder die passeert. Maar ik wist: wie herkend wil worden, moet zich durven tonen.

Nee, zei ik. Een goede tekst heeft immers geen prenten nodig.

Je knikte en je zweeg.

Maar, zei ik, als je het aandurft om mij halverwege te ontmoeten, om jouw beelden aan mijn woorden te verbinden, dan denk ik dat jij en ik samen iets bijzonders geboren kunnen laten worden. Iets wat er tot nu toe nog niet was.

Je zweeg.

De wind stak weer op. Het werd bijna koud zoals we daar zaten, met onze hoop en onze angst bloot.

Toen toonde je jouw schilderij. En ik wist dat ik de woorden zou vinden.

Lelijke huizen

Dinosaurussen_010.JPG

“Kijk die lelijke huizen eens!” snuift het kleine meisje, terwijl de trein snelheid wint en een van de grote stations van de hoofdstad achter zich laat.
Onwillekeurig volgt mijn blik de hare, naar de rijhuizen die ik al zo vaak heb gezien dat ik ze eigenlijk niet meer opmerk.

Sommige herinneren nog vaag aan de mondaine luxe die teruggaat op een tijdperk toen wonen in de intieme fysieke nabijheid van het treinspoor werd beschouwd als een bewijs van welstellendheid, en niet van noodzaak. Maar veeleer zijn ze grauw, en etaleren de typische stedelijke vermoeidheid van verzameld vuil en vervlogen tijd. Je kunt je zonder veel moeite de wildgroei van overvolle en smerige achtertuintjes voorstellen, zo vaak te zien op plekken waar de trein langs de achterkant van de beschaving passeert, en niet langs de opgeborstelde gevels: balkons vol wasgoed, speeltuigen, schotelantennes, nu en dan een fiets.

Maar hier – we rijden nu over een groot kruispunt, brede straten die zich uitstrekken in alle richtingen, een rondpunt, verkeer van overal, rijhuizen met een zekere allure – toont de stad haar dappere, zij het vermoeide, façade.

Wat is hier dan zo lelijk aan? Ik zie het niet. De opmerking van dit meisje irriteert mij.

Ze is tien jaar oud, schat ik. Ze zit een eindje voor mij, samen met haar vader en zussen. Twee andere familieleden aan de overkant van het gangpad. Ze zijn het niet gewoon om de trein te nemen, en al helemaal niet om te pendelen, zoveel is duidelijk van het moment dat ze opstappen en met veel aplomb hun zitplaatsen kiezen. Ze markeren hun terrein, door allen te respecteren. In de loop van de reis mag de hele coupé meegenieten van hun commentaar over de kleine vertraging (“Den trein is altoid een beetje reizen, hé?”), welke sandwiches in hun lunchpakket zijn de lekkerste zijn (“Ik em liefst dedie met salami. Hesp goat zue zwieten, hé. Vinde nie? Geeft er nog eens ien…”) en hoe grappig het wel niet is “da al die passagiers hier nog on het wakker worde zen, die zoan allemoal zo stil…”
Als het meisje na een rondje steen-schaar-papier (om een of andere reden luidkeels  uitgevoerd als ‘steen-schaar-papier-SIGARET’, wat mij onwillekeurig ineen laat krimpen) haar ongevraagde opmerkingen over de huizen maakt, valt er dan ook geen bijsturing te verwachten.

Ze is nog een kind, en daarom dus per definitie zonder schuld. Ik voel me een onverdraagzame, zure vrouw omdat ik haar haar botheid kwalijk neem. Maar iets ervan blijft knagen.

Je kunt de meeste huizen van welke industriële grootstad dan ook bezwaarlijk mooi noemen, en die van Brussel vormen geen uitzondering. De trein passeert niet langs de Grote Markt. Ik voel dus geen nood om het naakte standpunt te weerleggen, of een woordenwisseling te beginnen, zelfs niet in mijn hoofd. De zuchtende zieligheid van de stad verruilen voor het groen en blauw van heuvels en horizon is een van de redenen waarom ik altijd blijer ben een stad te verlaten dan er een binnen te rijden. Ja, de stad kan triest zijn. Ja, ze kan lelijk lijken.

Maar mensen wonen hier wel. Ze worstelen om een bestaan op te bouwen, ze proberen het beste te maken van wat ze toebedeeld kregen. Zelfs in een lelijk, zuchtend oud pand met een vuile voorgevel.
Haar uitlating, een van de zovele tijdens de rit, is niets meer dan een goedkope kreet van onwetendheid, een oordeel zonder grond of fundament, geuit met dezelfde gedachteloze dwingendheid als degene die we voelen als we de deur van het WC-hokje achter ons sluiten. Woorddiarree, gedeeld met de hele coupé. Geen greintje zelfbewustzijn of decorum. En de volwassene aan haar zijde grinnikt en spoort haar aan.

Het moet zoveel makkelijker zijn om te oordelen als je absoluut niets weet, bedenk ik.

Wie zwijgt, stemt toe, zeggen ze. Misschien klopt dat wel. Voor een keer denk ik dat de hele coupé het met mij eens is.