Jardin clos

Een visioen * een sprookje * een bestemming

(c) André Vanlierde

Er was eens een meisje dat in een zeepbel leefde. Ze droomde met haar ogen open, ze liep op de tippen van haar tenen door de wereld.

Op zeker moment werd ze te groot voor haar bubbel. Toen die knapte, had ze het een tijdje moeilijk. De wereld daarbuiten was groot en woelig, koud en druk. Het was geen veilige plek. Maar ze bleef de ene voet voor de andere zetten en probeerde zich aan te passen. Ze durfde steeds meer, en stilaan raakten niet alleen haar tenen maar ook haar voetzolen de grond.

Ook toen ze opgroeide, bleef het leven haar voor raadsels stellen. Wat moest ze hier beginnen, in dit enorme circus? Ze leerde haar stem gebruiken. Ze leerde dat woorden, in elke vorm, haar vrienden waren. Op papier kregen ze vleugels, en zij vloog mee.

(c) André Vanlierde & IP



Toen haar vleugels sterk geworden waren en de woorden haar de hemel getoond hadden, en het licht van de zon zoals dat scheen boven de wolken die als donzen bergen tot aan de einder reikten, voelde ze hoe de grond haar riep. Dus keerde ze terug naar beneden.

Daar vond ze een tuin, een rijke, bloeiende plek, vol bomen en struiken en bloemen en waterlelies. Het was een geheime tuin, een groene wildernis die overliep van leven en schoonheid. Er liep een stevige muur eromheen, helemaal begroeid met mossen en klimop en allerlei groene stengels. De vrouw voelde zich er veilig. Ze zorgde voor alles wat er groeide en bloeide en leefde, en ze werd steeds meer deel van de tuin.

(c) Inaya photography



Alle dingen die ze tot dan toe had geleerd en gedaan, kon ze daar nu gebruiken. Ze praatte tegen de planten. Ze vertelde verhalen tegen de vlinders. Ze sloeg haar armen om de stammen van bomen en kroop in hun kruin. Ze plantte en wiedde, ze zaaide en liet begaan. Ze groef naar wortels en at vruchten recht van de struiken. Ze maakte van de tuin een diepe plek, een wilde, vruchtbare plek, een magische plek.

Mensen uit de buitenwereld waren er welkom. Er was een kleine deur en die liet de vrouw bijna altijd open. Wie bij haar wilde zijn en goed keek, vond vanzelf de weg naar binnen. Er was vriendschap, wijsheid en verbondenheid. En om hen heen groeide en bloeide de tuin.

Moeders maken de mooiste foto’s (c) Grietje Bruyland



Zelf ging de vrouw ook nog wel naar buiten, maar het gebeurde steeds minder, en alleen op belangrijke momenten. Dan droeg ze de gloed van haar tuin met zich mee, en als ze sprak, hoorden sommigen geen woorden maar het lied van de vogels, of het ruisen van de wind in de boomtakken.

Hoe oud ze is geworden, weet niemand. Er wordt verteld dat ze op een dag ging zitten aan de rand van de vijver in haar tuin en niet meer opstond. Ze veranderde in een waterlelie, die met haar wortels diep in de donkere vijvergrond stak, haar zachte groene bladeren oprichtte om de dauw te vangen en haar kelken liet uitbarsten in een lied van licht.

(c) Inaya photography