Thuis is waar je je veilig voelt, toch?*

*maar Kopenhagen vond ik best oké

Als HSP door de wereld navigeren

Zweden_880 klein
Nyhavn, 17e-eeuwse wijk in Kopenhagen (c) KV

Ik heb al eerder geschreven over hoogsensitief zijn (meer bepaald hier). Ik hoorde een paar jaar geleden pas voor het eerst over dit type mensen, en het duurde even voor ik begreep dat dit ook op mij sloeg. Ik ben mezelf sindsdien op allerlei vlakken een heel stuk beter gaan begrijpen.

En toch zijn er nog momenten waarop het besef mij overvalt, als een waarheid die ik helemaal opnieuw ontdek: ik ben echt hoogsensitief.
Ik zou het intussen toch wel moeten weten, nietwaar? Maar die dunne wandjes van mij blijven heel glibberig en moeilijk te vatten. Ik kan een overdosis prikkels binnen hebben voor ik het zelf door heb. Dat komt omdat het proces vaak nogal ongrijpbaar is. Het zijn niet zozeer geuren of geluiden of andere zintuiglijke ervaringen die al te hard binnen komen, het is iets anders. Drukte. Het humeur of de uitstraling van mensen. De sfeer van een plek. Vage, onvatbare dingen die niettemin een grote impact op mij hebben.

Heel lang had ik geen woorden om dit gevoel in te vatten, en ook geen werkelijk inzicht in wat er gebeurde. En ik was het zo gewend om ‘anders’ te zijn (waarmee gewoonlijk ook ‘lastig’, ‘zwak’ of ‘vreemd’ werd bedoeld) dat ik mezelf tot op vandaag betrap op de neiging om mijn gedrag of mijn voorkeuren te bekijken door een lens die lichtjes (ver)oordeelt, waardoor ik mezelf in feite subtiel ondermijn.

Ik heb een zeer actief hoofd, en daarin zetelt een zeer actieve Rechter voor het leven. Alles wat op mij afkomt, elke fysieke, emotionele of psychologische prikkel, houdt hij tegen het licht om uit te maken of die goedaardig is, dan wel een bedreiging, of misschien gewoon hinderlijk. Gezien mijn membranen en grenzen voor prikkels zo dun zijn, betekent dit dat ik niet alleen onophoudelijk belaagd word door de wereld om mij heen, maar ook nog eens non-stop in gesprek ben met de stem in mijn hoofd die op alles commentaar heeft, in een poging te bepalen of het wel ‘veilig’ is.

Dat is behoorlijk uitputtend.

Zweden_868 klein
Fontein in Kopenhagen (c) KV

Dat is ook waarom – begin ik nu eindelijk te begrijpen – bepaalde situaties waarin ik te maken krijg met veel nieuwe, onvoorspelbare factoren, zoals ergens naartoe gaan waar ik nog nooit eerder geweest ben, zo taxerend voor mij kunnen zijn. Ik heb geen pleinvrees of zo, zo erg is het echt niet. Maar ik ben nooit op mijn gemak. Zal ik de weg wel vinden? Zal ik op tijd zijn? Zal ik de ingang/uitgang/juiste metrolijn/straat/conferentiezaal… wel vinden? Wat als ik de weg kwijtraak? Wat als er iets anders fout loopt?
Dit zijn allemaal praktische onnozelheden (en dat probeert mijn verstand mij ook echt wel duidelijk te maken), en ze zijn onschuldig en ongevaarlijk. Maar ze betekenen ook een bombardement aan onvoorspelbare prikkels – en daarom dus evenzoveel onzekerheden – waarmee ik op een of andere manier moet omgaan als ik me begeef op onbekend terrein.

Op zulke momenten is elk nieuw element een subtiele bedreiging, en ik functioneer in een continue vecht-of-vluchtmodus. Ik ben constant angstig. Niet zó bang dat ik niet meer functioneer, ik kan door die angst heen gaan, en dat doe ik ook voortdurend. Ik ben alleen juist angstig genoeg om me constant ongemakkelijk te voelen.

Zeker, het zou makkelijker zijn als ik me kon ontspannen en mee surfte op het idee dat het onbekende een avontuur is dat je aanpakt als een vorm van improvisatie. En misschien is het ook wel een beetje een mindset – zoals mij bij gelegenheid al gesuggereerd werd. Maar ik weet niet of het echt wel een keuze is, een knop die je kunt omdraaien gewoon door het te willen.
Wat ik wel weet, is dat het iets is wat heel diep gaat.

‘Ik zag dat je veel minder in je element was toen we aankwamen in Kopenhagen’, zei Jurgen. We hadden besloten om na onze residentie in Zweden nog 36 uur in de hoofdstad van Denemarken door te brengen voor we naar huis zouden vliegen. ‘Steden zijn echt niet jouw natuurlijk habitat, niet?’

Steden zijn een fantastisch voorbeeld van alles wat mij droef en bang maakt. Te veel geluid, te veel verkeer, te veel mensen (en alles wat ze uitstralen, van euforie tot duistere wanhoop, door elkaar), belabberde lucht (als astmalijder ondervind ik altijd meteen een effect van verminderde luchtkwaliteit). Ik doe oprecht mijn best om steden te appreciëren als ik daar rondloop, maar ik kan er doorgaans pas echt van genieten als ik er de weg een beetje ken, of als ik me comfortabel genoeg voel om me te ontspannen.

Zweden_877 ed klein
Haven van Kopenhagen (c) KV

Ik ben geboren in november. Zelfs als zuigeling had ik moeite om binnen te slapen. Mijn mama zette de kinderwagen in de tuin, onder onze populieren, met mij erin, ingeduffeld onder een driedubbele laag dekens, als het nodig was zelfs met een warmwaterkruik erbij. In het midden van de winter, drie maanden oud, lag ik buiten onder die bomen te slapen als een roos.

Ik heb intussen begrepen dat mijn verbondenheid met de natuur – waar ik nu op een veel bewustere manier contact mee maak, zowel fysiek als spiritueel – een van mijn belangrijkste voedingsbronnen is. In wat voor omgeving dan ook, stedelijk of landelijk, zal ik zoeken naar iets van groen, soms zoals een drenkeling klauwt naar een boei of een reddingsvest. Als ik me kan verbinden met iets levends, iets groens en gewortelds, dan heb ik het gevoel dat alles wel in orde komt. Bomen, struiken en mossen zijn mijn levenslijn naar die laag van de planeet die aanvoelt als mijn natuurlijke habitat. Het is de sjamaan in mij die thuiskomt, vermoed ik. Of het dier in mij.

Maar als er niets organisch in de nabije omgeving te bespeuren is, of het beetje groen dat er staat wordt gewurgd, gekortwiekt of in veel te beperkte hoekjes gedwongen, dan voel ik mijn luchtkraan dichtgedraaid worden.

Onnodig om uit te leggen waarom zoveel steden zo’n uitdaging vormen.
Of waarom de vernietiging van ons ecosysteem een constante aanval op mijn zenuwstelsel is.

Zweden_932 ed klein
Meta-sequoia, botanisch tuin, Kopenhagen (c) KV

Maar Kopenhagen vond ik best oké. Echt waar.

Het is een aangename stad, met veel groen en water, en ruime voetgangerszones. Er zijn overal fietsen, en niet té veel verkeer. De luchtkwaliteit valt mee. Er zijn prachtige parken en een sublieme botanische tuin. Er is mooie kunst, en lekker eten. Het lijkt me er fijn leven voor de mensen daar. Ik vond het zelfs leuk om de stad te bezoeken, en ik ben blij dat ik er geweest ben.

Maar mijn thuis, en mijn roeping, is de natuur. Zo diep en wild als ze maar kan komen. Zelfs als ik er niet voor gemaakt ben om op een of andere eenzame bergtop te gaan wonen – en tot die conclusie kwam ik deze zomer na mijn bezoek aan Gavarnie – ik heb er wel een vorm van verbinding mee nodig, op een permanente basis. Het ecosysteem is het enige niveau in dit veelgelaagde universum dat zuiver en authentiek genoeg is om mij werkelijk te voeden. Zonder dat contact kwijn ik langzaam weg. De menselijke samenleving komt voor mij in de verste verte niet in de buurt.

Het werk van David Abram leerde me dat een sjamaan niet in het dorp woont, want zijn loyauteit ligt niet bij de mensheid, of bij een volk, maar bij het grotere geheel, het evenwicht tussen alles van menselijke, dierlijke, natuurlijke en spirituele aard.
Zo werkt het ook voor mij, geloof ik. Ik zal er altijd van genieten om bij mensen te zijn, maar ik ga dood als ik verplicht word daar permanent te blijven.

Letterlijk of figuurlijk zal ik altijd de paden tussen de werelden bewandelen, en mijn loyauteit ligt bij iets onnoemelijk veel groters en levenders.

Thuis is waar je je veilig voelt, toch?
Al mijn hooggevoelige tentakeltjes ontspannen zich wanneer ik verbinding kan maken met die diepe bodem die tegelijk onze moeder is, onze levensbron en de kern van ons bestaan.

Voor mij is er geen andere plek die ik thuis kan noemen.

Zweden_936 ed klein
Meta-sequoia, botanische tuin, Kopenhagen (c) KV
Advertenties

Het verleden en de toekomst

 

Mijn erfgoed eren – en overstijgen

 

Light & drops_110 klein
(c) KV

 

Zoals de meeste mensen leefde ik een jong leven toen ik jong was – hoewel er in het mijne waarschijnlijk minder sociale vaardigheden, minder verstand-op-nul fuiven en meer doorploeteren van zielenroerselen zat dan in veel andere. Ik leefde in boeken en schreef mijn eerste verhalen. Ik had vaak het gevoel dat niemand mij begreep, of ze moesten minstens tien jaar ouder zijn dan ik. Pas toen mijn mama thuiskwam van een cursus numerologie (ik was pakweg zestien) met de mededeling dat het cijfer dat op mijn profiel mijn innerlijk weergaf symbool stond voor de diepe en soms wereldvreemde bagage van de oude, wijze leraar, had ik het gevoel dat er iets plotseling wat duidelijker werd.
Het voelde juist om een oude ziel te zijn.

In alles waar ik me mee bezig hield, van school over universiteit tot werk zoeken of een gezin stichten, was die oude wijsheid (of beter: het gevoel daar op een of andere manier een link naar te hebben) een constante aanwezigheid in mijn achterhoofd. Intuïtief zocht ik onderwerpen op die nogal eens saai of ingewikkeld gevonden worden, vaak in de sfeer van psychologie of zelfontwikkeling. De cursussen die ik volgde, en de inzichten die ze mij opleverden, kwamen mij bijzonder goed van pas tijdens mijn jaren voor de klas, en ik wende eraan ‘te wijs voor mijn leeftijd’ te zijn, niet alleen in hoe ik mij voelde maar ook ik wat ik effectief in de wereld bracht.

In de afgelopen jaren ben ik naar mijn gevoel tot volle wasdom gekomen. Ik heb mijn plek in de wereld gevonden, de reis naar mijn plateau gemaakt en de roep van de Ziel aanvaard, en nu heb ik het gevoel dat ik toegang krijg tot mijn erfenis. De oude kennis en vaardigheden die altijd een stuk van mij waren worden nu beschikbaar om ze werkelijk te gaan gebruiken.

Dat was het moment dat ik voor het eerst het woord sjamaan gebruikte. Schrijver — Journalist — Echtgenote/Moeder — Sjamaan-in-wording schreef ik als biografische puntjes toen ik deze website in juni een ingrijpende facelift gaf, en dat was zowel doodeng als heerlijk spannend. Ik had het gevoel dat ik naakt ging voor de wereld, en tegelijk onderstreepte dat een spiritueel pad lopen mij diepe ernst was.

Ik beken dat ik aarzelde bij het woord sjamaan. Maar het was het enige wat min of meer juist klonk. Het had echo’s van magie en wijsheid, een gevoel van een dieper weten, in verbinding met de natuurkrachten, genezing en andere lagen van de werkelijkheid dan het materiële of dagdagelijkse. Dit specifieke woord gebruiken betekende mijzelf op een of andere manier steviger verankeren op het spirituele pad dat ik was ingeslagen. En een van de dingen die ik aan het verkennen was, was sjamanisme. Of juister: ik word aangetrokken tot bepaalde aspecten en praktijken, waarvan ik er sommige al jaren beoefen, en waarvan andere pas recent hun opwachting hebben gemaakt, die allemaal tot die traditie lijken te behoren of er op zijn minst mee verwant zijn.

 

Winterprik_034 zw ed cut klein
(c) KV

 

Een van de geschenken die ik op mijn Soul Circle ontving, was een boek over sjamanisme, geschreven door een ingewijde. Ik vond het – behalve slecht geschreven – tot op zekere hoogte verrijkend én confronterend. De helft van de tijd dacht ik: oh nee, dit heeft niets met mij te maken. Totaal niet. Van geen kanten. (De andere helft van de tijd zei mijn professionele zelf: een beetje redacteur zou hier een veel beter boek van hebben kunnen maken.)
Ik besloot me alleen te concentreren op de inhoud. Sommige stukken waren interessant, al gingen ze niet altijd voldoende in detail, andere maakten me een beetje ongemakkelijk. Zoals dit citaat van de hedendaagse Lakota medicijnman Steve McCullough:

“Er bestaat blijkbaar een enorm verlangen de weg van het sjamanisme op te gaan. Sommige mensen nemen dan blijkbaar het besluit om sjamaan te ‘worden’, en denken dat ze dat zijn als ze ergens een paar cursussen of een opleiding hebben gevolgd op het gebied van medicijnwerk. Sommige opleidingen pretenderen zelfs mensen op te leiden tot sjamaan.
Deze zogenaamde sjamanen, de ‘wannabees’, die hun eigen manier van werken ontwikkelen, drijven in feite de spot het met werkelijke gedachtengoed. Ik denk dat er veel mensen zijn die spelen dat ze sjamaan zijn met de daarbij horende rituelen. Dat is des te ergers als het gebeurt vanuit commerciële motieven. Je kunt geen sjamaan worden omdat je dat wilt. Je wordt daarvoor uitgekozen.”

Dit raakte me, in die zin dat ik voelde dat ik moest toegeven aan mezelf dat er, tot nu toe tenminste, geen voorouderlijke krachten of geesten of wat voor andere entiteiten ook waar sjamanen gewoonlijk mee werken mij een bezoek brachten om me te vertellen dat ik spreekwoordelijk aangenomen ben. Er is evenmin een spirituele leraar die mij benaderd heeft met de melding dat ik bij hem of haar in de leer moet gaan (wat een veel voorkomende praktijk is in traditioneel sjamanisme). Misschien gebeurt dat ooit nog – ik sluit niks bij voorbaat uit, en het is nu ook niet alsof ik er al hele drommen heb ontmoet – maar in de tussentijd vond ik wel dat ik eerlijk moest zijn met mezelf en de wereld.

Natuurlijk mag je jezelf noemen wat je maar wil, maar tezelfdertijd zijn woorden nooit geheel zonder waarde of gewicht. Ik ben sterk aangetrokken tot spiritueel werk, zozeer zelfs dat ik het eerder al een roeping noemde. Ik ben op een aantal vlakken al lang geen beginneling meer, en ik weet wat ik kan (en wat niet) met mijn vaardigheden om anderen op een veilige, respectvolle manier te helpen groeien. Maar als niet sjamaan (of op weg om het te worden), wat ben ik dan wel?

 

Winterprik_046 zw ed cut klein
(c) KV

 

Ik had er een fantastisch gesprek over met mijn lieve mama. Zij was erbij op mijn Zielskring, waar ze getuige was, zoals ze dat later zelf beschreef, van mijn ‘overgang’. Ze was in het bijzonder geraakt door het lied dat ik zong, met niets dan de trom om me te begeleiden.
De framedrum is het instrument van de sjamaan. Het is ook een van de oudste instrumenten in de geschiedenis van de mensheid, en heeft wortels in de oudste mysteriecultussen van zowel de indianen, de Egyptenaren, de Kelten en de prehistorische volkeren. Ik heb altijd heel erg gehouden van krachtige percussie, en de trillingen van de trom gaan zeer diep voor mij. Dat instrument tot het mijne maken was een van die kleine maar zeer belangrijke stappen die ik de afgelopen maanden heb gezet. Het is ook, andermaal, een link naar deze oude spirituele tradities.

Nu zei mijn mama, met die wijze helderheid die haar zo eigen is:
“Het is zeker passend om die tradities te respecteren, en hun erfenis – jouw erfenis – te eren. Maar onthoud dat jij het was die mij van in het begin vertelde dat je het gevoel had dat je oude wijsheid in nieuwe vormen in de wereld moest brengen. Je kunt je dan wel verwant voelen aan de Amerikaanse indianen of de prehistorische mens, maar in dit leven ben je geen Lakota en ook geen holbewoner. Dus natuurlijk lijkt het traditionele sjamanisme in zijn oude vorm jou niet te ‘passen’. Dat zijn je wortels, je verleden. Het is niet je toekomst. Je hebt je vrienden geroepen om de overgang naar een nieuwe fase te markeren, waarin je nieuwe inzichten in de wereld zal helpen brengen op manieren zoals dat tot nu toe nog niet gedaan is. Je vrienden zijn gekomen, en ze waren met velen. En ze zijn met nog veel meer, van veraf bij jou in gedachten, of op het punt te verschijnen. Je staat er niet alleen voor met dit werk, en het is een krachtig proces. Zo voelt het. Dus naar mijn mening is het niet meer dan logisch dat je niet ‘geroepen’ wordt door het traditionele sjamanisme. Het is nu voor jou de tijd om je over te geven en los te laten, op verschillende manieren. Misschien moet je ook dit specifieke idee maar loslaten…”

Had ik al gezegd dat ze wijs is?

Het resultaat van dit gesprek was dat ik besloot mijn buikgevoel te volgen en die bewuste frase op mijn website aan te passen. Schrijver — Journalist — Echtgenote/Moeder — Wandelaar tussen de Werelden staat er nu. Dat, voel ik, is zowel waar als juist op dit moment in mijn leven.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg was, kreeg ik wat later die week de bevestiging van identiek hetzelfde proces op een totaal ander vlak in mijn leven.

Inspiratie voor Zaailingen komt aanwaaien op allerlei manieren. Toen ik Jurgen iets stuurde over een uitgeverij die we misschien eens moesten contacteren, linkte ik naar een mooi, door hen uitgegeven schrift met daarop de gestileerde afbeelding van een vos en een raaf. Dat katapulteerde hem meteen midden in La Fontaines Le renard et le corbeau. En terwijl ik nog aan het nadenken was over een originele manier om dat overbekende thema te benaderen, had hij al een schitterende prent gemaakt.

 

vos & raaf1 klein
(c) Jurgen Walschot

 

Het was een ‘klassiek’ beeld, niks voluptueus of buitenissigs zoals ik dat in mijn hoofd aan het bekokstoven was. Het toonde gewoon de vos die opkeek naar de raaf in de boom. Maar het grote verschil met het origineel zat hem erin dat de raaf geen stuk kaas in zijn bek heeft, maar in plaats daarvan de maan – of zo lijkt het toch. Subtiel maar briljant. En alle vrijheid van de wereld om voor de dag te komen met een totaal nieuwe versie van het verhaaltje.

Alleen stapte mijn hoofd niet zo snel aan boord van de trein met bestemming Anders-en-Vernieuwend. In plaats daarvan draaide het keurig in kringetjes, terwijl ik besloot dat ik zou proberen om een nieuwe versie van de fabel te schrijven als fabel, compleet met rijmschema’s erop en eraan. De – op het eerste zicht – onschuldige stijl van Jurgens beeld, gecombineerd met mijn eigen vooroordelen over fabels en hoe dat soort teksten geacht wordt ineen te steken (met een nogal kinderlijk verhaal en een uitgesproken les) zette mij stevig vast in – ja, daar gaan we weer – een ‘traditie’.

En daar knalde ik mooi tegen een muur die ik zelf gebouwd had.

Het schrijven liep allebehalve vlot, en al kreeg ik na veel hard werk wel een paar versjes uit mijn pen gewrongen die ik niet onaardig vond, het resultaat stond me niet aan. Ik herinnerde me hoe de klassieke fabels me nooit, zelfs niet als kind, hadden kunnen bekoren. Het rijm trok me niet aan, en de moraliserende boodschap vond ik bot en overduidelijk. Personages raakten gekwetst op manieren die de lezer een lesje moesten leren maar die mij alleen maar nodeloos pijnlijk en wreed in de oren klonken.
Natuurlijk dateren fabels uit een ander tijdperk, en ik wil ze niet beoordelen met de standaarden van vandaag. Ze zijn een erfstuk, en als zulks dus beslist waardevol. Maar waarom zou ik in godsnaam proberen mijn creativiteit in hun verkrampte structuren de proppen? Dit, andermaal, was het verleden. Ik moest de dingen anders doen, om de toekomst tegemoet te gaan, wat voor vorm mijn werk dan ook zou blijken aan te nemen.

Ik stuurde Jurgen een bericht dat ik een waardevolle les geleerd had, en bedankte hem voor de spiegel die zijn beeld mij had voorgehouden.
Toen zette ik me aan een nieuwe tekst. Ik eerde het verleden door ernaar te verwijzen, maar ik herhaalde het niet. Ik maakte het van mij.

Ik deel de tekst hier niet, aangezien het een Zaailing is die we op een later moment misschien nog willen vrijgeven. Ik kan wel al verklappen dat in deze nieuwe versie de raaf niet laat vallen wat hij in zijn bek heeft…

Er is geen enkele reden om het verleden nog een keer te herhalen.
In plaats daarvan kijk ik het uit naar het licht van een spiksplinternieuwe dag.

 

Winterprik_036 ed cut2 klein
(c) KV

ZAAILING #20 – Ze komen

Verbonden met de Soul Circle

 

zekomen2 klein
(c) Jurgen Walschot

 

Ik roep mijn vrienden en ze komen.
Eerst aarzelend, een enkeling, nog onduidelijk van vorm. Vervolgens meer, helder en goed zichtbaar, met stemmen als lange, diepe echo’s. Ze zijn jong en stralend, ze hebben lachende ogen. Ze zijn oud en statig, met mantels die doen denken aan vleugels, of de rimpelingen van schaduwen op water. Hun woorden zijn webben van betekenis.

In mijn hand heb ik de trom, blank en maanrond, en mijn slagen zijn vastberaden. Ik roep mijn vrienden en ze komen.
Ze groeten mij als een oude geliefde, als een jonge novice. Ze weten dat ik klaar ben, want de sluiers tussen de werelden gaan opzij voor wie er doorheen durft waden. En er is nood aan zwervers die willen oversteken, om mee te terug te brengen wat er wacht aan de andere kant.

Ik roep mijn vrienden en ze komen. Ze zijn met velen want ze weten hoeveel moed de tocht vraagt.
Ze reizen mee op de wind, op het stilte van het zinderende licht.
Ik ben dankbaar dat ze er zijn. In hun aanwezigheid zie ik zoveel scherper. Ik mag de kracht tonen die ik heb. Ik mag de maskers afleggen die ik draag. Ik mag mijn stem laten horen, hoe onzeker die ook klinkt. Ik mag uitglijden en kopje onder gaan, maar ik zal niet verdrinken.

Ik roep mijn vrienden en ze komen.
De trom gromt en gonst. Trillend weeft hij het web van de wereld.
Wat gezaaid is, zal groeien.
Wat gevangen is, zal uitbreken.
Wat leeft, zal sterven.

Ik sta op de rand, met één voet aan elke kant, en de trom als een kloppend hart in mijn handen. Ik laat de stroom door mij heen gaan. Ik ben de stroom.

Ik roep mijn vrienden bij me in de kring.
En ze komen.

 

 


 

ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

20170712_134033 ed klein

Komen en gaan met de golven

Kingley Vale_150
(c) KV

 

De seizoenen komen en gaan als de golven. Ze brengen nieuwe getijden en wassen alles weg wat daarvoor kwam.

Ik heb geworsteld met de herfst dit jaar, omdat ik de zomer op een of andere manier gaande wilde houden, de zoete, niet aflatende stroom van creativiteit, de pulserende kracht van al wat wilde bloeien.

Maar de herfst is, net als eb of de onderhuidse invloed van de maan, niet te weerstaan. Ik heb de kracht van de zomer uit mijn lijf voelen vloeien, als zand dat tussen mijn vingers vandaan glipte, pluimpjes die weggeblazen werden van mijn handpalm.
Ik kan niets anders dan ze laten gaan.

Terwijl ik me voorbereid op de Soul Circle later deze maand, doorloop ik cycli van loslaten en vernieuwen.
Oude angst, ballast van levens geleden – echt of niet, maakt het uit? zo voelt het alvast – werkt zich naar de oppervlakte om erkend te worden, begrepen en eindelijk afgelegd. Sommige stukken ervan zijn moeilijk onder ogen te zien – maar zijn niet alle angsten en mislukkingen dat? Andere delen zijn rijp en voldragen, en ik verwelkom andermaal het afwerpen van oud lagen huid.

Tezelfdertijd maken nieuwe dingen hun opwachting. Ik heb het gevoel dat ik mijn eerste stappen zet op een pad dat ik wil lopen, al heb ik geen idee waar het heen gaat.

 

Trom_003 ed klein
(c) KV

 

 

Ja, de trom heeft er wat mee te maken. Ik koos hem uit een aardig aanbod van frame drums in een winkel die goed aangeschreven stond en niet teleurstelde. Er was veel keus in formaat en uitzicht, maar ik heb ondertussen genoeg ervaring om te weten dat je zoiets alleen beslist op klank. Hoe mooi een instrument er ook uitziet, je moet vooral telkens weer omhuld willen zijn door de resonantie ervan, want anders heeft wat je doet totaal geen zin. Ik had nooit verwacht dat ik zou gaan voor eentje met de pels nog op het slagvlak, maar toch wel dus. Het leven is blijkbaar nog niet klaar met verrassingen uitdelen. En ik merk dat ik die haren eigenlijk heel prettig vind. Ze zorgen ervoor dat de trom levender aanvoelt, en brengen tegelijk een zachtheid mee die ik ben gaan appreciëren. De klank is er niet minder krachtig om. Zachte dingen reiken soms juist nog dieper.

In de afgelopen weken hebben mijn handen deze nieuwe vriend verkend (ik gebruik de stokken nauwelijks). Hij roept geesten en schaduwen op, en de diepe, woordeloze aantrekkingskracht van winters boven de poolcirkel. Maar hij zou me op een dag net zo goed kunnen meenemen naar de dampende regenwouden. Ook prima.

Ik kan niet te ver vooruitkijken, nu. In de duistere dagen eigen aan de herfst en de winter is er vooral ruimte voor introspectie, en de warmte van huis, haard en hartsgezellen.

En de ene golf na de andere die komt aanrollen, mij met zich meeneemt, en me weer aan land brengt.

 

Kingley Vale_166

 

Wat de gier ziet

Het werk dat ik kom doen – met een ongewone bondgenoot

Als ik mijn ogen sluit, voel ik hem achter mij op een rots. Hij strekt zijn slanke nek een beetje, alsof hij me zachtjes iets wil toevertrouwen, en hij heeft zijn gigantische vleugels gestrekt, twee en een halve meter spanwijdte die oprijzen achter mijn rug en mijn schouders, als een kroon en een beschermend schild tegelijk.

De kracht van zijn aanwezigheid leg je niet zomaar naast je neer. Hij ziet er niet lieflijk uit, eerder beangstigend. Maar hij is mijn meest onverschrokken beschermer, en met hem als rugdekking weet ik dat mij niets kan overkomen.

Zijn naam is Gier, en hij is mijn vriend.

vautour_3@Lennart Hessel
© http://www.lensman.se/

De afgelopen twintig jaar heb ik mezelf ondergedompeld in psychologische coaching, intuïtietraining en diverse manieren om de mens holistisch te benaderen. Ik ben daarmee bezig zoals anderen bezig zijn met sport, tuinieren, vogels spotten of koken: omdat ik het zo fijn vind. En als je er het maar lang genoeg doet, word je uiteindelijk een behoorlijke goede kok, of herken je vanuit je ooghoeken een ver, gevleugeld silhouet, ook als je geen droom najaagt van een carrière als ornitholoog of sterrenchef. Je liefde voor de smaak en kleur van de ervaring zelf is wat je drijft.

Zo werkt het ook voor mij in de immense wereld van de menselijke ontwikkeling. Ik beweer beslist niet dat ik een therapeut ben, maar ik ken er mijn weg vrij goed – en ik ben altijd gulzig om nog meer te leren en mijn blikveld te verruimen.

Maar wat, hoor ik je denken, heeft dat te maken met die grote, enge aaseter die oprijst achter je rug?

Gieren zweven hoog in de lucht op thermiek, vorstelijk als arenden. Maar ze vangen geen kleinere vogels in volle vlucht of plukken geen zalm uit een snelstromende rivier met een spectaculaire duikvlucht. Als ze daarentegen een kadaver zien, dalen ze af naar de grond om te eten.
Veel mensen gaan rillen van weerzin of minachting bij de gedachte. Maar gieren zijn beslist niet de enige wezens op deze planeet die dood materiaal eten. Dat doen we in feite zowat allemaal, ook wij mensen. Het verschil zit hem erin dat wij eerst een levend wezen doden, om het vervolgens op te eten. Heel weinig mensen staan te trappelen om een hap te nemen uit een levende koe, of om een appel op te peuzelen die nog aan de boom hangt. Het belangrijkste onderscheid tussen ons en gieren is gewoon dat wij roofdieren zijn (en dan nog van een specifieke soort die onze prooi eerst nog verwerkt – kookt, bijvoorbeeld – voor we ze opeten) en dat zij opruimen wat er overblijft.

Er is een goede reden waarom we onze kinderen leren om het stoffelijk overschot van aangereden dieren niet aan te raken, of hun handen te wassen als ze in aanraking kwamen met rottend materiaal. Stel je voor dat kadavers niet werden opgegeten. Het zou weken duren eer de rottende lijken ontbonden als de wormen, maden en vogels hen niet zoveel sneller hielpen verdwijnen. Zij zelf doden niet. Ze ruimen alleen op wat anderen doodden, of wat stierf van ziekte of ouderdom.

Maar waarom hou ik nu zo van gieren?

Een eerste reden – dat heb ik eerder verteld – is dat ik er ooit door een bezocht werd. Uitverkoren, zo voelde het wel. Vereerd door de aanwezigheid van een bijzonder krachtig wezen dat afdaalde tot bij het plateau waar ik stond met de camera van mijn vader in mijn handen.

Ja, dit was gierengebied. Maar voor wie denkt dat dit een alledaags fenomeen was: vergeet het maar. Mijn vader bezocht de streek later opnieuw, en wachtte er lang en vruchteloos op precies dezelfde plek. Mijn ontmoeting liet zich niet zomaar herhalen. Een extra reden om ze diep te koesteren.

Dit is de volledige reeks, alle foto’s van die ene, gracieuze afdaling. Ze zijn niet bijster goed, en ik vermoed dat ik nu veel betere foto’s zou maken. Maar dit was meer dan drie jaar geleden, voor ik een eigen camera had om mee te werken – mijn papa en ik deelden de zijne op deze trip – en de vogel leek uit het niets te komen. Het ene ogenblik was hij een stipje hoog aan de hemel, en het volgende was hij zo dichtbij. Het is een half mirakel dat ik er überhaupt in slaagde om hem vast te leggen.

 

Gorges & Causses 217 ed crop kleinGorges & Causses 218 - kopie kleinGorges & Causses 221 ed kleinGorges & Causses 225 kleinGorges & Causses 230 ed crop2 kleinGorges & Causses 231 ed kleinGorges & Causses 233 ed klein

 

Een andere reden waarom ik van gieren hou, is de metafoor die ze vertegenwoordigen. Dat beeld werkt misschien niet voor iedereen, maar voor mij werkt het prima, en ik voel mij er sterk mee verbonden.

Net als een gier op de thermische luchtstromen hou ik ervan om de dingen te bekijken van op grote hoogte. Dat geeft je een veel breder overzicht van connecties en betekenissen. Voor mij geldt dat in het bijzonder op vlak van menselijke psychologie, gevoelens, ziekte en trauma, en alle manieren die we hebben om daar (niet) mee om te gaan. Van zo hoog herken je bepaalde gebeurtenissen makkelijker als snijpunten in een veel groter web van onderling verbonden feiten en onderstromen.

En net als de gier zie ik waar er rottende plekken zijn die opgeruimd moeten worden.

 

Iemand leren kennen op een holistische manier lijkt een beetje op het grondplan leren van een flatgebouw in 3D. Er zijn diverse verdiepingen (fysiek, emotioneel, rationeel, gedrag, spiritueel, onbewust en nog wel een paar andere), en allemaal hebben die op hun beurt verschillende subniveaus die in eender welke richting met elkaar in interactie kunnen gaan. Je zou het kunnen vergelijken met een zeer complex buizenstelstel dat alles in het gebouw met alles verbindt, én met de buitenwereld.

Uiteraard is elke mens uniek. Maar sommige tendenzen zijn makkelijk te herkennen omdat ze nogal vaak voorkomen. Ik ben vertrouwd met een aantal regelmatig betreden paden die – voor mij althans – makkelijk te herkennen innerlijke patronen uittekenen. Dat kan nogal opschepperig klinken, en ik durf ook niet te beweren dat ik alles kan oplossen waar iemand doorheen gaat, verre van, maar ik heb wel een talent om de verwevenheid van een aantal innerlijke processen in kaart te brengen. Ik weet, om het zo te zeggen, waar veel van de innerlijke loodgieterij op elkaar aansluit en – laten we maar volharden in de smakelijke metaforen nu we er in deze blog mee begonnen zijn – waar het vuile afwaswater en de str*nt het meest waarschijnlijk zal ophopen als een afvoerbuis verstopt geraakt.
En als dat het geval is, dan gaat het zaakje uiteindelijk altijd lekken. De leiding scheurt misschien zelfs. Niemand die ervan opkijkt als het over loodgieterij gaat. Maar als we het over emoties en gedrag hebben, dan hoor je plots van alle kanten: ‘Ik snap het niet, waar kwam dat nu opeens vandaan?’ Ik kan alleen maar stil mijn schouders ophalen. Ik had de eerste gorgelende signalen van een defect al lang gehoord, ik wist dat de spanning zich aan het opbouwen was, en ik wist ook waar de buis in kwestie uitmondde. Of als dat niet het geval was, leerde de aard van de uitbarsting me heel veel over wat vooraf ging, en waar we zouden moeten graven naar de oorzaak.

Natuurlijk praat ik met mensen over wat ik zie en voel, als ze er interesse voor hebben en openstaan om te luisteren. Maar sommige gesprekken heb je niet zo makkelijk op een werkvloer, aan een keukentafel of op een feestje, zeker niet als je de andere persoon eigenlijk niet zo heel goed kent.

Misschien vraag je je nu af: waarom is het zo belangrijk om de oorzaak te vinden van een of ander onbewust proces, of een innerlijke kwetsuur? Als we even bij de metafoor van het verstopte toilet of de lekkende waterleiding blijven, lijkt me dat nogal evident. Hoe vervelend we de hele zaak ook vinden, ze verdwijnt niet vanzelf. Als je niet telkens opnieuw de rotzooi wil opruimen nadat je de afwas gedaan hebt of het toilet hebt doorgespoeld, kun je maar beter proberen te achterhalen waar het probleem zit en er iets aan doen.

Jammer genoeg zijn we vandaag in de westerse samenleving zeer goed in symptoombeheersing. We hebben machines en robots uitgevonden die onze vloeren dweilen en onze vuilnisbakken legen. We hebben pillen en remedies voor zowat alles – behalve de diepere oorzaken. En ja, die zijn vaak angstaanjagend en weinig fraai. Het is nooit een pretje om met je arm in een plastic zak te proberen de gezwollen, verzadigde prop toiletpapier achter de kromming van de wc-afvoerbuis vandaan te vissen. Maar volgens mij is het niet alleen totaal onefficiënt om de troep bij elke overstroming maar te blijven opkuisen, ik vind het niet zelden ook een oppervlakkige en bepaald idiote vorm van verwaarlozing.

 

Gorges & Causses 315 klein.JPG
(c) André Vanlierde

 

Oké, sorry, lieverds.
Dit was Gier die eventjes te hard opging in zijn rol.

Ik besef maar al te goed dat al het bovenstaande een zeer directe aanpak is die niet voor iedereen in elke situatie heilzaam is. Soms is het beter om je arm niet in de wc-afvoer te steken, omdat het te moeilijk is, te traumatisch of gewoon onverstandig. Er zijn altijd andere manieren om een dieper liggend probleem te benaderen en op te lossen, en om een harmonieuzere manier van leven te ondersteunen. Maar de directe aanpak spreekt mij van nature aan omdat ik, giersgewijs, er niet voor terugschrik om mijn kop in een berg ingewanden te begraven en er tot mijn nek in te verdwijnen. Daar gebeurt het echte schoonmaakwerk – snel, efficiënt. Toegegeven, het is een vuile klus, maar het resultaat mag er doorgaans zijn.

Ik begrijp heel goed dat dit een tikje te radicaal is voor sommigen. Gieren zijn uitgerust voor deze job met gladde, korte veren op hun hoofd en nek. Dat stelt hen in staat om zo diep te gaan als ze doen, en relatief schoon weer boven te komen, op het bloed na – maar dat droogt op en schilfert er gewoon weer af, niks aan de hand. Ironisch genoeg is het wel precies dit aspect dat ervoor zorgt dat ze er minder aaibaar uitzien dan bijvoorbeeld arenden of haviken, die gespecialiseerd zijn in doden eerder dan opruimen.

 

En natuurlijk heb ik ook mijn duistere hoekjes, de plekken van mijn psyche die ik heel behoedzaam nader, en soms alleen maar als ik geen andere keuze meer heb. Oude pijn, of de herinnering eraan, heeft de neiging om haar angel niet te verliezen, tenzij je weet hoe je haar kan ontwapenen. Ik weet ondertussen hoe dat moet, maar ik weet ook dat het altijd rechtstreeks contact vraagt. Lastige klus, zelfs voor een gier. Dus doe ik soms ook beroep op hulp of goede raad als ik voel dat ik er nood aan heb. En geen betere manier om er weer even aan herinnerd te worden hoe breekbaar en menselijk je bent én blijft dan je ziel blootleggen bij een andere persoon en toegeven dat je in de knoop zit.

Een stuk van wat ik hier kom doen, voel ik – weet ik – is gierwerk, zelfs al is het nog niet echt duidelijk welke vorm dat gaat aannemen in mijn dagelijks leven.
Dus ben ik heel dankbaar voor mijn machtige vriend die zijn indrukwekkende vleugels spreidt op de rots achter me. Bij momenten zullen we zweven op grote hoogte. Op andere momenten zullen we afdalen naar waar er werk gedaan moet worden.

Laat maar komen.

 

GaiaZOO_107 ed cut2 klein
(c) KV

Dansen met de vlinder

Alleen een dwaas verwart een weerspiegeling
met de werkelijkheid

Gezien worden (of vermoeden dat je bekeken wordt) heeft een curieus effect op onze geest.

Zelfportret_028
(c) KV

Ik heb een Engelstalige blog die in grote mate parallel loopt met deze. Medium is een wereldwijd platform waarop ik mezelf een plaatsje gegraven heb en waar ik mijn Engels aanscherp. Vroeger schreef ik mijn blogs eerst in het Nederlands en vertaalde ik ze. Nu is het meestal omgekeerd, en met foto’s kan ik daar leukere dingen doen dan hier. Ook alle Zaailingen verschijnen daar (al schrijf ik die doorgaans eerst wel nog in het Nederlands). Maar wie eens een betere versie wil zien van Jurgen Walschots prachtige prent voor Waar de wind doorheen mag (Zaailing #8, doorscrollen tot helemaal onderaan) of van mijn foto’s van vrouwenmantel of vuile ramen, raad ik aan om daar ook eens te gaan kijken.

Minder dan een week geleden kreeg ik bericht dat ik op Medium bevorderd was tot Top Writer in de categorieën Art en Photography. Een opsteker voor mijn ego, zeker gezien de uitleg die erbij hoorde: ‘Medium lists the top 50 writers whose stories are most influential on that topic. These lists update daily and show writers who are publishing quality content about a specific topic on a regular basis’

Een duidelijk bijkomend effect van een promotie als deze is dat je zichtbaarder wordt. Op een paar dagen tijd verviervoudigden mijn volgers (ik vertrok weliswaar van een heel bescheiden aantal, maar toch).
Als er iets is wat een schrijver wil, dan is het dat haar liefdevol geslepen ambacht gelezen wordt. En als amateurfotograafje ben ik verdorie toch ook wel erg blij.

Maar.

Het geeft een vreemd gevoel dat er van die groep mensen nogal wat anoniem zijn. Ze hebben wel een naam, maar verder is hun profiel leeg. Geen gezicht, geen geschreven of gedeelde verhalen. Het voelt een beetje als gevolgd worden door een schare geesten.

Nu heb ik altijd wel een boontje gehad voor geesten, dus ik heb hier geen probleem mee. Voorlopig.

Op dit moment laat deze hele historie me vooral stilstaan bij de nood die wij mensen hebben om bekeken te worden, en gezien.

Zelfportret_031 zw
(c) KV

Een jaar geleden ongeveer vertelde een dierbare vriendin over haar ervaring met geestesverruimende paddestoelen.

Ze beschreef hoe ze in de tuin zat, omringd door weelderige struiken en bloemen, en zin kreeg om te dansen. Dus deed ze dat. Er waren geen grenzen meer tussen haar en haar omgeving. Een vlinder landde op haar arm, en danste met haar mee.
Pas toen haar bewuste geest zich ermee ging bemoeien en inzoomde op de vlinder, schrok het beestje en vloog weg. De verbinding was verbroken omdat haar mentale dialoog die onderbrak.

Toen ze me over die ervaring vertelde, begreep ik voor het eerst, op een diep en intuïtief niveau, hoe onze bewuste menselijke geest tegelijk een zegen en een vloek is. Het is het werktuig waarmee we ons intellect kunnen ontwikkelen zoals geen enkel ander dier dat tot nu toe kon, maar tegelijk is het onze kooi.

We krijgen maar al te vaak aangeleerd – door onze ouders, leraren en religieuze leiders van allerhande tradities – dat we als mens op een of andere manier boven de natuur staan. De meest aangehaalde rechtvaardiging voor deze premisse is dat wij in staat zijn om onszelf bewust te observeren, en de rest van de schepping niet.

Maar mij bracht het verhaal van mijn vriendin over de vlinder vooral het haarscherpe inzicht dat onze bewuste geest ook precies datgene is wat ons afgescheiden houdt van de rest van de schepping. Alleen als we hem in slaap kunnen wiegen met doorgedreven meditatie, trance of geestesverruimende substanties lost hij even zijn greep op ons bewustzijn en ervaren we eindelijk de wereld zoals alle andere levensvormen dat doen: als één immens, intens web van wederzijdse verwevenheid.

De menselijke soort heeft beslist veel gewonnen toen onze frontale cortex zich is beginnen ontwikkelen. Maar er lijken toch ook een paar ernstige nadelen aan te zitten.

Zelfportret_012 zw
(c) KV

Bill Plotkin, dieptepsycholoog, gids van trektochten in de wildernis en schrijver van Soulcraft en Nature and the human soul, zegt er het volgende over (mijn vertaling):

‘Een noodzakelijk aspect van ons zelfbesef is een fragment van onze psyche (het ego, het bewuste zelf) waar deze vaardigheid om te weten dat we weten zich situeert. Voor we mensen waren, hadden we geen manier om onszelf te observeren en te weten wat, of wie, we observeerden. Later leek het alsof we mensen werden precies door een stukje van onszelf een eindje buiten onszelf te plaatsen, zodat het naar zichzelf kon kijken.’

Als ik dat lees, zie ik het beeld van een of andere levensvorm met een spiegel op een stok die uit zijn hersenpan steekt. Daarin kan hij zijn eigen spiegelbeeld zien, van op een armlengte afstand.
Die spiegel is het ego. En dat is er vast van overtuigd dat de weerspiegeling die het capteert alles is wat er te zien valt. Maar het heeft jammerlijk weinig kennis van wat er zich afspeelt aan de binnenkant van het beeld, of van enig breder of dieper bestaansniveau.

In de woorden van de Osho Zen Tarot (Wolken 10 — Wedergeboorte; een kaart die de evolutie van bewustzijn voorstelt, gebaseerd op Nietzsche’s triade van Kameel, Leeuw en Kind): ‘De kameel is slaperig, suf en zelfgenoegzaam. Hij leeft in een waanbeeld en denkt van zichzelf dat hij een bergtop is, maar in feite trekt hij zich zo veel aan van wat anderen van hem denken dat hij zelf nauwelijks energie heeft.’

rebirth_osho_zen_tarots
(c) Osho Zen Tarot

Arm ego, dat zichzelf zo hoog inschat… Alleen is het toch niet echt de bergtop die het denkt te zijn.

Plotkin nog een keer, in hetzelfde hoofdstuk van Nature and the human soul:

‘Als het ego niet bestond, zouden we ons geen vragen stellen over wat onze juiste plaats in de wereld is. We zouden die gewoon innemen. Het is het ego dat die vragen stelt. Zonder ego’s zouden we onze plaats instinctief innemen, zoals al het andere leven dat doet, en net zoals al het andere leven zouden we niet weten dat we weten wat onze plaats is. (…) Bewust zelfbesef lijkt met andere woorden de bron van onze grootste mislukkingen en ons grootste potentieel – onze cruciale crises en kansen.
(…) Het risico dat schuilt in de de vaardigheid om te weten dat je weet, is dat het je kwetsbaar maakt om verloren te lopen zoals geen ander wezen dat kan – niet in staat om je plek te vinden en daarom ook niet in staat om tot volle bloei te komen.’

Zelfportret_020
(c) KV

Dus wat gebeurt er als het ego er eindelijk achter komt dat het zichzelf al die tijd voor de gek aan het houden was?

We kunnen maar beter geen stenen werpen.
We houden onszelf allemaal maar al te graag en zo lang mogelijk voor de gek. Dat is niets om beschaamd over te zijn. Soms brengen we Narcissusgewijs zelfs ons hele leven zo door.

Maar hopelijk komt er toch een moment waarop we wakker worden.

Dan beseffen we dat het ego precies is wat Plotkin beweert: een facet van onze geest, een stukje van een groter geheel. Dat stukje toestaan om ons bestaan te controleren, is zoiets als je tienjarig kind vrije toegang geven tot je kredietkaart en de autosleutels. De ramp die dat inluidt, zowel op psychologisch als ecologisch vlak, voor de samenleving en de planeet, staat elke dag in onze kranten te lezen.

Er zijn veel diepere en wijzere aspecten van onszelf waaraan we het stuur en de familiefinanciën kunnen toevertrouwen. Maar dan moeten we wel eerst in contact komen met die wijzere facetten, die stukken van ons die weten hoe je kunt dansen met de vlinder, en hoe we ons opnieuw kunnen verbinden met de onschuldige maar machtige stuwkracht van de schepping zelf.
En het ego moet een stapje achteruit doen. Als het dat weigert, moeten we het dat leren. We zullen het nog steeds graag zien, en we zullen ervoor zorgen. Maar het is niet meer dan een spiegel, en een oppervlakkige op de koop toe.

Spiegelbeelden zijn mooi en ze kunnen ons allerlei dingen leren over onszelf.
Maar alleen een dwaas verwart een weerspiegeling met de werkelijkheid.

Zelfportret_040 zw ed1
(c) KV

De tweede cocon

De tweede cocon betreed je wanneer je je verloren voelt in het leven dat je voor jezelf hebt opgebouwd. Je staat voor een diepe ontmoeting met jezelf, voor het allereerst misschien. De tweede cocon is het duister waarin je je terugtrekt om helemaal uiteen te vallen, en getransformeerd weer te verrijzen.

Ik heb de term niet uitgevonden, hoe sterk ik hem ook vind. Hij komt uit Bill Plotkins boek Soulcraft. Dat gaat over de roep van de ziel horen, de wildernis in trekken (de wilde natuur of je eigen innerlijke duisternis) en omhelzen wat je daar in de onderwereld vindt.

Ik ben zelf niet letterlijk op een vision quest van het soort dat Plotkin begeleidt de wildernis in getrokken (in het dichtbevolkte gebied waar ik leef is er dan ook niets over dat ook maar in de buurt komt bij echt wilde natuur), maar ik heb de roep van de ziel duidelijk gehoord. Nu ik het boek met nieuwe ogen herlees, besef ik dat dat al een hele tijd geleden begon, en dat ik die roep in de loop van het afgelopen jaar beantwoord heb. Mijn cocon was het plateau. Sinds dat moment heb ik illusies losgelaten, oude ballast afgeworpen en me overgegeven aan wat ik voelde dat me uitdaagde om tevoorschijn te komen.

(c) KV – Vale gier

Een van de projecten die ik recent op mij genomen heb, is de vertaling van het eerste hoofdstuk van David Abrams The spell of the sensuous naar het Nederlands. Ik heb naarstig geschaafd aan de proefvertaling, en een paar dagen geleden stuurde ik ze naar een uitgever die ik hoop ervoor te interesseren.

Abrams klassieker over hoe we het contact met de meer-dan-menselijke wereld kunnen herstellen heeft mijn aanvoelen van het leven en de natuur tot op het bot veranderd. Door nu diep in te gaan op dit specifieke fragment, dat het heeft over zijn ervaringen tijdens zijn verblijf bij de traditionele magiërs en sjamanen in Bali and Nepal, ben ik scherper dan ooit gaan beseffen hoeveel ik eigenlijk herken.

Bijvoorbeeld: de loyauteit van de sjamaan, schrijft Abram, ligt niet in de eerste plaats bij de menselijke gemeenschap, maar wel bij de vervlochten realiteiten van de meer-dan-menselijke wereld, het web van bestaan dat het leven schenkt aan alle soorten op aarde. En in alle eerlijkheid: ik herken dat soort loyauteit. Ik voel ze al heel lang. Ik voel me veel meer verbonden met de natuur en haar ritmes en behoeften dan met het dagelijks gekwaak en gekwek van de menselijke besognes.
Ik sta bij voorkeur aan de rand van de samenleving, op de uitkijk voor wat de natuur mij vertelt. Sluit mij op in het dorp en ik ga dood.

Hoe moet ik dit talent, deze roeping, op een nuttige manier aanwenden?

Alweer: ik besef dat ik daar al mee begonnen ben.

(c) KV – Ekster

Nog niet zo lang geleden, toen de Zaailing-samenwerking met Jurgen Walschot goed van de grond gekomen was, besefte ik: wat wij samen in alle spontaniteit creëren heeft iets animistisch, zelfs iets sjamanistisch. We worden beiden aangetrokken tot de natuur, tot metamorfoses en het verliezen van het zelf in een natuurkracht die wilder en dieper gaat dan ons eigen kleine bewustzijn, en we trekken lezers mee in een ervaring die de mentale constructies waarin we gewoonlijk leven overstijgt.

De gedachte is betoverend en ontnuchterend tegelijk. Ik voel dat ik nog zo veel te leren heb. Maar ik weet ook dat ik nu, op een of andere manier, klaar ben om dit soort werk te maken. Het vervreemdt me misschien van sommige mensen  —  maar dat geeft niet. Dit is waar ik een verschil kan maken. En het is waar mijn hart me vertelt dat ik thuis ben. Tussen de werelden.

In Soulcraft beschrijft Plotkin hoe mensen die op een vision quest gaan soms een wild dier tegenkomen. De ontmoeting heeft altijd een diepe impact, en het dier wordt voor hen symbool, metafoor, totem, gids…
Ik besefte dat ik precies zo’n ontmoeting had gehad, een paar jaar geleden, toen ik nog stelselmatig aan het klimmen was naar mijn plateau, met een vale gier. Ik werd diep getroffen door hoe majestueus deze vogel moeiteloos navigeerde op de hoge thermiek. En toen kwam hij plots in een scheervlucht naar beneden, rakelings langs het plateau waar ik stond met mijn camera. Hoewel ze fotografisch niet mijn beste foto’s zijn, ben ik nog altijd heel blij met deze beelden, en ik heb het gevoel dat dit het moment was waar Gier mij riep.

(c) KV – Vale gier

Ik ben bereid om zijn weg te volgen: de hoogste luchtlagen te doorkruisen, om vervolgens af te dalen en dingen op te kuisen die voor sommigen te donker en te beangstigend zijn om naar te kijken. Ik heb altijd een voorliefde, of op zijn minst een begrip, gehad voor het duister. Voorbij onze angsten ervoor ligt wijsheid en droefheid. Naar mijn gevoel is er niets wat niet kan omarmd of genezen worden. Alles staat open voor transformatie, als we het maar in de ogen durven kijken.

Ik werd eerder deze week herinnerd aan mijn ontmoeting met de vale gier, dankzij twee andere krachtige ontmoetingen.

Op de fiets naar huis langs de smalle veldbanen, scheerde een buizerd uit een nabije eik naar beneden, net voor mij uit. Hij was heel dichtbij en adembenemend mooi. Hij zwenkte, en zweefde een tijdje met me mee, waarna hij aan snelheid won en een eind verderop in een volgende boomkruin op me ging zitten wachten.
Toen ik onder die boom passeerde, zette hij weer aan, in de tegenovergestelde richting.

De volgende ochtend, opnieuw op de fiets, dit keer in de richting van het station, zaten er twee grote zwarte kraaien op de weg. Gewoonlijk vliegen ze op voor ik nog maar in hun buurt kom. Maar dit keer stopte ik met trappen toen ik naderde. Ik voelde me stil worden, helemaal tot in mijn kern. Ik voelde me glad en geruisloos als de staalblauwe glans op hun veren.

Ze vlogen niet weg. Ze hopten allebei op de dichtstbij gelegen heipaal, aan weerszijden van het smalle pad, alsof ze een doorgang voor mij bewaakten. Ze vlogen niet op toen ik naderde, en zelfs niet toen ik de doorgang kruiste. Pas toen ik tegen hen sprak om hen te bedanken, klapwiekten ze op, elk in de tegenovergestelde richting, en zetten de poort open.

(c) KV – Kraai

Ik heb het gevoel dat ik onbekend terrein betreden heb, en toegelaten ben. De lucht licht voor me open.

Ik spreid mijn vleugels.

(c) KV – Vale gier

 

De vlucht

ZAALING#3

De vlucht 1
(c) Jurgen Walschot

Er is iets geruststellends aan de manier waarop de voorbijglijdende witte strepen op het wegdek niet willen afstemmen op het ritme van zijn hartslag. Hoe hij ook probeert om zich één te voelen met de structuur van het stuur onder zijn handpalm, de ronkende wagen, het asfalt dat als een lang, onverschillig lint van teer onder hem wegschiet, hij en de reis willen niet samenvallen.
Sommige overgangen zijn niet te vermijden, daar heeft hij zich bij neergelegd. Om ergens te zijn, moet je er heen willen gaan. Hij wenste alleen dat hij er al was.

Hij heeft het voor de zoveelste keer verdragen: de drukte van de snelwegstations die over hem heen viel zodra hij moe gereden het autoportier openzwaaide, de plakkerige vuilnisbakken, de rondpikkende kraaien in de bermen, de gore toiletten en de drenzende kinderen tussen de rommel aan de picknicktafels.

Na dat bombardement is de rit hervatten bijna een opluchting.


Zijn vrouw bestudeert de kaart en de kinderen slapen achterin. Het gekwek van de radio ging honderd kilometer geleden al uit. De monotonie van de rit is troost en opgave tegelijk.

Ze hadden het erover voor ze vertrokken: overnachten in een of ander hotelletje halverwege, of doorrijden. Hij houdt niet van tussenstops, als het toch moet, dan liever de korte pijn.
Maar de korte pijn duurt lang, de tijd verstrijkt langzaam en in de stilste hoekjes vergaart zich steeds meer ruis, als stilstaand water in de oksel van een modderige rivier. Ze wisselen van chauffeur. Wisselen nog een keer.

In zijn hoofd draait dezelfde conversatie telkens opnieuw.
‘Een rode driehoek betekent gevaar, hé papa?’
‘Dat klopt.’
‘Zijn de herten hier dan gevaarlijk?’
Hij doet zijn best om niet te glimlachen. ‘Dat zeggen ze wel eens, ja.’
‘Wat doen we, als we zo’n gevaarlijk hert tegenkomen?’
‘Maak je geen zorgen. Over een paar kilometer is het gevaar geweken.’

De vlucht 2
(c) Jurgen Walschot

Ze stoppen net lang genoeg om te wisselen van chauffeur. Hij is blij dat het laatste stuk voor haar is.
Tegen dat de bergen opdoemen, heeft hij de staat bereikt waarop hij zijn ogen nog wel open heeft, maar niet meer registreert wat hij ziet.

Als de lucht ijler wordt met de hoogte, sluit hij de ogen.


Hij zet zich af. De tak veert terug.
Dan is er alleen nog de leegte die hem vangt, een onzichtbaar net waarvan hij de draden voelt die hij instinctief vertrouwt.

Dit is het land waar hij thuishoort, waarnaar hij verlangt zelfs als hij er al is. De glooiende valleien. De ongenaakbare rotspieken die aan hun ruwe naaktheid genoeg hebben om indruk te maken op wie ze – tevergeefs – wil bedwingen. De meren die nu eens het diepe groen van de hellingen weerspiegelen, dan weer het blauw van de lucht, maar die van bovenaf zilveren spiegels zijn, een oppervlak van rimpelingen waar de zon zich aan vasthecht, een golvend kleed dat zich met vanzelfsprekende elegantie drapeert over dat wat in de diepte rust en wacht.

De vlucht 3
(c) Jurgen Walschot

Hij slaat zijn vleugels uit, voelt hoe de lucht er onderdoor glijdt. De buitenste pennen, de ontspannen opkrullende uiteinden van de vlerken die hij strekt met geconcentreerde precisie, strelen de wind als waren het vingers.

Hij voelt de druk van de zon op zijn rug, de massieve stroom van warme lucht onder zijn buik. Het is een zuil die hem draagt, die hem meeneemt naar hoger, naar de plek waar alles wordt losgelaten, alles overzien.

Het licht lacht in stralen en spat uiteen in zijn borst.


ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Zoals elk zaadje groeien onze zaailingen gretig naar het licht,
klein en kwetsbaar, reikend naar hoger.