Dubbele lens, dubbele pen

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #4



Hier lees je:
– Deel #1 – Tête bêche en carte blanche : hoe het allemaal begon
– Deel #2 – Een ‘fijn projectje tussendoor’ : hoe het eerste scheutje kon groeien
-Deel #3 – Zîchtbaar, met of zonder schulp : waarin twee boekenmakers steeds meer uit hun schulp komen


De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot



De intimiteit van de Zweedse residentie zorgde ervoor dat De serres van Mendel tot stand kwam op de best denkbare manier: als teamwork op elk vlak.

Als schrijver was ik het drie decennia lang gewend om alleen te werken. Schrijven is gewoonlijk een diep solitaire bezigheid. De personages die ik gestalte gaf, waren altijd dierbaar gezelschap maar werden nooit het soort vrienden die me konden uitdagen, verrijken of verrassen zoals levende mensen dat doen. Ik stond daar nooit bij stil. Hoe zou het anders kunnen zijn?

Toen Jurgen en ik ging samenwerken, werd ik uitgenodigd om die werkwijze vaarwel te zeggen. Ik had geen eerdere ervaring met het schrijven van geïllustreerde verhalen en ik had nog nooit ernstig met andere kunstenaars samengewerkt aan een gedeeld concept. Ik wist niet hoe het zou zijn om mijn creatieve universum met iemand te delen.
Jurgen op zijn beurt had genoeg van de gedienstige rol die illustratoren vaak toebedeeld krijgen. Als je beelden moet maken bij teksten waarvan de inhoud al helemaal vastligt, kun je misschien nog wel een mooie laag toevoegen, maar de lijntjes waarbinnen je moet kleuren, zijn getrokken.

In deze samenwerking zou het anders zijn, dat voelden en wilden we van in het begin. Ons werk zou gezamenlijk werk zijn, co-creatie, zonder dat de ene een knieval hoefde te maken voor de ander. Voor Jurgen betekende dat dat hij naar hartenlust ideeën kon aanbrengen en met beelden inhoudelijke voorzetten kon geven. Voor mij wilde dat zeggen dat de tekst zijn suprematie als alleenheerser over het verhaal moest lossen.
We rolden er spontaan in, en van bij de eerste Zaailing zat het goed. Het is een werkwijze die ons als gegoten zit en het was ook de mindset waarin we in Zweden aan De serres van Mendel gingen werken. Dat was toch weer een extra uitdaging, zo bleek.

(c) Inaya photography


De eerste, korte versie van het verhaal was nog volledig uit mijn pen gekomen voor Jurgen ze te lezen kreeg, maar hij had zich wel helemaal kunnen uitleven in de prenten, waarvoor ik op voorhand mee een heleboel materiaal verzameld had. Tegen dat we in Zweden zaten, was onze creatieve dialoog dankzij anderhalf jaar Zaailingen uitgegroeid tot een brede, stevige stroom, waarbij we ons al eens op het terrein van de ander durfden te begeven.
Ik ken wel iets van beelden maken en van vormgeving – genoeg in elk geval om er met Jurgen een intelligente dialoog over te hebben, en zijn werk tot in de details te kunnen lezen. Hij van zijn kant is veel beter met taal dan hij soms toegeeft: voor knappe titels en cartooneske woordspelingen moet je bij hem zijn (en voor flauwe humor ook, maar dat is een ander verhaal).

Nu gingen we dit boek bedenken, binnen de krijtlijnen die het korte verhaal al had getrokken en waar ook ik niet meer aan kon tornen. Zelfs het einde lag al vast. Maar binnen die krijtlijnen was er een hele wereld te ontdekken.

Het begon met een kleine writer’s block van mijn kant. We zaten twee weken in Zweden, met de expliciete bedoeling dit verhaal uit te werken. Nu moest het gebeuren. No pressure, right? Ik schrijf gewoonlijk blind, dat vertelde ik al eerder. Maar nu had ik een einde waar ik me aan moest houden, niks blind schrijven. Bovendien moest ik ervoor zorgen dat alle witte plekken die er nog waren in het verhaal op een geloofwaardige en rijke manier werden uitgewerkt – alles bij elkaar meer dan het halve boek. Ik ben perfect in staat om mezelf mentaal in de knoop te draaien, en dat was er precies wat er toen gebeurde, met als resultaat totale verlamming.

“Zit je vast?” Jurgen bekeek me met een mengeling van verbazing en bezorgdheid. “Wacht, we maken een mindmap.” In een oogwenk had hij een paar bladzijden aan elkaar gekleefd en zat met een potlood in de aanslag. “Wat hebben we al? Personages. Mendel, Reya, Robin. Locaties. De serres… Welke zalen zijn er? De spiegelzaal. De kelders. De bewaarkoepels. We kunnen er nog meer bedenken… En wat weten we over die figuren? Wat is hun karakter? Wat kunnen ze? Waar komen ze vandaan?”

Nu moet je weten: ik maak nooit mindmaps. Ik vind ze doorgaans onnodig en op het randje van kinderachtig. Maar Jurgen was oprecht, en we waren al eerder elkaars vangnet geweest in zware momenten. Dit was een uitgestoken hand en een reddingsboei, dus ik greep ze.
Hij praatte me door alle elementen die we al hadden, en al snel gingen we aan het associëren en brainstormen. De writer’s block smolt als sneeuw voor de zon en er kwamen een aantal interessante én grappige ideeën naar boven, waarop we later nog zouden doorgaan.

De mindmap bleef gedurende het hele verblijf op tafel liggen, als een constante aanwezigheid en inspiratie. Ik slaagde er in een vroeg stadium in om er een glas rode wijn over om te kieperen, maar dat maakte ze alleen maar interessanter.

(c) Inaya photography


In de dagen die volgen, brainstormden we verder. We discussieerden, diepten gedachtegangen, (humoristische) verbanden, anekdotes en logische opbouw uit tijdens wandelingen door het bos, langs het meer of gewoon aan tafel tijdens het ontbijt of de lunch. Vervolgens gingen we schrijven en tekenen. In het begin hadden die twee nog niet zoveel met elkaar te maken: ik schrijf chronologisch, en Jurgen begon aan een afbeelding van een locatie die hem aansprak en waarvan we beslist hadden dat de personages er op een bepaald moment zouden terechtkomen (de bibliotheek). Hoe dat precies in zijn werk zou gaan, wisten we nog niet, maar dat gaf niet.

Naarmate we langer in Zweden doorwerkten, geraakten de draden van waar we aan bezig waren steeds meer vervlochten. Visuele voorzetten van mij vonden hun weg naar Jurgens beelden, inhoudelijke ideeën van hem kropen in mijn tekst, een volwaardig tweerichtingsverkeer.
Toen gebeurde er iets onverwachts, dat van onschatbaar belang zou blijken.

Bij een van de workshops op het SmåBUS Kinderboekenfestival hadden de deelnemende illustratoren de uitdaging gekregen om aan de hand van een aantal losse woorden een verhaal te bedenken. Het was een oefening die Jurgen verrast had, en waarbij er een paar leuke ideeën uit zijn (schrijf)pen gekomen waren.
Toen ik als afwisseling tussen het werk aan het boek door even aan iets lay-outmatigs van de Zaailingen wilde werken, moest dat op zijn laptop. Hij palmde prompt de zetel in waarin ik gewoonlijk zat te schrijven, ging met een brede grijns achterover liggen en pakte zijn schetsboek. “Zo ziet dat er dus uit als je schrijver bent.”
“Ga je gang, “lachte ik. “Schrijf gerust een hoofdstuk. Je hebt toch geleerd hoe dat moet?”

Het was half uitdaging, half grap. Maar er volgde een hele tijd niets anders meer dan het zachte gekras van potlood over papier, en geen halfuur later las hij me een hele nieuwe scène voor.
Aan de schrijfstijl zou ik een en ander moeten aanpassen, dat hoorde ik meteen. Maar de inhoud en de opbouw waren knap, en ik wilde ze beslist gebruiken. Er was echter één – niet bepaald klein – probleem met Jurgens scène, ook dat wist ik al terwijl hij ze voorlas: hij had het vertelperspectief totaal omgedraaid.

Astrid Lindgren kijkt toe… (c) Inaya Photography

We hadden het tijdens het brainstormen natuurlijk wel gehad over het tweede hoofdpersonage, Robin, hoe die zich gedroeg en wat hij zoal dacht, wat zijn sterktes en zijn zwaktes waren en op welke manieren hij een tegenpool kon zijn voor Reya, het meisje dat in de serres woonde. Maar de korte versie van het verhaal was geschreven vanuit haar perspectief en ik was gewoon in die lijn doorgegaan. Het was nooit ter sprake gekomen om het verhaal ook vanuit het standpunt van Robin te gaan vertellen. En nu hadden we hier plots een sterke, waardevolle scène die alleen werkte vanuit zijn perspectief.

Schrijftechnisch is zoiets een probleem. Je kunt niet zomaar één hoofdstuk van perspectief wisselen, of toch niet op deze manier, midden in het boek, zonder duidelijke reden. Ik stond ineens voor de keuze. Ik kon Jurgen zeggen: knap gedaan maar dit kan niet, dus sorry en weg ermee. Of ik kon de scène ontvangen als het geschenk dat ze was, en de uitdaging die ze meebracht voor lief nemen. Want als ik ze een plaats wilde geven in de bestaande tekst zou ik Robins perspectief volwaardig moeten integreren in het verhaal. Dat betekende: nieuwe scènes bedenken vanuit zijn standpunt, andere herschrijven of verplaatsen, een volwaardig tweede perspectief invoeren… De oorspronkelijke opbouw van het hele boek omgooien, dus.

Een paar jaar eerder had ik waarschijnlijk mijn hakken in het zand gezet en het hele idee afgeblazen. Nu dacht ik alleen: interessant. Reya was mijn creatie, maar met zijn spontane schrijfspurt had Jurgen Robin plots een gezicht gegeven, en een stem.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot

Kon dit werken? Wellicht wel. Het zou bovendien een inhoudelijke meerwaarde betekenen.
Kon ik het schrijven? Ik was er helemaal niet op voorbereid om een stuk van dit verhaal te vertellen vanuit het standpunt van het jongenspersonage. Maar het zou me wel lukken, als ik erin slaagde in zijn hoofd te kruipen. Jurgen had me op dat vlak zojuist een half hoofdstuk voorzet gegeven.

En wat was er eigenlijk mooier, bedacht ik, dan het verhaal van een vriendschap dat door twéé personages verteld werd, net zoals dit boek door twéé mensen gemaakt werd, kijkend door een dubbele lens, schrijvend met een dubbele pen?

Oké, dacht ik. Ze mogen het samen doen. Net als wij.




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.
Advertenties

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

De relativiteit van gewicht

Voor lezers die hier per Google heen surften en een blog verwachtten over ‘je lichaam is mooi zoals het is’, sorry! Dát soort gewicht bedoel ik niet. Volgers van deze blog weten sowieso dat ze dat soort stukjes hier niet zullen aantreffen.
(Hoewel ik wél vind dat elk lichaam mooi is zoals het is, op voorwaarde dat de eigenaar ervan het liefdevol verzorgt en het met goesting bewoont – maar dat terzijde.)

Soit, gewicht dus.

(c) Inaya photography

‘Zal dat niet te zwaar wegen, die pendel?’ vroegen ze mij zeven jaar geleden, toen ik solliciteerde voor een job bij de organisatie waar ik tot op vandaag werk maar die ik medio april verlaat. De pendel waarvan sprake bedroeg een kleine twee uur, enkele reis: van een dorp met weinig openbaar vervoer tot in het hart van Brussel. De kantoren lagen niet slecht gesitueerd, maar toch ook weer niet zó schitterend, met het dichtstbijzijnde van de drie hoofdstations op twintig minuten lopen, of even lang sporen met overstap – als de treinen tenminste reden.

Ik schudde toen resoluut mijn hoofd – zwaar, welnee! Ik wilde de job.

Het wás ook te doen, bleek toen ik het twee tot drie keer per week deed, heen en terug. Het had wat voeten in de aarde, maar ik had het ervoor over. Lange dagen waren het wel, makkelijk twaalf uur van huis, en mede daardoor vond ik halftijds werken ruim voldoende.

Tegen het einde van het eerste jaar, toen mijn tijdelijk contract afliep en ik uitgekeken was op de job in kwestie, was die pendel wel beginnen wegen. Als een werkelijk gewicht: ik voelde het aan als een last. Het was gedoe, die drie verkeersmiddelen, en het duurde lang.

Maar toen kwam er een vacature vrij, één verdieping hoger in hetzelfde gebouw. Redacteur. Dat was wat ik wilde. Ik had ervan geproefd en ik voelde me er thuis. Ik werd blij van dat soort werk. Ik solliciteerde en kreeg de job.

Toen gebeurde er iets vreemds.

(c) Inaya photography

Ik was misschien twee of drie dagen zeker van mijn nieuwe functie, toen ik merkte dat er iets fundamenteel begon te veranderen. Een week eerder kroop ik nog met een diepe zucht van wilskracht op mijn fiets om naar de bushalte te rijden, daar bibberend te staan wachten op een veel te volle en ongemakkelijke bus, vervolgens de trein te nemen, mét overstap en nog meer bibberen tijdens het wachten daarop, om twee uur later eindelijk mijn kantoor binnen te lopen.

Nu, luttele dagen later, woog die pendel niks meer. Letterlijk: niks. Er was in objectieve of fysieke zin niets veranderd, maar plots kroop ik fluitend op mijn fiets en zat ik met een brede glimlach op de bus.
Het werd me meteen duidelijk: als de beloning die wacht aan het einde van de rit (in dit geval: een job waar ik zielsgelukkig van werd) het waard was, kon ik er veel bijnemen om daar te geraken. Met de glimlach. Gewicht is absoluut relatief. Het hangt er maar van af wat er op de andere helft van de weegschaal ligt.

Ik maakte ook meteen een mentale notitie – eens getraind in coaching, altijd alert: het moment dat die pendel, om wat voor reden dan ook, plots weer zou gaan wegen, moest er een alarmpje afgaan, en dat moest ik kunnen herkennen als een signaal dat er iets aan de hand was. Ik hoopte vurig dat dat nooit zou gebeuren.

Het werden een paar fijne jaren. Het werk was vervullend, mijn leven bloeide open op allerlei vlakken. De reistijd nam eerder toe dan af, maar ik zorgde ervoor dat ik goeie boeken bij had en eigen materiaal om aan voort te schrijven. Er zagen nogal wat Zaailingen het levenslicht in treincoupés. Ik begon uit te kijken naar de pendel als een vorm van quality time. Oké, toegegeven: quality time met vertragingen, nu en dan hinder en ook nog altijd veel te veel volk in de buurt van mijn hoogsensitief persoontje, maar toch. Als mensen ontwikkelen we graag rituelen. Met een kop koffie van bedenkelijke kwaliteit op de trein stappen om daar een klein uur te schrijven en te mijmeren, het werd een van mijn geliefde rituelen.

Na verloop van tijd en dankzij een elektrische fiets trapte ik zelfs fluitend de tien kilometer naar het station en kon ik drie vierden van het bibberend en verveeld wachten en vooral de gehate bus vaarwel zeggen. Goed voor mijn moreel én mijn conditie. Een dikke win-win, op alle vlakken.

En toen veranderde de invulling van de job zelf. Nogal drastisch.

Daar waren geen slechte bedoelingen mee gemoeid, en er waren allerlei beweegredenen die vanuit een bepaalde logica vast hout sneden. Maar van de ene dag op de andere was ik het werk kwijt dat ik jarenlang met zoveel plezier had gedaan. Alle compromissen die ik sloot, voelden aan als een verlies.

(c) Inaya photography

Ik gaf het tijd. Om de zoveel maanden maakte ik de balans op. Hoe ging het met me? Wat stoorde me, waarin vond ik vervulling? Het bleef, om het in KMI-termen te zeggen, kwakkelweer. Maar ik ben trouw, dus ik was bereid om de bui nog wel even uit te zitten, hopend op betere tijden.

Het hield naar mijn gevoel echter niet op met regenen. Het werd integendeel stelselmatig duidelijker dat wat eens een hartverwarmende boulevard was geweest nu een doodlopend straatje was geworden. Beetje bij beetje kalfde mijn werkplezier af. Het gebeurde sluipend, want ik wilde de zeurderige negatieve stemmetjes zeker niet bewust voeding geven. Maar toen ik begin dit jaar merkte dat het me zwaar begon te vallen om de tien kilometer te fietsen en een uur op de trein te zitten, wist ik hoe laat het was.

Ik ben geen dwaze dromer. Ik maak keuzes waarvan ik weet dat ze realistisch verantwoord of op zijn minst haalbaar zijn. Maar één wijsheid staat al jaren boven mijn spreekwoordelijke haard gebeiteld: het leven is te kort om gebukt te gaan onder zinloos gewicht.

Over vier weken loopt mijn pendeltraject naar Brussel definitief ten einde. Dat is veel sneller dan ik indertijd had gedacht of gehoopt dat het geval zou zijn. Maar ik aanvaard het voor wat het is. Dankbaar om de mooie jaren, dankbaar om wat er nog komt, al is het pad dat ik gekozen heb op dit moment nog verre van duidelijk.

Ik voel me wel lichter. Nu al.