De bubbel

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~11~
(c) André Vanlierde



Een van de woorden die voorgoed een andere betekenis gekregen hebben in de afgelopen drie maanden, is het woord ‘bubbel’.

De meesten van ons hebben zich er – min of meer – keurig aan gehouden, aan die bubbel. Maar het was moeilijk. Soms was het onmogelijk. Elke bubbel is een zeepbel, vroeg of laat spat die uiteen.

Met de corona-lockdown kwam er Netflix hier bij ons in huis. Gisteren bekeken mijn man en ik de laatste aflevering van Unorthodox, het verhaal over Esther Shapiro, die op negentienjarige leeftijd ontsnapt aan de knellende greep van de joods-orthodoxe gemeenschap in New York. Met een mengeling van medelijden en verbijstering volgden we de starre gebruiken van de Satmar-gemeenschap zoals ze in beeld gebracht worden in de serie. Hoe is het mogelijk, vroegen we ons af, dat je je hele leven kunt doorbrengen met zulke oude gebruiken, zulke knellende en totaal onevenwichtige man-vrouwverhoudingen? Daarmee wil ik beslist de joodse gemeenschap niet viseren, dit is in wezen een universele vraag. En eigenlijk ken ik het antwoord ook wel. Want tot welke gemeenschap we ook behoren, we leven allemaal in een bubbel.

(c) André Vanlierde



De verhalen die we onszelf vertellen, over onze cultuur, ons gezin, onze waarden, onze gewoontes, onze geschiedenis, wat is dat anders dan een bubbel? Of die nu beperkt blijft tot een familie, een godsdienst, een taal, een land of continent… We onderschrijven allemaal stukken van een verhaal dat groter is dan wij. We geloven erin en leven ernaar.

Ik vind dat geen probleem, ik vermoed dat we als mens gewoon niet zonder kunnen. Maar ik heb al vaak gedacht: laten we alsjeblieft niet vergeten dat het verhalen zijn. Want we verwarren de manieren waarop we ze hebben vormgegeven in ons hoofd en in onze samenleving, met iets als de waarheid. We worden kwaad als iemand de legitimiteit ervan in vraag stelt, onze interpretatie in twijfel trekt. Wat er op dat moment eigenlijk gebeurt, is dat onze bubbel ontmaskerd wordt voor wat hij is, en dat is erg confronterend. We zouden onze persoonlijke waarheden liever in steen gebeiteld zien, niet in zeepsop.

Het is mogelijk om je hele leven in een bubbel te spenderen en je daar verder geen vragen bij te stellen. Het is ook mogelijk om je bubbel te verlaten en grenzen te verleggen, zelfs als je niet weet of dat eigenlijk wel een goed idee is. Dat is wat er met Esty gebeurde, toen ze besloot om zich los te scheuren van haar gemeenschap en onder te duiken in Berlijn.

Daarvoor hoef je helemaal niet uit een ultra-orthodox religieus milieu te komen. Daar heeft ieder van ons die tijdens dit coronaseizoen verlangd heeft naar familie en vrienden, naar menselijke aanraking en gezelligheid, intussen persoonlijke ervaring mee.

(c) André Vanlierde



En de uitnodiging om hier bewust mee om te gaan, houdt niet op na de coronaperiode. We bewegen ons elke dag van ons leven in bubbels, daar is geen ontkomen aan.

Corona heeft ons geleerd dat we allemaal verbonden zijn, dieper dan we ooit dachten. Maar we zijn ook verschillend. De rest van de mensheid proberen te overtuigen, of te dwingen, om deel uit te maken van de Ene Ware Bubbel is wat alle enggeestige en totalitaire stromingen in de wereld beogen. Daar zaaien ze onnoemelijk veel leed mee en het werkt nooit, of hoogstens voor beperkte tijd, op beperkte schaal. Laten we niet in die val trappen. Laten we aanvaarden dat er verbondenheid is én diversiteit, dat er evenveel waarheden bestaan als er bubbels zijn, en dat dat vooral een rijkdom is.

Waarmee kan ik deze reeks columns in coronatijden beter afsluiten dan met het onsterfelijke nummer van Paul Simon, Boy in the bubble? Ik kan het niet helpen, ik word elke keer blij van de kracht en de opzwepende muzikale vrolijkheid van dat nummer. Maar de tekst is keihard, en elk woord ervan is nog even relevant als toen het Simon het lied uitbracht op Graceland, bijna 35 jaar geleden. The bomb in the baby carriage was wired to the radio… Terroristische aanslagen, armoede, droogte. De camera die ons volgt en wij die paraderen in hoop op populariteit. Sterrenstelsels die sterven, de machtigen der aarde die ongestoord hun gang gaan en kunst die een ogenblik lang verademing biedt.

Wat is dit leven van ons toch een prachtige, pijnlijke, absurde bedoening.

(c) André Vanlierde



Bedankt voor het luisteren, de afgelopen weken. Ik wens u een fijn verhaal, en mooie dromen, in uw bubbel.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De aspergelente

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~10~

Ik hield als kind niet van asperges. Of misschien moet ik zeggen: ik kende die groente niet, want mijn grootmoeder – de vaste kok bij ons in huis – maakte die nooit klaar. Schorseneren maakte ze wel, en die werkte ik naar binnen om haar een plezier te doen. Maar asperges kreeg ik pas voor het eerst op mijn bord toen ik bijna meerderjarig was, in een of ander chique restaurant, en toen benaderde ik ze met het wantrouwen van iemand die nieuwe smaken niet zonder voorbehoud verwelkomt. Ze vielen tegen, ik vond ze slap en smakeloos. Dat ik na dat bewuste diner geveld werd door een zomergriep hielp de populariteit van de asperges weinig vooruit; een mens legt rare verbanden als ze koorts heeft. Sabayon heb ik sindsdien ook nooit meer aangeraakt.

Asperges heb ik in de twee decennia tussen dat diner en nu wel leren appreciëren, voldoende alvast om ze nu en dan zelf klaar te maken. Gewoonlijk ging ik dan voor de smalle, groene scheutjes die je voorverpakt in de supermarkt vindt.

De afgelopen maanden is dat veranderd. De lente van 2020 zal voor mij niet alleen maar de lente van het coronavirus zijn, maar ook de lente van de asperges.



Een eindje verder bij ons in de straat woont R., een onwaarschijnlijk kranige 91-jarige, die nog dagelijks zijn eigen – gigantische – moestuin onderhoudt. We kunnen het als sinds mijn man en ik hier bijna vijftien jaar geleden kwamen wonen heel goed vinden. Hij heeft, om bij de moestuintermen te blijven, een boontje voor ons. Sporadisch hebben we contact, we wisselen kerstkaartjes uit, en de afgelopen jaren stond hij in de herfst wel eens aan onze deur met een verse pompoen. Als hij begint te vertellen over zijn jeugd, valt je mond open. Ik heb al een paar keer gedacht dat ik zijn verhalen zou moeten opnemen, hij is een wandelend overblijfsel uit een tijd die wij nu, in al onze luxe, alleen nog associëren met namen als Buysse en Streuvels. Hij heeft amper meer onderwijs genoten dan de lagere school en hij lacht smakelijk om die twee ingeweken universitairen zonder verstand van groenten, die ook nog eens de meest normale Hamse woorden voor palen, grachten, greppels, steunmuren en werktuigen niet kennen. Maar hij mag ons. En wij hebben ook een dikke boon voor hem.

Op een dag in april stond hij plots aan de deur, in volle corona-lockdown, met een volle zak asperges. Vers uit de moestuin, zelf gestoken die ochtend. Het had die ochtend gegoten, een van de laatste fantastische lange regenbuien van deze lente. Schitterend voor de bodem, maar hondenweer om in te werken, voor iedereen, laat staan een man van over de negentig. En nu stond hij hier met een voorraad joekels van witte scheuten waar ik meer dan een uur aan stond te schillen. Het werd een feestmaal, die avond.

Een paar dagen later belde hij weer aan, ’s ochtends dit keer. Ze waren aan het opkomen, de nieuwe scheuten. Ze mochten niet te lang aan de zon blootgesteld zijn of ze verkleurden naar groen en waren niet meer lekker. Hij had in totaal een meter of veertig staan, dus hij had veel meer dan hij ooit op kon. Of mijn man even wilde komen helpen om er nog wat uit te steken?

En het bleef niet bij die ene keer. Laat ik de afgelopen maanden maar samenvatten als een aspergefestijn. Ik heb recepten opgezocht, en er zelf uitgevonden. Ik bereidde asperges voor het avondmaal, ik schilde ze voor in de diepvries om later dit jaar in soep of andere gerechten te worden verwerkt.

De porties waarmee R. telkens kwam aanzetten, of die mijn man na een uurtje steken, met blaren op zijn veel te delicate kantoorhanden, mee naar huis bracht, waren genoeg om een gaarkeuken voor twee dagen van groenten te voorzien.


De moestuin van R. heeft mij een aantal waardevolle lessen geleerd dit voorjaar. Ik heb deze lente niet alleen deze groente leren appreciëren zoals het hoort, maar ook het meditatieve plezier ontdekt van zonder haast, urenlang, geconcentreerd bezig te zijn met iets ogenschijnlijk eenvoudigs als asperges schillen. Arbeid als deze laat een concrete indruk na van hoe rijk de bodem van dit land is, als we die goed verzorgen en verstand hebben van planten. Het geeft ook een idee van de hoeveelheid werk die er voor nodig is, niet zelden met de hand, om verse groenten te verwerken tot iets smakelijks op een bord. Dat dwingt respect af. Het heeft mijn uren in de keuken fysieker gemaakt, de tijd zichtbaarder, onze band met het land tastbaarder.

Sommige dingen leer je pas als de omstandigheden je ertoe dwingen. Ik had werk te weinig en tijd te veel, de winkels hadden veel te lange rijen en R. had meer asperges dan hij op kon. Ik ben er dankbaar om.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De Toren en De Ster

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~9~


Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Als schrijver word ik er duchtig mee geplaagd. Als mijn lieve vriend Jurgen Walschot, de illustrator, het zegt, klinkt het ongeveer als: wie léést die teksten ooit? Waarna hij een spreekwoordelijk kussen naar zijn hoofd krijgt.

Maar het klopt wel: beelden kunnen een gelaagdheid en een diepgang presenteren die in een oogopslag te vatten is en vaak zelfs zintuiglijk binnenkomt. Ik hou van sterke beelden.

Een bijzonder systeem van beelden dat ik heel erg waardeer, is de tarot. In oorsprong Middeleeuwse kaarten met symbolische afbeeldingen, waarvan de wortels mogelijk nog veel verder teruggaan in de tijd.

De tarot is een spiegel van de menselijke persoonlijkheid in al haar facetten. Elke kaart beeldt een stuk van onze ontwikkeling uit, ons karakter, onze behoeften, gewoontes, obstakels, talenten. In weerwil van het populaire geloof heeft tarotkaarten trekken weinig te maken met wat er in de toekomst ligt, maar alles met het heden: wie we nu zijn, waar we vandaan komen, hoe we in deze positie geraakt zijn. Het is een spiegel, in gelaagde tekeningen.

Er zijn twee tarotkaarten waaraan ik de laatste weken voortdurend loop te denken: De Toren en De Ster.

De Toren stelt een bouwsel voor dat getroffen wordt door een blikseminslag. Het is een ramp, een ravage. Er vallen zelfs mensen uit die toren naar beneden, een soort middeleeuwse Twin Towers. Het bouwwerk staat symbool voor onszelf, of iets in ons leven dat we opgebouwd hadden, wat nu met grote kracht verwoest wordt.

Toch is de betekenis van de kaart niet zo negatief als op het eerste zicht lijkt. Want die hele toren was in feite een nogal gammele constructie: een geïmproviseerd bouwsel (wie weet op voorhand écht waar hij heen wil in het leven?), de mankementen die zich voordeden in de loop van de jaren werden al dan niet deftig gerepareerd, sommige delen moesten wat gestut, er werden compromissen gemaakt… Dat rommeltje, hoe graag we er ook woonden, is nu door de bliksem verwoest. En die bliksem staat symbool voor iets wat groter is dan onze persoonlijkheid, iets wat het beter weet dan de hoogmoedige bouwers die we, zelfs met goede bedoelingen, onvermijdelijk zijn.

(c) Inaya photography

Wat wel stevig en solide was aan onze toren, de funderingen, de diepe basis, een steunmuur of twee, misschien, blijven overeind. De uitnodiging is om op de fundamenten een beter bouwwerk op te trekken.

Velen van ons zagen de afgelopen weken bliksems inslaan en torens instorten. Sommige klappen kwam hard aan: economisch, financieel, persoonlijk. Hele segmenten van de samenleving liggen gevloerd na de uppercut die corona heet, of in de nasleep van de maatregelen om het in te dijken. Het stof van de instortingen is nog lang niet gezakt. In het beste geval kunnen we pas nu beginnen met puin ruimen.

Maar laten we proberen niet te diep te treuren over wat niet meer overeind staat. Laten we dromen van een beter bouwwerk, kleiner misschien maar meer solide, en dichter bij onszelf.

(c) Inaya photography

Want vanuit een breder perspectief bekeken, arriveert De Toren in de tarotcyclus ook op het typische moment dat we in een mensenleven vaak de midlife crisis noemen: de diepe fase van twijfel en zoeken naar zingeving. En de uitkomst van beide processen (de wederopbouw en de zoektocht naar zingeving) is dezelfde: een sterkere, diepere, meer waarachtige versie van onszelf.

Aan die uitkomst wijdt de tarot de kaart die op De Toren volgt: De Ster. Het is waar we uitkomen als we de gevolgen van de blikseminslag durven omarmen.

De Ster stelt een naakte vrouw in de natuur voor, die in het licht van de sterren het water uit haar kruiken over de grond en in een vijver laat stromen. Ze is puur en kwetsbaar. Ze heeft niets te verbergen, niets te beschermen. Ze is in diep contact met zichzelf, met haar omgeving, met de kosmos. Ze schenkt gul het water uit haar kruiken, en ze heeft rechtstreeks toegang tot de bron. Het is een beeld van diepe eenvoud, en enorme overvloed.

Ook ik sta op dit moment even te bekomen tussen het puin van een ingestorte toren. Het stof zakt al een beetje. Ik haal diep adem, en ik weet dat op ontelbaar veel plaatsen in de wereld op dit moment mensen hetzelfde doen.

Elk van onze verhalen is anders, maar laten we samen puin ruimen. Laten we denken aan de zachte eerlijkheid die geen bescherming nodig heeft, de kwetsbaarheid die gul kan schenken aan de wereld, vanuit verbondenheid en vertrouwen, in het licht van de sterren.




De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Je bent thuis

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~8~

My home is my castle was de uitdrukking waarmee ik deze column begon. We hadden toen niet durven denken dat het gekroonde virus zo lang de plak zou zwaaien over ons leven. We kunnen op dit moment niet eens met zekerheid zeggen wanneer het die koninklijke houdgreep eindelijk lost. En onze huizen hebben twee maanden later nog steeds iets van versterkte burchten. Maar ieder van ons heeft onze woonst intussen een heel stuk beter leren kennen.

We hebben het zonlicht langs haar wanden zien kruipen op elk uur van de dag. We zijn tegen haar muren opgelopen. We konden niet langer doen alsof we het stof niet zagen dat zich ophoopte in de kieren waar we nooit grondig stofzuigden, noch de schaduwen die elke avond groeiden in de stilste hoeken. We zijn ontelbare keren over die ene oneffenheid in de vloer gestruikeld. We hebben de ramen gelapt om beter naar buiten te kunnen kijken naar alles wat nu even niet meer kon. Of we hebben het zo gelaten, omdat het toch geen zin had.

In dromen staat een huis doorgaans symbool voor ons innerlijk. Gebeurtenissen die plaatsvinden in een huis, spelen zich op een ander niveau af in het diepste van onszelf. We ontvangen er mensen, ontdekken verborgen kamers, proberen dingen die we liever niet meer onder ogen te komen in de kelder te verbergen.

Hebben we de afgelopen weken een warme, stille vorm van wortelen herontdekt op een plek waar we vroeger te weinig aandacht aan schonken? Of zijn de muren waarbinnen we ons ooit met plezier wilden vestigen, alleen of met geliefden, stilaan steeds meer een gevangenis geworden, een kooi?

Mijn werkruimte, mijn heiligdom – thuis (c) Inaya photography



De muren van mijn huis benauwen mij niet. Integendeel, mijn nood om naar buiten te gaan, wordt zelfs kleiner. Als kind groeide ik op in een huis waar niet alleen mijn ouders maar ook mijn grootouders langs moederskant woonden. Mijn oma kwam nooit buiten. Nooit. Tot op het terras in de tuin, misschien, om erwtjes te doppen in de ochtendzon, en in de late namiddag in een windstil hoekje op de bank te zitten breien en verstellen. Maar ze deed geen boodschappen, ze had geen vrienden. Eén keer per jaar ging ze Oudejaar vieren bij haar zoon, mijn peter. Nochtans stonden de deuren van haar huis open voor iedereen. Het is een houding die mijn moeder overnam: ik groeide op in een huis waar iedereen welkom was. Voor een middag, voor een maal, voor een nacht, voor een jaar.

Mijn oma moet hoogsensitief geweest zijn, dat kan niet anders. Toen ik klein was, zei ze tegen mijn moeder, die zich met mijn angstige, schuchtere benadering van het leven soms geen raad wist: ‘Ik begrijp dat kind.’ Ik heb haar lang niet begrepen, niet echt. Maar nu, na twee maanden huisarrest, wél. Dit bestaan bevalt mij. Mijn lichaam voelt minder verkrampt. Het bombardement aan zintuiglijke prikkels is enorm afgenomen. Er mocht veel minder, maar er moést ook minder.

Knaagt de hunker naar verdere horizonten dan niet? Soms wel een beetje.

Maar als schrijver (en lezer) heb ik een beproefde ontsnappingsroute: mijn hoofd is de plaats bij uitstek om verre reizen te maken. Als ik Paolo Cognetti of Bregje Hofstede lees, dan ben ik in de bergen. Pak ik er Sylvain Tesson bij, dan breng ik de winter door aan het Baikalmeer in Siberië. Met Robert MacFarlane daal ik af in een gletsjer in Groenland en de catacomben van Parijs. In de broekzak van Elizabeth Gilbert dwaal ik via Italië en India tot in Bali, en Helen MacDonald neemt me mee naar de velden en hemelen rond Oxford waar ze met haar havik jaagt. Met Tonke Dragt reis ik naar de vochtige, hete wouden van Venus zoals zij die ooit voor zich zag. En het hoeven niet altijd verre plekken te zijn: Evelien De Vlieger volg ik op haar innerlijke reis naar zichzelf, in de caravan in haar achtertuin.

De wereld is zo rijk en zo groot als we hem in onszelf kunnen maken. Ons innerlijke huis heeft ontelbaar veel kamers. Doe gewoon een andere deur open. Maak het jezelf gemakkelijk. Je bent thuis.



Leeslijstje van de hierboven vermelde boeken:
– Paolo Cognetti ~ De acht bergen
– Bregje Hofstede ~ Bergje
– Sylvain Tesson ~ Zes maanden in de Siberische wouden
– Robert MacFarlane ~ Underland
– Elizabeth Gilbert ~ Eat Pray Love
– Helen Macdonald ~ H is for hawk
– Tonke Dragt ~ Torenhoog en mijlenbreed
– Evelien De Vlieger ~ Caravandagen


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Virusje spelen

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~7~

Okay, this is when the gloves come off.

Ik was een jaar of twintig toen ik in een cinemazaal Hugo Weaving tegen Lawrence Fishburne zag zeggen: ‘Human beings are a virus.’ Het was een eye-opener zoals je er maar een paar in je leven krijgt, en ik ben nog altijd van mening dat de Wachowsky brothers het toen bij het rechte eind hadden. The Matrix werd de standaard voor alle actiefilms met special effects die ooit nog zouden volgen. Maar het zijn ook hun ideeën die wortel hebben geschoten bij generaties kijkers.


Agent Smith is als personage een regelrechte creep, maar metaforisch heeft hij met zijn uitspraak gewoon gelijk. De menselijke soort gedraagt zich op het niveau van de planeet als een virus in een lichaam. We nemen in razendsnel tempo meer oppervlakte in dan goed is voor het geheel, we vervuilen en tasten elke biotoop aan waar we ons vestigen, putten de voorraden uit en geven onze gastheer niet de kans zich voldoende te herstellen.

Een lichaam zal zijn uiterste best doen om het virus te verslaan, of eraan bezwijken. In beide gevallen sterft het virus zelf ook – tenzij het een nieuwe drager vindt. Aangezien wij als menselijke soort niet meteen een planeet B hebben om te besmetten – pardon, naar te verhuizen – zouden we dus beter twee keer nadenken. Het wordt tijd dat we stoppen met het virus uit te hangen.

Eén manier om dat te doen, is de dood herwaarderen.

(c) Inaya photography

Okay, let’s rewind.

Er is niets mis met de dood.

In tijden als deze, waarin we bang gemaakt worden met sterftecijfers en er op elke straathoek wordt gezwaaid met de heiligheid van het menselijk leven, klinkt die uitspraak wellicht nogal cru. Maar we kunnen niet om de simpele natuurwet heen: de dingen groeien tot ze uitgegroeid zijn. Dan gaan ze dood, vallen ze uiteen en worden ze voeding voor al wat na hen komt. De dood is nódig, op elk niveau. Een cel die zich ongebreideld blijft uitbreiden, is een kankercel. De dingen moeten ergens eindigen, zodat nieuwe dingen kunnen groeien. De dood is de compagnon van het leven, niet de tegenstander.

Dat we dat als mensen niet zo fijn vinden, heeft vooral te maken met hoe we onszelf door middel van slimme verhalen hebben overtuigd dat we boven de natuur staan, en dat we dus ook boven de dood zouden moeten staan. Als individu én als soort. Het is precies daarom dat we zonder het te beseffen virusje zijn gaan spelen.

Maar we staan helemaal niet boven de natuur, leert corona ons. Niks van. We zijn er een piepklein, zij het eigenwijs, deeltje van. En we gaan nog altijd allemaal dood. Aan ouderdom. Aan ongelukken. Aan een virus. En dat is, hoe triestig we dat ook vinden, prima.

Let wel, de diepe eenzaamheid van zwaar zieke mensen deze dagen vind ik absoluut niet om mee te lachen. We kunnen niet tegenhouden dat we doodgaan, maar we hebben verdomd wel een hand in de manier waarop. En bij sommige middelen die we inzetten om deze pandemie aan te pakken heb ik fundamentele twijfels op vlak van verbondenheid en welbevinden.

(c) Inaya photography

Maar de dood zelf vind ik geen vijand. Ook niet als hij komt door Covid-19. Wat dit virus ons ontnomen heeft, schrijft de Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer, die van in Italië de diepste ellende van nabij meemaakt, is onze illusie van controle. Niet de controle die we hadden, maar de illusie dat we ze ooit hadden.

Uit dromen moet je wakker worden. Dus laten we de dood verwelkomen. Niet als een spook met een zeis, een vijand om tegen te vechten, maar als een vorm van balans. Als een wake-up call die ons leert dat alles grenzen heeft. We zijn aan het ontwaken, net als Neo in The Matrix, in de echte wereld. Dit is het moment om Agent Smith te bewijzen dat hij ongelijk had. En snel wat.

Okay, let’s accelerate.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Werelden verbinden

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~6~

Vandaag lees ik zoals beloofd een stukje voor uit mijn nieuwe boek, De wortels van de wereld.
Wat voor boek het precies is? Hm.

Ik hou niet van het woord kinderboek. De beste verhalen zijn leeftijd-loos. Ze hebben misschien een ondergrens (een leeftijd waaronder je te jong bent om het verhaal te begrijpen) maar ze hebben geen bovengrens. Soms kun je pas als volwassene alle lagen appreciëren die de schrijver erin stak. Dus ik noem dit boek, net als De serres van Mendel, zijn voorganger, een verhaal voor gevoelige zielen van 10 tot 110.

De wortels van de wereld is een boek over het snijpunt waar werelden elkaar ontmoeten.

In de ene wereld leeft het meisje Reya, samen met de oude Mendel, in een immens complex van koepels en serres. Er zijn meren en mangrovewouden, moerassen en oerwouden. In die enorme overkoepelde biotoop worden de werelden bewaard – letterlijk, in plantvorm: een universum aan zaden, bloemen en mogelijkheden.

In een andere laag van de werkelijkheid woont Robin, een jongen die ooit een tijdje bij Reya en Mendel in de serres verbleef en toen Reya’s beste vriend werd, maar zich daar nu niets meer van herinnert.
Hij is teruggegaan naar waar hij thuishoort en is opgegroeid zoals dat hoort: bij twee ouders, in een woestijndorp waar iedereen, ook de kinderen, aan het werk gezet worden tussen de sloopresten van een grote werf zodra ze daartoe in staat zijn.

Op het moment dat het verhaal in dit boek begint, is Robin twaalf. Hij krijgt flitsen van de serres in zijn hoofd. Wie is dat meisje – Ree heet ze, gelooft hij – dat hij tussen de planten ziet dansen? Ze praat tegen hem, valt te pas en te onpas zijn leven binnen. En wat moet hij met dat bizarre talent in zijn handen, dat hem in staat stelt dingen bijna vanzelf uit elkaar te laten vallen, en dat hij volgens sommigen maar beter verbergt?

In Reya’s wereld vindt een ramp plaats: de serres raken besmet door een ziekte. Ook Mendel zelf wordt levensgevaarlijk ziek. Reya moet haar veilige stolp verlaten om hulp te vinden. Ondertussen zoekt Robin naar een manier om terug te keren naar de plek waarnaar hij werkelijk verlangt.

Ik zou, met de column van vorige week in gedachten, een stukje over de plaag in de serres kunnen lezen: een natuurkracht die als een vloedgolf alle zekerheden van onder Reya’s voeten maait en haar dwingt haar veilige, overkoepelde wereld te verlaten. Maar dat ga ik niet doen. Van dat soort ontwrichting hebben we vandaag al meer dan genoeg. Dus ik neem jullie graag mee naar een andere lijn van het verhaal, iets wat we veel harder nodig hebben: het punt waarop Robin, afgedaald in de grot van de voorouders tot op het diepste punt waar hun tekeningen op de wanden staan, en met de stem van Ree als een constante compagnon in zijn hoofd, begint te begrijpen waar de kracht in zijn handen eigenlijk voor dient: het vertellen van zijn eigen verhaal, het verbinden van werelden.





De wortels van de wereld ~ fragment

Robin loopt naar de natuurlijke nis in de rotswand, een dieper gelegen stuk dat hij tot nu toe niet opgemerkt had. Die nis is één grote verzameling van handafdrukken, in alle formaten, in zwart en rood en oranje en grijs en alle kleuren daar tussenin. Het is bijna alsof ze naar hem zwaaien. Alsof een heel volk in het diepste punt van de grot heeft willen zeggen: wij zijn hier geweest.
Wij zijn hier geweest. En we zijn hier nog. Want jij ziet ons.
– Dat ben ik niet, fluistert Ree. Dat zijn zíj.
Hij loopt naar de nis en blijft een duimbreedte van de rotswand staan, tilt zijn hand op, aarzelt. ‘Als ik nu mijn hand op de rotswand leg, zou ik ze dan kunnen voelen?’
– Ik geloof het wel, knikt Ree.

‘De wortels van de wereld’, p.32-33



Hoe massief de wanden om hem heen ook zijn, op deze plek lijkt de rots niets meer dan een dun vlies. Aan de andere kant strekt zich net als hier een wereld uit waarin gebeurtenissen steeds verder afdrijven vanuit dit punt, zoals rimpels in het water zich verspreiden of jaarringen van een boom steeds breder groeien vanuit de kern.
Robin legt hij zijn handpalmen tegen de rotswand.
Kom, jonge wever. Voel ons en vind jezelf. Dit is waar alles herbegint. Want zolang er iemand is die de lijnen kan lezen, gaat het verhaal door.
De warme gloed zindert door Robins lichaam, dan begint die door zijn handen ook weer naar de rots terug te stromen. Hij hoeft er niets voor te doen, het is zo natuurlijk als ademen. En hij voelt hoe de grot als een levende stroom langzaam om hem heen wentelt, een stenen sterrenstelsel, een universum van rots.
Wat is steen anders dan gestolde tijd? Wat is tijd anders dan ontelbare lagen van leven, gestorven, bezonken, opeen geperst en weer aan het licht gebracht?

Een na een lichten de tekeningen op de wanden op. Hun vormen gloeien en golven, gevormd in de stroom van de rots zelf, door handen als die van hem, die wisten hoe ze dat moesten doen. Ze vertellen over werelden in het hart van zandkorrels, over beschavingen die kwamen en gingen, over de droom van één enkele bloem, over sterren die als stuifmeel uitgestrooid liggen in de nachtelijke hemel.
Sommige verhalen klinken heel zacht, oud en erg ver weg. Andere zijn helder als een bel, vers en dichtbij. Ze zijn allemaal springlevend, alleen op een andere laag van het gesteente dan die waar hij zich bevindt.
– In een andere jaarring van de boom, lacht Ree, langs een andere bocht van dezelfde spiraal. Of van een spiraal die deze kruist. Ze danst langs de wanden, van tekening naar tekening.

Robin in de grot (detail) uit ‘De Wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


En als twee spiralen van licht elkaar kruisen, kun je dan oversteken van de ene naar de andere? Kun je reizen van een laag in het gesteente naar een diepere, als waren het kleuren in een dampkring, wentelingen in een sterrenstelsel, en neerstrijken op de plek waar je hart naar hunkert?
Robin kan onmogelijk zeggen hoe ver hij gaat, of hoe lang dit ogenblik duurt. Tijd en afstand zijn niet alleen te meten in lengte, begrijpt hij, maar ook in diepte.

In zijn zak voelt hij plots zijn geboortesteen gloeien. Hij haalt hem tevoorschijn en weet wat hij gaat zien. Het warme licht in de kei is precies hetzelfde als wat door de rotswanden stroomt.
Wie jou gemaakt heeft, denkt hij, was net als zij.
Ree slaat zachtjes haar armen om hem heen.
– Net als jíj.

een knappe, langere, live versie van hetzelfde nummer als hierboven



Robin in de grot, uit ‘De wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De vloedgolf en de grot

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~5~
(c) Inaya photogrpahy


Ik onthoud mijn dromen zelden. Of zelden langer dan tot aan het ontwaken. Maar er is één droom die in verschillende vormen al een aantal keer is teruggekomen.

Op een ochtend eind januari 2020 schrijf ik er het volgende over, op de eerste bladzijde van een nieuw dagboek:

Vannacht had ik een droom zoals ik er in de afgelopen jaren vaker heb gehad: vanuit mijn huis zie ik een enorme vloedgolf aankomen, een massieve muur van water. Ik sluit alles af, zoek dekking, krul me op in een hoekje. De golf arriveert. Ik voel het huis daveren maar het houdt stand.

Ik kom er ongeschonden uit, elke keer. De dromen zijn spannend maar niet beangstigend als nachtmerries. Het huis ziet er elke keer anders uit, en ik ben zelden alleen maar de anderen hebben niet altijd een naam of een gezicht. Dit keer is alles herkenbaar: het huis is een kruising van plaatsen waar ik als kind woonde of vaak kwam, en de mensen die bij mij zijn, zijn mijn gezin.

Deze keer gaat de droom uitzonderlijk ook door nadat de vloedgolf gepasseerd is. We lopen om het huis heen. In de tuin naast het huis (je weet hoe landschappen veranderen in dromen, wat eerst een gebouw met zicht op zee was, is nu een huis in een bos) is een volwassen boom geknakt, midden in de stam. Dat van die boom was te verwachten, zegt mijn man. We lopen verder door de tuin die een bos is en vervolgens ontdek ik, half ondergronds, het indrukwekkende wortelstelsel van een andere boom, die daar altijd al moet hebben gestaan maar mij nooit eerder was opgevallen. Onder zijn wortels lijkt het wel een grot, met een gewelf.

De droom met de vloedgolf, wanneer hij zich ook aandient, arriveert altijd aan de vooravond van zeer krachtige en transformerende momenten in mijn leven. Natuurlijk kan ik dat op het moment zelf niet met zekerheid zeggen. Maar omdat ik mijn dagboek al jaren bijhoud, weet ik intussen dat het echt zo is.

Soms overvalt verandering ons. Als een storm, een vloedgolf, een natuurkracht.

(c) Inaya photography


Mijn droom leert mij dat ik dat overleef. De krachten die op mij inwerken, kunnen enorm zijn, maar mijn innerlijk (het huis) houdt stand. Sommige andere dingen, hoe robuust ook, overleven dat niet, worden midden in hun groei geknakt om het nooit meer te boven te komen. Wat overbleef van de boom in de tuin van mijn droom, was een zuil van een stam die met een kroon van gesplinterde punten naar de kruinen van de andere bomen priemde.

Maar het belangrijkste element van de droom was dit keer het gewelf van wortels. De oude, diepgewortelde wijsheid die zich in het onderbewuste van de aarde zelf bevindt en zich openbaart door mij toe te laten.

En er is nog iets.

Eind januari, toen de eerste zachte ritselingen van Covid-19 opdoken in de media, was ik niet alleen begonnen in een nieuw dagboek, ik was ook volop aan het schrijven aan mijn nieuwe boek. Dat verschijnt in augustus en zal De wortels van de wereld heten. Het gaat over de kwetsbaarheid van dingen die we graag zien, en hoe een natuurkracht alles van het ene ogenblik op het andere op de helling kan zetten. Wat vertrouwd was, verandert onherroepelijk in iets wat niet langer herkend wordt. De bakens van veiligheid en zekerheid vallen weg. Maar de diepste, oudste wijsheid, in de wortels van de wereld zelf, komt in het verhaal binnen bereik van wie durft afdalen naar de grot.

Volgende week lees ik er u hier in deze column een stukje uit voor. Want ik heb het gevoel dat het, net als mijn droom, wel eens onwaarschijnlijk toepasselijk zou kunnen zijn voor waar we nu allemaal samen doorheen gaan.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Mensen lijken op vogels

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~4~

Ik zit op het terras en ik worstel me door een taai hoofdstuk van het nieuwe boek dat ik aan het schrijven ben. Ik vraag me af wanneer ik het in mijn handen zal houden. Normaal gezien verschijnt het dit najaar, maar er is eventjes niets meer normaal of vanzelfsprekend in mijn wereld. Mijn horizon voor projecten en plannen bedraagt op dit moment welgeteld een week.

Boven mijn hoofd en langs mij heen vliegen de vinken, mezen en mussen over en weer. Van de haag naar het nestkastje, van de takken van de bomen naar het vogelvoer en weer terug. Ze verjagen elkaar, ze tolereren elkaar, ze eten en fladderen weer weg. Ik hoor het getik van scherpe bekjes, het geruis van vleugeltjes.

‘Is het jou ook opgevallen’, vraagt een vriendin uit Limburg mij, per mail uiteraard, ‘dat de vogels zoveel vrijer bewegen? De natuur neemt terug wat van haar is, nu de mensen massaal binnen blijven.’ Ik ben een natuurmens. Maar om eerlijk te zijn: nee. Ik zie het niet.


Wij wonen op een bel-étagewoning en de laagste takken van onze eiken strekken zich uit als een natuurlijke parasol op grijphoogte. De hele
winter en een groot deel van de lente hangen we daar vogelvoer. Het is soms een drukte van jewelste op ons terras. We spotten er merels, vinken, drie soorten meesjes, een winterkoninkje, een roodborstje, een boomkruiper. En sinds de buren een eind verderop in de straat hun haag vervingen door hekwerk met draad, geeft onze tuin met zijn struiken en verstopplekjes ook onderdak aan een zenuwachtige mussenfamilie. De tortels en bosduiven tellen we niet mee, noch het kauwenparlement in de populieren aan de andere kant van het veld, die zitten er altijd.

Nu en dan laat de bonte specht zich zien, die is ook niet vies van wat vogelvoer. Zelfs het koppel eksters dat hier al jaren woont en broedt, komt de laatste tijd naar beneden en kan in één enthousiaste schranspartij een kwart van een vetbol wegwerken als ze niet gestoord worden door beweging achter het raam.


Met het eerste mooie weer ben ik ook op het terras gaan zitten, om te schrijven dan. Aan dat boek, weet u wel. Eerst schrokken de vogels daarvan. Het was aandoenlijk hoe ze tussen de toen nog bijna kale takken over en weer vlogen, piepend naar elkaar dat daar plots een mens zat, een mens! zo dicht bij hun maaltijd. Die mens bewoog zich niet, weliswaar, maar ze keek niet alleen naar dat schrift of dat scherm voor haar, ze hield ook hen in de gaten. Takje na takje hupten ze dichterbij – en soms weer weg – tot de eerste dappere toch durfde te komen eten. Twee hapjes van de vervaarlijk schommelende mezenbol, en weg maar weer!

Mensen lijken op vogels. Want we wennen verbazend snel aan nieuwe omstandigheden. Na amper twee dagen fladderen de vogels vrolijk af en aan en hangen ze op amper een dikke meter van mij aan de overgebleven wintervoorraad.

Voelen die vogels het verschil, vraag ik me af, tussen ons gewoonlijke geraas en de kalmte van de wereld nu? Zelf hoeven ze zich geen vragen te stellen over waar hun toekomst naartoe gaat. Ze vangen insecten, pikken een graantje mee van ons terras, en binnenkort gaan ze zitten broeden. Dan wordt het pas hectisch voor hen. In de vroege zomer zien we hier traditioneel het mezenkoppel uit het nestkastje onafgebroken aanvliegen met mondenvol vers groen rupsenvoer voor de kleintjes, recht van tussen de eikenbladeren geplukt. Boven onze hoofden, jawel.


Want wat mijn lieve vriendin ook zegt, dit is niet het eerste jaar dat de vogels eerst een beetje van ons schrikken en vervolgens voor de rest van de lente en de zomer het terras met ons delen. Ik vermoed dat zij het nu gewoon beter opmerkt. Want dat is zeker wél een effect van deze quarantaine.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De kracht van het kleine

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~3~

Er is een groepspagina op Facebook die ‘Hoop en fotografie’ heet. Lenslustigen laten er deze dagen naar hartenlust plaatjes op los. Het thema van de afgelopen week, compleet met hashtag, was: ‘hier word ik vrolijk van’, en nogal wat leden gaven gehoor aan die voorzet.

Ik vind die foto’s hartverwarmend. Niet omdat ze altijd van zulke hoge kwaliteit zijn, maar om wat mensen onder die noemer vastleggen en willen delen.

We worden blij van de ontluikende lente, zo blijkt. Van een schitterende bloem, een paard in de wei bij zonsondergang. We worden vrolijk van een eend die ligt te broeden in een bloembak op een verlaten terras, van een plakje cake die onze kinderen zelf bakten, van grappige situaties en een dikke knuffel.

Ik zie geen mens foto’s van zijn elektronica delen (tenzij als er gechat wordt met geliefden), of van tv-programma’s, series, archiefbeelden van voetbalcompetities of wielerwedstrijden. Ik zie – eerlijk is eerlijk – ook geen foto’s van lievelingsboeken of theatervoorstellingen. Maar misschien zijn die minder fotogeniek of zijn daar genoeg andere pagina’s voor.

In elk geval hebben al die gedeelde foto’s één ding gemeenschappelijk. We worden gelukkig van de kleine dingen, die we dan ook nog eens recht onder onze neus hebben: de natuur, onze geliefden, schoonheid en humor.

Kijken we nu scherper naar wat we dicht in onze buurt voor het grijpen hebben omdat we nergens anders heen kunnen? Of beseffen we nu gewoon beter dat dít de dingen zijn die ons werkelijk gelukkig maken, en hebben we daar minder oog voor in tijden waarin de wereld veel sneller draait en veel schreeuweriger op ons afkomt?

Er is een wet in de alchemie die stelt dat je voor de oplossing van een knoop best zoekt naar het kleinste draadje dat je kunt vinden om los te trekken, de subtielste handeling, de ingreep die zo weinig mogelijk impact heeft op de omgeving. Want alles wat je doet, heeft niet alleen een resultaat maar ook een bijwerking tot gevolg. Grote middelen inzetten heeft dus grote gevolgen. En die vragen op hun beurt weer om oplossingen. Dat creëert in sommige gevallen zelfs een heuse dynamiek die de vooruitgangsval heet: we graven een telkens iets diepere put om de vorige die we maakten te dempen.

En eigenlijk weten we dat wel. Niet schieten met een kanon op een mug, zeggen we tegen elkaar. Niet meer dan een paar druppels water bij de whisky. Maar als het aankomt op het dagelijks leven, kunnen we wel een opfrissertje gebruiken. Dank u, corona.

In deze lockdown-tijden vinden er aardschokken plaats, economisch en persoonlijk. En natuurlijk is het balen dat een groot project, een reis of een evenement niet kan doorgaan. Maar het zijn vaak de kleine dingen die ons in het dagelijks leven nog het meest uit ons evenwicht brengen. Je familie en je vrienden niet zomaar kunnen zien of vastpakken. Eens geen dagje naar zee mogen gaan uitwaaien. Geen terrasje kunnen doen. Niet gewoon snel even de supermarkt binnen lopen.

Ook hier zien we de kracht van het kleine aan het werk.

Door ons allemaal thuis vast te zetten, dwingt dit virus ons met ongekende kracht tot een verandering van perspectief. Geen viersterrenresort in Bali kan op tegen een knuffel van je kleinkind. Geen digitale tv met zevenhonderd kanalen kan goedmaken dat we ons niet vrij kunnen bewegen.

Aan die toestand komt uiteindelijk wel weer een einde. De tijd van restaurants, festivals, theaterbezoek en verre reizen komt weer terug. Dat weten we.
Maar intussen gaat de alchemie van het leven wel mooi met ons aan de slag. Eén draadje, één druppeltje per keer. En ze verandert ons.

Ik hoop dat we, wanneer het dagelijks leven een nieuw evenwicht vindt en veel van de grote dingen die we nu missen weer mogelijk worden, toch vooral de kracht van het kleine blijven koesteren.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Buiten de lijntjes

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~2~

Wat doen we, als de lijntjes van ons bestaan plots heel erg strak getrokken worden?

We kunnen het een keurslijf dopen, het bevechten, het te lijf gaan als een hinderlijke beperking. Of we kunnen het voor lief nemen en kijken welke onverwachte mogelijkheden het met zich meebrengt.

Soms leveren beperkende omstandigheden fantastische innerlijke vergezichten op. Want als de buitenwereld plots erg klein wordt, is er altijd nog de binnenwereld. En die is zowat eindeloos.

Maar net zo goed vreten de dagen van eentonigheid aan ons gemoed, als een nijdig knaagdier dat hapje per hapje knabbelt aan onze weerstand, ons goed humeur, ons geloof in waar dit allemaal heen gaat.

Je kunt de wanden van je kooi – al dan niet met tralies, kies maar – voor lief nemen. Want de verhalen in ons hoofd, die kennen geen grenzen. Toch niet als wij dat niet willen. Soms is dat mooi. Soms is het triest.

Op een middag loopt er plots een vrouw in onze tuin. Als ik de schuifdeur open en haar vraag wat ze zoekt, reageert ze verbaasd en excuseert ze zich. Ze dacht dat het huis leeg stond, zegt ze, dat het misschien te koop was. Ze wilde eens kijken…

Nu is onze voorgevel inderdaad niet moeders mooiste, en onze oprit is een door onkruid overwoekerde bedoening. Per toeval is hij ook nog eens leeg. We hebben de auto namelijk een eind verderop geparkeerd omdat we met de ladder in de dakgoot aan de slag moesten. Hij stond daar niet meteen in de weg en we gaan deze dagen toch nergens heen.

Kortom: met wat goede wil kan ik het mens nog enigszins begrijpen. Maar wie helder van geest is, zou de gesnoeide struiken zien, de potplanten, de trampoline, het speelgoed en de strijkplank in de tuinkamer, het gemaaide gras, alle andere grote en kleine sporen van actieve bewoning. Om nog maar te zwijgen van het feit dat er overduidelijk geen ‘TE KOOP’-plakkaat voor onze deur staat.

De vrouw reageert oprecht verrast. Ze komt op me toe om te praten, lijkt van plan om gewoon bij ons naar binnen te stappen. Ze schrikt van mijn afwerend gebaar maar blijft dan gedwee staan. Ze schijnt mijn afwijzing niet helemaal te begrijpen. Ik voel me een hardvochtig mens.

Ze woont een eindje verderop in onze straat, zegt ze. Nadat ik haar vriendelijk verzeker dat wij hier al vijftien jaar wonen (‘Oh, echt waar? Dat wist ik niet!’), wijs ik haar hoe ze de tuin weer uit komt. Ze weet plots niet meer hoe ze die eigenlijk is binnengekomen. Ze loopt twee keer na elkaar het doodlopende boogje in, waar struiken haar van alle kanten de weg versperren.

Ten slotte vindt ze op mijn aanwijzingen het pad dat naar het tuinhek leidt. Het tuinhek geeft uit op de oprit, en dan ziet ze de straat. Van daar redt ze het wel. Hoop ik.

In betere tijden zou ik haar naar huis begeleid hebben. Nu sta ik haar na te kijken en mij zorgen te maken. Ik vrees dat er deze dagen nog meer verwarde, vereenzaamde mensen door de straten dolen, vruchteloos zoekend naar houvast.


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.