Er is loslaten, en… loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb dit jaar heel veel tijd doorgebracht op ons terras, overschaduwd door de takken van drie dicht naast elkaar groeiende eiken. Dat terras bevindt zich op de eerste verdieping en dat wil zeggen dat we letterlijk in de takken zitten. Heerlijk vind ik dat.

Dit jaar kondigde zich aan als een heel rijk eikeljaar. In de lente hingen de bomen vol, écht vol: handenvol rijpende eikeltjes aan één tak. Maar de klimaatverandering hakte erin. Begin augustus, lijdend onder de aanhoudende hitte en droogte, begonnen de eiken noodgedwongen hun kostbare oogst te lossen, veel te vroeg. Alles werd op een mum van tijd bedekt onder een tapijt van onrijpe, groene eikels. We veegden ze van het terras af, naar beneden de tuin in. Een dag of wat later zag het eruit alsof we nooit geveegd hadden.

Het was zielig en zonde, maar het leverde ook grappige taferelen op. Eikels die vallen van dik tien meter hoog doen pijn! Buiten eten (wat we heel graag en zo lang mogelijk doen) werd bij momenten een risicovolle bezigheid, je wist nooit wat je op je bord, op je hoofd of in je kopje koffie ging krijgen.

Intussen is het herfst. En de eikels vallen nog. Nu zijn ze bruin en steviger, en ze vallen ook harder. Werden ze in augustus met spijt door de boom gelost, nu worden ze bijna gekatapulteerd. Ze stuiteren van het terras, ketsen terug, een meter of hoger soms, en belanden niet zelden vanzelf in de tuin, een verdieping lager. Wie ze op zijn hoofd krijgt, weet even niet wat hem overkomt.

We genieten ervan. Hoe harder ze vallen, hoe blijer ik word. Dit is zó’n verschil met de zomer.

Zomerzonde (c) Inaya photography



Ik kan me niet ontdoen van het idee dat de eik een soort plezier heeft in dit afvuren van eikels. Er is sprake van doelgerichtheid, spunk. Ik gun hem (nee, als ik eerlijk ben voelt het als haar) elke welgemikte hoop op voorplanting. Ik bescherm wel mijn gsm als ik die meeneem naar buiten – één foute (of welgemikte?) inslag en ik kan hem vervangen, zoveel kracht hebben die projectieltjes.

Dit is geloof ik het verschil tussen loslaten omdat je niet anders kunt, uit noodzaak dus, en loslaten omdat het moment juist is en je er klaar voor bent. Het is het verschil tussen verlies en vooruitgang.

Binnenkort slaan de weersverwachtingen om en krijgen we meer kilte en regen. Prima, het werd tijd. Zo hoort dat in dit seizoen, en wie weet hoe lang kennen we hier nog iets wat op een echte herfst lijkt. Ik ga het terras wel missen, inclusief het ketsende, petsende eikelbombardement. Maar op dit moment ben ik gewoon blij dat ik het verschil tussen de beide zo bewust en zo duidelijk heb mogen meemaken.

Het brengt mij bij een derde vorm van loslaten, de mooiste misschien, degene die ik zelf verkies, als ik er iets aan te zeggen heb. Die heeft niets met eikels te maken, en alles met waterdruppels.

(c) Inaya photography



De zwartbladige moerasplant die ik meebracht uit een magische tuin in Zuid-Frankrijk koestert elke regen- of dauwdruppel als was het een parel. Hoe het water zich op de bladeren verzamelt, zwelt, schittert, en vervolgens loom en elegant naar beneden glijdt, het is een levende meditatie.

Dát is loslaten, denk ik dan.
Geen pijnlijk verlies uit schaarste, waarbij prachtig potentieel ongebruikt en met spijt moet worden gelost.
Geen ambitieus en doelgericht mikken, met een voortdurende kans op teleurstelling als het projectiel niet landt in vruchtbare grond.
Wel dit: een helder, zacht verzamelen van zichzelf, tot het zo vol is dat momentum vanzelf ontstaat: de omvang van de waterdruppel overstijgt de grip van het blad en rolt er in een laatste liefkozing vanaf, richting bestemming. Het blad houdt niets tegen, houd niets vast, en mist niets. Het laat los en ligt open voor de volgende dauw of regenbui.

Zo loslaten is schenken.
Zo losgelaten worden, is gratie.

(c) Inaya photography

De psychologie van motoren en autogordels

Ik heb niet veel zin om het huis te verlaten. Maar de zon schijnt en er is een toffe activiteit waar ik een tijdje geleden enthousiast over was. En ik wil er naartoe. Of daar herinner ik mezelf toch aan. Dus ik verplicht mezelf de voordeur uit te stappen.

De buitenlucht voelt prettig. Het geurt al naar herfst. Ik kruip achter het stuur van mijn wagen, steek de sleutel in het contact. De motor slaat aan, de cd-speler herneemt het lied waar hij gebleven was, een melodie waar ik blij van word, en ik krijg vanzelf meer zin in het uitje.

Dat is het moment waarop de motor pruttelt, sputtert en zwijgt. Verweesd zit ik naar de gevel van ons huis te staren.

(c) Inaya photography



Er is niets mis met onze gezinswagen, maakt u zich geen zorgen. Al het bovenstaande is een metafoor. Het is ongeveer hoe mijn leven aanvoelt, de laatste maanden: plannen, goesting, minder goesting want al zo lang stil gezeten, toch een en ander voorbereiden, een efforke doen om naar buiten te komen, het enthousiasme voelen groeien… en stilvallen.

Dat stilvallen ligt niet aan mij, maar aan de omstandigheden. Afzeggingen, doorkruiste plannen, c***-maatregelen. Het maakt niet uit wat het precies is, het gevoel van de wagen starten en dan toch weer stilvallen is zeer acuut.

Er is zoveel wat op dit moment niet kan. Niet meer kan, of misschien nooit meer kan. Geen idee. Ik ga me er ook het hoofd niet over breken, ik kan alleen in het moment blijven en een nieuwe manier vinden om hiermee om te gaan.

Want zolang als ik probeer de auto te starten op de oude manier, in de veronderstelling of de hoop dat hij vaart zal maken en dat we vertrokken zijn voor honderd kilometer autostrade, ‘zoals vroeger’, zál hij stilvallen. Dat is wat heel dit absurd en bijzonder tijdsgewricht nu eenmaal met zich mee blijkt te brengen.

Is er dan geen uitweg? Rest mij alleen frustratie?

Ah, wie mij een beetje kent (of deze blog al een tijdje leest), weet dat ik niet zo in elkaar zit. Frustratie is een energiebom en een energielek tegelijk, daar komt niets goeds van. Zo leef ik niet en zo wil ik niet leven.

Wat mij te hulp komt, is een andere metafoor. En alweer eentje uit de autowereld. Wie had dat gedacht voor zo’n groen kind als ik.

Je kent het gevoel: je stapt gehaast in de wagen, je moet weg. Je klapt het portier dicht, ramt je sleutel in de ontsteking, reikt naar je gordel, trekt de riem naar je toe en… hij blokkeert.

Iedereen die dit al eens meegemaakt heeft (dat wil zeggen: iedereen die ooit in een auto gezeten heeft), weet dat de enige oplossing is: de gordelriem eerst helemaal laten terugkeren in ontspannen toestand, en hem dan pas rustig en langzaam weer aantrekken. Elke bruuske beweging zal resulteren in een nieuwe blokkade. Iets heeft het mechanisme van de gordel geactiveerd, en hoe harder we proberen het te forceren, hoe meer het volhardt om ons te beschermen.

Ontspannen. Onthaasten. Het trager aanpakken.
Hmm, waar kennen we dat van?

(c) Inaya photography



Er zullen nog wel dingen kunnen én lukken in deze Onzekere Nieuwe Wereld – de gordel zal vastgeklikt raken. Maar niet omdat ik er als een gek aan zit te trekken. Omdat ik hem helemaal loslaat en hem vervolgens langzaam – langzaam!, veel langzamer dan gewoonlijk – weer aanhaal, als een vraag, een liefkozing.

Wie vraagt en liefkoost, moet om kunnen met een weigering. Ik heb niets te dicteren in dit hele proces. Maar dat geeft niet. We gaan nergens heen als de tijd er niet klaar voor is. En als de tijd niet klaar is voor een snelle start, dan moeten we ons tempo aanpassen.

Ik aanvaard de beperkingen die mij telkens weer toe grijnzen. Er schuilt een schoonheid in langzaam. Er leeft geduld onder de motorkap. En als de motor van de auto beslist om het finaal te begeven, heb ik nog altijd mijn benen.

Het Grote Loslaten

(c) Inaya photography



Ik heb een nieuw boek uit, dat wist u vast al. De Wortels van de Wereld is van de persen gerold, het is piekfijn in orde en het is verkrijgbaar in elke boekhandel. Dus komt er… geen boekvoorstelling. Ah nee, het corona-effect: de angst voor besmettingen, en de onmogelijkheid om wat dan ook te organiseren dat naar cultuur en gezelligheid ruikt waar meer dan drie man bij elkaar zit. Het contrast met het feestelijke onthaal van De serres van Mendel in de Plantentuin van Meise en meer dan honderd aanwezigen op de voorstelling vorig jaar kan niet groter zijn.

In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zit ik nu niet in zak en as. Ook dat is een corona-effect. De Gekroonde Leermeesteres, zoals schrijver en sater Jeroen Olyslaegers dit virus in het voorjaar al doopte, leert ons enorm veel, als samenleving en als individu, of we dat nu fijn vinden of niet en ook als we daar totaal niet op zaten te wachten.

Ze heeft gezorgd voor een snelkookpan waarin allerlei dingen die al lang aan het sluimeren waren nu in een veel hogere versnelling gaan, maatschappelijk en persoonlijk. Van sociale en economische ongelijkheid tot ethisch engagement, van ziekte en scheiding tot hartsverbondenheid, van depressie tot innerlijk ontwaken, het landschap is even divers als wij mensen dat zijn, maar al die processen hebben gemeenschappelijk dat ze dieper worden, krachtiger en duidelijker omlijnd.

In mijn persoonlijk geval leert deze snelkookpan mij wat ik nog het beste kan samenvatten als het Grote Loslaten.

(c) Inaya photography



Dat gaat over kleine dingen en heel grote dingen. Over constant aanpassen aan maatregelen waar ik soms heel goed, dan weer totaal niet het nut van inzie, over omgaan met wat mij benauwt en ergert, over persoonlijke evenwichten vinden in een voortdurend veranderend landschap. Het gaat over geen enkel plan kunnen maken, persoonlijk noch professioneel, en de plannen en ambities die er toch nog waren, als strohalmen om mij aan vast te klampen, stelselmatig moeten loslaten en uitwuiven terwijl ze verdwijnen op de wind.

Die boekvoorstelling is een goed voorbeeld. We hadden een aantal concrete ideeën, scenario’s en contacten voorbereid, maar in augustus kon er niks. In september is het voor velen nog te riskant en te flou en zelfs voor oktober houden velen uit voorzichtigheid de boot af. Ik hoor uitspraken als: alles even on hold, maar misschien over een paar maanden, misschien volgend jaar…

Ik hou niet van misschiens. Ze klemmen mijn gedachten vast, ze maken dat ik me mentaal ga vasthaken. Dus Laat ik Los. De boekvoorstelling komt er niet? Oké, dan hoefde ze misschien niet. Het idee lost op als een ademwolkje in de winterlucht.

Dat is zeer bevrijdend. We werken aan een alternatief om Wortels onder de aandacht te brengen in de boekhandels en er bestaat een mogelijkheid dat we later dit najaar nog iets concreets rond het boek kunnen gaan doen, maar ook dat is een groot misschien, dus ik ga er nu geen mentale energie in steken, laat staan een houvast van maken. Ik zie het wel als het zover is. En als het er niet van komt: ook prima.

(c) Inaya photography



Ik weet het, ik laat het simpel klinken, en dat ik hier financieel niet van moet overleven, helpt natuurlijk wel. Maar ook zonder dat aspect was dit soort van loslaten heel lang helemáál niet zo simpel voor mij.

Ik heb een sterk hoofd, met gedachten die plakkerig en hardnekkig kunnen zijn. Net als bijna iedereen ben ik opgegroeid zonder het verschil te kennen tussen wat ik dacht en wie ik was, tussen de mentale boodschappen in mijn hoofd en wat daar écht van klopte.

Die kwetterende stem in ons hoofd, die ons voortdurend aanstuurt met oordelen, angsten, projecties voor de toekomst en herkauwsel van het verleden is onwaarschijnlijk krachtig. Die stem leren herkennen en ze zachtjes loskoppelen van mijn beslissingen en mijn welbevinden, zoals ik in de loop van de laatste tien jaar steeds beter heb geleerd, is een stevige brok werk. Je glijdt er zó terug in af, het is een eeuwig herbeginnen. Maar als het een beetje begint te lukken, is het een weldaad. En ik ben er intussen behoorlijk goed in geworden.

Natuurlijk ga ik ook nog eens onderuit en zijn er momenten waarop iets hard binnenkomt en lastig los te laten is. Maar die momenten zijn veel minder talrijk, en het loslaten gaat veel sneller, en veel beter. Ik was daar al een heel eind in opgeschoten voor Covid-19 ons leven op zijn kop kwam zetten, maar de verinnerlijking en verstilling van de corona-lockdown zorgden echt voor een soort van innerlijke upgrade.

Het Grote Loslaten voelt als overschakelen van een gammele oude fiets op een gestroomlijnd nieuw model (of voor wie net als ik weinig fysieke reserves heeft: eentje met robuuste elektrische ondersteuning). Je moet nog steeds je evenwicht houden, op de trappers duwen en sturen, maar wát een verschil van reiskwaliteit.

(c) Inaya photography



En van al dat loslaten word ik vanbinnen niet leger. Ik word vooral helderder, vrij van mentale rommel en ruis, van kleverige gedachten die nergens naartoe gaan en alleen maar ronddraaien op hun eigen boze draaimolen.

Ik kan naar de horizon kijken met aandacht voor de kwaliteit van het licht op het landschap, voor de schoonheid van het moment, zonder mij af te vragen wat er voorbij die heuvelruggen ligt. Daar zal wel iets liggen, natuurlijk. Maar ik kan het niet zien en ik hoef daar nu totaal niet mee bezig te zijn. Ik zal het wel merken als ik daar ben.

Nu ben ik hier. En dat is voldoende.

Je gewassen eronder ploegen

(c) Inaya photography


Soms komt er vanzelf een zinnetje in mijn hoofd zitten. Een frase uit een liedje, of een zin uit een boek. Het kan jaren geleden zijn dat ik het voor het laatst zag of hoorde, maar plots dringt het zich op. En het blijkt bijna altijd relevant voor een kwestie waar ik op dat moment mee bezig ben.

Een zin die zich de laatste tijd al een paar keer kwam aandienen, is deze: ‘zoals een boer die zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten’.

Bizar? Niet echt als je weet uit welk boek het komt (De weg van de alchemist van Catherine MacCoun). Het trof me de eerste keer dat ik het las meteen als een onwaarschijnlijk krachtig beeld. Het gaat over het bereiken van meesterschap, en dat vervolgens weer opgeven.

(c) Inaya photography



MacCouns boek is een van die weinige op die boekenplank waar het maar al te vaak een commercieel en zweverig circus is, die kennis en ervaring combineert met humor en helderheid. Een boek als Meditations on the Tarot, een van de standaardwerken in het hermetisme (dat ik door haar verwijzing ook ging lezen), is fantastische literatuur van een heel andere orde, maar ook bijzonder… euhm, hermetisch. MacCoun daarentegen is toegankelijk. Als ik haar stem lees, vind ik haar sympathiek. En ze weet waarover ze het heeft, zonder dat ze gaat opscheppen of met wierook zwaaien.

Dat wil niet zeggen dat je alles wat ze beschrijft zomaar snapt. Of kunt toepassen. En dat is een van de redenen waarom ik het een interessant boek vond. Het zette mij op nieuwe manieren aan het voelen en aan het denken over veel dingen waar ik al mee bezig was.

Het zinnetje over de boer komt uit het laatste hoofdstuk van het boek, waarin ook Shakespeares tovenaarspersonage Prospero uit The Tempest besproken wordt, en zijn beslissing om aan het einde van het stuk zijn wraak en al zijn magische krachten op te geven:

“Dit is het gebaar dat van een gewone magiër een alchemist maakt. Het is de zevende fase van het Grote Werk: het vrijwillig opgeven van alles wat voorheen verworven is. In zekere zin sublimeert het de vruchten van de sublimatie, zoals een boer zijn gewassen eronder ploegt in plaats van ze te oogsten.” (De weg van de alchemist, p.270)

(c) Inaya photography



Het is een vorm van overgave die lastig te begrijpen is, ook na het lezen van het boek. MacCoun zelf kan die laatste stap ook niet helemaal helder uitleggen en is daar heel eerlijk over. Sommige dingen zijn alleen maar te ervaren en ontsnappen ultiem aan de kracht van woorden.

Het beeld van de boer die zijn oogst, volgroeid en voedzaam, weer onder de aarde van zijn veld ploegt, strijkt tegen de haren in. Wat een verspilling! Wat een zonde van al zijn tijd en zijn harde werk! Tenzij… het harde werk en het proces ernaartoe de bedoeling waren, maar het product niet is waar het om draait.

Ik kan wel vermoeden waarom mijn onderbewuste mij de afgelopen weken al een paar keer dit beeld geserveerd heeft. Het bergt echo’s van een gevoel dat ik al een tijdje heb. Het heeft iets met overgave te maken, met het opgeven van ambities en concrete verlangens, met het besef dat de weg die afgelegd is niet blijkt te draaien om geboekte resultaten maar om het feit dat je er zelf, tijdens het lopen, door veranderd werd.

(c) Inaya photography



Dit is, zeker gezien de ravage die Covid-19 door al onze levens trekt op dit moment, geen slechte plek om mij te bevinden. Integendeel. En tot op zekere hoogte zie ik parallellen met waar we ons bevinden als mensheid, op dit scharniermoment in de tijd. Maar ik kan de mensheid en de evolutie van de planeet niet op mijn eentje torsen, zoveel heb ik al lang begrepen. Ik kan wel proberen mijn deel te doen, door mij op een gefocuste en constructieve manier bezig te houden met mijn eigen kleine stukje van de puzzel.

Ik kijk achterom naar mijn donkere, vruchtbare veld, waarin alles waar ik twintig jaar innerlijk mee bezig ben geweest weer in de aarde geploegd ligt, en ik ben dankbaar. De rijkdom die het resultaat is van al die jaren hoef ik niet te proeven om erdoor gevoed te worden.

(c) Inaya photography

De ligstoeltoestand

(c) Inaya photography



Ik kreeg niets gedaan deze vakantie.

Is dat niet waar vakanties voor dienen, hoor ik u denken. Om achterover te liggen in een strandstoel en niets gedaan te krijgen?

Meestal wel, inderdaad. Het was ook lang zo voor mij. De openingspassage van Anne Morrow Lindberghs Gift from the sea beschrijft bijzonder treffend het gevoel dat ik als adolescent en later als volwassene vaak had als ik op vakantie ging aan zee: hoe de immense ruimte die gecreëerd wordt door strand en water, de getijden en de wind, alles wegspoelt van concrete gedachten en plannen die je misschien nog heimelijk op zak had. Ik ben vaak aan vakanties begonnen met het idee: dan ga ik eindelijk schrijven. En na twee dagen gaf ik het op, of er nu zee aan te pas kwam of niet. Er lukte totaal niets. En dat was niet erg.

Lindberghs woorden zijn zó mooi, en zó juist, dat ik ze hier graag deel in een gelegenheidsvertaling.

(c) Inaya photography



“Het strand is niet de plaats om te werken; om te lezen, te schrijven noch te denken. Dat had ik moeten weten van vorige jaren. Te warm, te vochtig, te vormeloos voor werkelijk mentale discipline of scherpe scheervluchten van de geest. Maar je leert het nooit. Hoopvol zeul je de verschoten rieten mand mee, uitpuilend met boeken, wit papier, achterstallige correspondentie, vers geslepen potloden, lijstjes, en goede voornemens. De boeken blijven ongelezen, de potloden breken hun punten, en de papieren blijven even blank en smetteloos als de wolkeloze lucht. Er wordt niet gelezen, niet geschreven, zelfs niet helder nagedacht – tenminste, niet meteen.

Eerst neemt het vermoeide lichaam het over. Cruisegewijs laat je je zakken in de apathie van de ligstoel. Je wordt tegen je eigen hoofd en al je keurige voornemens in teruggedrongen in de oeroude ritmes van de kustlijn. De golven die aanspoelen op het strand, de wind in de pijnbomen, de trage vleugelslag van reigers over de duinen, ze overstemmen de hectische ritmes van stad en verkaveling, van uurroosters en schema’s. Je bezwijkt onder hun bezwering, je ontspant, gaat languit liggen. Je wordt in feite zoals dat element waarop je ligt, uitgevlakt door de zee; bloot, open, leeg als het strand, door de getijden van vandaag blank gegomd van alle krabbels van gisteren.

En dan, ergens in de loop van de tweede week, wordt de geest wakker, komt weer tot leven. Niet in de stadse zin – nee – zoals de zee. Hij begint te zwalpen, te spelen, om en om te rollen in zachte, achteloze tuimelingen zoals die lome golven in de branding. Je weet nooit welke toevallige schatten deze onbewuste deining naar boven zal woelen en tot op het gladde witte zand van de bewuste geest zal dragen; een perfect gepolijste steen, een zeldzame schelp die rustte op de zeebodem. Een wentelwulk misschien, een maanschelp, of wie weet zelfs een papiernautilus.

Maar je mag er niet naar zoeken, of – godbetert! – naar graven. Nee, geen gebagger op de zeebodem hier. Dat zou de hele onderneming zinloos maken. De zee beloont niet wie te gehaast is, te hebberig, te ongeduldig. Naar schatten graven is niet alleen een teken van ongeduld en hebzucht, maar ook van een gebrek aan vertrouwen. Geduld, geduld, geduld, dat is wat de zee leert. Geduld en vertrouwen. Je moet leeg liggen, open, blank van keuze als een strand – en wachten op een geschenk van de zee.”

(Anne Morrow Lindbergh – Gift from the sea, Chatto & Windus Publishers, p. 21-23 – mijn vertaling. Engels origineel: zie onderaan deze blog)


(c) Inaya photography



En zo was het dus ook voor mij, heel lang. Vakantie was: overal de stekker uit trekken. Het was aanvaarden dat ik er bijvoorbeeld niet in zou slagen om te schrijven, dat dat vreemd genoeg beter lukte in de scherpte van het dagelijkse werkleven, zelfs al leek er dan juist minder tijd voor te zijn. Ik had Anne Morrow Lindbergh toen nog niet gelezen, maar elk woord dat ze schrijft, komt overeen met mijn ervaring.

Alleen de laatste jaren was daar wat verandering in gekomen. Dat viel samen met het steeds regelmatiger schrijven van deze blog, en het (her)ontdekken van het artistieke proces aan de hand van de Zaailingen. Die creatieve dialoog luwde wel een beetje tijdens de zomermaanden, maar viel nooit echt stil. En omdat ik op mijn blog zoveel te vertellen had dat altijd bruggen sloeg tussen mijn dagelijks leven, mijn innerlijke omzwervingen en mijn ambacht, gingen werk en leven steeds meer in elkaar overvloeien en ging de blog gewoon mee op vakantie. Mijn hoofd en mijn creatieve drive stonden in feite nooit meer af.

Dit jaar lukte het niet. Ik ging met mijn gezin naar mijn ouders, heel blij hen terug te zien en een paar weken uit de benauwde Covid-bubbel van Vlaanderen te kunnen ontsnappen naar de uitgestrekte vergezichten van het Franse platteland. Het was er warm en weldadig. We kozen onze zeer schaarse ontmoetingen zorgvuldig en genoten daarvan. Op de markt droeg iedereen mondkapjes, maar het was gezellig. Ik hielp mijn mama met de planten en het eten, we praatten, we lazen, speelden spelletjes, redden beestjes uit het zwembad waarin mijn zoon elke dag rond plonsde en ik nu en dan eens ging zwemmen. Er moest niets, er was tijd en ruimte.

(c) Inaya photography



Ik voelde me prima, maar for the life of me kreeg ik geen blog uit mijn pen gewrongen. Ik maakte wel een paar krachtige momenten mee, maar ik voelde dat ik ze zelf eerst moest laten bezinken voor ik er iets over zou kunnen schrijven. Ik werkte één Zaailing af, omdat ik met een vormelement wilde experimenteren (die delen we misschien nog, of misschien ook niet), maar het had veel weg van kleine brokjes taal weghakken uit massief en ontoegeeflijk graniet, en nadien had ik totaal geen fut meer om woorden te formuleren, er stroomde niets.

Dat was best bevreemdend en het duurde even voor ik het door had: ik was op vakantie gegaan. Echt, dit keer. Mijn geest was overgegaan op ruis, zoals het geluid van de wind in de eiken aan het zwembad, en vervolgens op zachtjes zwalpen en dobberen.
Ik verwelkomde de ligstoeltoestand, de warme, aardige vorm van apathie. Dan registreer je, voel je, laat je alles komen en gaan. Dan geniet je en kom je tot rust. Maar dan schrijf je geen heldere stukken.

Dus dat is wat ik deed, de afgelopen weken. Niets. Het was nodig. Het mocht.

En nu ben ik er weer. Met goesting. Met een vers geslepen potlood, zoals Anne Morrow Lindberg het zegt, en mijn geest verfrist en gescherpt.

Er staat heel wat te gebeuren. En de woorden zijn er ook klaar voor.

(c) Inaya photography





Anne Morrow Lindbergh – Gift from the Sea (p.21-23)
The beach is not the place to work; to read, write or think. I should have remembered that from other years. Too warm, too damp, too soft for any real mental discipline or sharp flights of spirit. One never learns. Hopefully, one carries down the faded straw bag, lumpy with books, clean paper, long over-due unanswered letters, freshly sharpened pencils, lists, and good intentions. The books remain unread, the pencils break their points, and the pads rest smooth and unblemished as the cloudless sky. No reading, no writing, no thoughts even – at least, not at first.
At first, the tired body takes over completey. As on shipboard, one descends into a deck-chair apathy. One is forced against one’s mind, against all tidy resolutions, back into the primeval rhythms of the sea-shore. Rollers on the beach, wind in the pines, the slow flapping of herons across sand dunes, drown out the hectic rhythms of city and suburb, time tables and schedules. One falls under their spell, relaxes, stretches out prone. One becomes, in fact, like the element on which one lies, flattened by the sea; bare, open, empty as the beach, erased by today’s tides of all yesterday’s scribblings.
And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no – but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a chanelled whelk, a moon shell, or even an argonaut.
But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach—waiting for a gift from the sea.

Het enige spoor dat ik kan lezen

(c) DriftHangingGardens


Soms vrees ik dat ik verveel.

Toen ik een jaar of vijf geleden in ernst begon met deze blog, wilde ik er mijzelf als schrijver een beetje meer mee in de kijker zetten. Ik wilde er vooral artikels op publiceren die ik schreef voor het magazine waarbij ik toen in dienst was. Professioneel degelijke stukken. Bespiegelingen over de toestand van de samenleving, mijn onderbouwde opinie over sociale, politieke, ethische en ecologische toestand van de wereld. Nu en dan iets persoonlijks.

Het draaide anders uit.

Dit digitaal platform vervelde tot iets veel persoonlijkers. Dat ging vanzelf en toch ook weer niet.

Je moet een zekere afstand kunnen bewaren van onderwerpen als je er journalistiek over wil schrijven. Dat is niet mijn sterkste punt. Ik ben een veel emotioneler en meer intuïtief gedreven mens dan ik ooit objectief of journalistiek zal zijn. Het ene is niet beter dan het andere, dit is geen oordeel. Maar je moet wel weten wát je schrijft om te weten hoe je het op een integere manier kunt doen.

(c) Inaya photography



Schrijven is altijd een manier om mijn eigen processen helderder te krijgen. Maar ze ook op mijn blog zetten, was meer dan één brug oversteken. Ik kon mijn persoonlijke traject en mijn bekommernissen even goed kwijt in mijn dagboek, of in een intiem gesprek met mijn beste vriend(inn)en. Waarom deed ik dan wat ik doe op deze blog? Was het een verkapte roep om aandacht?

Jezelf online blootgeven is een combinatie van opperste kwetsbaarheid en exhibitionisme. Ik was me van beide bijzonder bewust. Het eerste vond ik doodeng, het tweede zonder meer kwalijk. Wie had er iets aan dat ik in woorden in mijn blootje ging? Ik had geen antwoorden, er was alleen de zachte innerlijke stem die zei: doe het nu maar. En dan drukte ik op ‘Publiceer’.

De respons die kwam, verbaasde mij niet alleen, er zat ook een onwaarschijnlijke logica in. Hoe meer schroom ik had om iets online te gooien, hoe vaker ik reacties kreeg die op verschillende manieren allemaal hetzelfde zegden: ‘Dank je om dit te schrijven, want ik herken mezelf hierin. Dit is mijn verhaal maar ik had er geen woorden voor. Tot nu.’

Van zulke reacties kun je alleen maar heel bescheiden en heel dankbaar worden.
Ik heb ze een voor een gekoesterd en ik voelde ook hoe ze iets in gang zetten. De bevestiging die ze mij brachten, heeft me meer vertrouwen gegeven om online te zetten waar ik mee bezig ben. Ik vraag me niet elke keer meer af: is dit wel een goed idee? Nu overheerst het idee: iemand, ergens, zal er misschien iets aan hebben. En ik laat het dan maar los.

(c) Inaya photography



Toch voel ik de laatste tijd de twijfel weer groeien.
Ik ben bezig aan een proces van substantiële verdieping. Ik graaf letterlijk en figuurlijk naar de wortels. Ik ben heel intensief bezig met planten, structuren, diverse vormen van levend en dood materiaal. Hoeveel boodschap hebben mensen daar nog aan? Heeft het zin dat ik de zoveelste foto van een plant online zet? Willen ze niet liever weten hoe mijn kind door zijn vijfde leerjaar geraakt is en wat ik klaargemaakt heb voor het avondeten?
Anderzijds: is wat mensen willen weten ooit een goeie motivatie om wat dan ook te doen?

Mijn fascinatie met planten gaat veel verder dan het feit dat ze groen en natuurlijk zijn – wat je nog zou kunnen verwachten van iemand die duidelijk te kennen heeft gegeven hoe dierbaar het groene gedachtegoed haar is.
Planten boren naar de bron, ze verrijzen uit iets zo onbeduidends als een zaadje of een knol, ze groeien, dragen vrucht en sterven af. Ze bewegen zo langzaam dat ze naar ons aanvoelen helemaal in het ‘nu’ zijn. Maar eigenlijk evolueren ze gewoon op hun eigen tempo, volgens de cycli van groei, bloei en dood.

Hoe verder de mens afdrijft van de natuurlijke ritmes, de gezonde grenzen en de verbondenheid met wat geworteld is, hoe sterker ik er mij naartoe getrokken voel. Bijna alsof het ene het andere compenseert. Ik schreef ooit over mezelf dat ik een sjamaan in wording was. Ik betwijfel of de echte sjamanen van deze wereld het daarmee eens zouden zijn. Ik hou me niet aan hokjes, vakjes, gebruiken en vormen, dus ook niet aan deze. Maar mijn voelen gaat alsmaar dieper. Ik heb er zelf niet altijd woorden voor. Dat is wanneer beelden het overnemen, en dat zijn bijna altijd beelden van planten.

(c) Inaya photography


Dus bij deze: sorry als ik u verveel. Ik ben bezig mijn wortels te spreiden, zo diep als ik kan, en ik hoop de uitbundigheid van het leven die van daaruit naar het licht reikt recht te doen in al haar diversiteit.

Het klinkt mooi, maar kom me binnen een paar jaar nog maar eens vragen wat ik daar precies mee bedoelde. Op dit moment kan ik het niet zeggen. Ik weet alleen dat het juist voelt. Net zo juist als al die keren dat ik aarzelde om op ‘Publiceer’ te drukken en die zachte stem zei: ‘Doe het nu maar.’

Vleugels als vlammen, wortels als omgekeerde kruinen, vertakt in het duister. Wie niet weet waar hij geworteld is, kan groeien noch gedijen.
Ik volg het enige spoor dat ik kan lezen. Voor wie het ook voelt: ik zal wat broodkruimels strooien onderweg.

(c) Inaya photography

De bubbel

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~11~
(c) André Vanlierde



Een van de woorden die voorgoed een andere betekenis gekregen hebben in de afgelopen drie maanden, is het woord ‘bubbel’.

De meesten van ons hebben zich er – min of meer – keurig aan gehouden, aan die bubbel. Maar het was moeilijk. Soms was het onmogelijk. Elke bubbel is een zeepbel, vroeg of laat spat die uiteen.

Met de corona-lockdown kwam er Netflix hier bij ons in huis. Gisteren bekeken mijn man en ik de laatste aflevering van Unorthodox, het verhaal over Esther Shapiro, die op negentienjarige leeftijd ontsnapt aan de knellende greep van de joods-orthodoxe gemeenschap in New York. Met een mengeling van medelijden en verbijstering volgden we de starre gebruiken van de Satmar-gemeenschap zoals ze in beeld gebracht worden in de serie. Hoe is het mogelijk, vroegen we ons af, dat je je hele leven kunt doorbrengen met zulke oude gebruiken, zulke knellende en totaal onevenwichtige man-vrouwverhoudingen? Daarmee wil ik beslist de joodse gemeenschap niet viseren, dit is in wezen een universele vraag. En eigenlijk ken ik het antwoord ook wel. Want tot welke gemeenschap we ook behoren, we leven allemaal in een bubbel.

(c) André Vanlierde



De verhalen die we onszelf vertellen, over onze cultuur, ons gezin, onze waarden, onze gewoontes, onze geschiedenis, wat is dat anders dan een bubbel? Of die nu beperkt blijft tot een familie, een godsdienst, een taal, een land of continent… We onderschrijven allemaal stukken van een verhaal dat groter is dan wij. We geloven erin en leven ernaar.

Ik vind dat geen probleem, ik vermoed dat we als mens gewoon niet zonder kunnen. Maar ik heb al vaak gedacht: laten we alsjeblieft niet vergeten dat het verhalen zijn. Want we verwarren de manieren waarop we ze hebben vormgegeven in ons hoofd en in onze samenleving, met iets als de waarheid. We worden kwaad als iemand de legitimiteit ervan in vraag stelt, onze interpretatie in twijfel trekt. Wat er op dat moment eigenlijk gebeurt, is dat onze bubbel ontmaskerd wordt voor wat hij is, en dat is erg confronterend. We zouden onze persoonlijke waarheden liever in steen gebeiteld zien, niet in zeepsop.

Het is mogelijk om je hele leven in een bubbel te spenderen en je daar verder geen vragen bij te stellen. Het is ook mogelijk om je bubbel te verlaten en grenzen te verleggen, zelfs als je niet weet of dat eigenlijk wel een goed idee is. Dat is wat er met Esty gebeurde, toen ze besloot om zich los te scheuren van haar gemeenschap en onder te duiken in Berlijn.

Daarvoor hoef je helemaal niet uit een ultra-orthodox religieus milieu te komen. Daar heeft ieder van ons die tijdens dit coronaseizoen verlangd heeft naar familie en vrienden, naar menselijke aanraking en gezelligheid, intussen persoonlijke ervaring mee.

(c) André Vanlierde



En de uitnodiging om hier bewust mee om te gaan, houdt niet op na de coronaperiode. We bewegen ons elke dag van ons leven in bubbels, daar is geen ontkomen aan.

Corona heeft ons geleerd dat we allemaal verbonden zijn, dieper dan we ooit dachten. Maar we zijn ook verschillend. De rest van de mensheid proberen te overtuigen, of te dwingen, om deel uit te maken van de Ene Ware Bubbel is wat alle enggeestige en totalitaire stromingen in de wereld beogen. Daar zaaien ze onnoemelijk veel leed mee en het werkt nooit, of hoogstens voor beperkte tijd, op beperkte schaal. Laten we niet in die val trappen. Laten we aanvaarden dat er verbondenheid is én diversiteit, dat er evenveel waarheden bestaan als er bubbels zijn, en dat dat vooral een rijkdom is.

Waarmee kan ik deze reeks columns in coronatijden beter afsluiten dan met het onsterfelijke nummer van Paul Simon, Boy in the bubble? Ik kan het niet helpen, ik word elke keer blij van de kracht en de opzwepende muzikale vrolijkheid van dat nummer. Maar de tekst is keihard, en elk woord ervan is nog even relevant als toen het Simon het lied uitbracht op Graceland, bijna 35 jaar geleden. The bomb in the baby carriage was wired to the radio… Terroristische aanslagen, armoede, droogte. De camera die ons volgt en wij die paraderen in hoop op populariteit. Sterrenstelsels die sterven, de machtigen der aarde die ongestoord hun gang gaan en kunst die een ogenblik lang verademing biedt.

Wat is dit leven van ons toch een prachtige, pijnlijke, absurde bedoening.

(c) André Vanlierde



Bedankt voor het luisteren, de afgelopen weken. Ik wens u een fijn verhaal, en mooie dromen, in uw bubbel.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

De Toren en De Ster

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~9~


Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Als schrijver word ik er duchtig mee geplaagd. Als mijn lieve vriend Jurgen Walschot, de illustrator, het zegt, klinkt het ongeveer als: wie léést die teksten ooit? Waarna hij een spreekwoordelijk kussen naar zijn hoofd krijgt.

Maar het klopt wel: beelden kunnen een gelaagdheid en een diepgang presenteren die in een oogopslag te vatten is en vaak zelfs zintuiglijk binnenkomt. Ik hou van sterke beelden.

Een bijzonder systeem van beelden dat ik heel erg waardeer, is de tarot. In oorsprong Middeleeuwse kaarten met symbolische afbeeldingen, waarvan de wortels mogelijk nog veel verder teruggaan in de tijd.

De tarot is een spiegel van de menselijke persoonlijkheid in al haar facetten. Elke kaart beeldt een stuk van onze ontwikkeling uit, ons karakter, onze behoeften, gewoontes, obstakels, talenten. In weerwil van het populaire geloof heeft tarotkaarten trekken weinig te maken met wat er in de toekomst ligt, maar alles met het heden: wie we nu zijn, waar we vandaan komen, hoe we in deze positie geraakt zijn. Het is een spiegel, in gelaagde tekeningen.

Er zijn twee tarotkaarten waaraan ik de laatste weken voortdurend loop te denken: De Toren en De Ster.

De Toren stelt een bouwsel voor dat getroffen wordt door een blikseminslag. Het is een ramp, een ravage. Er vallen zelfs mensen uit die toren naar beneden, een soort middeleeuwse Twin Towers. Het bouwwerk staat symbool voor onszelf, of iets in ons leven dat we opgebouwd hadden, wat nu met grote kracht verwoest wordt.

Toch is de betekenis van de kaart niet zo negatief als op het eerste zicht lijkt. Want die hele toren was in feite een nogal gammele constructie: een geïmproviseerd bouwsel (wie weet op voorhand écht waar hij heen wil in het leven?), de mankementen die zich voordeden in de loop van de jaren werden al dan niet deftig gerepareerd, sommige delen moesten wat gestut, er werden compromissen gemaakt… Dat rommeltje, hoe graag we er ook woonden, is nu door de bliksem verwoest. En die bliksem staat symbool voor iets wat groter is dan onze persoonlijkheid, iets wat het beter weet dan de hoogmoedige bouwers die we, zelfs met goede bedoelingen, onvermijdelijk zijn.

(c) Inaya photography

Wat wel stevig en solide was aan onze toren, de funderingen, de diepe basis, een steunmuur of twee, misschien, blijven overeind. De uitnodiging is om op de fundamenten een beter bouwwerk op te trekken.

Velen van ons zagen de afgelopen weken bliksems inslaan en torens instorten. Sommige klappen kwam hard aan: economisch, financieel, persoonlijk. Hele segmenten van de samenleving liggen gevloerd na de uppercut die corona heet, of in de nasleep van de maatregelen om het in te dijken. Het stof van de instortingen is nog lang niet gezakt. In het beste geval kunnen we pas nu beginnen met puin ruimen.

Maar laten we proberen niet te diep te treuren over wat niet meer overeind staat. Laten we dromen van een beter bouwwerk, kleiner misschien maar meer solide, en dichter bij onszelf.

(c) Inaya photography

Want vanuit een breder perspectief bekeken, arriveert De Toren in de tarotcyclus ook op het typische moment dat we in een mensenleven vaak de midlife crisis noemen: de diepe fase van twijfel en zoeken naar zingeving. En de uitkomst van beide processen (de wederopbouw en de zoektocht naar zingeving) is dezelfde: een sterkere, diepere, meer waarachtige versie van onszelf.

Aan die uitkomst wijdt de tarot de kaart die op De Toren volgt: De Ster. Het is waar we uitkomen als we de gevolgen van de blikseminslag durven omarmen.

De Ster stelt een naakte vrouw in de natuur voor, die in het licht van de sterren het water uit haar kruiken over de grond en in een vijver laat stromen. Ze is puur en kwetsbaar. Ze heeft niets te verbergen, niets te beschermen. Ze is in diep contact met zichzelf, met haar omgeving, met de kosmos. Ze schenkt gul het water uit haar kruiken, en ze heeft rechtstreeks toegang tot de bron. Het is een beeld van diepe eenvoud, en enorme overvloed.

Ook ik sta op dit moment even te bekomen tussen het puin van een ingestorte toren. Het stof zakt al een beetje. Ik haal diep adem, en ik weet dat op ontelbaar veel plaatsen in de wereld op dit moment mensen hetzelfde doen.

Elk van onze verhalen is anders, maar laten we samen puin ruimen. Laten we denken aan de zachte eerlijkheid die geen bescherming nodig heeft, de kwetsbaarheid die gul kan schenken aan de wereld, vanuit verbondenheid en vertrouwen, in het licht van de sterren.




De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Je bent thuis

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~8~

My home is my castle was de uitdrukking waarmee ik deze column begon. We hadden toen niet durven denken dat het gekroonde virus zo lang de plak zou zwaaien over ons leven. We kunnen op dit moment niet eens met zekerheid zeggen wanneer het die koninklijke houdgreep eindelijk lost. En onze huizen hebben twee maanden later nog steeds iets van versterkte burchten. Maar ieder van ons heeft onze woonst intussen een heel stuk beter leren kennen.

We hebben het zonlicht langs haar wanden zien kruipen op elk uur van de dag. We zijn tegen haar muren opgelopen. We konden niet langer doen alsof we het stof niet zagen dat zich ophoopte in de kieren waar we nooit grondig stofzuigden, noch de schaduwen die elke avond groeiden in de stilste hoeken. We zijn ontelbare keren over die ene oneffenheid in de vloer gestruikeld. We hebben de ramen gelapt om beter naar buiten te kunnen kijken naar alles wat nu even niet meer kon. Of we hebben het zo gelaten, omdat het toch geen zin had.

In dromen staat een huis doorgaans symbool voor ons innerlijk. Gebeurtenissen die plaatsvinden in een huis, spelen zich op een ander niveau af in het diepste van onszelf. We ontvangen er mensen, ontdekken verborgen kamers, proberen dingen die we liever niet meer onder ogen te komen in de kelder te verbergen.

Hebben we de afgelopen weken een warme, stille vorm van wortelen herontdekt op een plek waar we vroeger te weinig aandacht aan schonken? Of zijn de muren waarbinnen we ons ooit met plezier wilden vestigen, alleen of met geliefden, stilaan steeds meer een gevangenis geworden, een kooi?

Mijn werkruimte, mijn heiligdom – thuis (c) Inaya photography



De muren van mijn huis benauwen mij niet. Integendeel, mijn nood om naar buiten te gaan, wordt zelfs kleiner. Als kind groeide ik op in een huis waar niet alleen mijn ouders maar ook mijn grootouders langs moederskant woonden. Mijn oma kwam nooit buiten. Nooit. Tot op het terras in de tuin, misschien, om erwtjes te doppen in de ochtendzon, en in de late namiddag in een windstil hoekje op de bank te zitten breien en verstellen. Maar ze deed geen boodschappen, ze had geen vrienden. Eén keer per jaar ging ze Oudejaar vieren bij haar zoon, mijn peter. Nochtans stonden de deuren van haar huis open voor iedereen. Het is een houding die mijn moeder overnam: ik groeide op in een huis waar iedereen welkom was. Voor een middag, voor een maal, voor een nacht, voor een jaar.

Mijn oma moet hoogsensitief geweest zijn, dat kan niet anders. Toen ik klein was, zei ze tegen mijn moeder, die zich met mijn angstige, schuchtere benadering van het leven soms geen raad wist: ‘Ik begrijp dat kind.’ Ik heb haar lang niet begrepen, niet echt. Maar nu, na twee maanden huisarrest, wél. Dit bestaan bevalt mij. Mijn lichaam voelt minder verkrampt. Het bombardement aan zintuiglijke prikkels is enorm afgenomen. Er mocht veel minder, maar er moést ook minder.

Knaagt de hunker naar verdere horizonten dan niet? Soms wel een beetje.

Maar als schrijver (en lezer) heb ik een beproefde ontsnappingsroute: mijn hoofd is de plaats bij uitstek om verre reizen te maken. Als ik Paolo Cognetti of Bregje Hofstede lees, dan ben ik in de bergen. Pak ik er Sylvain Tesson bij, dan breng ik de winter door aan het Baikalmeer in Siberië. Met Robert MacFarlane daal ik af in een gletsjer in Groenland en de catacomben van Parijs. In de broekzak van Elizabeth Gilbert dwaal ik via Italië en India tot in Bali, en Helen MacDonald neemt me mee naar de velden en hemelen rond Oxford waar ze met haar havik jaagt. Met Tonke Dragt reis ik naar de vochtige, hete wouden van Venus zoals zij die ooit voor zich zag. En het hoeven niet altijd verre plekken te zijn: Evelien De Vlieger volg ik op haar innerlijke reis naar zichzelf, in de caravan in haar achtertuin.

De wereld is zo rijk en zo groot als we hem in onszelf kunnen maken. Ons innerlijke huis heeft ontelbaar veel kamers. Doe gewoon een andere deur open. Maak het jezelf gemakkelijk. Je bent thuis.



Leeslijstje van de hierboven vermelde boeken:
– Paolo Cognetti ~ De acht bergen
– Bregje Hofstede ~ Bergje
– Sylvain Tesson ~ Zes maanden in de Siberische wouden
– Robert MacFarlane ~ Underland
– Elizabeth Gilbert ~ Eat Pray Love
– Helen Macdonald ~ H is for hawk
– Tonke Dragt ~ Torenhoog en mijlenbreed
– Evelien De Vlieger ~ Caravandagen


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.