Mama kronen

Een reis naar de wortels van Oude Wijsheid

Kingley Vale_359
(c) KV – De toegang tot Kingley Vale

Na de diepe, vervullende fases van een leven in dienst van de ziel, zegt ecopsycholoog Bill Plotkin, bereikt de persoon die de roep van de ziel hoorde als Zwerver, die haar leven er als Leerling ten van dienste stelde en die de wereld het beste van haar talenten schonk in de hoedanigheid van Meester, het punt waarop ze overgaat naar het stadium van Oude Wijsheid.

Op dat moment begint het leven minder te draaien om Doen en maken, en meer om Zijn, voeden en inspireren.
Wanneer de jongvolwassene zich, geraakt door de roep van haar ziel, terugtrekt in een metaforische cocon en oversteekt naar de spirituele helft van het leven, dan gaat ze in Plotkins woorden door een proces van Zielsinitiatie. Ze voelt een verhaal, een krachtig beeld, de aantrekkingskracht van iets wat sterker is en dieper gaat dan haar ego of persoonlijkheid alleen, en ze voelt zich geroepen om zich ten dienste te stellen daarvan. Zielsinitiatie markeert het begin van de magische helft van het leven.

Een gelijkaardige monumentale overgang vindt plaats wanneer de bezielde volwassene de fase van Oude Wijze bereikt. Plotkin noemt dit de ‘Crowning’, een prachtige samentrekking van de Engelse woorden ‘crone’ (oude vrouw) and ‘crown’ (kroon), en verbindt zo meteen de charmes van hoge leeftijd en het waardige, bijna koninklijke van vergevorderde geestelijke evolutie.

Mijn moeder vierde afgelopen december haar zeventigste verjaardag. Mijn zus en ik wilden iets speciaals en symbolisch doen met haar, dus we besloten haar mee te nemen op een verrassingsreisje naar Engeland. We wilden niet alleen haar verjaardag vieren, maar ook haar overgang naar de status van Oude Wijze.

Onze moeder is een mooie, wijze en grappige vrouw met een hart groot genoeg om de hele planeet en iedereen erop te omarmen. En op sommige momenten in haar leven is dat ook precies wat ze gedaan heeft. Ons huis was altijd een haven voor mensen om te landen: voor het avondeten, voor een nacht, voor een paar jaar. Haar regenboogkinderen, noemden we ze. Sommigen waren zo oud als wij, een paar waren ouder, de meesten jonger. Ze hield van ze en vertroetelde ze en hielp ze hun leven weer op de rails krijgen als dat was wat ze nodig hadden.

Haar dagen van oeverloze zorg zijn nu enigszins voorbij. Te veel artrose en andere (godzijdank goedaardige) ouderdomskwaaltjes hebben een halt toegeroepen aan haar onafgebroken rondrennen en verzorgen – hoewel ze er soms nog wel eens in vervalt en de fysieke gevolgen achteraf voor lief neemt.

Maar tegelijkertijd is ze wijzer geworden. We hebben dezelfde opleidingen gevolgd en veel ervaringen gedeeld in de loop van de jaren, en zij is de eerste om aan iedereen te vertellen wat voor sterke vrouwen haar dochters geworden zijn, maar wij weten dat dat maar de helft van het verhaal is. Mama kan je aankijken, peilen tot diep in je ziel en naar boven komen met informatie waar je heel stil van wordt omdat ze zo ontzettend juist is. Ik heb er niets mee te maken, zegt ze, ik geef maar door wat ze mij ‘daarboven’ vertellen. Dat is geen valse bescheidenheid. Maar bescheiden zijn betekent soms ook dat je jezelf onterecht niet voldoende waardeert. Dus wilden we mama’s wijsheid vieren, haar diepe ervaring, en natuurlijk ook gewoon het feit dat ze onze moeder is.

Mama is een makkelijke persoon om te verrassen. Ze laat zich meevoeren op de stroom en vraagt zich niet te veel af. Ze is opgetogen als blijkt dat ze iets niet zag aankomen, en verwelkomt alles wat haar kant op komt – behalve misschien de tegenliggers in een land waar mensen links rijden. Omdat we reisden met onze eigen wagen, was de passagier vooraan degene die al het aankomend verkeer op zich zag afkomen. Na twee uur op de Engelse wegen ruilde mams haar plek met plezier voor eentje op de achterbank.

Kingley Vale_081
(c) KV – Storm bij The Seven Sisters

Onze eerste stop was Beachy Head, waar we uitkeken over The Seven Sisters, de adembenemende krijtkliffen van de Engelse zuidkust. Het weer was stormachtig en subliem.

Het was de perfect plek om je verbonden te weten met de elementen. We zaten met ons drieën ongestoord op een bank, en stemden ons af op wat de wind en de zee ons wilden vertellen. We luisterden naar wat gezegd werd: over onszelf, voor de ander. We deelden de boodschappen. Toen lieten we al het oude dat mocht losgelaten worden gaan, in de wind, of met de golven.

We reden door tot in West-Sussex naar the Hamblin Trust, het domein waar we twee nachten zouden verblijven in een van hun knusse chalets. Ik dwaalde door de tuin in het schemerlicht van de vallende avond, en de volgende ochtend.

Na het ontbijt hadden we maar tien minuutjes nodig tot aan de plek die de eigenlijke bestemming van deze hele trip was: Kingley Vale, waar in een bosje-in-een-bos The Watchers staan, de oudste taxusbomen ter wereld. Een aantal van deze knoestige reuzen zijn tweeduizend jaar oud. Waar konden we mama’s Crowning beter vieren?

Maar het bleek toch een beetje een uitdaging. Bij de eerste oude taxus die mama zag toen we wat dieper het bos in gingen, maakte ze bijna rechtsomkeert. Hij zag er dreigend uit, vond ze, en er hing iets donkers en gevaarlijks omheen.

Grappig genoeg was dit een boom die mij heel erg aansprak. Ik liep er naartoe om hem aan te raken, en voelde onmiddellijk hoe een diepe warmte door mijn buik ging. Mams keek huiverend toe van op een afstandje.

Toegegeven, taxussen zien er op het eerste gezicht niet erg knuffelbaar uit. In hun jeugd zijn ze op hun best elegant, maar met hun donkere stammen en naalden van een donkergroen dat soms meer wegheeft van zwart, zijn ze nogal sombere verschijningen. Hun felrode bessen fleuren het geheel misschien wat op, maar gezien het feit dat zowat elk onderdeel van de taxus dodelijk giftig is voor de mens, is dat toch maar een karig soelaas. Zoals elke zeer oude boom wordt een oude taxus knoestig, bobbelig en verwrongen, met takken die alle kanten op gaan en dode stompen die nog uitsteken. We stonden dus niet meteen oog in oog met een grote lieve omaboom, maar eerder met iets wat leek op een kruising tussen een norse oude olifant en een tentakelig monster uit een of andere horrorfilm.

Tot je ze aanraakt.

Kingley Vale_399.JPG
(c) KV

Taxussen voelen zacht onder je handen, en als je een beetje gevoelig bent voor bomen, dan is een ontmoeting met oude reuzen als deze echt wel bijzonder.

Het vroeg wat overredingskracht, maar uiteindelijk wilde mama er wel een aanraken.

Vanaf dan begon het makkelijker te gaan, hoewel het nog even duurde vooraleer mama een boom gevonden had waar ze echt een band mee voelde. Pas toen lukte het beter om de diepe, krachtige schoonheid van de ouderdom te voelen doorheen de donkere, sombere verschijning. De zon maakte nu en dan haar opwachting – dat hielp ook. (Het Engelse weer deed al wat het kon om zijn wispelturigheid te bewijzen: we schakelden op twee uur tijd drie keer van dreigende wolken naar stortbuien naar stralende blauwe hemel. Het gezegde ‘if you don’t like the weather, wait five minutes’ bleek een stevig feit.)

Na een uur van wandelen, zitten, aanraken en voelen, keerden we terug naar de ingang van het bos. Daar vonden we ‘mijn’ boom terug.
Mama was verbaasd dat ze hem eerder zo eng had gevonden. Ik van mijn kant begreep precies waarom hij voor mij zo goed werkte: oud genoeg om indrukwekkend te zijn, met een massieve stam en kroon, maar nog niet zo verweerd als zijn stokoude verwanten. En zijn plek: aan de rand, als een wachtpost op de grens tussen werelden.

Dat past bij mij.

In de namiddag na die wandeling hadden we voor mama een aromatherapie-massage geboekt bij een lieve dame waarnaar ze later verwees als haar ‘petemoei’.
We aten heerlijke Indische curry in een nabijgelegen restaurant, en namen de volgende ochtend afscheid van the Hamblin Trust.

We stopten nog bij het haventje van Bosham voor een paar cadeautjes en souvenirs uit het Arts and Crafts center (ik kocht een heerlijke cape voor alledaags gebruik, en ik kreeg een andere die ik voor het eerst zal aantrekken op de Soul Circle als geschenk van mijn zus). We lunchten in het Breeze Cafe, met een mooi zicht op de zee-inham waar het opkomend tij niet alleen naar goede gewoonte de promenade onder water zette, maar ook het busje van een nietsvermoedende kayakker, die bij zijn terugkeer duidelijk niet gerekend had op zo’n maritiem enthousiasme.

Kingley Vale_618.JPG
(c) KV – Bosham bij hoog water

Je onderschat de kracht van het vrouwelijke element maar beter niet, denk ik zo…

Onze drie moeder-en-dochter dagen hebben ons zacht gezegd een hap magie gegeven om op terug te kijken.

Advertenties

Wat dacht je daarvan?

Angst, pathologisch puberen en blanke suprematie

So you found a girl who thinks really deep thoughts
What’s so amazing about really deep thoughts?
Boy, you best pray that I bleed real soon
How’s that thought for you?

(Je valt dus op een meisje dat heel diep nadenkt
Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken?
Gast, je hoopt maar beter dat mijn maandstonden snel beginnen
Wat dacht je daarvan?)

 

Ze zingt het al meer dan een week in mijn hoofd, Tori Amos. Ik hou al jaren van haar werk, en Silent All These Years is natuurlijk een klassieker. Maar als een fragment van een liedje onverwacht opduikt in mijn gedachten, zonder dat ik het nummer hoorde, dan wil dat meestal zeggen dat ik eens goed naar de tekst moet kijken omdat er een onbewuste boodschap aan mezelf achter zit.

Behalve mijn bewondering voor Amos’ meesterschap dat ze erin slaagt een compleet plot mét uitgewerkte personages te schetsen in amper vier regels, is wat mij het meeste treft aan dit stukje de gefrustreerde maturiteit van de vrouwelijke stem.

Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken? Als je een hart in je borstkas hebt en hersens in je kop, waarom zou je dan niet heel diep nadenken?
Ja, waarom niet? Als puber had ik nooit zo’n grote mond, maar ik herken wel dit gevoel.

Dagje Gent_023 zw ed
(c) KV

Ik oordeel niet, het is eerder een soort eenzaamheid, zoals die van een woudloper die een hoge bergpas oversteekt, en met iets van verlangen omkijkt naar de lichtjes in het dorp, veilig beschut in het dal. Zij die daar wonen, hebben geen idee van hoe het er hierboven uitziet, en ze kunnen of willen de tocht niet maken, en hij weet dat zijn thuis niet daar beneden ligt.

Er zijn maar weinig reizigers op dit bewuste pad, dus ja, het wordt wel eens eenzaam. Pas veel later leer je dat je alvast niet de enige bent, en dat er mensen zijn met wie je je verwant voelt, die de lucht op grote hoogte misschien niet op precies dezelfde manier inademen als jij, maar die weten hoe ze de hoge passen veilig kunnen oversteken, en die je binnenhalen als familie.

Dus nee, er is niets bijzonders aan heel diep nadenken. Het vraagt wel een specifiek soort inspanning (of moet ik zeggen: groeiproces?) om dat punt te bereiken, en sinds zoveel mensen het gevoel hebben dat die weg niets voor hen is (of ontmoedigd worden om eraan te beginnen) worden zij die er wel voor kiezen nogal eens bekeken met – in het gunstigste geval – verbazing en – in het slechtste – vijandigheid.

Waarom heb ik het hierover?
Ah, daar is die goeie ouwe Bill Plotkin weer.

Een confronterende uitspraak van deze dieptepsycholoog en wildernisgids is dat de westerse beschaving in zijn geheel de grootste moeite heeft om op te groeien voorbij het stadium van de adolescent. Adolescent in de betekenis van: de neiging hebben om te streven naar aanvaarding binnen de eigen kring, om helden en veroveringen te vereren, en om een onverzadigbare honger voor materieel comfort, erkenning en succes te stimuleren voorbij enige redelijk grens. Ik ben eerlijk gezegd geneigd hem gelijk te geven.

 

Net als zoveel anderen over de hele wereld was ik geschokt door wat er gebeurde in Charlottesville. Maar terwijl ik zat te kijken naar de Vice-reportage over de alt-right leidersfiguur Chris Cantwell had ik het gevoel dat ik Bill Plotkins stelling voor mijn ogen geïllustreerd zag.

1503067513518-Screen-Shot-2017-08-18-at-105506-AM.pngChris-Cantwell17-christopher-cantwell.nocrop.w710.h2147483647

Ik val niet voor clichés, zoveel moge ondertussen duidelijk zijn. En ik weet maar al te goed hoe kwaadheid in feite altijd een vermomming is voor iets wat veel dieper zit, en doorgaans kwetsbaar, bang en triest is. Maar toch dacht ik dat extreem gewelddadig of fascistisch denken een gezicht zou dragen dat leek op een kruising van Rocky en Darth Vader: macho, donker, sterk en totaal overtuigd van het geweld waarvan het doordrenkt was.

Maar de man die getoond werd in de documentaire was niets meer dan een puber. Niet qua leeftijd, uiteraard, en ik wil ook geen seconde suggereren dat hij onschuldig of ongevaarlijk is. Maar luister even niet naar alle vreselijks wat hij zegt, en zoom in op zijn non-verbale taal: de grimmige blikken, de grote mond, de triomfantelijke pose, het vermijden van oogcontact als hij een werkelijk confronterende vraag moet beantwoorden, het gezwaai met wapens… Ik heb precies dit soort gedrag (behalve de wapendracht, goddank!) gezien bij mijn stiefzonen, en bij de honderden leerlingen die ik in mijn jaren als leerkracht in de klas had. Dit is geen volwassen maar wel adolescent gedrag. Alles aan deze man roept: ik ben doodsbang, ik moet mezelf bewijzen en laten respecteren, en ik ga dat op zo’n luide manier doen dat ik er ook mijn eigen angst mee overschreeuw.
Zijn stoere façade verbrokkelde maar al te snel toen hij, als gevolg van de Vice-reportage, doodsbedreigingen ontving. Er zijn beelden waar je hem in tranen ziet, terwijl hij snottert hoe onschuldig hij wel niet is. Alweer: iedereen die een puber in huis heeft, zal dit tafereel al te herkenbaar vinden.

Maar goed, zelfs als veel haat eigenlijk puberale of kinderlijke angst in een agressief jasje is, wat dan nog?
Het houdt hier niet op, jammer genoeg.

In 2008 schreef Bill Plotkin in Nature and the Human Soul, in een passage waarbij hij het heeft over de ‘mannelijke’ (yang) kernkwaliteiten van sommige adolescenten, of dat nu jongens of meisjes zijn (hij heeft het later ook over hun ‘vrouwelijke’ (yin) tegenhangers, maar dat terzijde):

‘Tienerjongens en -meisjes met mannelijke kernen moeten slagen als puberheld. Tijdens het proces waarbij ze een authentieke manier proberen te ontwikkelen om sociaal aanvaard te worden, moeten ze zichzelf bewijzen door de wereld in te stormen, draken te doden en de verdrukten te redden. Of ze nu winnen of verliezen, hun oprechtheid of karakter worden gevormd in het heetst van de ‘strijd’. In posities van leiderschap of onderhandelingen zullen ze eerder de neiging hebben om met grote stelligheid posities in te nemen dan vragen te stellen.
Dat alles is normaal voor jongens en meisjes met mannelijke kernen, maar in een zielsgeoriënteerde omgeving is dit soort puberale heroïek uitgewerkt tegen de tijd dat de jongere een jaar of vijftien is. En zo hoort het ook. Als een man (of vrouw) van dertig jaar of ouder nog altijd bezig is zichzelf te bewijzen door zich te manifesteren als drakendoder, kan hij een ernstig gevaar betekenen voor zichzelf en anderen. Als hij aan het hoofd van een serieus leger of een groot bedrijf staat, kan hij enorm veel schade berokkenen. Als hij de opperbevelhebber is van een nucleaire supermacht kan hij de wereld zoals wij die kennen vernietigen.’

Van vooruitziendheid gesproken.

Ik ben beslist niet de eerste die schrijft dat er op dit eigenste moment een groot verwend kind het Witte Huis op stelten zet met zijn zoveelste woede-uitbarsting. De man die vandaag de controle heeft over de Amerikaanse kernkoppen is het levende bewijs van zowel Plotkins diagnose als zijn ergste nachtmerries.

Wat kunnen we hier in godsnaam tegenover stellen?

Maturiteit.
Diep nadenken.

Dagje Gent_012 cut
(c) KV

Het is een uitdaging die we moeten aangaan als samenleving, als wereldburgers. Dit gaat over onderdrukte groepen hun rechtmatige plaats laten innemen en voorheen gepriviligeerde groepen in contact brengen met hun gevoelens.
Dit gaat over opgroeien tot volwassenen, door onze angsten onder ogen te zien, ze te leren verwoorden en de verantwoordelijkheid te nemen voor alle ballast die we meesleuren van vorige generaties, omdat die ons inzicht nogal eens vervormt.

Dit gaat over volwassen worden en anderen helpen dat ook te doen.

Plotkin, nog een laatste keer:

‘Hoewel vrouwen minstens vijfduizend jaar lang ernstig onderdrukt zijn, en het vrouwelijke aspect voor minstens even lang onderdrukt is (in het bijzonder in mannen), is het probleem niet mannelijkheid maar veeleer immaturiteit. De oplossing is niet om het vrouwelijke belangrijker te maken dan het mannelijke, maar om een zielsgeoriënteerde samenleving te bouwen met meer volwassen mannen en vrouwen dan levenslange adolescenten.

Wat dacht je daarvan?

Hem thuis hebben

Fauch_567

(c) KV

Waarom is de maatstaf van liefde verlies?
(Why is the measure of love loss?)

Ik kan gerust de hele dag Jeanette Winterson-citaten debiteren, gewoon omdat ik zo van haar werk en haar poëtisch genie houd, maar ik geloof niet dat iemand daarop zit te wachten. In plaats daarvan herkauw ik de bovenstaande regel, een van haar veelzeggende citaten (hoewel ik persoonlijk ‘Vertrouw me. Ik vertel je verhaaltjes.’ nog net iets beter vind, en er een heleboel andere zijn, veel minder bekend, die ik nog liever heb. Ik heb er ooit al eentje gebruikt in deze blog, bijvoorbeeld).

Maar om terug te komen op de frase die me nu bezighoudt – waarom is de maatstaf van liefde verlies?

Mijn man en ik lieten onze achtjarige zoon half juli achter bij mijn ouders in Frankrijk en vertrokken op onze Italiëtrip. Ondertussen zijn we al twee weken terug in eigen land, en hij is nog altijd daar. Komende dinsdag pik ik hem op van het vliegveld.

Ik ken moeders die je bij elkaar kunt vegen als hun kinderen voor een week op kamp vertrekken. Ik heb mijn zoon al een maand niet meer gezien, en dat is… helemaal oké.

Daar zijn ze:
twijfel — ben ik wel een goede moeder?
schuldgevoel — hoor ik me nu niet ellendig te voelen omdat hij niet bij me is?
angst — hou ik wel genoeg van mijn zoon, als ik hem niet echt mis?

Oké, dit liedje mag ophouden.

Er zijn twee reeksen antwoorden op de bovenstaande vragen.
Eentje gaat als volgt: ja — nee — ja.
De ander zegt: je hebt je zoon niet verloren.

 

Misschien toch even uitleggen.
Dat eerste reeksje spreekt voor zichzelf. Ik meen het ook echt, en ik geloof dat het oprechte, juiste en gezonde antwoorden zijn. Maar ze hebben allemaal wel hun wortel in het tweede antwoord. Ik ben mijn zoon niet verloren.

Hij is ergens waar hij het heerlijk vindt en waar er goed voor hem gezorgd wordt door mensen die hij heel graag ziet. Dat vind ik prima, en ik maak me dus ook geen seconde ongerust (tenzij misschien over auto-ongevallen of meteorietinslagen, maar die kunnen net zo goed voorvallen als hij hier bij mij is, dus die tellen niet – het leven moet je nu eenmaal leven).

Fauch_673 cut
(c) KV

Over minder dan een week is hij weer thuis. En ondertussen heeft hij de tijd van zijn leven, en heb ik wat kostbare rust gehad (en een romantische vakantie met zijn vader).

Ik ben een liefdevolle moeder, maar niet van de typische verzorgende soort. Mijn zoon is het liefste wat ik heb, maar koken, schoonmaken en andere zorgtaken zijn niet het liefste wat ik doe, zelfs niet voor hem.
Bad #579 laten vollopen, lunchpakket #346 smeren, veters strikken poging #1007…
Diepe, diepe zucht.

In tegenstelling tot sommige andere vrouwen die intens genieten van zuigelingen en openbloeien tijdens de eerste levensjaren van hun kind, werd ik gelukkiger naarmate mijn zoon ouder werd. Mijn sterktes zijn emotionele intelligentie en conversatie, niet luiers, badjes en maaltijden.

Mis ik mijn zoon, nu hij een hele maand is weggeweest? Absoluut. Ik mis zijn vreugde, zijn liefde, zijn creatieve geest, zijn intelligentie, alles aan deze heerlijke kleine persoon die zich zo op zijn gemak voelt in de wereld. Ja, ik mis zelfs zijn ochtendhumeur en zijn koppige buien.
Mis ik hem bemoederen? Geen seconde. Ook voor mij is dit vakantie.

Maar hoe anders zou het zijn als er hem iets overkwam. Als hij weggerukt werd uit dit leven en ik hem nooit meer zou zien. Als zijn gelach, zijn knuffels en zijn blije, luidruchtige aanwezigheid nooit meer door dit huis wervelden.
Hem verliezen zou mij vernielen, mij in tweeën breken en verminkt achterlaten.

Kortom: de maatstaf van liefde is verlies. Je weet pas hoeveel iets of iemand echt voor je betekent op het moment dat je ze kwijt bent.
Ik ben mijn zoon niet kwijt op enige serieuze manier. Ik hoef me zelfs niet af te vragen of hij gelukkig is. En ik weet dat hij binnenkort weer thuis is. Er zit geen gapend gat in mijn ziel dat alleen kan opgevuld worden door zijn moeder te zijn en dat nu voor altijd leeg zal blijven.

Fauch_572

Bedankt, Jeanette Winterson. Je hebt me iets heel kostbaars laten begrijpen, toen ik voor het eerst Written on the body las. Je leerde me niet te wachten om mijn liefde te voelen of er voor uit te komen tot ik ze kwijt was.

En hoewel het waarschijnlijk te veel gevraagd is van het leven, hoop ik stiekem toch dat ik nooit echt door die ervaring zal moeten. Ik hoop dat ik mijn geliefden op elke mogelijke manier zal gekoesterd hebben, en dat ik zal beseft hebben hoe graag ik hen eigenlijk wel zie voor ze op een of andere manier buiten mijn bereik glippen.

En wat mijn zoon betreft, kijk ik er gewoon naar uit hem weer thuis te hebben. Heel gauw.

Openstaan voor verandering

Waarom verbale communicatie beangstigend is
en non-verbale communicatie eigenlijk een monoloog

Solstice_010 ed cut
(c) KV – Meerkoetjong met een dubbele kijk op de wereld

Het is zo simpel dat het haast een open deur intrapt.

Woorden spellen de dingen uit.

Dat is tegelijk prachtig en diep beangstigend.

Als je woorden gebruikt, in rechttoe-rechtaan verbale communicatie, dan ligt datgene wat je zegt naakt in de openbaarheid, en kan iedereen het horen en begrijpen. Dat is prachtig, in de zin dat het eerlijk is. Rauw en ongepolijst misschien, soms op het randje van grof, zoals een brok bergkristal ongepolijst kan zijn en er overal nog gruis en scherpe randen aan zitten. Maar het zal zich niet anders voordoen dan het is. Wat je ziet (of in dit geval, hoort), is wat er is.

(Ja, ik weet dat woorden ook ingezet kunnen worden om mensen te misleiden, maar dat aspect laat ik hier even terzijde om geen verwarring te stichten.)

In een eerdere blog vertelde ik hoe wij in ons gezin leerden dat je het over alles kon hebben, zolang je het maar op een respectvolle manier deed.
In de loop van mijn leven leerde ik dat dat niet altijd klopt. Heel veel mensen willen het niet over alles hebben. Integendeel, ze schrikken terug voor woorden.

Waarom?

Een van dingen die zo eng zijn aan eerlijk uitspreken wat er in jou omgaat, is dat je je woorden niet meer terug kunt nemen. Nu ja, eigenlijk kan je dat wel, als je je verontschuldigt of jezelf achteraf corrigeert, maar dat is niet hoe het op het moment zelf voelt. Eenmaal uitgesproken zeilen je woorden, al was het maar puur als geluidsgolven, de wereld in, en deinen voort doorheen het universum.

Dat beangstigt ons niet zomaar. Woorden zijn krachtig. Het is geen toeval dat in rituelen, toespraken of andere vormen van ceremonie de priester, leider of voorganger de Woorden uitspreekt. Het publiek krijgt ze niet op papier, wat hem nochtans de moeite zou besparen om de speech of preek te geven. En geen predikant die ooit zegt: de geloofsbelijdenis deze week is precies dezelfde als die van vorige week, jullie kennen ze wel, dus dit stuk kunnen we overslaan…
De woorden worden uitgesproken zodat iedereen ze kan horen. En terecht. Woorden hebben een magische kracht die wat verborgen was tot leven kan wekken. Als je het zegt, wordt het echt.

Dus als je je mond roert in een gesprek, worden de dingen die je zegt ook ‘echt’ voor de wereld. Doorheen de woorden heb je jezelf blootgelegd, en je kunt op geen enkele manier nog dekking zoeken en doen alsof dat niet zo is.

Geen wonder dat we er bang van zijn.

Solstice_007.JPG
(c) KV – Meerkoetfamilie, stijl struisvogel

Behalve zichtbaarheid en blootstelling riskeer je bovendien nóg iets als je spreekt: een antwoord.

Ik beken dat het me wat tijd kostte om dit te bevatten. Gelukkig kon mijn echtgenoot, herstellend non-verbaal, mij uitleggen hoe dat precies zit.

Veel non-verbale communicatie ontstaat uit het idee dat we anderen niet willen kwetsen. Misschien zeggen of doen ze iets waar we het niet mee eens zijn, en door hen daar niet openlijk voor ter verantwoording te roepen, zorgen we ervoor dat hun waardigheid intact blijft.
Omgekeerd werkt het ook zo: anderen zullen ons iets waarvan ze vinden dat wij in de fout gaan niet zomaar in ons gezicht gooien. Niemand wordt geconfronteerd, niemand wordt gekwetst. In theorie.

Het klinkt bijna alsof er helemaal niet gecommuniceerd wordt in non-verbale kringen — zo voelde het in begin alvast voor mij. Ondertussen weet ik dat er heel veel over en weer gaat onder de oppervlakte. Mensen sturen boodschappen, ook als die niet uitgesproken worden. Het grote verschil is dat non-verbale communicatie geen ruimte laat voor een antwoord.

Non-verbale communicatie is geen gesprek. Het is een boodschap die door één partij wordt uitgezonden met de duidelijke intentie om door de andere partij ontvangen te worden, en die moet er gevolg aan geven. Wie zich aan de ontvangende kant bevindt, heeft geen mogelijkheid om datgene wat hem ‘verteld’ wordt te weigeren — tenzij hij doet alsof hij de boodschap niet begrepen heeft. Je kunt niet zeggen: hé, ik begrijp dat je graag van mij zou willen dat ik nu dit of dat doe, maar ik voel me daar niet zo goed bij, dus kunnen we in plaats daarvan… Er is geen ruimte voor onderhandeling, eenvoudigweg omdat er geen ruimte is voor woorden, of een rechtstreeks benaderen van waar het over gaat.

Daarom is non-verbale communicatie in de praktijk een monoloog — of meerdere monologen, door verschillende mensen uitgestuurd naar elkaar. En de boodschappen van degene die het machtigst is in de relatie of die het hoogst troont op de hiërarchische ladder moeten gehoorzaamd worden. Anders riskeer je op een zijspoor te worden gezet. In stilte, alweer.

Natuurlijk staan gesprekspartners die zich op een verbale manier uitdrukken ook niet altijd op gelijke voet. Je chef heeft misschien maar een paar woorden nodig om duidelijk te maken wat hij van je verwacht. Maar gewoonlijk laat verbale communicatie wel ruimte om iets te weerleggen of te verduidelijken. Je mag vragen stellen, of uitleggen waarom iets voor jou niet helemaal oké voelt.

Niets daarvan in non-verbale communicatie: aan wat uitgestuurd wordt, moet voldaan worden door de ontvanger. Einde verhaal. Het geeft non-verbale omgangsvormen een bijzonder ondemocratisch karakter, en versterkt bovendien relaties waarin één partij een machtsverhouding heeft ten opzichte van een andere. Want het voordeel ligt altijd bij de sterkere (de ouder, chef of sociaal vaardiger partij). Een (extreme) verbale tegenhanger hiervan zou de militaire briefing kunnen zijn.

Solstice_019 ed.jpg
(c) KV – Aalscholver domineert de vijver

 

Om terug te komen op mijn punt: waarom deinzen we terug voor een antwoord?

Om precies dezelfde reden als de legercommandant er ook geen wil: als je iemand uitnodigt (of toestaat) om een antwoord te geven, is er geen enkele garantie dat hij het eens zal zijn met wat je gezegd heb. Hij kan net zo goed een totaal andere mening geven. Hij kan argumenteren dat je het fout hebt, en wie weet heeft hij nog gelijk ook.

Openstaan voor een antwoord is openstaan voor de mogelijkheid dat het gesprek je zienswijze in vraagt stelt en jou uiteindelijk verandert.

We houden er niet van in vraag gesteld te worden, laat staan veranderd.
Dus trekken we ons terug in de stilte, de monoloog, de vesting waarbinnen we ons veilig voelen en onze mening over onszelf en de wereld onverstoord blijft. We maken het gesprek monddood.

De natuurwetten leren ons dat al wat leeft maar één onderliggend principe kent: verandering. Constante evolutie. Wat niet meer verandert, verstart, versteent en sterft uiteindelijk.

Laten we maar eens wat meer met elkaar praten, zou ik zeggen.

IMG_5155 ed cut
(c) KV – Ekstergesprek

Onder het tapijt

De kracht van gesprekken met stekels

Is het mogelijk om te werken met wat er binnen in je leeft — angst, emoties, verlangens, oude gewoonten — als je nooit geleerd hebt om ze bewust te benoemen?

(c) KV

Het is een vraag waarop ik zit te kauwen als ik zie hoeveel mensen, in mijn ruimere familieomgeving en daarbuiten, worstelen om vat op zichzelf te krijgen, op hoe hun leven in elkaar zit en wat hun plek in de wereld is.

Wie mijn schrijfsels een beetje volgt, weet ondertussen wel dat ik datgene wat diep in ons fluistert en datgene wat rondwaart in de wereld om ons heen — eigenlijk alles, dus — benader met een houding van bewust begrijpen. Taal is mijn specifieke werktuig om wat ik observeer in een soort verhaal te gieten dat steek houdt voor mijzelf, en hopelijk ook voor anderen. Maar zelfs als ik geen schrijver was geworden, had ik nog de vruchten geplukt van mijn opvoeding.

In het gezin waar ik opgroeide, hechtten we veel waarde aan verbale communicatie. We waren waarschijnlijk nogal uitzonderlijk in dat opzicht. We leken alvast niet op families waar dingen diep gevoeld maar nooit uitgesproken werden. En zo waren er — en zijn er nog steeds — veel, geloof ik.

Onze keuken was de plek, en onze gezinsmaaltijden de gelegenheid, waar letterlijk alles op tafel kwam. Van gevoelige bekentenissen over emotionele analyses tot sekstips: we schrokken er niet voor terug of gingen er niet van blozen. Ik leerde al vroeg dat alles besproken kon worden, als je het maar op een respectvolle manier kon verwoorden. Ik leerde ook dat duelleren met woorden een manier was om je gevoelens naar buiten te laten komen, frustraties te ventileren, een mening te verduidelijken, en de dingen uit te klaren.

(c) KV

Als het uitdraait op een confrontatie kiezen veel (de meeste?) mensen gewoonlijk voor stilte. Stilte staat ons toe te doen alsof alles in orde is. Woorden lijken alleen conflict met zich mee te brengen, en verstoren de ‘rust’.
Maar een discussie was bij ons thuis nooit een conflict, laat staan een oorlog. Ja, soms kon zo’n gesprek wel eens prikken, maar het effect leek doorgaans meer op dat van ontsmetting op een wonde. Zo’n gesprek bracht zaken aan het licht die anders onder een of ander tapijt geveegd waren om de etteren en te rotten in het donker.

En uiteindelijk werd iedereen er beter van. We leerden dat je woorden niet hoefde te vrezen, dat ze machtig mooie bruggen konden bouwen tussen mensen, en dat ze een betrouwbaar cement waren voor gevoelens.

Natuurlijk verliep niet elk gesprek vlekkeloos, en soms werden er mensen gekwetst. Maar opgroeien in een nest waar je op alle mogelijke manieren aangemoedigd werd om op een verbale manier je plaats in te nemen, betekende ook dat een gesprek altijd opnieuw geopend kon worden.

Dus kijk ik met een ingewikkelde mengeling van medelijden, ongeloof en oprecht gebrek aan begrip naar de vele mensen om me heen die langzaam verdrinken in hun verdriet, stikken in hun frustraties en afglijden in een depressie zonder ooit echt te begrijpen wat er met hen aan de hand is of waar zich een uitweg bevindt.

(c) KV

Ik wil niet oordelen. Hier passen geen veroordelende vingers. Ik vraag me alleen oprecht af: kan je aan de slag gaan met een emotie die je van binnenuit opvreet (woede, bijvoorbeeld, of angst of verdriet) als je nooit geleerd hebt om die te benoemen, laat staan te uiten? Is er een manier om tot een vorm van begrip te komen voor jezelf en er constructief mee te werken in de wereld? Of zal het altijd dat ongrijpbare gevoel zijn dat je niet echt kunt duiden maar dat je onbewust aandrijft en je kanten op stuurt waar je eigenlijk nooit heen wilde?

Toen ik het erover had met mijn man, zei die: als iemand die depressief is nooit geleerd heeft om over zijn gevoelens te praten, dan help je hem niet door hem te vragen dat eerst te leren doen, voor hij zijn depressie aanpakt. Dat zou zoiets zijn als eerst een volslagen nieuwe taal machtig worden voor je een probleem aanpakt dat je nu al niet kunt overzien. Je moet andere, non-verbale manieren vinden om hem te bereiken.

Ik denk dat hij gelijk heeft — jammer genoeg. Maar dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen onze kinderen — of onszelf — te leren werken met de verbale aspecten van inzicht en communicatie. Anders lopen we maar op één been.

(c) KV

Ik vind dat ik dat mag zeggen, want ik heb dezelfde ervaring gehad, maar dan van de tegenovergestelde kant. Een neveneffect van onze zeer verbale opvoeding was dat we in ons gezin niet erg bedreven waren in de kunst van de non-verbale communicatie. Ons familiemotto ging ongeveer als volgt: “Als je het mij niet vertelt, hoe kan ik dat weten wat er scheelt?”

Onnodig te zeggen dat ik in loop van mijn leven tegen een paar weinig vergevingsgezinde muren ben geknald, aangezien nogal wat mensen doorgaans niet willen vertellen wat er scheelt, en ik niet bepaald had geleerd om hun subtiele, onuitgesproken signalen op te pikken. In sommige kringen leverde me dat de reputatie op oppervlakkig, lomp en grof te zijn.
Het ondermijnde mijn zelfvertrouwen. Als je vroeg of je een handje kon helpen in de keuken en het antwoord was ‘nee’, hoe werd je dan verondersteld te weten dat het eigenlijk ‘ja’ wilde zeggen? Ik begreep ook niet waarom de temperatuur in de kamer dan plots een paar graden leek te dalen. En niemand gaf uitleg.

Ik heb een lange weg afgelegd in het aanleren van non-verbale taal, en ik heb die les op de harde manier geleerd, maar ik ben er nu tot op zekere hoogte bedreven in. Ik word nooit zo vloeiend als iemand die het leerde als ‘moedertaal’, maar dat vind ik niet erg. Ik koester nog steeds verbale communicatie boven alle andere vormen, zeker in tijden van conflict. En ik geloof dat het op zijn minst zo heilzaam zou zijn voor een heel grote groep mensen om hun gevoelens onder woorden te leren brengen als het voor mij was om te leren dat niet te doen.

(c) KV

 

Niet je verjaardag

Kiki5 + papa 024 ed.jpg
Foto gemaakt door mijn vader – Arifat, Frankrijk

Hoezeer ik ook het belang van rituelen erken om het verstrijken van de tijd te duiden of de overgang van één bepaalde fase naar een andere te markeren, op vastgelegde data waarop we mensen in de bloemetjes moeten zetten heb ik het niet zo.

Neem verjaardagen. De helft van de tijd vergeet ik die, ook van familie en mensen die me heel dierbaar zijn. Of Moederdag  — ik heb de bedenkelijke reputatie mijn moeder over de jaren nogal wat hartzeer te hebben berokkend.

Het is niet dat ik niet graag zie. Dat doe ik wel, natuurlijk. Ik ben er gewoon niet zo goed in om mij aan een kalenderschema te houden als ik daar gestalte aan wil geven. Mijn muze was altijd al van het grillige soort, en ik verdenk haar ervan nu en dan ook met haar tengels tussen mijn agenda te zitten.

Maar het voordeel van zo’n systeemloos systeem is dat elke dag een goeie dag is om een feestje te bouwen.

Het is dus niet je verjaardag vandaag, maar ik heb zin om jou te vieren.

KalkenseMeersen_128
(c) KV

 

Omdat je uit mijn schoot kwam met een gulzige goesting in het leven.

Omdat je slim bent, gevoelig en boordevol vreugde.

Omdat je leert om je plaats in de wereld te vinden, en je dat doet met zowel je hart als je hoofd.

Omdat je je kunt opkrullen als een bolletje en bij mij komt schuilen, en dicht bij elkaar zijn een lichamelijke vorm van liefde is die geen woorden nodig heeft — en ik koester elk moment, omdat je zo snel groeit dat ik nooit weet of het niet de laatste keer is dat je je vol overgave in mijn armen gooit.

Kiki5 + papa 013 ed cut2
Foto genomen door mijn vader – Arifat, Frankrijk

Omdat je papa en ik onszelf moeten blijven heruitvinden om jou te helpen groeien.

Omdat je met elke hartslag, en elke glimlach, de wereld een klein beetje verder verlicht.

KalkenseMeersen_150.JPG
(c) KV

Van op de kant

Zaailing #9

2017 06 09 Vanopdekant Titel & naam2017 06 09 Vanopdekant prent

2017 06 09 Vanopdekant Tekst 1

2017 06 09 Vanopdekant tekst 2

 


ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tek
st.

De ontstaansgeschiedenis van deze toch wel uitzonderlijke Zaailing vind je hier.

 

Een zachte bevalling

Ik droom nooit over baby’s of bevallen.

Dat heeft misschien te maken met het feit dat geen van beide voor mij de zalige ervaring waren die ze voor veel andere moeders wel zijn. Het waren eerder gebieden waar ik een intense trip maakte van het soort dat je leven verandert, maar waarnaar ik liever niet nog een keer op reis ga als ik het kan helpen.

Behalve dan dat ik vorige nacht droomde dat ik aan het bevallen was.

(c) KV

 

In mijn droom legde een vroedvrouwachtige figuur, een wijze, rustige vrouw, mij een soort van oefenschema uit. En toen ze me liet neerhurken voor een oefening die een makkelijke bevalling moest bevorderen, werd ik me ervan bewust dat ik leven in mijn buik had, en dat dat bovendien op het punt stond ter wereld te komen.

Ik ging mee in het proces. Het was zacht, makkelijk en pijnloos.
Met gemak perste ik een kind de wereld in. Het gleed tussen mijn benen naar beneden, en ik ving het op met mijn eigen handen, en terwijl het neerkwam, dacht ik: opletten met dat hoofdje!

Dan ging ik achterover liggen en de vroedvrouw legde het kleine meisje, een gezonde pasgeborene die nog onder het bloed en slijm zat, precies zoals die kleintjes komen, op mijn buik en borst, zodat ze zich kon verbinden met haar mama — ik.

Ik voelde hoe ze zich tegen mij aan nestelde. Ik verwelkomde haar en voelde een diepe tederheid. Ik wist dat alles goed was. We waren allebei precies waar we moesten zijn.

(c) KV

Je moet weten: ik ben niet de meest zorgzame moeder.

Ik ben thuisgekomen van mijn werk, te moe om me aan kyudo te wijden vanavond, en de lasagna uit de supermart staat in de oven. Ik zit dit blogje te schrijven, maar het is mijn man die onze zoon ondertussen in bed steekt. Van boterhammendozen tot verhaaltjes voor het slapengaan — hij is veel beter in die zorgende taken dan ik.

Ja, soms voel ik me daar best schuldig over.

Tot er een bult in het parcours is die te maken heeft met gevoelens, met sociale of innerlijke strubbelingen, en mijn zoon zich als een bolletje komt opkrullen op mijn schoot — een nogal volumineus achtjarig bolletje ondertussen, met lange ledematen en een snelle geest — en ik wikkel mezelf om hem heen als een schelp die hem beschut.

Ik voel zijn onrust wegzakken, gewoon door lichamelijk dicht bij mij te zijn, veilig en gekoesterd zoals hij in mijn schoot ook was. Zachtjes brengen we naar boven wat hem dwars zit, benoemen we zijn angsten en gevoelens. Ik leg hem uit wat er aan de hand is en help hem om te gaan met wat er zich van binnen in hem afspeelt, terwijl ik zo weinig mogelijk probeer te oordelen.

(Het is makkelijker om begrip te tonen voor een gekwetst kind dan voor een dat gemene dingen heeft gedaan — maar naar mijn aanvoelen is het steeds even belangrijk, als je als ouder tenminste wil dat hij leert omgaan met die gevoelens, en ze niet voor je begint te verbergen uit angst voor veroordeling.)

Alles bij elkaar denk ik dat ik het er dus nog niet zo slecht vanaf breng. En binnen de combinatie van mijn mans zorgende vaardigheden en mijn emotionele fine-tuning voeden we een gezond, gelukkig kind op. So far, so good.

(c) KV – Pimpelmeesjong, te klein nog voor het typische blauw-en-zwarte verenkleed (maar piept de hele tuin bij elkaar!)

Ik denk niet dat het toeval is dat ik in de droom beviel van een meisje. Er komt op dit moment veel vrouwelijke kracht en kwetsbaarheid in de wereld  — onder meer via mij.

Het kan een zacht, pijnloos proces zijn, is wat ik afgelopen nacht leerde. Er zal liefde zijn, en een diep, teder gevoel van thuiskomen.

Wat het ook is waarvan ik het voorrecht mag hebben om het op de wereld te brengen en het op mijn huid te koesteren — kind, droom, visioen, kunstwerk — ik weet dat het iets van schoonheid en gevoeligheid zal zijn.

Ik ben klaar om het te ontvangen en ervoor te zorgen.

Engel_004
(c) KV

Echte mannen huilen wél

Nog lang niet alle glazen plafonds zijn doorbroken, maar vrouwen zijn in de westerse samenleving aan een gestage opmars bezig. Tegelijk zien we dat mannen oververtegenwoordigd zijn in de statistieken van misdaad, zelfmoord, dakloosheid en hartkwalen. Bij het diagnosticeren van depressies blijven ze verontrustend laag onder de radar.

Het lijkt op het eerste zicht misschien wat vreemd om ons zorgen te maken over het welzijn van mannen, nu vrouwen eindelijk goed bezig zijn na eeuwen van tweederangsburgerschap een even­waardige plaats in te nemen. Hebben mannen het gewoon niet wat moeilijk met opschuiven en een stukje prijsgeven van het terrein dat hen van ouds­her toekwam om geen andere reden dan dat ze mannen waren?

Die redenering mag goed klinken, maar ze is te sim­plistisch. Er wordt aan de alarmbel getrokken door sociologen, psychologen én door mannen zelf – als die zichzelf dat toestaan. En het is niet verstandig om deze noodsignalen schouderophalend naast ons neer te leggen.

Schoolfeest Sobran 305.JPG

In de prullenbak

Onze samenleving is in de laatste honderdvijftig jaar ingrijpender veranderd dan in alle eeuwen sinds de uitvinding van de landbouw bij elkaar, schrijft BBC-documentairemaker Tim Samuels in Waar is mijn speer. En een aantal van die verande­ringen zetten de behoeften van steeds meer man­nen zwaar onder druk. Samuels mocht in het kader van zijn werk al een blik werpen op plekken die voor veel gewone stervelingen minder evident zijn. (Wij waren alvast nog niet op een workshop ‘vrou­wen aanspreken’ of achter de schermen van een commerciële pornofilmset geweest.) Op andere momenten spreekt Samuels dan weer uit eigen er­varing, en toont zich daarbij opvallend kwetsbaar. Alles bij elkaar biedt zijn boek een verrijkende in­kijk in het hoofd (en de buik) van ‘de man’ – al is het ten allen tijde opletten geblazen met stereotypen, want niet alles gaat in gelijke mate op voor iedereen.

Hebben mannen het gewoon
niet wat moeilijk
met het prijsgeven van een stukje terrein?

De ‘oude’ mannelijke waarden van superioriteit, dominantie en maatschappelijk succes als belo­ning voor hard werk zijn in de westerse samenle­ving naar de prullenbak verwezen. Mannen weten zich verdreven van hun plek bovenaan de voedsel­piramide, en daar blijft het niet bij. Van alle kanten wordt volgens Samuels aan het mentale en fysieke evenwicht van mannen geknaagd. Een partner vin­den waar je tevreden mee bent en een gezin mee wilt stichten, komt hem met de eindeloze stroom mogelijke keuzes via datingsites op het internet voor als een zoektocht naar een speld in een hooi­berg, met torenhoge en verlammende twijfels er bovenop (is er toch niet nóg iemand beter, als ik nog wat langer wacht?). De geest- en emotiedodende routine van het onpersoonlijke kantoorland­schap en het schrijnend tekort aan gezonde fysieke uitlaatkleppen zet­ten veel mannen verder onder druk. De groeiende werkloosheid knaagt aan de zelfwaarde van wie nog altijd te horen krijgen dat hij moet kunnen instaan voor zijn gezin. De misse­lijkmakende bandeloosheid van de moderne porno-industrie ontwricht het gezonde seksuele evenwicht van een hele generatie.

Voor de duidelijkheid – een punt dat ook Samuels meermaals beklem­toont: de problemen van mannen belichten en bespreekbaar maken, is geen kruistocht tegen vrouwen of hun rechten. De vervrouwelijking van een aantal aspecten van de sa­menleving staat niet ter discussie. Wel is het zo dat de opkomst van steeds meer sterke, mondige vrou­wen, ook in leidinggevende functies, een extra facet is dat sommige man­nen verder uit hun evenwicht brengt. De oplossing hiervoor is uiteraard niet vrouwen terug naar de haard te sturen. Maar het betekent wel dat er ándere antwoorden gegeven moeten worden op hoe mannen vandaag hun ambities en behoeften kunnen bevredigen. En die antwoorden zijn er op dit moment vaak niet. Ge­vangen tussen steeds knellender maatschappelijke maatstaven enerzijds en oneindige keuzes ander­zijds, raken mannen het spoor bijster, stelt Samuels. De desastreuze resultaten daarvan zien we steeds duidelijker.

Schokgolf

‘Onderdrukte masculiniteit kan op individueel ni­veau leiden tot mannelijk zelfdestructief gedrag als overmatig drankgebruik, van school getrapt wor­den en het weigeren van psychologische hulp, maar ik durf te suggereren dat ook de huidige opkomst van IS er deels op terug te voeren is. Op een gruwe­lijk toxisch mengsel van mannelijke vervreemding en een bastaardvorm van religieus extremisme,’ schrijft Samuels. ‘De jongeman in Portsmouth die zijn Primark-uniform verruilt voor een legeruni­form in Syrië, zijn saaie kantoorbestaan (en onge­twijfeld ook zijn seksuele frustraties) in een buiten­wijk achter zich laat om samen met zijn broeders de wapens op te nemen, jaagt zeker ook een illu­sie van mannelijkheid na. In alle Europese landen waar mannen niet de economische middelen heb­ben om zichzelf als man te bewijzen, groeien de extremistische partijen.’

Een vrij gelijklopend profiel – dat uiteraard ver­schilt al naar gelang de precieze context – zien we bij het Britse kiespubliek dat voor de Brexit stemde, en bij de verarmde en verbitterde Amerikaanse aanhangers van de volgende president van de VS, Donald Trump. Die laatste lijkt bij momenten wel een soort uithangbord van het oude, patriarchale wereldbeeld met de blanke man als dominant en superieur centrum van het universum. Hij valt daardoor niet alleen in de smaak bij groeperingen als de Ku Klux Clan; een aantal van zijn uitspraken wekken ook de indruk dat hij het zacht gezegd niet erg nauw neemt met de rechten van vrouwen.

Trumps verkiezing zond een schokgolf van ontzet­ting door de Westerse wereld, en niet alleen om wie hij is en hoe hij zich gedraagt. Het feit dat de helft van de Amerikaanse kiezers geen punt maakt van zijn racistische en misogyne uitlatingen is min­stens even verontrustend.

Waar is mijn speer verscheen ruim voor de Ameri­kaanse verkiezingen, maar Samuels woorden klin­ken profetisch: ‘Mislukking, of het idee dat je mis­lukt ben, leidt niet alleen tot een innerlijke ‘crisis’, er komt ook een naar buiten gerichte energie bij vrij: woede. En deze woede is momenteel bijzonder actueel onder blanke mannen, die er altijd van zijn uitgegaan dat de maatschappij en het succes hen toebehoort. Een woede die de schuld aan anderen geeft, vaak aan hen die als obstakels of rivalen voor het eigen beroepsmatig succes worden beschouwd – immigranten, vrouwen, de scherpslijpers van de politieke correctheid – een woede die zich vaak tot extremistische politiek aangetrokken voelt.’

‘Verman je!’

De patriarchale hiërarchie, waarvan iemand als Trump bij momenten de belichaming lijkt, is niet alleen schadelijk voor de vrouwen en minderhe­den – die het doelwit worden van de ‘boze blanke man’ die zijn dominantie wil laten gelden – maar ook voor mannen zelf.

IMG_9911.JPG

Wetenschappers hebben het daarbij over toxic masculinity. Die ‘giftige mannelijkheid’ houdt niet alleen verband met de clichématige ideaalbeel­den die we tot op vandaag ophangen over mannen (stoer, onafhankelijk, kostwinner, overwinnaar), maar ook met de manier waarop we, meestal zon­der het zelf te beseffen, jongens vaak nog altijd con­sequent anders benaderen dan meisjes. Zo verwijst de Amerikaanse psycholoog en gezinstherapeut Terry Real naar onderzoek dat aantoont hoe ouders de neiging hebben om identiek hetzelfde gedrag anders te interpreteren, al naar gelang het geslacht van het kind. Als ze een huilende baby te zien kre­gen waarvan gezegd werd dat het een meisje was, omschreven proefpersonen het kind als ‘bang’. Als ze te horen kregen dat het een jongen was, beoor­deelden ze het gehuil als ‘boos’. Een bang kind ga je sneller troosten dan een boos kind. Van de aller­prilste leeftijd krijgen jongens dus vaak, onbewust en onbedoeld, minder koesterende en empathische signalen van ouders en opvoeders, wat hun emotionele en sociale ontwikkeling mee bepaalt.

Als daar dan ook nog conditionering bij komt met terechtwijzingen als ‘verman je’ of ‘jongens hui­len niet’, ontstaat een situatie waarin alles wat doorgaat voor ‘vrouwelijke’ kenmerken, zoals in contact staan met je emoties, uiten wat je voelt en erover durven praten (Real noemt dat menselijke kenmerken) voor jongens taboe wordt. Zodra er afgeweken wordt van het stereotiepe beeld, komt de mannelijkheid in het gedrang, en tot op vandaag wordt veel jongens van kleins af aangeleerd dat ze een fundamenteel stuk van zichzelf moeten onder­drukken.

De enige emotie die mannen in een genderstereo­tiepe opvoeding of samenleving wél mogen tonen, is woede of agressie. Het mag dan ook niet verras­sen dat mannen vaak veel agressiever uit de hoek komen dan vrouwen. Real maakt zich sterk dat een deel van de gewelddadigheid van mannen als een sociologische groep in feite een acting-out is van onderliggende depressieve gevoelens waar ze geen andere uitlaatklep voor hebben, gevoelens waar ze door de jarenlange sociale conditionering vaak niet eens meer bewust contact mee kunnen maken.

Veel jongens wordt van kleins af
aangeleerd dat ze een
fundamenteel stuk van zichzelf
moeten onderdrukken

De Amerikaanse auteur en opvoeder Tony Porter, die zich inzet voor de rechten van vrouwen en minderheden, beschreef in een beklemmende TED Talk hoe hij zelf als zwarte jongen ‘gesocialiseerd’ werd door de macho-cultuur van de achterstands­wijk waar hij opgroeide. Hij betrapte zichzelf erop dat hij zijn zoon en zijn dochter anders behandelde, en dat hij bezig was een aantal van dezelfde onge­zonde stereotypen die hem zo getekend hadden aan zijn zoon door te geven, en gooide zijn benade­ring om. Giftige mannelijkheid houdt ons voor, ver­telt Porter, ‘dat mannen het voor het zeggen heb­ben, en vrouwen dus niet; dat mannen de leiding nemen en dat je dus maar gewoon moet gehoorza­men en doen wat ze zeggen; dat mannen superieur zijn en vrouwen minderwaardig.’ Andere kenmer­ken zijn het aanmoedigen van geweld (wat je in zijn extreemste vorm vaak aantreft bij straatben­des), het taboe op zwakte tonen en hulp zoeken, het demoniseren van alles wat beschouwd wordt als ‘vrouwelijke’ kenmerken, en de minachting voor iedereen die die tentoonspreidt. Deze houding ver­klaart voor een belangrijk stuk de diepgewortelde en steeds terugkerende problematiek van zowel homofobie als verkrachting, waar zoveel mensen in onze samenleving nog dagelijks het slachtoffer van worden. Giftige mannelijkheid is dus schade­lijk voor álle partijen: jongens worden er emotio­neel door ontmenselijkt, vrouwen en minderheden komen erdoor in gevaar.

Wat kunnen we daar als samenleving tegenover stellen? Tim Samuels breekt een lans (of moeten we zeggen: een speer?) voor dingen die mannen op een positieve manier in hun waardigheid laten, én hen tot gezonde rolmodellen maken voor hun kinderen. Denken we maar aan: jongens de ruimte laten om in contact te komen met hun gevoelens, vaders sociaal of financieel niet discrimineren in hun kansen om voor hun kinderen te zorgen, jon­gens en mannen de kans geven om ‘onder vrienden’ gezonde broederschapsbanden te ontwikkelen en hun nood aan meer fysieke uitlaatkleppen te kana­liseren in sport, contact met de natuur of nuttige fysieke activiteiten.

Dat zijn dingen waar mannen zich bewust van moeten zijn, maar waar ook vrouwen (als moeders en partners) een belangrijke rol kunnen spelen. Als we het serieus menen met het gevecht voor een sa­menleving van gelijke rechten en gelijke kansen, is meewerken aan het neerhalen van de giftige ste­reotypering rond mannen wellicht een van de be­langrijkste dingen die we kunnen doen.

Schoolfeest Sobran 312.JPG

 

 

Dit stuk verschijnt in De Bond van 2 december 2016

De stem van de boer

In jou leeft een stukje van alle generaties die voor jou kwamen, stelt de Amerikaanse manueel therapeute Tami Lynn Kent. Je genetische en emotionele erfenis – van vaders- en moederkant – komt op onverwachte momenten in jou tot uiting. Leer je voorouders en hun geschiedenis kennen, en je leert ook iets over jezelf.

Kent heeft het haar levensmissie gemaakt om vrouwen te helpen beter thuis te komen in hun bekkenbodem, en zichzelf. Daarvoor gebruikt ze een medische geschoolde benadering, maar ook haar vermogen om ‘energiestromen’ in het menselijk lichaam te observeren en te beïnvloeden. Haar boek Wild Feminine leest als een bizarre maar bijzonder krachtige mix van hands-on fysieke therapie (vaginale massage, iemand?) en diep psychologisch en spiritueel inzicht, en is zonder twijfelen een van interessantste boeken die ik dit jaar onder ogen kreeg.

Watermolen_007.JPG

Ik heb mij altijd meer verbonden gevoeld met de familie van mijn moeder. Dat klinkt mooi, maar eigenlijk bedoel ik daar alleen mijn grootouders langs moederskant mee, de mensen bij wie ik opgroeide, en die als een koppel schaduwouders achter mijn eigen ouders stonden, met alle voor- en nadelen van dien voor een kind dat vier opvoeders heeft. Maar het is dus niet gek dat ik een veel hechtere band had met hen dan met de ouders van mijn vader, een weinig hartelijk koppel zelfstandigen die zich hadden laten bedriegen door een familielid en straatarm eindigden op een piepklein appartement, bitter en uitgeblust vóór hun tijd, en op latere leeftijd allebei dement.

Vaderskant was evenwel rijk aan neven en nichten, oudooms, -tantes en aangetrouwden die na het bijleggen van een jarenlange familievete (de protagonisten van de vorige generatie eenmaal overleden) van elke begrafenis een bonte en hartelijke gelegenheid maakten. Ik vond al die mensen aardig, maar ik stond er doorgaans bij als een krampachtig glimlachende buitenstaander. Thuiskomen? Dat gebeurde pas als ik van zo’n feestje weer naar huis kon.

Mijn vader en ik delen een liefde voor fotografie en het geschreven, raak gekozen woord. Maar zijn sympathie voor stambomen heb ik niet geërfd. Van op de zijlijn liet ik dus de nieuwtjes over me heen gaan van hoever een of andere neef ondertussen gevorderd was in het familiale stamboomonderzoek. Tot een eind in de zeventiende eeuw of zo – niet slecht. Maar al bij al weinig opwindend: generatie na generatie cultivateur in de streek rond Geraardsbergen. Een stamboom vol boeren, tja. Kun je in Vlaanderen iets anders verwachten? Van vader op zoon zwoegen op het land, en met kromgetrokken rug en kapotte gewrichten sterven in bescheidenheid, zo niet armoede, in de schaduw van alsmaar dezelfde kerktoren. Was dit een embleem om trots op te zijn?

Van de kant van mijn fijnbesnaarde grootmoeder langs moederskant kreeg ik mijn liefde voor muziek en kunst mee. Haar man, mijn grootvader, leverde het onderwijzersbloed en het beruchte temperament van de Bruylanden, dat in mij afgezwakt is tot geen blad voor de mond nemen en rechttoe-rechtaan zeggen waar het op staat. Ik heb lang gedacht dat dat de enige familie-erfenis was die ik nodig had. Het was ook de enige waar ik voeling mee had.

Nu denk ik daar anders over.

Hemel_060 ed.jpg

Ik heb mezelf er al vaker op betrapt. Bij het luisteren naar commentaren van economen over ‘marktwaarde’ van producten, bij het lezen over de digitale ratrace, het volgen van debatten over de voordelen van mondialisering. Ik voel hoe een diepe argwaan de kop opsteekt. Er zit een oude landbouwer in mij, die zijn hoofd schudt en zegt: kom van die wolk en kijk naar de grond onder je voeten. Hij zegt: iets is in essentie precies zoveel waard als het werk dat je erin hebt gestoken om het te maken, of de tijd die het nodig heeft gehad om te groeien, en niet wat de mensen ervan vinden. Luister naar je lichaam, luister naar de seizoenen. Dát zijn de ritmes die ertoe doen, de hartslag van de wereld. Al het andere is een zeepbel van hoogmoed.

Het zijn gevoelens die ik al langer hoog houd. Ze vormen mijn kompas in een stormachtige wereld van alsmaar meer, sneller, beter, mooier, en zorgen ervoor dat ik sommige vereisten van me af kan schudden als de illusies die ze in feite zijn.

Ik ben een kind van mijn tijd, en ja, ik vind het fijn dat de wereld een dorp is, en dat steeds meer dingen mogelijk worden. Ik wil de planeet binnenlaten in al haar kleuren en geuren, en opstaan voor zoveel mogelijk nieuwe indrukken.

Maar iets in mij zegt regelmatig: stop. Steek je wortels in de grond. Blijf bij jezelf. Adem diep in en uit, en weet dat jouw lichaam, en jouw leven op deze precieze plaats, uiteindelijk nog altijd de enige concrete ankerpunten zijn die je hebt.

Het is de stem van die oude landbouwer die ik hoor, van die hele afstamming van boeren met gezond verstand, die wisten wat het was om met hun lijf – en met het land – precies die dingen tot stand te brengen die ze nodig hadden om te overleven.

Het is herfst, oogsttijd. En misschien dus ook het moment om een kleine hulde te brengen aan de voorouders die daar het meest van afwisten.

Watermolen_200.JPG