Mama kronen

Een reis naar de wortels van Oude Wijsheid

Kingley Vale_359
(c) KV – De toegang tot Kingley Vale

Na de diepe, vervullende fases van een leven in dienst van de ziel, zegt ecopsycholoog Bill Plotkin, bereikt de persoon die de roep van de ziel hoorde als Zwerver, die haar leven er als Leerling ten van dienste stelde en die de wereld het beste van haar talenten schonk in de hoedanigheid van Meester, het punt waarop ze overgaat naar het stadium van Oude Wijsheid.

Op dat moment begint het leven minder te draaien om Doen en maken, en meer om Zijn, voeden en inspireren.
Wanneer de jongvolwassene zich, geraakt door de roep van haar ziel, terugtrekt in een metaforische cocon en oversteekt naar de spirituele helft van het leven, dan gaat ze in Plotkins woorden door een proces van Zielsinitiatie. Ze voelt een verhaal, een krachtig beeld, de aantrekkingskracht van iets wat sterker is en dieper gaat dan haar ego of persoonlijkheid alleen, en ze voelt zich geroepen om zich ten dienste te stellen daarvan. Zielsinitiatie markeert het begin van de magische helft van het leven.

Een gelijkaardige monumentale overgang vindt plaats wanneer de bezielde volwassene de fase van Oude Wijze bereikt. Plotkin noemt dit de ‘Crowning’, een prachtige samentrekking van de Engelse woorden ‘crone’ (oude vrouw) and ‘crown’ (kroon), en verbindt zo meteen de charmes van hoge leeftijd en het waardige, bijna koninklijke van vergevorderde geestelijke evolutie.

Mijn moeder vierde afgelopen december haar zeventigste verjaardag. Mijn zus en ik wilden iets speciaals en symbolisch doen met haar, dus we besloten haar mee te nemen op een verrassingsreisje naar Engeland. We wilden niet alleen haar verjaardag vieren, maar ook haar overgang naar de status van Oude Wijze.

Onze moeder is een mooie, wijze en grappige vrouw met een hart groot genoeg om de hele planeet en iedereen erop te omarmen. En op sommige momenten in haar leven is dat ook precies wat ze gedaan heeft. Ons huis was altijd een haven voor mensen om te landen: voor het avondeten, voor een nacht, voor een paar jaar. Haar regenboogkinderen, noemden we ze. Sommigen waren zo oud als wij, een paar waren ouder, de meesten jonger. Ze hield van ze en vertroetelde ze en hielp ze hun leven weer op de rails krijgen als dat was wat ze nodig hadden.

Haar dagen van oeverloze zorg zijn nu enigszins voorbij. Te veel artrose en andere (godzijdank goedaardige) ouderdomskwaaltjes hebben een halt toegeroepen aan haar onafgebroken rondrennen en verzorgen – hoewel ze er soms nog wel eens in vervalt en de fysieke gevolgen achteraf voor lief neemt.

Maar tegelijkertijd is ze wijzer geworden. We hebben dezelfde opleidingen gevolgd en veel ervaringen gedeeld in de loop van de jaren, en zij is de eerste om aan iedereen te vertellen wat voor sterke vrouwen haar dochters geworden zijn, maar wij weten dat dat maar de helft van het verhaal is. Mama kan je aankijken, peilen tot diep in je ziel en naar boven komen met informatie waar je heel stil van wordt omdat ze zo ontzettend juist is. Ik heb er niets mee te maken, zegt ze, ik geef maar door wat ze mij ‘daarboven’ vertellen. Dat is geen valse bescheidenheid. Maar bescheiden zijn betekent soms ook dat je jezelf onterecht niet voldoende waardeert. Dus wilden we mama’s wijsheid vieren, haar diepe ervaring, en natuurlijk ook gewoon het feit dat ze onze moeder is.

Mama is een makkelijke persoon om te verrassen. Ze laat zich meevoeren op de stroom en vraagt zich niet te veel af. Ze is opgetogen als blijkt dat ze iets niet zag aankomen, en verwelkomt alles wat haar kant op komt – behalve misschien de tegenliggers in een land waar mensen links rijden. Omdat we reisden met onze eigen wagen, was de passagier vooraan degene die al het aankomend verkeer op zich zag afkomen. Na twee uur op de Engelse wegen ruilde mams haar plek met plezier voor eentje op de achterbank.

Kingley Vale_081
(c) KV – Storm bij The Seven Sisters

Onze eerste stop was Beachy Head, waar we uitkeken over The Seven Sisters, de adembenemende krijtkliffen van de Engelse zuidkust. Het weer was stormachtig en subliem.

Het was de perfect plek om je verbonden te weten met de elementen. We zaten met ons drieën ongestoord op een bank, en stemden ons af op wat de wind en de zee ons wilden vertellen. We luisterden naar wat gezegd werd: over onszelf, voor de ander. We deelden de boodschappen. Toen lieten we al het oude dat mocht losgelaten worden gaan, in de wind, of met de golven.

We reden door tot in West-Sussex naar the Hamblin Trust, het domein waar we twee nachten zouden verblijven in een van hun knusse chalets. Ik dwaalde door de tuin in het schemerlicht van de vallende avond, en de volgende ochtend.

Na het ontbijt hadden we maar tien minuutjes nodig tot aan de plek die de eigenlijke bestemming van deze hele trip was: Kingley Vale, waar in een bosje-in-een-bos The Watchers staan, de oudste taxusbomen ter wereld. Een aantal van deze knoestige reuzen zijn tweeduizend jaar oud. Waar konden we mama’s Crowning beter vieren?

Maar het bleek toch een beetje een uitdaging. Bij de eerste oude taxus die mama zag toen we wat dieper het bos in gingen, maakte ze bijna rechtsomkeert. Hij zag er dreigend uit, vond ze, en er hing iets donkers en gevaarlijks omheen.

Grappig genoeg was dit een boom die mij heel erg aansprak. Ik liep er naartoe om hem aan te raken, en voelde onmiddellijk hoe een diepe warmte door mijn buik ging. Mams keek huiverend toe van op een afstandje.

Toegegeven, taxussen zien er op het eerste gezicht niet erg knuffelbaar uit. In hun jeugd zijn ze op hun best elegant, maar met hun donkere stammen en naalden van een donkergroen dat soms meer wegheeft van zwart, zijn ze nogal sombere verschijningen. Hun felrode bessen fleuren het geheel misschien wat op, maar gezien het feit dat zowat elk onderdeel van de taxus dodelijk giftig is voor de mens, is dat toch maar een karig soelaas. Zoals elke zeer oude boom wordt een oude taxus knoestig, bobbelig en verwrongen, met takken die alle kanten op gaan en dode stompen die nog uitsteken. We stonden dus niet meteen oog in oog met een grote lieve omaboom, maar eerder met iets wat leek op een kruising tussen een norse oude olifant en een tentakelig monster uit een of andere horrorfilm.

Tot je ze aanraakt.

Kingley Vale_399.JPG
(c) KV

Taxussen voelen zacht onder je handen, en als je een beetje gevoelig bent voor bomen, dan is een ontmoeting met oude reuzen als deze echt wel bijzonder.

Het vroeg wat overredingskracht, maar uiteindelijk wilde mama er wel een aanraken.

Vanaf dan begon het makkelijker te gaan, hoewel het nog even duurde vooraleer mama een boom gevonden had waar ze echt een band mee voelde. Pas toen lukte het beter om de diepe, krachtige schoonheid van de ouderdom te voelen doorheen de donkere, sombere verschijning. De zon maakte nu en dan haar opwachting – dat hielp ook. (Het Engelse weer deed al wat het kon om zijn wispelturigheid te bewijzen: we schakelden op twee uur tijd drie keer van dreigende wolken naar stortbuien naar stralende blauwe hemel. Het gezegde ‘if you don’t like the weather, wait five minutes’ bleek een stevig feit.)

Na een uur van wandelen, zitten, aanraken en voelen, keerden we terug naar de ingang van het bos. Daar vonden we ‘mijn’ boom terug.
Mama was verbaasd dat ze hem eerder zo eng had gevonden. Ik van mijn kant begreep precies waarom hij voor mij zo goed werkte: oud genoeg om indrukwekkend te zijn, met een massieve stam en kroon, maar nog niet zo verweerd als zijn stokoude verwanten. En zijn plek: aan de rand, als een wachtpost op de grens tussen werelden.

Dat past bij mij.

In de namiddag na die wandeling hadden we voor mama een aromatherapie-massage geboekt bij een lieve dame waarnaar ze later verwees als haar ‘petemoei’.
We aten heerlijke Indische curry in een nabijgelegen restaurant, en namen de volgende ochtend afscheid van the Hamblin Trust.

We stopten nog bij het haventje van Bosham voor een paar cadeautjes en souvenirs uit het Arts and Crafts center (ik kocht een heerlijke cape voor alledaags gebruik, en ik kreeg een andere die ik voor het eerst zal aantrekken op de Soul Circle als geschenk van mijn zus). We lunchten in het Breeze Cafe, met een mooi zicht op de zee-inham waar het opkomend tij niet alleen naar goede gewoonte de promenade onder water zette, maar ook het busje van een nietsvermoedende kayakker, die bij zijn terugkeer duidelijk niet gerekend had op zo’n maritiem enthousiasme.

Kingley Vale_618.JPG
(c) KV – Bosham bij hoog water

Je onderschat de kracht van het vrouwelijke element maar beter niet, denk ik zo…

Onze drie moeder-en-dochter dagen hebben ons zacht gezegd een hap magie gegeven om op terug te kijken.

Advertenties

Het godje in het labyrint

Solstice_051 zw
(c) KV

Ik weet dat je gekwetst bent.
Wonden uit de kindertijd genezen zelden helemaal.

Het treft me als bijzonder oneerlijk, en nodeloos wreed. Datgene wat je overeind hield en misschien wel je leven gered heeft in die onveilige jaren, is nu je kooi.

Ik wou dat ik je op een of andere manier kon uitleggen dat de wereld niet zo vijandig is als je denkt. Ik ken zoveel voorbeelden die het tegendeel illustreren.
Ik wou dat je ze kon geloven.

Maar wie ben ik om te proberen je te overtuigen? Mijn littekens lijken in niets op de jouwe. Mijn kindertijd was niet perfect, maar in vergelijking met de jouwe was het een paradijs. Ik heb altijd mensen om me heen gehad die ik kon vertrouwen, bakens die voor mij op de uitkijk stonden, armen die me opvingen als ik viel. Ik heb mezelf nooit van de grond moeten schrapen, zoekend naar een reden om door te gaan.

Ik heb geleerd dat je mag vertrouwen, en mag liefhebben, en dat geen van beide wordt beschaamd. Dingen die ik beschouw als niet minder dan fundamentele rechten, maar waarvan ik weet dat ze voor veel mensen ronduit onbetaalbaar lijken.

De luxe van vertrouwen is jou niet gegund. In plaats daarvan heb je geleerd je te verbergen. En – in het uiterste geval, als je pijn dreigt te dagzomen – aan te vallen.

Solstice_030 zw ed cut 2
(c) KV

 

Maar ik ken toch ook wel iets van me verbergen, en van pijn.
Dus laat me je vertellen over het labyrint.

 


 

Je loopt in het schemerduister langs de kronkelende paden, en je kent de weg niet. De muren zijn hoog en je ziet niets voorbij de volgende hoek.
In je hand klem je de draad die je verbindt met de ingang. Het is je reddingslijn om de weg terug te vinden, en je houdt hem stevig vast.

Je bent bang. Want in het centrum van het labyrint, dat weet je, wacht een monster. Je wil er niet heen, maar je weet ook dat je geen keuze hebt.

Wanneer je bijna in het midden bent, staat de draad plots strak: je bent zo ver geraakt als hij kon. Als je wil doorgaan, zal je hem moeten loslaten.

Je bent bang.

Je laat hem los.

Het is tijd om het monster in de ogen te kijken.
Je rondt de laatste hoek.

Daar, in het centrum van het labyrint, waar je verwachtte het beest te vinden, zit een klein kind, een godje, op de grond. Het is helemaal alleen, en de tranen lopen over zijn wangen.

Als het jou ziet, steekt het zijn armpjes naar je uit, en vraagt:
“Waarom heb je mij zo lang alleen gelaten?”


 

Ik kan jouw kind niet troosten.
De enige die dat kan, ben jij zelf. Door naar zijn roep te luisteren, je armen te openen en het de knuffel te geven waar het al zo lang op wacht.

Jij bent nu de volwassene die het kan beschermen en voor hem kan zorgen, zoals de volwassenen in je eigen leven dat ooit hadden moeten doen maar om een of andere reden niet konden. Maar dat doet er nu niet meer toe. Jij bent er.

Ik kan jouw kind niet troosten.
Maar ik kan je wel meenemen doorheen het labyrint om hem te ontmoeten.

Ik beloof je dat er aan het einde van de tocht licht zal zijn.

Vertrouw je me?

 

Solstice_052 zw ed cut

 

 


 

Het verhaal van het godje in het labyrint werd me meer dan tien jaar geleden verteld door een vriendin, die het op haar beurt had van een zenmeester die ze kende. Ik weet niet wie die meester was, en ik heb geen idee van de oorsprong van dit verhaal. Mijn vriendin gebruikte indertijd het woord labyrint toen ze het verhaal vertelde. Hoewel dat technisch gezien niet klopt (wat in het verhaal beschreven wordt, is geen labyrint maar een doolhof), heb ik het woord hier toch weer gebruikt, omwille van de rijke connotaties die het oproept.

Van op de kant

Zaailing #9

2017 06 09 Vanopdekant Titel & naam2017 06 09 Vanopdekant prent

2017 06 09 Vanopdekant Tekst 1

2017 06 09 Vanopdekant tekst 2

 


ZAAILINGEN is een samenwerking met tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tek
st.

De ontstaansgeschiedenis van deze toch wel uitzonderlijke Zaailing vind je hier.

 

Alles geven – een ode aan wild moederschap

Acht jaar geleden werd ik moeder.

Daarvoor was ik al bijna tien jaar plusmama, dus ik dacht dat ik wel wist wat er op me af kwam, maar hemeltje, ik had geen idee.

Jonkies voeren_014 ed
Koolmees in onze tuin

Nooit eerder had ik deze diepe, wilde drang gevoeld om mijn kind te beschermen tegen alles en iedereen. Ik kan het geen liefde noemen, zeker niet tijdens die eerste koortsachtige weken dat ik en mijn lichaam probeerden het trauma te verwerken dat de geboorte van mijn zoon (medisch gemonitord maar alles bij elkaar gelukkig min of meer natuurlijk) ons gebracht had. Er was zelfs geen ruimte voor al te veel emotie, er was alleen rauwe overleving. Maar van de allereerste dag wist ik dat zich een band gevormd had met een ander wezen die alles wat ik tot dan toe kende in de schaduw stelde.

Jonkies voeren_008 ed.jpg
Vers gevangen lunch

Ik moest denken aan onze oude kater, die woest en agressief elk indringer van zijn terrein verdreef (en de littekens had om dat te bewijzen), maar die, toen hij kennismaakte met de jongen die hij verwekt had bij een straatkat en die wij in huis gehaald hadden om te verzorgen en uit te delen, ze alleen zachtjes besnuffelde, en zich vervolgens afwendde. Ze waren zijn bloed, ze hadden zijn geur. Hij herkende iets aan hen. Ze waren van hem.

Dat was precies wat ik voelde voor mijn zoon. Hoe romantisch en Anne-Geddessachtig sentimenteel we ook worden als het aankomt op onze kinderen, de waarheid is zoveel eenvoudiger en dieper. We zijn met hen verbonden in ons bloed.

Dat is wanneer het dier in ons wakker wordt. En dat bedoel ik als een compliment. Onze diepste instincten, onze zuiverste natuur, kan ons meest betrouwbare kompas zijn.

Jonkies voeren_015 ed.jpg
Lunch afleveren

Als ik het koppel koolmezen in de weer zie om hun jongen te voeren in het nestkastje dat we voor ze gehangen hebben, word ik herinnerd aan die eerste jaren van onophoudelijk zogen, voeden, schoonmaken, zorgen. Ik moet bekennen dat die hele toestand me behoorlijk uitputte.

Jonkies voeren_011 ed cut.jpg
Deze vonden ze niet lekker…

Hoe diep ook de dierlijke drang waarmee ik van mijn zoon houd, ik ben niet het soort moeder die eerst en vooral wil voeden en verzorgen. Ik ben een creatieve ziel die ruimte nodig heeft om gelukkig te zijn, en dag in dag uit ten dienste staan van een ander wezen eiste een tol die ik niet had verwacht.

Jonkies voeren_018 ed cut.jpg
Ze hebben nóg honger, dus…
Jonkies voeren_020.JPG
… daar gaan we weer.

Ik ging er een tijdje helemaal aan onderdoor. Het heeft me ook ongelooflijk veel geleerd. Dankzij dat alles ben ik een veel beter mens. Maar ik ben ook blij dat mijn jong nu acht jaar oud is en stilaan zijn eigen boontjes kan doppen…

(Hoewel we laatst een kort stukje video-opname terugvonden van ongeveer zes jaar geleden. Jongens, wat was hij snoezig! Ik smolt ter plekke.)

Hofstade en de Donk in de lente 116.JPG
Sobran en ik in 2011 (foto van mijn papa)

Moedertype of niet, alle mama’s zijn dezelfde, vermoed ik…

Het einde van de autoriteit

Ik trof een rumoerige troep leerlingen uit het lager middelbaar op het station. Als duiven zwermden ze uit over het perron en omsingelden pendelaars die rustig zaten te wachten op hun trein. Een plek die juist daarvoor nog vredevol was geweest, had plots iets weg van een belegering.

Het ging spontaan, zoals dat alleen kan met een vertrouwd patroon: de leerkracht in mij werd wakker. Ik richtte me net iets meer op, mijn stem werd iets lager, en ik sprak met het vriendelijk soort gezag dat respect verwachtte. En… er gebeurde niets. Ze haalden hun schouders op en gingen gewoon door.

Ik had een leuke babbel met hun leerkrachten terwijl we stonden te wachten op onze trein – gelukkig niet dezelfde – en ik betrapte mezelf op de gedachte: ik zou dit echt niet meer kunnen. Zelfs niet als ze me dubbel betaalden. Later, op weg naar Brussel, probeerde ik met mezelf in het reine te komen.

krummi-tuin_028-ed

Het was me opgevallen hoe uitgesproken mannelijk de energie wel was die ik even daarvoor had opgeroepen. Als leerkracht was ik altijd gegaan voor een meer mannelijke aanpak, maar ondertussen was ik geëvolueerd. Zwanger worden was het beslissende kantelpunt geweest, en vanuit de bewuste evenwichtige samenwerking die ik ondertussen had tussen mijn mannelijke en vrouwelijke aspecten, trof het me hoe diep ik jarenlang geput had uit het mannelijk om mijn job te kunnen uitvoeren.

Mijn tweede vaststelling was: dit stuk van mijn leven is echt wel voorbij, zowel wat betreft de job als de mannelijke aanpak. Die oude kracht opnieuw proberen op te roepen, lukte alleen op pure wilskracht. Zoveel had mijn aanvaring van tien seconden op het perron me geleerd, en elke vezel in mijn lijf kwam in opstand.

Ten slotte kon ik ook niet naast me neerleggen hoezeer de reactie van de jongeren me gestoord had. Het schouderophalen, de grote mond, het totale gebrek aan respect.

Oh help, ik weet het. Ik klink als een zuur oud mens.

Ik heb mijn leerlingen altijd serieus genomen. Ik heb ten andere elk kind dat ik ooit ontmoette serieus genomen, als een individu dat respect en erkenning verdient omwille van zichzelf, wat zijn leeftijd ook is.
Maar ik herinner me wel dat ik de frustratie deelde van een bevriende auteur die literatuurlessen gaf aan volwassenen, en in zijn klas geconfronteerd werd met cursisten die in twijfel trokken wat hij vertelde. Zijn benadering (“Ik ben de expert in deze kamer. Als je iets wil leren over literatuur, hou je je amateuristische ideeën maar voor jezelf en luister je naar wat ik te vertellen heb.”) is me misschien iets te autoritair, maar voor een deel ben ik het wel met hem eens.
Leerkrachten zijn experten in hun vak. Leerlingen hoeven niet te knielen in het stof omwille van een of ander abstract soort ‘respect’, maar ze zouden wel mogen inzien dat ze nog heel veel te leren hebben, en dat de persoon vooraan in de klas kan bogen op levenslange ervaring in zijn vakgebied.

Het zou wellicht makkelijker zijn als we karate-senseis waren. In de dojo komt een pupil die een grote mond opzet of de richtlijnen van de meester negeert snel onzacht in aanraking met de tatami. Jammer genoeg kunnen gewone leerkrachten ‘alleen maar’ meesterschap voorleggen in wiskunde of lezen en schrijven. Het zorgt voor een zekere machteloosheid tegenover een troep bavianen die besloten hebben dat wat jij te vertellen hebt niet op hen van toepassing is.

Maar – zoals altijd kies ik partij voor de leerling, nog steeds – kunnen we hen dat kwalijk nemen? In tegenstelling tot de ambitieuze karateka’s of de volwassenen in de literatuurlessen van mijn bevriende schrijver hebben deze jongeren er niet zelf voor gekozen om deze lessen te volgen. Meestal willen ze zelfs helemaal niet naar school. Maar ze zijn wettelijk verplicht en dus moeten ze wel opdagen. Vaak hebben ze weinig of geen interesse (en hebben ze dus even weinig motivatie) voor wat hen daar wordt aangeboden, en dan wordt het natuurlijk ook heel moeilijk om leerkrachten te zien als gezagsfiguren die respect verdienen.
En zo wordt wat een wederzijds verrijkende ervaring had kunnen zijn maar al te vaak een knokpartij om het overwicht.

Ik ben jaren geleden gestopt met lesgeven, mijn beste beslissing ooit. Ik kreeg vaak te horen dat ik een heel goede leerkracht was. En ik denk nog altijd dat dat klopt, maar het vroeg alle wilskracht – en alle mannelijke kracht – die ik in me had. Dertien jaar lesgeven keerden mij binnenstebuiten en lieten me opgebrand achter.

Ik wenste mezelf iets beters toe. Dus ik stopte met school en ging op zoek naar evenwichtiger en gezondere bezigheden.
De rumoerige adolescenten op het perron kunnen niet stoppen met school, tenzij ze ervoor betalen met hun toekomst.
Ik wens hen ook iets beter toe.

 

Dit is niet het hele verhaal

“Je maakt het jezelf niet gemakkelijk met dit stuk, he?”
Ze vraagt het bijna bezorgd en dat raakt me. Haar vraag verrast me, dat ook. Ik had ze niet zien aankomen.

Ja, natuurlijk maak ik het mezelf niet gemakkelijk als ik een artikel schrijf over nieuwsamengestelde gezinnen. Vooral niet als er in het boek van deze aardige schrijfster en in het gesprek dat we hebben zoveel dingen de revue passeren waarvan ik denk: had ik dat indertijd maar wat beter begrepen. Hadden de moeder en de vader van de jongens die ik zo graag zag maar die mij jarenlang het leven behoorlijk zuur gemaakt hebben elkaar maar wat beter willen verstaan en hun verstand maar wat meer gebruikt.

Mijn moeder zei ooit, met hetzelfde mededogen: “Ach kind, dit zou makkelijker gaan als je zelf al kinderen had.” Ze had overschot van gelijk, dat besef ik nu. Door zelf ouder van een kind te worden, heb ik geleerd hoe je sommige gevechten niet moet willen voeren, of niet allemaal tegelijk. Hoe je moet relativeren, en vergeven, en eindeloos opnieuw beginnen.

Maar ervaring heb je pas net nadat je ze nodig had, zegt de boutade. Ook in dit geval, dus. Ik wist als vierentwintigjarige begot niet hoe ik met twee totaal ontredderde kinderen moest omgaan zonder mijzelf daar totaal in te verliezen. Ik zat boordevol goede bedoelingen en had nog niets begrepen van de bedreiging die moeders – menselijk begrijpelijk maar totaal onterecht – zien in nieuwe partners die plots met hun kinderen optrekken.

Mijn man en zijn ex brachten tien jaar lang hun versie van het theaterstuk De Vechtscheiding op de planken. De jongens werden groter, moeilijker, vijandiger ook. Ik stond al die tijd vaak midden in hun vuurlinie. De spanningen rond hun gespleten en verscheurde loyaliteiten werkten ze niet uit op hun ouders, uit angst nog meer brokken te makken. Maar er was een handiger slachtoffer voorhanden, en dat lieten ze me elke keer opnieuw voelen. Hun moeder vond dat maar wat grappig, soms. En hun vader, zo blij dat er ze even waren na weer weken of maanden afwezigheid, liet begaan.

Ardennen20040152.JPG

Vergis u niet: dit is niet het hele verhaal. Trust me, zou Jeanette Winterson zeggen, I’m telling you stories. Er zijn immers honderd andere versies, van alle betrokkenen, met andere meningen en ervaringen. In sommige daarvan kom ik waarschijnlijk echt niet zo goed voor de dag. Mocht ik vandaag als toeschouwer kunnen terugkijken naar een van die taferelen, zou ik ze misschien nu en dan gelijk geven. Ik had net zo goed mijn onhebbelijkheden en onrealistische verwachtingen. Iedereen in deze driestuiveropera had het beste voor, en iedereen had pijn.

Wat ik schrijf, is het duiveltje dat onmiddellijk uit zijn lelijke doosje tevoorschijn springt op het moment dat de aardige schrijfster van mijn interview me bezorgd aankijkt en me vraagt of het wel zal lukken, dit stuk.
Ja, het zal lukken, denk ik bij mezelf. Sommige dingen doen een tijdlang zoveel pijn dat ze gevoelloos worden.

Maar dat klopt gelukkig niet, weet ik nog voor ik thuis ben. Wat gevoelloos is, sterft af, en dit is nog altijd levend. Anders zat ik nu niet te schrijven. Anders voelde ik niet de behoefte om de ramen open te zetten in kamers die te lang donker waren. Ook pijn mag wegwaaien met de ochtendzon.

De Vechtscheiding heeft al enige tijd geleden zijn laatste voorstellingen gehad, het doek is eindelijk gevallen. De jongens zijn ondertussen jongemannen die alle spelers op het toneel een plaats hebben kunnen geven – wat ook zoveel makkelijker gaat sinds ze eindelijk de boodschap kregen dat het oké is om van beide ouders te houden en niet te hoeven kiezen.

Er blijven weliswaar zorgen, vooral over studies en persoonlijke ontwikkeling. Ze dragen meer littekens mee dan kinderen zouden mogen. Dat kan mij bij momenten nóg kwaad maken, en vooral bedroefd, van machteloosheid. Maar dat zeg ik ook tegen de aardige schrijfster: soms is het enige wat je kunt doen leren leven met de littekens.

Ze citeert psychiater Dirk De Wachter in haar boek. Die zegt: het leven is gewoon niet eenvoudig. Als mensen dat idee wat beter zouden aanvaarden, zouden veel dingen ironisch genoeg al wat makkelijker gaan. Dan laten we immers het krampachtige idee los dat alles goed moet komen en fijn moet zijn, en worden we niet radeloos als dat niet blijkt te lukken.

Ik ben ondertussen wel zo ver, merk ik.
Nu nog goed de kamers luchten. En een stuk schrijven.

“Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd”

“Niemand wordt als extremist geboren. Je wordt als mens geboren. Maar je moet je ook willen ontwikkelen.” Aan het woord is Montasser AlDe’emeh. De Palestijnse Belg is stilaan niet meer uit de media weg te branden. Weken voor de aanslagen in Parijs en Beiroet de wereld schokten, hadden wij al een lang gesprek met de bijna-jihadi die transformeerde tot bruggenbouwer.

Je zou het levensverhaal van Montasser AlDe’emeh kunnen samenvatten in één surrealistische frase: van jonge geradicaliseerde moslim tot gerespecteerd jihad-expert. Amper zevenentwintig is hij, maar de man heeft al een indrukwekkend parcours achter de rug.
AlDe’emeh werd geboren in een Jordaans vluchtelingenkamp, als jongste kind van een uit Palestina verdreven gezin. Hij groeide op in Vlaanderen en had jarenlang het gevoel tussen twee culturen te vallen, gesteund in zijn haat- en wraakgevoelens door zijn verbitterde vader, niet begrepen door een samenleving die moslims na 9/11 dwong om kant te kiezen maar hen tegelijk bleef uitspuwen. Als adolescent dweepte hij met Bin Laden, luisterde naar toespraken van haatpredikers en stond op zeker moment letterlijk klaar om te vertrekken naar Palestina en de wapens op te nemen. Maar hij slaagde erin een bocht te maken. Een begripvolle schooldirectie en een reis naar Auschwitz zetten de deur naar empathie en inzicht op een kier. Universitaire studies brachten hem kennis over de geschiedenis en de achtergronden van de islam en Israël. Hij trok zichzelf aan de haren uit het moeras van de haat, vastbesloten om open te staan voor nieuwe vormen van kennis, en om anderen niet langer als vijanden te verwerpen maar als medemensen tegemoet te treden.

AlDe’emehs verhaal van wat hij zijn spirituele transformatie noemt, staat opgetekend in De Jihadkaravaan, het boek dat hij samen met journalist Pieter Stockmans schreef. Het is een absolute must-read voor wie de innerlijke beweegredenen van jonge geradicaliseerde moslims wil begrijpen en tegelijk een degelijk inzicht wil krijgen in de lappendeken van strijdende facties in het Midden-Oosten. Sommige passages zijn confronterend, zoals die over zijn verblijf bij Belgische strijders in Syrië (in het kader van zijn onderzoek naar radicaliserende jongeren). AlDe’emeh houdt tot op de dag van vandaag contact met jihadi’s aan het front en met anderen die terugkeerden naar België en probeert hen een pad naar meer kennis en kritisch inzicht te tonen.

Primaire bronnen
“Er is niet één reden waarom jongeren terugkeren uit Syrië”, weet AlDe’emeh. “Sommigen dachten daar hun idealen en hun identiteit te vinden en dat bleek niet zo te zijn. Sommigen wilden vechten tegen Assad en belandden in conflicten tussen soennitische groepen onderling. Voor anderen is het moeilijk om te overleven in oorlogsgebied op een blikje tonijn en een stuk brood per dag. Sommigen missen hun families, of zijn te gehecht aan de Belgische samenleving, iets wat ze eigenlijk nooit beseften.
Je kan oordelen over hun daden en zeggen: wij vinden het niet correct als je gaat vechten bij een militie die de mensenrechten schendt. Maar het komt er volgens mij wel op aan om te willen begrijpen wat hen tot hun beslissing gedreven heeft, en samen tot een oplossing trachten te komen. Voor alle duidelijkheid: de jongeren die ik begeleid, zijn geen jongeren die vastzitten of met niemand contact mogen hebben. Als ik hen begeleid, doe ik dat omdat ik denk dat ze met frustraties zitten, daar verschrikkelijke dingen hebben gezien en iemand nodig hebben die naar hen luistert zonder te oordelen. Ik probeer hen kennis aan te reiken, zodat ze wat genuanceerder naar het leven kijken. Ik zeg niet: ‘Je bent fout’. Ik zeg: ‘Lees dit. Deze bronnen zijn primair en geloofwaardig. In de boeken waarop jij je beroept staat wat anders.’ Wie religieuze argumenten gebruikt om zijn vertrek naar Syrië te verantwoorden, moet met andere religieuze kennis worden bereikt. Nu gebeurt dat vaak niet. We behandelen hen als psychopaten.”
(nvdr: ondertussen heeft AlDe’emeh wel besloten om jongeren die na de aanslagen in Parijs nog naar Syrië vertrekken, niet meer te begeleiden. “Wie nu nog vertrekt, weet heel goed bij wat voor soort organisatie hij zich aansluit en mag niet meer binnengelaten worden. Het gevaar voor aanslagen is te groot.”)

Een liefdevolle militaire leider
Recent merkte terrorisme-expert en professor internationale politiek Rik Coolsaet (UGent) op dat het begeleiden van teruggekeerde Syriëstrijders sterk individueel zou moeten aangepakt worden, en dat de eenheidsworst van de overheid om die reden faalt. Bovendien is repressie vaak niet het beste antwoord op de vertwijfeling en frustratie die hen tot het extreem gedrag aanzette.
AlDe’emeh: “De grote meerderheid van de Syriëstrijders is tussen de zestien en zesentwintig jaar. Jongeren zijn vatbaar voor radicalisme. Ze zijn in volle ontwikkeling, begeleiding is dus heel belangrijk. Daar loopt het op verschillende fronten fout, zowel thuis, in de moslimgemeenschap als in de bredere samenleving. Bovendien speelt ook het feit mee dat jongeren niet weten wanneer ze geaccepteerd zullen worden. Ze vallen letterlijk in de kloof tussen twee culturen die verschillende dingen van hen eisen en verlangen.”

12080179_1506715322959843_7558119080876752318_o.jpg
Montasser AlDe’emeh (c) Artur Eranosian

“De deradicaliseringsambtenaren zouden moeten inzien dat ‘deradicaliseren’ jongeren eigenlijk bij voorbaat veroordeelt. Er moet dringend op een zorgvuldige manier omgegaan worden met de woordenschat die we gebruiken. Als je zoals sommige burgemeesters zegt: ‘we gaan die radicale zotten opkuisen’, zorg je er alleen maar voor dat die jongeren zich nog meer isoleren.”
Maar ook de moslimwereld laat steken vallen, vindt AlDe’emeh. “Momenteel houden veel imams nog altijd vol dat strijders bij IS, Al-Qaeda of Al-Nusra geen moslims zijn. Ik vind het absurd om zoiets te beweren. Alsof alle moslims heiligen zijn. Zolang geestelijke moslimleiders IS-strijders excommuniceren, geven we niet toe dat er radicale interpretaties zijn van bepaalde religieuze concepten. Die zijn er wel degelijk, en jongeren kunnen daar vatbaar voor zijn. Ze beroepen zich daarvoor op de Koran. In plaats van het kader te schetsen van die verzen, die uit hun context worden gerukt, zwaaien we met absurde argumenten als: ‘De jihad is niet toegestaan in de islam’. Als zo’n jongere tegen mij zegt dat jihad legitiem is volgens de koran, antwoord ik: ‘Dat klopt. Maar in het oorlogsrecht dat we in Europa allemaal erkennen, is het ook legitiem om jezelf te verdedigen. En er zijn voorwaarden voor het voeren van de gewapende jihad.’ Waarna we die gaan opzoeken. In plaats van historisch te duiden wanneer de profeet geweld gebruikte, zeggen onze imams: ‘De profeet was een liefdevolle, vreedzame man.’ Er zijn inderdaad heel mooie verhalen over Mohammeds verdraagzaamheid, maar hij was ook een militaire leider…”

Het soort tunnelvisie dat veel moslims vandaag nog altijd hebben met betrekking tot hun geloof kan erg problematisch zijn, en de onwetendheid zit diep. “Een godsdienstwetenschapper als Karen Armstrong heeft op haar eentje misschien meer onderzoek verricht naar de islam dan alle islamologen in het Midden-Oosten samen. De islamitische cultuur is sinds de late Middeleeuwen vanuit een gevoel van superioriteit gaan stagneren en in verval geraakt. En momenteel is het het Westen dat meent superieur te zijn. Dat kan op lange termijn gevolgen hebben, want dan komen de intellectuele ontwikkeling en het kritisch denken op de helling te staan. Arrogantie is niet goed. Je moet altijd open blijven staan voor verandering.”

“Moslims moeten zichzelf bevrijden
van wat er binnen hun eigen
gemeenschap fout loopt. Niet om het
Westen te plezieren of acceptabel
over te komen, maar omdat ze er zelf
beter van worden”

“Het is mijns inziens dus ook niet de taak van het Westen om moslims op andere gedachten te brengen. Het is aan moslims die in het westen in aanraking zijn gekomen met waardevolle kennis om hun verantwoordelijkheid op te nemen binnen hun eigen gemeenschappen. Dat is ook een spirituele gedachte. In de Koran staat: ‘God verandert niets in een volk tot ze gaan veranderen wat zich in henzelf bevindt.’ Dat wil zeggen dat moslims zichzelf moeten bevrijden van wat er binnen hun eigen gemeenschap fout loopt. Niet om het Westen te plezieren of acceptabel over te komen, maar omdat ze er zelf beter van worden.”

Pijnlijke bagage
We zoemen in op de gezinnen van jonge jihadi’s.
“Ouders spelen een belangrijke rol in het leven van hun kinderen”, geeft AlDe’emeh toe. “Het lijkt me heel belangrijk dat als je als ouder probeert om niet te veel pijnlijke bagage uit je eigen verleden door te geven aan je kinderen. Ik heb zelf de haat meegemaakt die mijn vader met zich meedroeg en die hij met mij deelde. Hij trok mij daar onbewust in mee omdat hij ook zichzelf er niet van kon redden. Het heeft niets opgelost, alleen maar gemaakt dat hij zich steeds meer is gaan isoleren in zijn denkwereld. Veel ouders van Syriëstrijders zijn zelf helemaal niet gewelddadig of radicaal religieus. Ik denk dat je hen dus niet rechtstreeks verantwoordelijk kunt houden voor de keuzes van hun kinderen. Maar ze hebben geen voeling met de identiteitscrisis die jongeren doormaken en te weinig intellectuele bagage om hen op andere gedachten te brengen. In plaats van hun kinderen te veroordelen voor hun radicale gedachtegoed – soms worden ze er zelfs het huis voor uit gegooid – zouden ouders met hen in gesprek moeten gaan.”

Ook in ons onderwijs loopt er volgens AlDe’emeh een en ander verkeerd, zodat jongeren te snel afzakken naar ‘zwakke’ richtingen of helemaal door de mazen van het net vallen. Maar stenen blijven gooien naar elkaar heeft weinig zin. “Ik vind het goed dat we kritisch kijken, maar we moeten mensen ook niet opzadelen met een nodeloos schuldgevoel. Want je ziet ook jongeren vertrekken die wél opgeleid zijn, kansen hebben gekregen en gegrepen. We moeten net zo goed ons buitenlands beleid onder de loep durven nemen, en toegeven dat er op dat vlak fouten zijn gemaakt.”

Twee keer geboren
In De Jihadkaravaan pleiten AlDe’emeh en Stockmans voor ‘radicale verzoening’ op grote schaal. Bruggen kunnen maar gebouwd worden als mensen (maar net zo goed wereldmachten of politieke structuren) zichzelf door middel van kennis echt leren kennen, hun fouten toegeven en proberen om met respect voor ieders visie een dialoog te bereiken.
“Waarom doden we of veroordelen we de ander? Omdat we vergeten dat hij ook een mens is, met een eigen verhaal, een slachtoffer van zijn eigen omstandigheden. Op een bepaald moment heb ik beslist mijn identiteit niet meer te bouwen op wraakgevoelens, haat, afgunst en rancune ten aanzien van joden. Ik wilde niet meer blind de religieuze regels volgen zonder te weten wat hun achterliggende betekenis was. Ik ontdeed me van mijn vooroordelen en de bronnen die ik gebruikte om die te bevestigen. Toen bleef gewoon de naakte mens over. Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd.

Ik had niemand die mij daarin steunde. Sommige Belgische activisten die van de Palestijnse zaak hun ideaal hadden gemaakt, zeiden zelfs dat ik eigenlijk geen ‘echte’ Palestijn was. Vooraanstaande stemmen binnen de moslimgemeenschap verketterden mij in het openbaar, omdat ik stelde dat de joden die vandaag worden geboren in Tel-Aviv daar niet voor hebben gekozen. De moslimjongeren die worstelen met onze westerse samenleving zeggen: ‘Ik ben derde generatie allochtoon, het was niet mijn keuze om hier geboren te worden, accepteer mij als gelijke!’ Maar ten aanzien van de joden hebben wij het lef niet om te zeggen dat het niet hun keuze was om daar te zijn, maar die van hun grootouders generaties geleden. Door de omstandigheden in Europa gingen zij ooit geloven in een eigen thuisland. Vandaag geloven de moslims in een eigen thuisland in het Midden-Oosten. Waarom trekken we de lijn die we voor onszelf hanteren niet door naar onze medemensen? Als ik dat zeg, word ik verweten een collaborateur te zijn. Maar ik sta nog altijd achter de vrijheid van alle mensen in de wereld, of het nu Koerden, Palestijnen of Belgen zijn.”

“Aristoteles zegt: ‘De ware overwinning is de overwinning op jezelf’. En Jezus zegt: ‘Niemand zal het koninkrijk Gods zien die niet voor de tweede keer geboren wordt’. De islam spreekt over fitra, de zuivere aard van de mens, de terugkeer naar de bron. Ik denk dat iedereen voor de tweede keer geboren moet worden. Op een spirituele manier. Met kennis.”

 

• De Jihadkaravaan, Pieter Stockmans & Montasser AlDe’emeh, Lannoo, 24,99 euro
• Meer journalistiek werk van Pieter Stockmans over het Midden-Oosten en de vluchtelingencrisis vind je op www.facebook.com/tussenvrijheidengeluk

Dit artikel verscheen in De Bond van 18 december

Nieuw

Ik zit in de wagen, op de achterbank van de Renault 9. Vooraan mijn ouders, naast mij mijn zus. Het is nacht, we zijn op de terugweg van oudejaar bij peter Gigi en tante Lili. Op het cassettedeck spelen Italiaanse liedjes waar we van houden. We rijden terug naar huis, waar mijn grootouders al slapen.

Ik kijk naar de voorbijflitsende silhouetten van bomen en struiken, naar de stipjes van de straatlantaarns als een bewegend lint van morse in de verte, naar de bijna ononderbroken lijn van vangrail op een paar meter naast de wagen, gelig in het licht van de altijd brandende autostradelampen.

Ik fluister verhalen tegen het koude autoraam. In de schaduwen naast de wagen zie ik mijn ingebeelde vrienden met me mee rennen. Ze vergezellen me naar huis. Daar zal ik in de zetel wegkruipen, bij de lichtjes van de kerstboom, fluisteren dat ze bij me moeten komen zitten en verder lezen in het boek waarin ik bezig ben, Ronja de roversdochter, van Astrid Lindgren.

 

Ik zit in de wagen, op de achterbank van de Renault 25. Vooraan mijn ouders, naast mij mijn lief en mijn zus. Het is nacht, we zijn op de terugweg van oudejaar bij peter Gigi en tante Lili. In de cd-speler draait Queen. We rijden terug naar huis. Ik denk aan het duister dat ons daar wacht, aan mijn grootouders, en ik mis hen.

Ik kijk naar de voorbijflitsende silhouetten van bomen en struiken, naar de stipjes van de straatlantaarns als een bewegend lint van morse in de verte, naar de bijna ononderbroken lijn van vangrail op een paar meter naast de wagen, gelig in het licht van de altijd brandende autostradelampen. Ik denk aan hoe er in al die jaren niet zoveel verandert, hoe sommige dingen vertrouwd en geruststellend hetzelfde blijven.

In gedachten verzin ik het volgende hoofdstuk van het verhaal dat ik in mijn hoofd heb. Thuis zal ik wegkruipen in de zetel, bij het licht van de kerstboom, mijn schrift pakken en doorschrijven.

 

Ik zit in de wagen, op de achterbank van de Volvo. Vooraan mijn ouders, naast mij mijn zus. Het is nacht, we zijn op de terugweg van oudejaar bij peter Gigi en tante Lili. In de cd-speler draait mama’s favoriete knuffelrock-cd.

Mijn zus en ik hebben afgesproken dat we volgend jaar met ons tweeën wat anders gaan doen. Ik voel me te oud om aan de hand van mijn ouders op familiebezoek te gaan, en ik voel me sinds het uit is met mijn lief ook verdomd alleen.

Ik kijk naar de voorbijflitsende silhouetten van bomen en struiken, naar de stipjes van de straatlantaarns als een bewegend lint van morse in de verte, naar de bijna ononderbroken lijn van vangrail op een paar meter naast de wagen, gelig in het licht van de altijd brandende autostradelampen, en het is een troost dat sommige dingen, vertrouwd en geruststellend, dezelfde blijven.

In gedachten ben ik bij de roman die mij verteert met de passie van een liefdesaffaire. Mijn personages vergezellen me naar huis. Daar zal ik voor het scherm gaan zitten en nog een stuk doorschrijven.

 

Ik zit in de wagen, op de passagiersstoel van de Volkswagen. Mijn man zit aan het stuur. Achteraan mijn stiefzoon van zestien en onze zoon van zes. Het is nacht, we zijn op de terugweg van oudejaar bij meter Caroline en oom Anton. Mijn ouders wonen duizend kilometer ver weg, maar binnen twee weken gaan we op nieuwjaarsbezoek bij peter Gigi en tante Lili.

In de cd-speler draait het recentste album van Yevgueni, waar mijn man en mijn zoon zo van houden. We rijden terug naar huis, en we zingen zachtjes mee. Straks breng ik je weer naar huis.

Ik kijk naar de voorbijflitsende silhouetten van bomen en struiken, naar de stipjes van de straatlantaarns als een bewegend lint van morse in de verte, naar de vangrail op een paar meter naast de wagen, gelig in het licht van de autostradelampen ter hoogte van de afritten. De rest van de weg is donker, ze zijn in België eindelijk aan energiebesparing gaan doen.

Ik denk aan de roman die ik aan het afwerken ben, en waarvan ik hoop dat die in dit nieuwe jaar het levenslicht ziet. In mijn gedachten praten mijn personages tegen elkaar. Ze bekvechten, schelden en lachen, en ze vergezellen me naar huis. Daar zal ik mijn zoon instoppen, op de rand van zijn bed gaan zitten en verder lezen in het boek waarin we samen op avontuur zijn, Ronja de roversdochter, van Astrid Lindgren.

Dan zal ik me met mijn laptop en een glas wijn in de zetel nestelen, en schrijven.

 

Kerst Deurne_083 ed.jpg

Dienstbaarheid

Regenboog_068 ed cut

als we nu eens
niet diegenen aan de macht lieten
die op de tafel springen
en brullen kies
mij en mijn idealen
mijn fantastische ideeën
mijn loze beloften
mijn droomkastelen
op de kap van de ander de
vreemde de buitenstaander

hoe luider hun megafoon hoe groter
hun ego
hoe troebeler hun bedoelingen

als we nu eens
keken naar de zwijgzame
man of vrouw in de hoek van de kamer
die observeert en begrijpt
en verbindt
die geen zin heeft in macht
maar wel de integriteit om ermee om te gaan
die geen boodschap heeft aan oproer of aanbidding
en nog minder aan vijanden
maar wil dat de dingen opgelost raken met respect
voor ieders recht en richting

hoe stiller de woorden hoe groter
het hart
voel ik vaak

“Vaak zit er een logica achter verzet”

Autonomie-ondersteunend opvoeden #1

Nogal wat benaderingen in de ontwikkelingspsychologie gaan ervan uit dat de mens weinig meer is dan een blanco blad dat ingevuld wordt door zijn omgeving, of een dierlijk vat vol driften die door middel van opvoeding onder controle moeten worden gehouden. De ZelfDeterminatieTheorie (ZDT) vertrekt van een positiever mensbeeld: de mens wordt geboren met de neiging om zich spontaan te ontwikkelen in de richting van groei en zelfontplooiing.

De brandstof daarvoor ligt in het vervullen van de drie grote psychologische basisbehoeften: autonomie (jezelf mogen zijn en je eigen keuzes mogen maken), competentie ervaren (goed zijn in iets en daar ook erkenning voor krijgen) en verbondenheid met anderen (vertrouwen in en ondersteuning door de omgeving). Als deze be­hoeften vervuld worden, leveren ze de mens ener­gie om zich te ontwikkelen. Als ze gefrustreerd of onderdrukt worden, krijgt de persoon het moei­lijker om zich te ontplooien en welzijn te ervaren. Steeds meer onderzoek bevestigt de conclusies van de ZDT. Ook in Vlaanderen wordt onderzoek gedaan naar deze theorie, bijvoorbeeld door Maar­ten Vansteenkiste en Bart Soenens, ontwikkelingspsychologen verbonden aan de faculteit Psycholo­gie en Pedagogische Wetenschappen van de UGent. Dat onderzoek levert boeiende gespreksstof over autonomie-ondersteunend opvoeden. In deze re­portage leggen we uit wat de ZDT precies inhoudt en we focussen daarbij op jonge kinderen. In de ‘Bond’ van 17 april volgt een tweede luik rond ado­lescenten en jongvolwassenen.

“Je kunt je kind vrij vroeg
als een relatief gelijkwaardige
partner in het gesprek betrekken”

Het perspectief van het kind

“De ZelfDeterminatieTheorie is in de jaren zeven­tig ontstaan in zeer controversieel vaarwater”, ver­telt Bart Soenens. “Kinderen en studenten werkten aan een taak die op zich al leuk was. De ene geteste groep werd ervoor beloond, de andere niet. Volgens de toen gangbare principes werden mensen veron­dersteld harder te werken als ze er extra voordeel bij hebben. Maar men moest vaststellen dat de be­loning niet alleen niet werkte, ze verminderde zelfs de motivatie. Dit kon alleen worden verklaard als je aannam dat mensen een nood aan autonomie hebben die door de beloning werd ondermijnd. De processen die de ZDT beschrijft, gelden voor ieder mens, ongeacht leeftijd, omstandigheden of cultuur. Maar het is wel zo dat die diepe psycholo­gische noden zich aan de oppervlakte anders uit­drukken van leeftijd tot leeftijd en van cultuur tot cultuur.”

Cadzand_046

“Als je je kind autonomie-ondersteunend opvoedt, wil je het het gevoel bieden dat het vrij is om zijn eigen voorkeuren te laten spreken en de persoon te zijn die hij wil zijn. Dat begint bij empathie. Het is zeer belangrijk om goed te luisteren naar je kind en zijn gevoelens te erkennen vóór jij als ouder je mening geeft. Als je kind zegt: ‘Ik wil niet naar oma, het is daar stom’, reageren veel ouders spontaan dat zo’n uitspraak niet gepast is. Maar je kunt ook zeg­gen: ‘Je gaat blijkbaar niet graag. Vind je het niet leuk? Hoe komt dat?’ Zo zal het kind zich vrijer voelen om dingen openlijk te bespreken en kan er ook makkelijker een oplossing gevonden worden.” Iets anders wat je kunt doen, is keuzes geven: ‘Ga je meteen je huiswerk maken of ontspan je liever eerst een beetje?’ Je kunt je kind daar mee laten experimenteren om te ontdekken wat er het best bij hem past. Mensen verwarren autonomie-ondersteuning soms met laissez-faire, maar dat is het echt niet. Je kunt zeer duidelijke regels en structuur aanbrengen binnen een autonomie-ondersteunende context. Het moet duidelijk zijn: het huiswerk zál gemaakt worden en daar is geen discussie over. Maar over de manier waarop het gebeurt, kun je wel keuze laten. Mogen meebeslissen zal het gevoel van autonomie bij kinderen versterken. Ze zijn immers geen satellietlichaam van de ouder, maar een eigen persoonlijkheid.

Uitleggen waarom iets nodig is, is ook belangrijk. Je kunt je kind vrij vroeg als een relatief gelijkwaar­dige partner in het gesprek betrekken. Ouders den­ken wel eens dat het pas vanaf lagere-schoolleeftijd interessant wordt om duidelijke redenen te geven waarom iets moet of niet mag. Ik denk integendeel dat het belangrijk is om juist zeer vroeg al te be­ginnen praten met je kind. En zelfs al komen de fi­nesses niet altijd over, je kind voelt dat iets een be­paalde achtergrond heeft en dat de beslissing niet zomaar een machtsspel is van jou als ouder. En als het kind niet meegaat in wat jij wilt, kan het inte­ressant zijn om eens te luisteren waarom dat zo is. Vaak zit er een logica achter verzet.”

Wie een rotdag had op het werk, heeft ‘s avonds
meestal weinig energie over om
ten volle autonomie-ondersteunend te zijn

“Jonge kinderen worden geboren met een enorme interesse in hun omgeving. Daarop inspelen is een belangrijke manier om autonomie-onder­steunend te zijn. Als je peuter of kleuter van al­les wil uitproberen, geef je hem best die kans, ook al ben je misschien bang dat er dingen ka­potgaan of vuil worden. Natuurlijk moeten er grenzen zijn, qua veiligheid bijvoorbeeld. En je gaat je kind ook geen dure vaas uit de auto laten dragen. Maar als die zak chips op de grond valt, tja… Als ouder is het belangrijk om je kind tege­moet te komen met zoveel mogelijk speelruimte binnen grenzen die voor jou aanvaardbaar zijn. Naarmate je kind ouder wordt, beginnen meer din­gen tot zijn ‘persoonlijke domein’ te behoren. Daar­in is het zeer moeilijk om als ouder autonomie-on­dersteunend te zijn. Zeggen wie er volgens jou bij­voorbeeld al dan niet een goede vriend voor je kind is, is een wespennest waar je je beter niet te diep in begeeft. Maar als je merkt dat je kind deel uit­maakt van een kliekje dat dingen doet die niet door de beugel kunnen, kan je wel het ter tafel brengen. Om openheid te creëren zal je het echter moeten hebben over het gedrag van die vrienden – gedrag dat jouw kind mogelijk ook stelt – en niet over wie die vrienden zijn als persoon.”

Eksaarde_033

Zwaaien met de stickerkaart

Iets waar we bij het opvoeden vaak niet bij stil­staan maar wat van bijzonder groot belang blijkt, is de reden waarom een kind gehoorzaamt. “Een kind kan gehoorzaam zijn omdat het echt begrijpt dat een regel zinvol is”, legt Bart Soe­nens uit. “Dan zal het zich die regel stilaan eigen maken en spontaan toepassen in andere con­texten. Maar het kind kan ook gehoorzamen uit angst of schuldgevoel naar de ouder toe. Dat zie je vaker als ouders controlerend opvoeden.” Met controlerend opvoeden wordt bedoeld: druk zetten op het kind op een manier die zijn basisbehoeften niet respecteert.

“Psychologische controle of druk geeft het kind de boodschap dat de liefde van de ouder niet gratis is. Als het niet aan de opgelegde standaarden voldoet, schiet het tekort als persoon. Bovendien wordt er veel vaker gewerkt met externe motivatie: straffen en belonen. Het probleem met die technieken is dat ze op korte termijn werken. Je dreigt met een zware straf of je zwaait met de stickerkaart, en je kind past zijn gedrag aan. Het is dus verleidelijk om daar mee door te gaan. Maar wat je niet ziet, is dat het kind onderhuids en op een veel fundamente­ler niveau geen enkele voeling met de regel krijgt. Het volgt die ook niet op omdat hij erachter staat, maar omwille van de externe druk. En zodra de druk ver­dwijnt, valt het gewenste gedrag weg.”

Kinderen betalen een prijs voor het leven in een klimaat van sterke psychologische controle, wees onderzoek uit. Ze kroppen hun pro­blemen meer op, hebben een lager zelfwaardegevoel, zijn vaker perfectionistisch. Dat alles werkt dan weer als een rem op hun spontane ont­wikkeling en hun ervaring van welzijn en geluk. En ook ouders breekt controlerend opvoeden uiteindelijk zuur op: “Jongeren die veel psycho­logische controle en dwang ervaren, kunnen wel een aantal jaren in de pas lopen, maar keren zich op een gegeven moment vaak juist harder tegen hun ouders. Er komt een soort bruut verzet waarbij alles wat je zegt, ook de juiste en goedbedoelde zaken, niet langer gepikt worden omdat ze van jou komen, de autoriteitsfiguur. Soms hoor je wel eens dat het beter is om wat controle en dwang mee te krijgen van thuis om later beter voorbereid te zijn op de samenleving. Maar daar bestaat geen enkel weten­schappelijk bewijs voor. Het is zelfs zo dat mensen die een controlerende voorgeschiedenis hebben sneller dingen zullen aanvoelen als een ver­plichting. In plaats van beter gewa­pend te zijn, ben je er juist gevoeliger voor.”

Wat van groot belang blijkt, is de reden
waarom een kind gehoorzaamt

Genoeg brandstof in je eigen tank

Bart Soenens beseft heel goed dat sommige dingen makkelijker gezegd dan gedaan zijn. Autonomie-onder­steunend opvoeden vergt vooral in de beginjaren veel energie en tijd, en wat hij in ons gesprek schetst, is voor een stuk een ideaalbeeld. Dag­boekonderzoek bij ouders brengt ook grote schommelingen in opvoedstijl aan het licht. Een ouder die een rot­dag had op het werk, heeft ‘s avonds meestal weinig energie over om ten volle autonomie-ondersteunend te zijn. Ook het karakter of het gedrag van het kind zelf kan een belang­rijke rol spelen. Ouders hoeven zich dus zeker niet schuldig te voelen als het eens een dag minder lukt. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er genoeg brandstof in je eigen tank zit, legt Soenens uit. Probeer als ouder te zorgen voor je eigen nood aan autonomie, competentie en verbondenheid. En nadenken over hoe je zelf opgevoed werd, heeft ook een meerwaarde. “Ik herinner mij een moment als kind toen mijn moeder naar mijn kamer kwam om zich te excuseren omdat ze eerder die dag harder was uitgevallen dan ze wilde. Ze legde me uit wat er gebeurd was en excuseerde zich. Zulke momenten zijn erg krachtig en helpen je later als ouder zelf op weg. Omgekeerd herin­ner je je vast ook momenten waarop je ouders je niet begrepen of iets doorduwden wat haaks stond op je eigen voorkeuren. Daarover naden­ken helpt om de goeie dingen over te nemen en je bewust te zijn van wat minder goed was. En het maakt ook duidelijk dat er niet zoiets bestaat als honderd procent goed of slecht op­voeden. Alle ouders hebben potenti­eel voor beide.”

Decemberweekend met kinderen_033

Slecht opvoeden…. Weten dan niet alle ouders zelf wat het beste is voor hun kind? Het klinkt als vloeken in de kerk, maar op dit punt wijken Soe­nens en de ZelfDeterminatieTheorie niet.

“Op basis van wat de media de laat­ste tijd brengen, krijg ik wel eens het gevoel dat je helemaal geen opvoedingsadvies meer mag geven. Er wordt zo relativerend over opvoe­ding gesproken dat het lijkt alsof alles oké is en elke ouder in staat is om het prima voor elkaar te krijgen. De term die daarvoor vaak gebruikt wordt, is ‘buikgevoel’. Maar met alle respect, het buikgevoel van sommige ouders zorgt voor situaties waarin er geen enkele rekening wordt gehou­den met de noden van het kind. En ook: het is niet omdat iets niet een­voudig is dat we moeten laten om er advies over te geven. Als het voor ouders in bepaalde omstandigheden moeilijk is om structuur te bren­gen in het leven van hun kinderen, moeten we het dan maar laten? Ik vind dat een pessimistische houding waarbij ik mij niet wil neerleggen.

Als je alle variaties in opvoedstijl en dagelijkse schommeling bij elkaar neemt, zien we dat ongeveer de helft van het gedrag van ouders stabiele opvoedstijl is. Ouders verschillen dus in belangrijke mate van elkaar, en hun opvoedstijl heeft invloed op de ma­nier waarop hun kinderen zich ont­wikkelen en welzijn ervaren. Maar binnen het gedrag van één ouder zie je ook dat er ongeveer vijftig procent variatie zit. Dat is hoopgevend, want dat toont dat er ruimte is om te ver­anderen en te bewegen in de richting van meer autonomie-ondersteuning. Ouders ondersteunen om zich zelf goed in hun vel te voelen en zo ook hun kinderen meer autonomie-on­dersteunend op te voeden, dat is uit­eindelijk de bedoeling.”

Dit artikel verscheen in De Bond van 20 maart 2015