Praten met de duivel

Waarom onze demonen doodmaken ons geen beter mens maakt – integendeel

Yamie Fort_091 ed klein
(c) KV

 

Goed en kwaad zijn concepten waar ik al heel lang mee worstel. Mijn hele leven, denk ik.

Als jongere voelde ik me aangetrokken tot sommige van de meer duistere personages in verhalen. Tegelijk probeerde ik degenen die me afstootten aardig te vinden, of op zijn minst toch te begrijpen. Niemand, vond ik, werd met een slechte inborst geboren. Iedereen, in het echte leven en in boeken, kwam met een eigen verhaal, en hun beslissingen of gedrag moesten hun oorsprong vinden in eerdere ervaringen.

Zoals zovelen van ons hier in het Westen werden mijn opvattingen lange tijd beïnvloed door het christendom. In deze traditie zit het idee dat het goede uiteindelijk het kwade overwint er diep ingebakken. Hoewel ik in de regel streef naar meer harmonie en heelheid in mijzelf, sta ik intussen huiverig tegenover deze archetypische tweespalt waarbij de helft van het spectrum een vijand zou zijn die niet zozeer gerespecteerd of weerstaan moet worden, maar wel totaal vernietigd.

Ik vrees dat hier een van onze grootste misverstanden speelt.

Begrijp me niet verkeerd. Dit is geen pleidooi voor geweld of haat, voor liefdeloze ouders, sadistische leraren, genadeloze dictators of zieke geesten van wat voor allure dan ook. Ik geloof oprecht dat we allemaal beter af zijn als we ons gelukkig en gezond voelen, en onszelf en elkaar respecteren en graag zien.
Alleen denken we dat we een aantal dingen moeten vernietigen om dat punt te bereiken.

Jaren geleden volgde mijn moeder een opleiding rond persoonlijke ontwikkeling waar ze heel veel van opstak. Hoewel ik die bewuste cursus zelf niet ging volgen, plukte ik wel de vruchten van de ideeën die ze mee naar huis bracht. Een daarvan was het concept van ‘the Judge’.

We kennen hem allemaal. Sommigen noemen hem misschien de Innerlijke Criticus, anderen zien hem (of haar) als een ouder, een vroegere leerkracht, een bang of boos stuk van henzelf. Het is dat kleine, zeurende stemmetje in ons achterhoofd dat overal kritiek op heeft en ons er mentaal van langs geeft omdat we niet goed genoeg, dapper genoeg, sterk genoeg, mooi genoeg zijn, vergeleken met een of andere onhaalbare maatstaf.

Mama’s leraar in de opleiding zei haar: ‘Kill the f*cking Judge’. Hoewel hij helemaal gelijk had dat naar die innerlijke litanie luisteren en geloven wat ze zegt niets waardevols bijdraagt en ons alleen maar diep ongelukkig maakt, verlieten we in onze familie algauw zijn concrete aanpak. In plaats daarvan benaderde mijn moeder haar Judge op een andere manier. Ze kocht een snoezig kussentje, en stelde dat tentoon in de woonkamer als een decoratief element op een bijzettafeltje, een plek waar je het absoluut niet kon verwarren met iets om op te gaan zitten. Dit was de plek waar haar Judge zich mocht ontspannen en uitrusten, telkens als hij zijn opwachting maakte. In plaats van uit alle macht te proberen hem te doden, stond ze hem een adempauze toe en zei dat hij zich daar lekker mocht nestelen.

Ik hou van die tweede aanpak. Hoe makkelijk (of moeilijk) het ook is om onze angsten, fouten en innerlijke demonen onder ogen te zien, ik kan getuigen dat ze met mildheid benaderen een veel dieper en lonender traject is dan ze proberen uit te roeien. Ze zijn een deel van ons, en vaak hebben ze ons ook op een of andere manier geholpen, door ons te beschermen, te waarschuwen of ervoor te zorgen dat we twee keer nadachten. Vaak hadden ze helemaal niet de bedoeling de hinderlijke klieren te worden die ze nu zijn. Soms duwden we ze diep weg omdat we niet naar ze wilden kijken, en in het donker voedden ze zich met al wat ze konden vinden en groeiden uit tot iets kwaadaardigs en angstaanjagends, terwijl ze eigenlijk nog altijd hunkerden naar onze liefde en begrip.

Je heelt jezelf niet door de stukken van jezelf dood te maken die je niet aanstaan. Je vindt heelheid door goed naar ze te kijken en mild voor ze te zijn.

Hetzelfde geldt voor elk gevecht tussen het zogenaamde Goed en Kwaad.

 

Yamie Fort_069 ed klein
(c) KV

 

Het behoeft geen discussie dat sommige gedachten en daden ethisch mooier of gezonder zijn dan andere. We kunnen evenmin ontkennen dat sommige daden moreel verwerpelijk zijn en zorgen voor veel lijden. Maar door ze te behandelen als iets wat uitgeroeid moet worden, voeden we alleen hun verdedigingsmechanismen. En als we vasthouden aan onze missie om ze te vernietigen, worden we geen beter mens maar de koude, harteloze, onverzoenlijke versie van onszelf. In plaats daarvan zouden we beter op zoek gaan naar een mooi kussen.

En wanneer onze angsten en fouten, onze verborgen of minder fraaie aspecten en alles wat we verafschuwen aan onszelf of de wereld daar dan plaatsnemen, omdat we ze hebben uitgenodigd en ze voelen aan dat we te vertrouwen zijn, dan moeten we ook de moed hebben om ze in de ogen te kijken en een gesprek te beginnen.

Advertenties

Wat dacht je daarvan?

Angst, pathologisch puberen en blanke suprematie

So you found a girl who thinks really deep thoughts
What’s so amazing about really deep thoughts?
Boy, you best pray that I bleed real soon
How’s that thought for you?

(Je valt dus op een meisje dat heel diep nadenkt
Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken?
Gast, je hoopt maar beter dat mijn maandstonden snel beginnen
Wat dacht je daarvan?)

 

Ze zingt het al meer dan een week in mijn hoofd, Tori Amos. Ik hou al jaren van haar werk, en Silent All These Years is natuurlijk een klassieker. Maar als een fragment van een liedje onverwacht opduikt in mijn gedachten, zonder dat ik het nummer hoorde, dan wil dat meestal zeggen dat ik eens goed naar de tekst moet kijken omdat er een onbewuste boodschap aan mezelf achter zit.

Behalve mijn bewondering voor Amos’ meesterschap dat ze erin slaagt een compleet plot mét uitgewerkte personages te schetsen in amper vier regels, is wat mij het meeste treft aan dit stukje de gefrustreerde maturiteit van de vrouwelijke stem.

Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken? Als je een hart in je borstkas hebt en hersens in je kop, waarom zou je dan niet heel diep nadenken?
Ja, waarom niet? Als puber had ik nooit zo’n grote mond, maar ik herken wel dit gevoel.

Dagje Gent_023 zw ed
(c) KV

Ik oordeel niet, het is eerder een soort eenzaamheid, zoals die van een woudloper die een hoge bergpas oversteekt, en met iets van verlangen omkijkt naar de lichtjes in het dorp, veilig beschut in het dal. Zij die daar wonen, hebben geen idee van hoe het er hierboven uitziet, en ze kunnen of willen de tocht niet maken, en hij weet dat zijn thuis niet daar beneden ligt.

Er zijn maar weinig reizigers op dit bewuste pad, dus ja, het wordt wel eens eenzaam. Pas veel later leer je dat je alvast niet de enige bent, en dat er mensen zijn met wie je je verwant voelt, die de lucht op grote hoogte misschien niet op precies dezelfde manier inademen als jij, maar die weten hoe ze de hoge passen veilig kunnen oversteken, en die je binnenhalen als familie.

Dus nee, er is niets bijzonders aan heel diep nadenken. Het vraagt wel een specifiek soort inspanning (of moet ik zeggen: groeiproces?) om dat punt te bereiken, en sinds zoveel mensen het gevoel hebben dat die weg niets voor hen is (of ontmoedigd worden om eraan te beginnen) worden zij die er wel voor kiezen nogal eens bekeken met – in het gunstigste geval – verbazing en – in het slechtste – vijandigheid.

Waarom heb ik het hierover?
Ah, daar is die goeie ouwe Bill Plotkin weer.

Een confronterende uitspraak van deze dieptepsycholoog en wildernisgids is dat de westerse beschaving in zijn geheel de grootste moeite heeft om op te groeien voorbij het stadium van de adolescent. Adolescent in de betekenis van: de neiging hebben om te streven naar aanvaarding binnen de eigen kring, om helden en veroveringen te vereren, en om een onverzadigbare honger voor materieel comfort, erkenning en succes te stimuleren voorbij enige redelijk grens. Ik ben eerlijk gezegd geneigd hem gelijk te geven.

 

Net als zoveel anderen over de hele wereld was ik geschokt door wat er gebeurde in Charlottesville. Maar terwijl ik zat te kijken naar de Vice-reportage over de alt-right leidersfiguur Chris Cantwell had ik het gevoel dat ik Bill Plotkins stelling voor mijn ogen geïllustreerd zag.

1503067513518-Screen-Shot-2017-08-18-at-105506-AM.pngChris-Cantwell17-christopher-cantwell.nocrop.w710.h2147483647

Ik val niet voor clichés, zoveel moge ondertussen duidelijk zijn. En ik weet maar al te goed hoe kwaadheid in feite altijd een vermomming is voor iets wat veel dieper zit, en doorgaans kwetsbaar, bang en triest is. Maar toch dacht ik dat extreem gewelddadig of fascistisch denken een gezicht zou dragen dat leek op een kruising van Rocky en Darth Vader: macho, donker, sterk en totaal overtuigd van het geweld waarvan het doordrenkt was.

Maar de man die getoond werd in de documentaire was niets meer dan een puber. Niet qua leeftijd, uiteraard, en ik wil ook geen seconde suggereren dat hij onschuldig of ongevaarlijk is. Maar luister even niet naar alle vreselijks wat hij zegt, en zoom in op zijn non-verbale taal: de grimmige blikken, de grote mond, de triomfantelijke pose, het vermijden van oogcontact als hij een werkelijk confronterende vraag moet beantwoorden, het gezwaai met wapens… Ik heb precies dit soort gedrag (behalve de wapendracht, goddank!) gezien bij mijn stiefzonen, en bij de honderden leerlingen die ik in mijn jaren als leerkracht in de klas had. Dit is geen volwassen maar wel adolescent gedrag. Alles aan deze man roept: ik ben doodsbang, ik moet mezelf bewijzen en laten respecteren, en ik ga dat op zo’n luide manier doen dat ik er ook mijn eigen angst mee overschreeuw.
Zijn stoere façade verbrokkelde maar al te snel toen hij, als gevolg van de Vice-reportage, doodsbedreigingen ontving. Er zijn beelden waar je hem in tranen ziet, terwijl hij snottert hoe onschuldig hij wel niet is. Alweer: iedereen die een puber in huis heeft, zal dit tafereel al te herkenbaar vinden.

Maar goed, zelfs als veel haat eigenlijk puberale of kinderlijke angst in een agressief jasje is, wat dan nog?
Het houdt hier niet op, jammer genoeg.

In 2008 schreef Bill Plotkin in Nature and the Human Soul, in een passage waarbij hij het heeft over de ‘mannelijke’ (yang) kernkwaliteiten van sommige adolescenten, of dat nu jongens of meisjes zijn (hij heeft het later ook over hun ‘vrouwelijke’ (yin) tegenhangers, maar dat terzijde):

‘Tienerjongens en -meisjes met mannelijke kernen moeten slagen als puberheld. Tijdens het proces waarbij ze een authentieke manier proberen te ontwikkelen om sociaal aanvaard te worden, moeten ze zichzelf bewijzen door de wereld in te stormen, draken te doden en de verdrukten te redden. Of ze nu winnen of verliezen, hun oprechtheid of karakter worden gevormd in het heetst van de ‘strijd’. In posities van leiderschap of onderhandelingen zullen ze eerder de neiging hebben om met grote stelligheid posities in te nemen dan vragen te stellen.
Dat alles is normaal voor jongens en meisjes met mannelijke kernen, maar in een zielsgeoriënteerde omgeving is dit soort puberale heroïek uitgewerkt tegen de tijd dat de jongere een jaar of vijftien is. En zo hoort het ook. Als een man (of vrouw) van dertig jaar of ouder nog altijd bezig is zichzelf te bewijzen door zich te manifesteren als drakendoder, kan hij een ernstig gevaar betekenen voor zichzelf en anderen. Als hij aan het hoofd van een serieus leger of een groot bedrijf staat, kan hij enorm veel schade berokkenen. Als hij de opperbevelhebber is van een nucleaire supermacht kan hij de wereld zoals wij die kennen vernietigen.’

Van vooruitziendheid gesproken.

Ik ben beslist niet de eerste die schrijft dat er op dit eigenste moment een groot verwend kind het Witte Huis op stelten zet met zijn zoveelste woede-uitbarsting. De man die vandaag de controle heeft over de Amerikaanse kernkoppen is het levende bewijs van zowel Plotkins diagnose als zijn ergste nachtmerries.

Wat kunnen we hier in godsnaam tegenover stellen?

Maturiteit.
Diep nadenken.

Dagje Gent_012 cut
(c) KV

Het is een uitdaging die we moeten aangaan als samenleving, als wereldburgers. Dit gaat over onderdrukte groepen hun rechtmatige plaats laten innemen en voorheen gepriviligeerde groepen in contact brengen met hun gevoelens.
Dit gaat over opgroeien tot volwassenen, door onze angsten onder ogen te zien, ze te leren verwoorden en de verantwoordelijkheid te nemen voor alle ballast die we meesleuren van vorige generaties, omdat die ons inzicht nogal eens vervormt.

Dit gaat over volwassen worden en anderen helpen dat ook te doen.

Plotkin, nog een laatste keer:

‘Hoewel vrouwen minstens vijfduizend jaar lang ernstig onderdrukt zijn, en het vrouwelijke aspect voor minstens even lang onderdrukt is (in het bijzonder in mannen), is het probleem niet mannelijkheid maar veeleer immaturiteit. De oplossing is niet om het vrouwelijke belangrijker te maken dan het mannelijke, maar om een zielsgeoriënteerde samenleving te bouwen met meer volwassen mannen en vrouwen dan levenslange adolescenten.

Wat dacht je daarvan?

Onder het tapijt

De kracht van gesprekken met stekels

Is het mogelijk om te werken met wat er binnen in je leeft — angst, emoties, verlangens, oude gewoonten — als je nooit geleerd hebt om ze bewust te benoemen?

(c) KV

Het is een vraag waarop ik zit te kauwen als ik zie hoeveel mensen, in mijn ruimere familieomgeving en daarbuiten, worstelen om vat op zichzelf te krijgen, op hoe hun leven in elkaar zit en wat hun plek in de wereld is.

Wie mijn schrijfsels een beetje volgt, weet ondertussen wel dat ik datgene wat diep in ons fluistert en datgene wat rondwaart in de wereld om ons heen — eigenlijk alles, dus — benader met een houding van bewust begrijpen. Taal is mijn specifieke werktuig om wat ik observeer in een soort verhaal te gieten dat steek houdt voor mijzelf, en hopelijk ook voor anderen. Maar zelfs als ik geen schrijver was geworden, had ik nog de vruchten geplukt van mijn opvoeding.

In het gezin waar ik opgroeide, hechtten we veel waarde aan verbale communicatie. We waren waarschijnlijk nogal uitzonderlijk in dat opzicht. We leken alvast niet op families waar dingen diep gevoeld maar nooit uitgesproken werden. En zo waren er — en zijn er nog steeds — veel, geloof ik.

Onze keuken was de plek, en onze gezinsmaaltijden de gelegenheid, waar letterlijk alles op tafel kwam. Van gevoelige bekentenissen over emotionele analyses tot sekstips: we schrokken er niet voor terug of gingen er niet van blozen. Ik leerde al vroeg dat alles besproken kon worden, als je het maar op een respectvolle manier kon verwoorden. Ik leerde ook dat duelleren met woorden een manier was om je gevoelens naar buiten te laten komen, frustraties te ventileren, een mening te verduidelijken, en de dingen uit te klaren.

(c) KV

Als het uitdraait op een confrontatie kiezen veel (de meeste?) mensen gewoonlijk voor stilte. Stilte staat ons toe te doen alsof alles in orde is. Woorden lijken alleen conflict met zich mee te brengen, en verstoren de ‘rust’.
Maar een discussie was bij ons thuis nooit een conflict, laat staan een oorlog. Ja, soms kon zo’n gesprek wel eens prikken, maar het effect leek doorgaans meer op dat van ontsmetting op een wonde. Zo’n gesprek bracht zaken aan het licht die anders onder een of ander tapijt geveegd waren om de etteren en te rotten in het donker.

En uiteindelijk werd iedereen er beter van. We leerden dat je woorden niet hoefde te vrezen, dat ze machtig mooie bruggen konden bouwen tussen mensen, en dat ze een betrouwbaar cement waren voor gevoelens.

Natuurlijk verliep niet elk gesprek vlekkeloos, en soms werden er mensen gekwetst. Maar opgroeien in een nest waar je op alle mogelijke manieren aangemoedigd werd om op een verbale manier je plaats in te nemen, betekende ook dat een gesprek altijd opnieuw geopend kon worden.

Dus kijk ik met een ingewikkelde mengeling van medelijden, ongeloof en oprecht gebrek aan begrip naar de vele mensen om me heen die langzaam verdrinken in hun verdriet, stikken in hun frustraties en afglijden in een depressie zonder ooit echt te begrijpen wat er met hen aan de hand is of waar zich een uitweg bevindt.

(c) KV

Ik wil niet oordelen. Hier passen geen veroordelende vingers. Ik vraag me alleen oprecht af: kan je aan de slag gaan met een emotie die je van binnenuit opvreet (woede, bijvoorbeeld, of angst of verdriet) als je nooit geleerd hebt om die te benoemen, laat staan te uiten? Is er een manier om tot een vorm van begrip te komen voor jezelf en er constructief mee te werken in de wereld? Of zal het altijd dat ongrijpbare gevoel zijn dat je niet echt kunt duiden maar dat je onbewust aandrijft en je kanten op stuurt waar je eigenlijk nooit heen wilde?

Toen ik het erover had met mijn man, zei die: als iemand die depressief is nooit geleerd heeft om over zijn gevoelens te praten, dan help je hem niet door hem te vragen dat eerst te leren doen, voor hij zijn depressie aanpakt. Dat zou zoiets zijn als eerst een volslagen nieuwe taal machtig worden voor je een probleem aanpakt dat je nu al niet kunt overzien. Je moet andere, non-verbale manieren vinden om hem te bereiken.

Ik denk dat hij gelijk heeft — jammer genoeg. Maar dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen onze kinderen — of onszelf — te leren werken met de verbale aspecten van inzicht en communicatie. Anders lopen we maar op één been.

(c) KV

Ik vind dat ik dat mag zeggen, want ik heb dezelfde ervaring gehad, maar dan van de tegenovergestelde kant. Een neveneffect van onze zeer verbale opvoeding was dat we in ons gezin niet erg bedreven waren in de kunst van de non-verbale communicatie. Ons familiemotto ging ongeveer als volgt: “Als je het mij niet vertelt, hoe kan ik dat weten wat er scheelt?”

Onnodig te zeggen dat ik in loop van mijn leven tegen een paar weinig vergevingsgezinde muren ben geknald, aangezien nogal wat mensen doorgaans niet willen vertellen wat er scheelt, en ik niet bepaald had geleerd om hun subtiele, onuitgesproken signalen op te pikken. In sommige kringen leverde me dat de reputatie op oppervlakkig, lomp en grof te zijn.
Het ondermijnde mijn zelfvertrouwen. Als je vroeg of je een handje kon helpen in de keuken en het antwoord was ‘nee’, hoe werd je dan verondersteld te weten dat het eigenlijk ‘ja’ wilde zeggen? Ik begreep ook niet waarom de temperatuur in de kamer dan plots een paar graden leek te dalen. En niemand gaf uitleg.

Ik heb een lange weg afgelegd in het aanleren van non-verbale taal, en ik heb die les op de harde manier geleerd, maar ik ben er nu tot op zekere hoogte bedreven in. Ik word nooit zo vloeiend als iemand die het leerde als ‘moedertaal’, maar dat vind ik niet erg. Ik koester nog steeds verbale communicatie boven alle andere vormen, zeker in tijden van conflict. En ik geloof dat het op zijn minst zo heilzaam zou zijn voor een heel grote groep mensen om hun gevoelens onder woorden te leren brengen als het voor mij was om te leren dat niet te doen.

(c) KV

 

Echte mannen huilen wél

Nog lang niet alle glazen plafonds zijn doorbroken, maar vrouwen zijn in de westerse samenleving aan een gestage opmars bezig. Tegelijk zien we dat mannen oververtegenwoordigd zijn in de statistieken van misdaad, zelfmoord, dakloosheid en hartkwalen. Bij het diagnosticeren van depressies blijven ze verontrustend laag onder de radar.

Het lijkt op het eerste zicht misschien wat vreemd om ons zorgen te maken over het welzijn van mannen, nu vrouwen eindelijk goed bezig zijn na eeuwen van tweederangsburgerschap een even­waardige plaats in te nemen. Hebben mannen het gewoon niet wat moeilijk met opschuiven en een stukje prijsgeven van het terrein dat hen van ouds­her toekwam om geen andere reden dan dat ze mannen waren?

Die redenering mag goed klinken, maar ze is te sim­plistisch. Er wordt aan de alarmbel getrokken door sociologen, psychologen én door mannen zelf – als die zichzelf dat toestaan. En het is niet verstandig om deze noodsignalen schouderophalend naast ons neer te leggen.

Schoolfeest Sobran 305.JPG

In de prullenbak

Onze samenleving is in de laatste honderdvijftig jaar ingrijpender veranderd dan in alle eeuwen sinds de uitvinding van de landbouw bij elkaar, schrijft BBC-documentairemaker Tim Samuels in Waar is mijn speer. En een aantal van die verande­ringen zetten de behoeften van steeds meer man­nen zwaar onder druk. Samuels mocht in het kader van zijn werk al een blik werpen op plekken die voor veel gewone stervelingen minder evident zijn. (Wij waren alvast nog niet op een workshop ‘vrou­wen aanspreken’ of achter de schermen van een commerciële pornofilmset geweest.) Op andere momenten spreekt Samuels dan weer uit eigen er­varing, en toont zich daarbij opvallend kwetsbaar. Alles bij elkaar biedt zijn boek een verrijkende in­kijk in het hoofd (en de buik) van ‘de man’ – al is het ten allen tijde opletten geblazen met stereotypen, want niet alles gaat in gelijke mate op voor iedereen.

Hebben mannen het gewoon
niet wat moeilijk
met het prijsgeven van een stukje terrein?

De ‘oude’ mannelijke waarden van superioriteit, dominantie en maatschappelijk succes als belo­ning voor hard werk zijn in de westerse samenle­ving naar de prullenbak verwezen. Mannen weten zich verdreven van hun plek bovenaan de voedsel­piramide, en daar blijft het niet bij. Van alle kanten wordt volgens Samuels aan het mentale en fysieke evenwicht van mannen geknaagd. Een partner vin­den waar je tevreden mee bent en een gezin mee wilt stichten, komt hem met de eindeloze stroom mogelijke keuzes via datingsites op het internet voor als een zoektocht naar een speld in een hooi­berg, met torenhoge en verlammende twijfels er bovenop (is er toch niet nóg iemand beter, als ik nog wat langer wacht?). De geest- en emotiedodende routine van het onpersoonlijke kantoorland­schap en het schrijnend tekort aan gezonde fysieke uitlaatkleppen zet­ten veel mannen verder onder druk. De groeiende werkloosheid knaagt aan de zelfwaarde van wie nog altijd te horen krijgen dat hij moet kunnen instaan voor zijn gezin. De misse­lijkmakende bandeloosheid van de moderne porno-industrie ontwricht het gezonde seksuele evenwicht van een hele generatie.

Voor de duidelijkheid – een punt dat ook Samuels meermaals beklem­toont: de problemen van mannen belichten en bespreekbaar maken, is geen kruistocht tegen vrouwen of hun rechten. De vervrouwelijking van een aantal aspecten van de sa­menleving staat niet ter discussie. Wel is het zo dat de opkomst van steeds meer sterke, mondige vrou­wen, ook in leidinggevende functies, een extra facet is dat sommige man­nen verder uit hun evenwicht brengt. De oplossing hiervoor is uiteraard niet vrouwen terug naar de haard te sturen. Maar het betekent wel dat er ándere antwoorden gegeven moeten worden op hoe mannen vandaag hun ambities en behoeften kunnen bevredigen. En die antwoorden zijn er op dit moment vaak niet. Ge­vangen tussen steeds knellender maatschappelijke maatstaven enerzijds en oneindige keuzes ander­zijds, raken mannen het spoor bijster, stelt Samuels. De desastreuze resultaten daarvan zien we steeds duidelijker.

Schokgolf

‘Onderdrukte masculiniteit kan op individueel ni­veau leiden tot mannelijk zelfdestructief gedrag als overmatig drankgebruik, van school getrapt wor­den en het weigeren van psychologische hulp, maar ik durf te suggereren dat ook de huidige opkomst van IS er deels op terug te voeren is. Op een gruwe­lijk toxisch mengsel van mannelijke vervreemding en een bastaardvorm van religieus extremisme,’ schrijft Samuels. ‘De jongeman in Portsmouth die zijn Primark-uniform verruilt voor een legeruni­form in Syrië, zijn saaie kantoorbestaan (en onge­twijfeld ook zijn seksuele frustraties) in een buiten­wijk achter zich laat om samen met zijn broeders de wapens op te nemen, jaagt zeker ook een illu­sie van mannelijkheid na. In alle Europese landen waar mannen niet de economische middelen heb­ben om zichzelf als man te bewijzen, groeien de extremistische partijen.’

Een vrij gelijklopend profiel – dat uiteraard ver­schilt al naar gelang de precieze context – zien we bij het Britse kiespubliek dat voor de Brexit stemde, en bij de verarmde en verbitterde Amerikaanse aanhangers van de volgende president van de VS, Donald Trump. Die laatste lijkt bij momenten wel een soort uithangbord van het oude, patriarchale wereldbeeld met de blanke man als dominant en superieur centrum van het universum. Hij valt daardoor niet alleen in de smaak bij groeperingen als de Ku Klux Clan; een aantal van zijn uitspraken wekken ook de indruk dat hij het zacht gezegd niet erg nauw neemt met de rechten van vrouwen.

Trumps verkiezing zond een schokgolf van ontzet­ting door de Westerse wereld, en niet alleen om wie hij is en hoe hij zich gedraagt. Het feit dat de helft van de Amerikaanse kiezers geen punt maakt van zijn racistische en misogyne uitlatingen is min­stens even verontrustend.

Waar is mijn speer verscheen ruim voor de Ameri­kaanse verkiezingen, maar Samuels woorden klin­ken profetisch: ‘Mislukking, of het idee dat je mis­lukt ben, leidt niet alleen tot een innerlijke ‘crisis’, er komt ook een naar buiten gerichte energie bij vrij: woede. En deze woede is momenteel bijzonder actueel onder blanke mannen, die er altijd van zijn uitgegaan dat de maatschappij en het succes hen toebehoort. Een woede die de schuld aan anderen geeft, vaak aan hen die als obstakels of rivalen voor het eigen beroepsmatig succes worden beschouwd – immigranten, vrouwen, de scherpslijpers van de politieke correctheid – een woede die zich vaak tot extremistische politiek aangetrokken voelt.’

‘Verman je!’

De patriarchale hiërarchie, waarvan iemand als Trump bij momenten de belichaming lijkt, is niet alleen schadelijk voor de vrouwen en minderhe­den – die het doelwit worden van de ‘boze blanke man’ die zijn dominantie wil laten gelden – maar ook voor mannen zelf.

IMG_9911.JPG

Wetenschappers hebben het daarbij over toxic masculinity. Die ‘giftige mannelijkheid’ houdt niet alleen verband met de clichématige ideaalbeel­den die we tot op vandaag ophangen over mannen (stoer, onafhankelijk, kostwinner, overwinnaar), maar ook met de manier waarop we, meestal zon­der het zelf te beseffen, jongens vaak nog altijd con­sequent anders benaderen dan meisjes. Zo verwijst de Amerikaanse psycholoog en gezinstherapeut Terry Real naar onderzoek dat aantoont hoe ouders de neiging hebben om identiek hetzelfde gedrag anders te interpreteren, al naar gelang het geslacht van het kind. Als ze een huilende baby te zien kre­gen waarvan gezegd werd dat het een meisje was, omschreven proefpersonen het kind als ‘bang’. Als ze te horen kregen dat het een jongen was, beoor­deelden ze het gehuil als ‘boos’. Een bang kind ga je sneller troosten dan een boos kind. Van de aller­prilste leeftijd krijgen jongens dus vaak, onbewust en onbedoeld, minder koesterende en empathische signalen van ouders en opvoeders, wat hun emotionele en sociale ontwikkeling mee bepaalt.

Als daar dan ook nog conditionering bij komt met terechtwijzingen als ‘verman je’ of ‘jongens hui­len niet’, ontstaat een situatie waarin alles wat doorgaat voor ‘vrouwelijke’ kenmerken, zoals in contact staan met je emoties, uiten wat je voelt en erover durven praten (Real noemt dat menselijke kenmerken) voor jongens taboe wordt. Zodra er afgeweken wordt van het stereotiepe beeld, komt de mannelijkheid in het gedrang, en tot op vandaag wordt veel jongens van kleins af aangeleerd dat ze een fundamenteel stuk van zichzelf moeten onder­drukken.

De enige emotie die mannen in een genderstereo­tiepe opvoeding of samenleving wél mogen tonen, is woede of agressie. Het mag dan ook niet verras­sen dat mannen vaak veel agressiever uit de hoek komen dan vrouwen. Real maakt zich sterk dat een deel van de gewelddadigheid van mannen als een sociologische groep in feite een acting-out is van onderliggende depressieve gevoelens waar ze geen andere uitlaatklep voor hebben, gevoelens waar ze door de jarenlange sociale conditionering vaak niet eens meer bewust contact mee kunnen maken.

Veel jongens wordt van kleins af
aangeleerd dat ze een
fundamenteel stuk van zichzelf
moeten onderdrukken

De Amerikaanse auteur en opvoeder Tony Porter, die zich inzet voor de rechten van vrouwen en minderheden, beschreef in een beklemmende TED Talk hoe hij zelf als zwarte jongen ‘gesocialiseerd’ werd door de macho-cultuur van de achterstands­wijk waar hij opgroeide. Hij betrapte zichzelf erop dat hij zijn zoon en zijn dochter anders behandelde, en dat hij bezig was een aantal van dezelfde onge­zonde stereotypen die hem zo getekend hadden aan zijn zoon door te geven, en gooide zijn benade­ring om. Giftige mannelijkheid houdt ons voor, ver­telt Porter, ‘dat mannen het voor het zeggen heb­ben, en vrouwen dus niet; dat mannen de leiding nemen en dat je dus maar gewoon moet gehoorza­men en doen wat ze zeggen; dat mannen superieur zijn en vrouwen minderwaardig.’ Andere kenmer­ken zijn het aanmoedigen van geweld (wat je in zijn extreemste vorm vaak aantreft bij straatben­des), het taboe op zwakte tonen en hulp zoeken, het demoniseren van alles wat beschouwd wordt als ‘vrouwelijke’ kenmerken, en de minachting voor iedereen die die tentoonspreidt. Deze houding ver­klaart voor een belangrijk stuk de diepgewortelde en steeds terugkerende problematiek van zowel homofobie als verkrachting, waar zoveel mensen in onze samenleving nog dagelijks het slachtoffer van worden. Giftige mannelijkheid is dus schade­lijk voor álle partijen: jongens worden er emotio­neel door ontmenselijkt, vrouwen en minderheden komen erdoor in gevaar.

Wat kunnen we daar als samenleving tegenover stellen? Tim Samuels breekt een lans (of moeten we zeggen: een speer?) voor dingen die mannen op een positieve manier in hun waardigheid laten, én hen tot gezonde rolmodellen maken voor hun kinderen. Denken we maar aan: jongens de ruimte laten om in contact te komen met hun gevoelens, vaders sociaal of financieel niet discrimineren in hun kansen om voor hun kinderen te zorgen, jon­gens en mannen de kans geven om ‘onder vrienden’ gezonde broederschapsbanden te ontwikkelen en hun nood aan meer fysieke uitlaatkleppen te kana­liseren in sport, contact met de natuur of nuttige fysieke activiteiten.

Dat zijn dingen waar mannen zich bewust van moeten zijn, maar waar ook vrouwen (als moeders en partners) een belangrijke rol kunnen spelen. Als we het serieus menen met het gevecht voor een sa­menleving van gelijke rechten en gelijke kansen, is meewerken aan het neerhalen van de giftige ste­reotypering rond mannen wellicht een van de be­langrijkste dingen die we kunnen doen.

Schoolfeest Sobran 312.JPG

 

 

Dit stuk verschijnt in De Bond van 2 december 2016

Dromen van de werkelijkheid

De ene na de andere digitale mediatitel grijnst me tegemoet.

K&C Versailles 232.JPG

‘Zes manieren om goede kinderen op te voeden’
‘Een goede relatie met je baas en je collega’s helpt burn-out voorkomen’
‘Trump stelt klimaatontkenner aan als minister van Milieu’
‘Protest tegen oliepijplijn wordt bitsiger’
‘Eén op tien ouders kampt met parentale burn-out’
‘Waarom we minder zouden moeten gaan werken’

Stop.

Kunnen we alsjeblieft de waan van de dag laten voor wat hij is? Van de onnozelste lifestyle-tip tot de ernstigste internationale ontwikkeling: zowat alles wat er te lezen valt in de krant illustreert het ontstellende feit dat we vergeten zijn dat het enige wat we hier op deze planeet moeten doen, niet meer of niet minder is dan leven.

We willen ’s morgens opstaan en een ontbijt nemen. We willen onze kinderen naar school brengen zonder dat we hen moeten afsnauwen dat ze zich moeten haasten.
We willen ons in de loop van de dag bezighouden met werk dat we interessant vinden, aan een haalbaar tempo.
We willen ’s avonds de kinderen opnieuw van school gaan afhalen, liefst niet op een uur dat ze eigenlijk al bijna in bed zouden moeten liggen, en rustig met hen hun huiswerk maken, nog wat spelen, eten, voorlezen, genieten.
We willen graag vrienden ontmoeten, voor een gesprek, een glas, een concert of een film.
We willen schone lucht inademen, en gezond voedsel eten.
We willen op tijd kunnen ontspannen en even tot onszelf komen.
We willen ruimte voor de mensen die we liefhebben, in ons gezin, in onze familie, in onze bredere vriendenkring.
We willen samen gelukkig zijn en iets moois van dit leven maken.
We willen dat onze kinderen zich ontplooien en opgroeien tot evenwichtige volwassenen in een veilige wereld.

We willen, hopelijk, dat andere mensen en hun kinderen dit ook kunnen.

Als we elke politieke of economische beslissing die ingaat tegen die eenvoudige en menselijke noden nu eens naar de prullenbak zouden verwijzen?
Als we nu eens werkelijk met ons hart én ons verstand zouden beginnen beslissen wat goed voor ons is, in plaats van voor de gemakkelijkheid achter de grootste brulaap aan te lopen?

Een paar dagen geleden mocht ik deelnemen aan een rondetafelgesprek naar aanleiding van vijfhonderd jaar Utopia. Dromen van een betere wereld mag, nietwaar?

img_0568-ed-cut

Laten we voor een keer nu eens beginnen dromen van een betere werkelijkheid.

De stem van de boer

In jou leeft een stukje van alle generaties die voor jou kwamen, stelt de Amerikaanse manueel therapeute Tami Lynn Kent. Je genetische en emotionele erfenis – van vaders- en moederkant – komt op onverwachte momenten in jou tot uiting. Leer je voorouders en hun geschiedenis kennen, en je leert ook iets over jezelf.

Kent heeft het haar levensmissie gemaakt om vrouwen te helpen beter thuis te komen in hun bekkenbodem, en zichzelf. Daarvoor gebruikt ze een medische geschoolde benadering, maar ook haar vermogen om ‘energiestromen’ in het menselijk lichaam te observeren en te beïnvloeden. Haar boek Wild Feminine leest als een bizarre maar bijzonder krachtige mix van hands-on fysieke therapie (vaginale massage, iemand?) en diep psychologisch en spiritueel inzicht, en is zonder twijfelen een van interessantste boeken die ik dit jaar onder ogen kreeg.

Watermolen_007.JPG

Ik heb mij altijd meer verbonden gevoeld met de familie van mijn moeder. Dat klinkt mooi, maar eigenlijk bedoel ik daar alleen mijn grootouders langs moederskant mee, de mensen bij wie ik opgroeide, en die als een koppel schaduwouders achter mijn eigen ouders stonden, met alle voor- en nadelen van dien voor een kind dat vier opvoeders heeft. Maar het is dus niet gek dat ik een veel hechtere band had met hen dan met de ouders van mijn vader, een weinig hartelijk koppel zelfstandigen die zich hadden laten bedriegen door een familielid en straatarm eindigden op een piepklein appartement, bitter en uitgeblust vóór hun tijd, en op latere leeftijd allebei dement.

Vaderskant was evenwel rijk aan neven en nichten, oudooms, -tantes en aangetrouwden die na het bijleggen van een jarenlange familievete (de protagonisten van de vorige generatie eenmaal overleden) van elke begrafenis een bonte en hartelijke gelegenheid maakten. Ik vond al die mensen aardig, maar ik stond er doorgaans bij als een krampachtig glimlachende buitenstaander. Thuiskomen? Dat gebeurde pas als ik van zo’n feestje weer naar huis kon.

Mijn vader en ik delen een liefde voor fotografie en het geschreven, raak gekozen woord. Maar zijn sympathie voor stambomen heb ik niet geërfd. Van op de zijlijn liet ik dus de nieuwtjes over me heen gaan van hoever een of andere neef ondertussen gevorderd was in het familiale stamboomonderzoek. Tot een eind in de zeventiende eeuw of zo – niet slecht. Maar al bij al weinig opwindend: generatie na generatie cultivateur in de streek rond Geraardsbergen. Een stamboom vol boeren, tja. Kun je in Vlaanderen iets anders verwachten? Van vader op zoon zwoegen op het land, en met kromgetrokken rug en kapotte gewrichten sterven in bescheidenheid, zo niet armoede, in de schaduw van alsmaar dezelfde kerktoren. Was dit een embleem om trots op te zijn?

Van de kant van mijn fijnbesnaarde grootmoeder langs moederskant kreeg ik mijn liefde voor muziek en kunst mee. Haar man, mijn grootvader, leverde het onderwijzersbloed en het beruchte temperament van de Bruylanden, dat in mij afgezwakt is tot geen blad voor de mond nemen en rechttoe-rechtaan zeggen waar het op staat. Ik heb lang gedacht dat dat de enige familie-erfenis was die ik nodig had. Het was ook de enige waar ik voeling mee had.

Nu denk ik daar anders over.

Hemel_060 ed.jpg

Ik heb mezelf er al vaker op betrapt. Bij het luisteren naar commentaren van economen over ‘marktwaarde’ van producten, bij het lezen over de digitale ratrace, het volgen van debatten over de voordelen van mondialisering. Ik voel hoe een diepe argwaan de kop opsteekt. Er zit een oude landbouwer in mij, die zijn hoofd schudt en zegt: kom van die wolk en kijk naar de grond onder je voeten. Hij zegt: iets is in essentie precies zoveel waard als het werk dat je erin hebt gestoken om het te maken, of de tijd die het nodig heeft gehad om te groeien, en niet wat de mensen ervan vinden. Luister naar je lichaam, luister naar de seizoenen. Dát zijn de ritmes die ertoe doen, de hartslag van de wereld. Al het andere is een zeepbel van hoogmoed.

Het zijn gevoelens die ik al langer hoog houd. Ze vormen mijn kompas in een stormachtige wereld van alsmaar meer, sneller, beter, mooier, en zorgen ervoor dat ik sommige vereisten van me af kan schudden als de illusies die ze in feite zijn.

Ik ben een kind van mijn tijd, en ja, ik vind het fijn dat de wereld een dorp is, en dat steeds meer dingen mogelijk worden. Ik wil de planeet binnenlaten in al haar kleuren en geuren, en opstaan voor zoveel mogelijk nieuwe indrukken.

Maar iets in mij zegt regelmatig: stop. Steek je wortels in de grond. Blijf bij jezelf. Adem diep in en uit, en weet dat jouw lichaam, en jouw leven op deze precieze plaats, uiteindelijk nog altijd de enige concrete ankerpunten zijn die je hebt.

Het is de stem van die oude landbouwer die ik hoor, van die hele afstamming van boeren met gezond verstand, die wisten wat het was om met hun lijf – en met het land – precies die dingen tot stand te brengen die ze nodig hadden om te overleven.

Het is herfst, oogsttijd. En misschien dus ook het moment om een kleine hulde te brengen aan de voorouders die daar het meest van afwisten.

Watermolen_200.JPG

Het einde van de autoriteit

Ik trof een rumoerige troep leerlingen uit het lager middelbaar op het station. Als duiven zwermden ze uit over het perron en omsingelden pendelaars die rustig zaten te wachten op hun trein. Een plek die juist daarvoor nog vredevol was geweest, had plots iets weg van een belegering.

Het ging spontaan, zoals dat alleen kan met een vertrouwd patroon: de leerkracht in mij werd wakker. Ik richtte me net iets meer op, mijn stem werd iets lager, en ik sprak met het vriendelijk soort gezag dat respect verwachtte. En… er gebeurde niets. Ze haalden hun schouders op en gingen gewoon door.

Ik had een leuke babbel met hun leerkrachten terwijl we stonden te wachten op onze trein – gelukkig niet dezelfde – en ik betrapte mezelf op de gedachte: ik zou dit echt niet meer kunnen. Zelfs niet als ze me dubbel betaalden. Later, op weg naar Brussel, probeerde ik met mezelf in het reine te komen.

krummi-tuin_028-ed

Het was me opgevallen hoe uitgesproken mannelijk de energie wel was die ik even daarvoor had opgeroepen. Als leerkracht was ik altijd gegaan voor een meer mannelijke aanpak, maar ondertussen was ik geëvolueerd. Zwanger worden was het beslissende kantelpunt geweest, en vanuit de bewuste evenwichtige samenwerking die ik ondertussen had tussen mijn mannelijke en vrouwelijke aspecten, trof het me hoe diep ik jarenlang geput had uit het mannelijk om mijn job te kunnen uitvoeren.

Mijn tweede vaststelling was: dit stuk van mijn leven is echt wel voorbij, zowel wat betreft de job als de mannelijke aanpak. Die oude kracht opnieuw proberen op te roepen, lukte alleen op pure wilskracht. Zoveel had mijn aanvaring van tien seconden op het perron me geleerd, en elke vezel in mijn lijf kwam in opstand.

Ten slotte kon ik ook niet naast me neerleggen hoezeer de reactie van de jongeren me gestoord had. Het schouderophalen, de grote mond, het totale gebrek aan respect.

Oh help, ik weet het. Ik klink als een zuur oud mens.

Ik heb mijn leerlingen altijd serieus genomen. Ik heb ten andere elk kind dat ik ooit ontmoette serieus genomen, als een individu dat respect en erkenning verdient omwille van zichzelf, wat zijn leeftijd ook is.
Maar ik herinner me wel dat ik de frustratie deelde van een bevriende auteur die literatuurlessen gaf aan volwassenen, en in zijn klas geconfronteerd werd met cursisten die in twijfel trokken wat hij vertelde. Zijn benadering (“Ik ben de expert in deze kamer. Als je iets wil leren over literatuur, hou je je amateuristische ideeën maar voor jezelf en luister je naar wat ik te vertellen heb.”) is me misschien iets te autoritair, maar voor een deel ben ik het wel met hem eens.
Leerkrachten zijn experten in hun vak. Leerlingen hoeven niet te knielen in het stof omwille van een of ander abstract soort ‘respect’, maar ze zouden wel mogen inzien dat ze nog heel veel te leren hebben, en dat de persoon vooraan in de klas kan bogen op levenslange ervaring in zijn vakgebied.

Het zou wellicht makkelijker zijn als we karate-senseis waren. In de dojo komt een pupil die een grote mond opzet of de richtlijnen van de meester negeert snel onzacht in aanraking met de tatami. Jammer genoeg kunnen gewone leerkrachten ‘alleen maar’ meesterschap voorleggen in wiskunde of lezen en schrijven. Het zorgt voor een zekere machteloosheid tegenover een troep bavianen die besloten hebben dat wat jij te vertellen hebt niet op hen van toepassing is.

Maar – zoals altijd kies ik partij voor de leerling, nog steeds – kunnen we hen dat kwalijk nemen? In tegenstelling tot de ambitieuze karateka’s of de volwassenen in de literatuurlessen van mijn bevriende schrijver hebben deze jongeren er niet zelf voor gekozen om deze lessen te volgen. Meestal willen ze zelfs helemaal niet naar school. Maar ze zijn wettelijk verplicht en dus moeten ze wel opdagen. Vaak hebben ze weinig of geen interesse (en hebben ze dus even weinig motivatie) voor wat hen daar wordt aangeboden, en dan wordt het natuurlijk ook heel moeilijk om leerkrachten te zien als gezagsfiguren die respect verdienen.
En zo wordt wat een wederzijds verrijkende ervaring had kunnen zijn maar al te vaak een knokpartij om het overwicht.

Ik ben jaren geleden gestopt met lesgeven, mijn beste beslissing ooit. Ik kreeg vaak te horen dat ik een heel goede leerkracht was. En ik denk nog altijd dat dat klopt, maar het vroeg alle wilskracht – en alle mannelijke kracht – die ik in me had. Dertien jaar lesgeven keerden mij binnenstebuiten en lieten me opgebrand achter.

Ik wenste mezelf iets beters toe. Dus ik stopte met school en ging op zoek naar evenwichtiger en gezondere bezigheden.
De rumoerige adolescenten op het perron kunnen niet stoppen met school, tenzij ze ervoor betalen met hun toekomst.
Ik wens hen ook iets beter toe.

 

“Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd”

“Niemand wordt als extremist geboren. Je wordt als mens geboren. Maar je moet je ook willen ontwikkelen.” Aan het woord is Montasser AlDe’emeh. De Palestijnse Belg is stilaan niet meer uit de media weg te branden. Weken voor de aanslagen in Parijs en Beiroet de wereld schokten, hadden wij al een lang gesprek met de bijna-jihadi die transformeerde tot bruggenbouwer.

Je zou het levensverhaal van Montasser AlDe’emeh kunnen samenvatten in één surrealistische frase: van jonge geradicaliseerde moslim tot gerespecteerd jihad-expert. Amper zevenentwintig is hij, maar de man heeft al een indrukwekkend parcours achter de rug.
AlDe’emeh werd geboren in een Jordaans vluchtelingenkamp, als jongste kind van een uit Palestina verdreven gezin. Hij groeide op in Vlaanderen en had jarenlang het gevoel tussen twee culturen te vallen, gesteund in zijn haat- en wraakgevoelens door zijn verbitterde vader, niet begrepen door een samenleving die moslims na 9/11 dwong om kant te kiezen maar hen tegelijk bleef uitspuwen. Als adolescent dweepte hij met Bin Laden, luisterde naar toespraken van haatpredikers en stond op zeker moment letterlijk klaar om te vertrekken naar Palestina en de wapens op te nemen. Maar hij slaagde erin een bocht te maken. Een begripvolle schooldirectie en een reis naar Auschwitz zetten de deur naar empathie en inzicht op een kier. Universitaire studies brachten hem kennis over de geschiedenis en de achtergronden van de islam en Israël. Hij trok zichzelf aan de haren uit het moeras van de haat, vastbesloten om open te staan voor nieuwe vormen van kennis, en om anderen niet langer als vijanden te verwerpen maar als medemensen tegemoet te treden.

AlDe’emehs verhaal van wat hij zijn spirituele transformatie noemt, staat opgetekend in De Jihadkaravaan, het boek dat hij samen met journalist Pieter Stockmans schreef. Het is een absolute must-read voor wie de innerlijke beweegredenen van jonge geradicaliseerde moslims wil begrijpen en tegelijk een degelijk inzicht wil krijgen in de lappendeken van strijdende facties in het Midden-Oosten. Sommige passages zijn confronterend, zoals die over zijn verblijf bij Belgische strijders in Syrië (in het kader van zijn onderzoek naar radicaliserende jongeren). AlDe’emeh houdt tot op de dag van vandaag contact met jihadi’s aan het front en met anderen die terugkeerden naar België en probeert hen een pad naar meer kennis en kritisch inzicht te tonen.

Primaire bronnen
“Er is niet één reden waarom jongeren terugkeren uit Syrië”, weet AlDe’emeh. “Sommigen dachten daar hun idealen en hun identiteit te vinden en dat bleek niet zo te zijn. Sommigen wilden vechten tegen Assad en belandden in conflicten tussen soennitische groepen onderling. Voor anderen is het moeilijk om te overleven in oorlogsgebied op een blikje tonijn en een stuk brood per dag. Sommigen missen hun families, of zijn te gehecht aan de Belgische samenleving, iets wat ze eigenlijk nooit beseften.
Je kan oordelen over hun daden en zeggen: wij vinden het niet correct als je gaat vechten bij een militie die de mensenrechten schendt. Maar het komt er volgens mij wel op aan om te willen begrijpen wat hen tot hun beslissing gedreven heeft, en samen tot een oplossing trachten te komen. Voor alle duidelijkheid: de jongeren die ik begeleid, zijn geen jongeren die vastzitten of met niemand contact mogen hebben. Als ik hen begeleid, doe ik dat omdat ik denk dat ze met frustraties zitten, daar verschrikkelijke dingen hebben gezien en iemand nodig hebben die naar hen luistert zonder te oordelen. Ik probeer hen kennis aan te reiken, zodat ze wat genuanceerder naar het leven kijken. Ik zeg niet: ‘Je bent fout’. Ik zeg: ‘Lees dit. Deze bronnen zijn primair en geloofwaardig. In de boeken waarop jij je beroept staat wat anders.’ Wie religieuze argumenten gebruikt om zijn vertrek naar Syrië te verantwoorden, moet met andere religieuze kennis worden bereikt. Nu gebeurt dat vaak niet. We behandelen hen als psychopaten.”
(nvdr: ondertussen heeft AlDe’emeh wel besloten om jongeren die na de aanslagen in Parijs nog naar Syrië vertrekken, niet meer te begeleiden. “Wie nu nog vertrekt, weet heel goed bij wat voor soort organisatie hij zich aansluit en mag niet meer binnengelaten worden. Het gevaar voor aanslagen is te groot.”)

Een liefdevolle militaire leider
Recent merkte terrorisme-expert en professor internationale politiek Rik Coolsaet (UGent) op dat het begeleiden van teruggekeerde Syriëstrijders sterk individueel zou moeten aangepakt worden, en dat de eenheidsworst van de overheid om die reden faalt. Bovendien is repressie vaak niet het beste antwoord op de vertwijfeling en frustratie die hen tot het extreem gedrag aanzette.
AlDe’emeh: “De grote meerderheid van de Syriëstrijders is tussen de zestien en zesentwintig jaar. Jongeren zijn vatbaar voor radicalisme. Ze zijn in volle ontwikkeling, begeleiding is dus heel belangrijk. Daar loopt het op verschillende fronten fout, zowel thuis, in de moslimgemeenschap als in de bredere samenleving. Bovendien speelt ook het feit mee dat jongeren niet weten wanneer ze geaccepteerd zullen worden. Ze vallen letterlijk in de kloof tussen twee culturen die verschillende dingen van hen eisen en verlangen.”

12080179_1506715322959843_7558119080876752318_o.jpg
Montasser AlDe’emeh (c) Artur Eranosian

“De deradicaliseringsambtenaren zouden moeten inzien dat ‘deradicaliseren’ jongeren eigenlijk bij voorbaat veroordeelt. Er moet dringend op een zorgvuldige manier omgegaan worden met de woordenschat die we gebruiken. Als je zoals sommige burgemeesters zegt: ‘we gaan die radicale zotten opkuisen’, zorg je er alleen maar voor dat die jongeren zich nog meer isoleren.”
Maar ook de moslimwereld laat steken vallen, vindt AlDe’emeh. “Momenteel houden veel imams nog altijd vol dat strijders bij IS, Al-Qaeda of Al-Nusra geen moslims zijn. Ik vind het absurd om zoiets te beweren. Alsof alle moslims heiligen zijn. Zolang geestelijke moslimleiders IS-strijders excommuniceren, geven we niet toe dat er radicale interpretaties zijn van bepaalde religieuze concepten. Die zijn er wel degelijk, en jongeren kunnen daar vatbaar voor zijn. Ze beroepen zich daarvoor op de Koran. In plaats van het kader te schetsen van die verzen, die uit hun context worden gerukt, zwaaien we met absurde argumenten als: ‘De jihad is niet toegestaan in de islam’. Als zo’n jongere tegen mij zegt dat jihad legitiem is volgens de koran, antwoord ik: ‘Dat klopt. Maar in het oorlogsrecht dat we in Europa allemaal erkennen, is het ook legitiem om jezelf te verdedigen. En er zijn voorwaarden voor het voeren van de gewapende jihad.’ Waarna we die gaan opzoeken. In plaats van historisch te duiden wanneer de profeet geweld gebruikte, zeggen onze imams: ‘De profeet was een liefdevolle, vreedzame man.’ Er zijn inderdaad heel mooie verhalen over Mohammeds verdraagzaamheid, maar hij was ook een militaire leider…”

Het soort tunnelvisie dat veel moslims vandaag nog altijd hebben met betrekking tot hun geloof kan erg problematisch zijn, en de onwetendheid zit diep. “Een godsdienstwetenschapper als Karen Armstrong heeft op haar eentje misschien meer onderzoek verricht naar de islam dan alle islamologen in het Midden-Oosten samen. De islamitische cultuur is sinds de late Middeleeuwen vanuit een gevoel van superioriteit gaan stagneren en in verval geraakt. En momenteel is het het Westen dat meent superieur te zijn. Dat kan op lange termijn gevolgen hebben, want dan komen de intellectuele ontwikkeling en het kritisch denken op de helling te staan. Arrogantie is niet goed. Je moet altijd open blijven staan voor verandering.”

“Moslims moeten zichzelf bevrijden
van wat er binnen hun eigen
gemeenschap fout loopt. Niet om het
Westen te plezieren of acceptabel
over te komen, maar omdat ze er zelf
beter van worden”

“Het is mijns inziens dus ook niet de taak van het Westen om moslims op andere gedachten te brengen. Het is aan moslims die in het westen in aanraking zijn gekomen met waardevolle kennis om hun verantwoordelijkheid op te nemen binnen hun eigen gemeenschappen. Dat is ook een spirituele gedachte. In de Koran staat: ‘God verandert niets in een volk tot ze gaan veranderen wat zich in henzelf bevindt.’ Dat wil zeggen dat moslims zichzelf moeten bevrijden van wat er binnen hun eigen gemeenschap fout loopt. Niet om het Westen te plezieren of acceptabel over te komen, maar omdat ze er zelf beter van worden.”

Pijnlijke bagage
We zoemen in op de gezinnen van jonge jihadi’s.
“Ouders spelen een belangrijke rol in het leven van hun kinderen”, geeft AlDe’emeh toe. “Het lijkt me heel belangrijk dat als je als ouder probeert om niet te veel pijnlijke bagage uit je eigen verleden door te geven aan je kinderen. Ik heb zelf de haat meegemaakt die mijn vader met zich meedroeg en die hij met mij deelde. Hij trok mij daar onbewust in mee omdat hij ook zichzelf er niet van kon redden. Het heeft niets opgelost, alleen maar gemaakt dat hij zich steeds meer is gaan isoleren in zijn denkwereld. Veel ouders van Syriëstrijders zijn zelf helemaal niet gewelddadig of radicaal religieus. Ik denk dat je hen dus niet rechtstreeks verantwoordelijk kunt houden voor de keuzes van hun kinderen. Maar ze hebben geen voeling met de identiteitscrisis die jongeren doormaken en te weinig intellectuele bagage om hen op andere gedachten te brengen. In plaats van hun kinderen te veroordelen voor hun radicale gedachtegoed – soms worden ze er zelfs het huis voor uit gegooid – zouden ouders met hen in gesprek moeten gaan.”

Ook in ons onderwijs loopt er volgens AlDe’emeh een en ander verkeerd, zodat jongeren te snel afzakken naar ‘zwakke’ richtingen of helemaal door de mazen van het net vallen. Maar stenen blijven gooien naar elkaar heeft weinig zin. “Ik vind het goed dat we kritisch kijken, maar we moeten mensen ook niet opzadelen met een nodeloos schuldgevoel. Want je ziet ook jongeren vertrekken die wél opgeleid zijn, kansen hebben gekregen en gegrepen. We moeten net zo goed ons buitenlands beleid onder de loep durven nemen, en toegeven dat er op dat vlak fouten zijn gemaakt.”

Twee keer geboren
In De Jihadkaravaan pleiten AlDe’emeh en Stockmans voor ‘radicale verzoening’ op grote schaal. Bruggen kunnen maar gebouwd worden als mensen (maar net zo goed wereldmachten of politieke structuren) zichzelf door middel van kennis echt leren kennen, hun fouten toegeven en proberen om met respect voor ieders visie een dialoog te bereiken.
“Waarom doden we of veroordelen we de ander? Omdat we vergeten dat hij ook een mens is, met een eigen verhaal, een slachtoffer van zijn eigen omstandigheden. Op een bepaald moment heb ik beslist mijn identiteit niet meer te bouwen op wraakgevoelens, haat, afgunst en rancune ten aanzien van joden. Ik wilde niet meer blind de religieuze regels volgen zonder te weten wat hun achterliggende betekenis was. Ik ontdeed me van mijn vooroordelen en de bronnen die ik gebruikte om die te bevestigen. Toen bleef gewoon de naakte mens over. Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd.

Ik had niemand die mij daarin steunde. Sommige Belgische activisten die van de Palestijnse zaak hun ideaal hadden gemaakt, zeiden zelfs dat ik eigenlijk geen ‘echte’ Palestijn was. Vooraanstaande stemmen binnen de moslimgemeenschap verketterden mij in het openbaar, omdat ik stelde dat de joden die vandaag worden geboren in Tel-Aviv daar niet voor hebben gekozen. De moslimjongeren die worstelen met onze westerse samenleving zeggen: ‘Ik ben derde generatie allochtoon, het was niet mijn keuze om hier geboren te worden, accepteer mij als gelijke!’ Maar ten aanzien van de joden hebben wij het lef niet om te zeggen dat het niet hun keuze was om daar te zijn, maar die van hun grootouders generaties geleden. Door de omstandigheden in Europa gingen zij ooit geloven in een eigen thuisland. Vandaag geloven de moslims in een eigen thuisland in het Midden-Oosten. Waarom trekken we de lijn die we voor onszelf hanteren niet door naar onze medemensen? Als ik dat zeg, word ik verweten een collaborateur te zijn. Maar ik sta nog altijd achter de vrijheid van alle mensen in de wereld, of het nu Koerden, Palestijnen of Belgen zijn.”

“Aristoteles zegt: ‘De ware overwinning is de overwinning op jezelf’. En Jezus zegt: ‘Niemand zal het koninkrijk Gods zien die niet voor de tweede keer geboren wordt’. De islam spreekt over fitra, de zuivere aard van de mens, de terugkeer naar de bron. Ik denk dat iedereen voor de tweede keer geboren moet worden. Op een spirituele manier. Met kennis.”

 

• De Jihadkaravaan, Pieter Stockmans & Montasser AlDe’emeh, Lannoo, 24,99 euro
• Meer journalistiek werk van Pieter Stockmans over het Midden-Oosten en de vluchtelingencrisis vind je op www.facebook.com/tussenvrijheidengeluk

Dit artikel verscheen in De Bond van 18 december

Dienstbaarheid

Regenboog_068 ed cut

als we nu eens
niet diegenen aan de macht lieten
die op de tafel springen
en brullen kies
mij en mijn idealen
mijn fantastische ideeën
mijn loze beloften
mijn droomkastelen
op de kap van de ander de
vreemde de buitenstaander

hoe luider hun megafoon hoe groter
hun ego
hoe troebeler hun bedoelingen

als we nu eens
keken naar de zwijgzame
man of vrouw in de hoek van de kamer
die observeert en begrijpt
en verbindt
die geen zin heeft in macht
maar wel de integriteit om ermee om te gaan
die geen boodschap heeft aan oproer of aanbidding
en nog minder aan vijanden
maar wil dat de dingen opgelost raken met respect
voor ieders recht en richting

hoe stiller de woorden hoe groter
het hart
voel ik vaak

“Ik wil wiskunde geven, ik ga niet beginnen praten over godsdienst!”

Drie Turkse Vlamingen over de kansen en verborgen struikelblokken voor migrantenkinderen in het onderwijs vroeger en vandaag

“Mijn vader was zestien toen zijn vader overleed en hij het gezin moest onderhouden”, vertelt Selda, intercultureel medewerkster bij een Vrij Centrum Leerlingenbegeleiding (VCLB). “Toen hij twintig was, leerde hij mijn moeder kennen. Haar ouders woonden al in België. De armoede heeft mijn vader getekend. Hij heeft ons altijd gezegd: ‘Jullie krijgen zoveel kansen en rechten, maak er gebruik van!’”
Lerarenkoppel Mustafa en Nihal geven wiskunde, wetenschappen en technische vakken. Mustafa’s grootvader was een herder die amper kon lezen en schrijven. “Voor hem was emigreren een dubbele stap. Mijn vader is hier naar school geweest en werkt als arbeider. Ik ben hier geboren.” Nihals vader studeerde aan de universiteit van Ankara, maar vluchtte voor de politieke situatie in Turkije. “Hij heeft hier in de mijn gewerkt, tegen de zin van mijn opa. Die had andere dromen voor zijn zoon.”

Selda en Mustafa komen uit Oost-Vlaanderen. Nihal groeide op in Diest en vindt dat er verschillen zijn. Haar echtgenoot bevestigt dat. “Na de coup in Turkije zijn er in de jaren tachtig veel intellectuelen gevlucht, en in België vestigden die zich vooral in Limburg. Dat kan een impact hebben op de ontwikkeling van een gemeenschap.”
Nihal: “Ik ken daar meer jongeren die belang hechten aan onderwijs. Veel vrienden van me hebben verder gestudeerd. Toen ik in dit dorp aankwam, was dat toch wel wennen. Hier kun je mensen met een hogere opleiding op twee handen tellen.”
Maar hoe divers de Turkse gemeenschappen verspreid over Vlaanderen ook zijn, wat eruit springt, is de sociale warmte. “Turken zijn gastvrij”, vindt Selda. “Het familieaspect leeft heel sterk bij ons. En ook al kennen mensen je niet, als je een afspraak met ze maakt, zullen ze doorvragen wiens dochter je bent, uit welke streek je grootouders komen… Mijn Belgische collega’s begrijpen niet altijd waarom dat nodig is. Ik probeer uit te leggen dat dat bij ‘turksheid’ hoort.”
“Als je in moeilijkheden zit, kun je terugvallen op de gemeenschap”, knikt Mustafa. “Maar het klopt wel dat er ook sociale controle is. Als ik een meisje uit ons dorp van de bus zie stappen met haar vriend, zeg ik daar niets van. Anders weet de helft van het dorp het. Dikwijls zijn het de ouderen van de gemeenschap die de jongeren terechtwijzen voor hun gedrag.”
“Ik noem mezelf altijd eerst moslima, en ik ben getrouwd met een Marokkaan,” vertelt Selda. “Maar veel mensen uit de Koerdische of Berberse gemeenschappen vinden mij toch te los, te mondig. Belgische vrienden die mij een vrijgevochten vrouw vinden, geloven dan weer nauwelijks dat ik vijf keer per dag bid.”
Mustafa: “Ik heb ooit het verwijt gekregen dat ik té geïntegreerd was omdat we thuis een microgolfoven hadden. En dat kwam van iemand van mijn leeftijd, die net als ik hier opgegroeid was. Ik zei dat ik de soep ging opwarmen. Een magnetron, zei hij, dat is niets voor Turken. Dat is voor Vlamingen die allebei gaan werken en meer fastfood eten…”

Nihal, Mustafa en hun zoontje (c) Kristof Ghyselinck
Nihal, Mustafa en hun zoontje (c) Kristof Ghyselinck

Sociaal kapitaal

In de vergelijkingen met Vlamingen komen Turkse gezinnen er telkens zwak uit, maar misschien meten we op de verkeerde manier. “Socioloog Piet Van Havermaet zegt: als je een vergelijking wilt maken tussen Turkse en Vlaamse gezinnen, moet je enerzijds hoogopgeleide gezinnen vergelijken, en anderzijds de lager opgeleide gezinnen. Anders zijn de verschillen niet realistisch,” weet Mustafa. Wie lager opgeleid is, heeft ook minder toegang tot voorzieningen. “Veel ouders weten niet dat ze recht hebben op een logopedist, of hoe je de terugbetaling moet regelen”, knikt Selda. “Ik help daarbij, maar ik sta soms ook nog voor verrassingen. Turkse gezinnen weten vaak niet wat het VCLB allemaal voor ze kan doen. We leggen altijd uit dat we ook opvoedingsondersteuning en vormingen bieden, huisbezoeken doen… Ouders zijn daar vaak erg dankbaar om.”

Selda: “Armoede gaat
niet alleen over status,
geld of opleiding.
Armoede is ook: dat we
al jaren samenleven en
elkaar niet kennen.”

Ook Nederlands blijkt voor velen een struikelblok. Selda: “Een Turkse jongen die hier geboren is, trouwt meestal met een meisje uit Turkije. Zij wordt huisvrouw. Ze volgt cursussen maar wordt de taal nooit echt machtig. In kleine dorpen zie dat je meer dan in de stad. De laatste jaren hoor ik wel steeds vaker over nichtjes of vriendinnen die verliefd worden op een Turkse jongen die hier geboren is.”
Nihal is er alvast tegen dat jonge Turkse Belgen hun huwelijkspartner uit het buitenland halen. “Dat moet gedaan zijn”, zegt ze ferm. “Er leven hier ondertussen genoeg Turken om uit te kiezen.”
Mustafa is het daar niet mee eens. “In deze geglobaliseerde wereld kun je mensen toch niet verplichten om te trouwen met iemand uit een bepaalde regio? En een Vlaming die met een Viëtnamees trouwt, mag die ook naar hier halen.”
Nihal: “Wij zijn hier allebei geboren, dus ons kind zal hopelijk geen taalproblemen hebben. Maar als ik uit Turkije kwam, had ik mijn kind niet kunnen helpen met Nederlands, of ik moest er zelf voor naar school gaan… In mijn klas was ik vroeger meestal de enige van Turkse origine. Ik had veel Vlaamse vriendinnen. Maar ik beweer niet dat ik beide talen perfect ken. Mijn gevoelens druk ik beter uit in het Turks. Gaat het over school, dan is Nederlands makkelijker.”
Mustafa had ook taalproblemen. “De laatste jaren van het middelbaar heb ik hard moeten werken om bij te benen. Ik mag blij zijn dat ik heb kunnen voortstuderen, want ik zie jonge mensen van mijn leeftijd dezelfde jobs doen als hun vaders. Maar stilaan komen er rolmodellen: een Turkse ingenieur, advocate… Toen we hier vertelden dat Nihal leerkracht wiskunde is, zeiden veel mensen: ‘Ze heeft een beter diploma dan jij!’” (lacht)
Nihal: “En: ‘Ze is een beetje slimmer dan jij!’” (hilariteit) “Het probleem van veel Turkse jongeren is de taal, niet de leerstof. Ik druk het ouders op het hart: hun kinderen moeten Nederlandse boeken lezen, tv kijken, naar een vereniging gaan… Dat is de schaduwzijde van de warme Turkse gemeenschap: er is geen harde noodzaak om die dingen te doen. En sommigen denken: we vragen gewoon aan Mustafa om dat formulier in te vullen.”

Mustafa: “Ik heb nog van
leerkrachten gehoord
dat hogeschool voor mij
tijdverlies zou zijn en dat
gaan werken bij Volvo een
haalbaarder kaart was”

Dat herkent Selda. “Als je kunt helpen, zijn het vertrouwen en de dankbaarheid zeer groot. Maar mensen maken er soms ook wat misbruik van. Als gezinnen hulp vragen met administratie, vertaal ik dus telkens de opgave. Ik neem een kopie voor thuis, en de volgende keer laat ik het ze zelf proberen. Van de dertig gezinnen die ik zo begeleid heb, zijn er zeker twintig opgetogen omdat ze het gevoel hebben dat ze het vanaf nu alleen zullen kunnen. En ik wil het altijd nog eens nalezen.”

Naam veranderen

Selda vertelt hoe dankbaar ze is dat ze van haar directeur alle kansen kreeg om zich te ontplooien, maar niet alle ervaringen zijn even rooskleurig. Mensen van een andere origine hebben het vaak moeilijker op de werkvloer.
“Ik ben goed ontvangen op de scholen waar ik lesgaf, maar ik voelde wel dat ik extra gecontroleerd werd”, vertelt Nihal. “Mijn diploma’s en de positieve verslagen van de pedagogisch begeleider volstonden niet. Ik heb ook de vraag gekregen of ik het als moslima zag zitten om les te geven in een katholieke school. Wat doet dat er nu toe? De school heeft regels, en ik ga ervoor zorgen dat de leerlingen die naleven. (windt zich op) Ik wil wiskunde geven, ik ga niet beginnen praten over godsdienst! Ik zou graag hervatten in september, maar het is frustrerend: weer al die scholen afdweilen waar je mensen voelt denken: ‘We zullen toch maar iemand nemen met een Nederlandse naam…’”
“Je zal je naam moeten veranderen, schat”, glimlacht Mustafa. Ook hij kreeg vragen over zijn geloof. “Mijn antwoord was: ‘Ik kom technische vakken geven en mij houden aan het leerplan.’ Ik was nog geen twee maand in dienst of een pedagogisch adviseur kwam mijn cursussen en jaarplannen controleren. Hij observeerde twee uur lang mijn les. Ik kreeg een zeer positief verslag en ben ondertussen vast benoemd, maar ik heb me dubbel zo hard moeten bewijzen als Joris of Jan. Een jaar later kwam er een nieuwe collega, een Vlaamse jongen van dezelfde hogeschool met dezelfde diploma’s als ik. Hij heeft nooit de pedagogisch adviseur over de vloer gehad.”
Veel van die ongelijkheid wordt versterkt door het onderwijs, vindt Mustafa. “Ons systeem biedt mensen die het nodig hebben te weinig kansen om zich te ontwikkelen. Eigenlijk zou elke klas een weerspiegeling van de maatschappij moeten zijn, en dat is echt niet zo.”
In de Latijn-Wiskunde was Nihal een uitzondering, maar nu ziet ze evolutie: “Op het Atheneum van Diest zaten er een paar jaar geleden vijftien Turkse leerlingen in 3ASO. Mijn broer zit aan de universiteit van Hasselt en heeft er veel Turkse vrienden. Dan denk ik: waarom hier niet?”
Mustafa: “Onderschat de vooroordelen niet. Ik heb zelf van leerkrachten gehoord dat hogeschool voor mij tijdverlies zou zijn en dat gaan werken bij Volvo een haalbaarder kaart was. Sommige scholen verwijzen een allochtone leerling veel te snel door. Iemand met een Vlaamse achtergrond komt er vanaf met de waarschuwing dat hij beter zijn best moet doen.”
“Bij het VCLB proberen we zoveel mogelijk ouders en leerlingen te ondersteunen”, vertelt Selda. “Natuurlijk heeft niet iedereen de capaciteiten voor bepaalde studies, maar soms heb ik het gevoel dat ik een verschil heb gemaakt, en dat doet deugd. Maar door de voorbeelden van mensen die met een hoger diploma niet aan werk raken, hoor je ouders soms zeggen: ‘Belgen hebben ons niet graag voor zo’n job. Waarom zou mijn kind verder studeren? Laat het maar grondwerk doen of kuisvrouw worden.’ Gelukkig zijn er andere gevallen waarin het wel goed loopt.”

“Het is belangrijk dat jongeren meer moslimleerkrachten zien”, vindt Mustafa. “In conflictsituaties bieden wij ook een meerwaarde. Als ik tegen zo’n jongere zeg: ‘Nu ben je aan het zwanzen, we weten allebei dat jij thuis ook naar je moeder luistert’, aanvaardt die dat. Een Vlaamse leerkracht wordt misschien ‘racist’ genoemd.”
Nihal: “Dat woord wordt soms echt ten onrechte gebruikt.”
“Maar racisme is wel aanwezig in de Vlaamse maatschappij”, zucht Mustafa. “We ondervinden het elke dag in kleine dingen. De recente gebeurtenissen en de media doen daar ook geen goed aan. Wat hoop geeft, is dat de jongste generatie het toch wat anders ziet.”
Die generatie is aan het groeien, bevestigt Selda. “Positief is dat ze bewuster zelf kunnen kiezen. Maar naar mijn aanvoelen hebben meisjes vaak ook problemen met de dubbele identiteit, vooral als ze minder vrij gelaten worden dan hun Belgische klasgenoten. Maar ik heb hier al vaders in tranen gehad, die me uitlegden dat het enige wat zij wilden was dat hun dochter hun goede naam niet door het slijk zou halen. Het verhaal heeft altijd twee kanten. Weet je, ooit volgde ik een opleiding over armoede. De lector vroeg de dertig aanwezigen om hun gsm erbij te halen en de vreemde namen in hun contactenlijst te tellen. Op mij en één andere persoon na had niemand er, zelfs mensen met allochtone collega’s niet. De lector zei: ‘Armoede gaat niet alleen over status, geld of opleiding. Armoede is ook: dat we al jaren samenleven en elkaar niet kennen.’ Het wordt tijd dat we daar verandering in brengen.”

Dit artikel verscheen in De Bond van 17 april 2015