Humus

(c) Inaya photography


Het is je misschien opgevallen, maar ik post de laatste tijd weinig blogs. Dat verrast mij zelf een beetje, want ik kom uit een periode waarin ik zowat elke week wel minstens één online tekst schreef.

Is de inspiratie op?
Nee, ik zie en voel en denk nog altijd evenveel als vroeger. Misschien zou je kunnen zeggen dat de woorden op zijn, maar dat klopt ook niet. Integendeel.

Wat wel zo is, is dat ik alleen iets online zet als de woorden zelf dwingend aangeven dat ze naar buiten willen. En op dit moment willen ze dat precies niet zo. Het hoeft niet.

Er is nochtans veel aan het gebeuren in de wereld, we staan niet alleen op het kantelpunt van de herfst, maar ook op het kantelpunt van een tijdperk. Soms overspoelt het mij en kan ik het nauwelijks bevatten. Ik ben bang, ik ben hoopvol, ik ben kwaad. Soms neem ik er afstand van, pak het boek waarin ik bezig ben en mijn kop thee, kijk naar de bomen voor mijn raam en denk: ooit zijn we allemaal humus, en dat is goed.

Laat mij maar wortelen, als een luchtplant, in de ruimte waar ik ben. Laat mij maar zwijgend door het raam staren en de wereld om mij heen zien bloeien, verwelken, vallen, veranderen.

(c) Inaya photography
Advertenties

Hoe hanteer je vrijheid?

Of ook wel: geen paraplu’s meer

(c) Inaya photography

Hoe geef je structuur aan je leven als er nauwelijks nog vaste bakens zijn? Met andere woorden: hoe hanteer je vrijheid?

Ik heb nog niet zo lang geleden ontslag genomen uit mijn vaste job. Een paar jaar geleden had ik me niet kunnen voorstellen dat ik zou kunnen leven met het soort onzekerheid dat ik nu dagelijks ervaar in dit nieuwe stuk van mijn leven, en dat ik me daar goed bij zou voelen. Maar de waarheid is: ik was er klaar voor. Mijn vleugels hadden ruimte nodig. Iets in mij wilde niet langer binnen gehouden worden.

Tijdens het hele proces van loslaten kwam ik tot het besef dat de manier waarop ik tot nu toe altijd had gewerkt voor instanties of organisaties eigenlijk wel iets weghad van schuilen onder een paraplu: het hield een soort ‘veiligheid’ in, een beetje zoals ouderfiguren een kind zich veilig kunnen laten voelen. Mijn werk goed doen en daarvoor betaald worden, maar verder geen eindverantwoordelijkheid, en een vangnet.

Nu bevind ik me in een heel andere positie. Er zijn geen paraplu’s of vangnetten meer. Maar het kan me eerlijk gezegd niet schelen. Ik ben klaar voor alles wat de wind naar me toe blaast, maar vooral: ik ben klaar om de hemel te bewonderen.

Maar.
Ik keer terug naar mijn eerdere vraag: hoe hanteer ik deze nieuwe vrijheid? Hoe structureer ik mijn dagen en zorg ik ervoor dat ik genoeg van alles aan bod laat komen: schrijven en ander betaald werk, mails en administratie, huishoudelijke klussen? Hoe loop ik niet hopeloos uit, verdund en vormeloos als een plasje water dat nergens omvat wordt?

(c) Inaya photography

In de korte tijd die verlopen is sinds ik voor de laatste keer op kantoor was, heb ik ondervonden dat het nijdige kleine stemmetje in mijn achterhoofd mij helemaal angstig en opgedraaid kan maken, als ik het de kans geef.
Ik heb geleerd het niet zoveel speelruimte te geven. In plaats daarvan probeer ik te doen wat ik me van in het begin had voorgenomen: de hemel bewonderen, en ingaan op alles wat mijn kant op komt en interessant aanvoelt. De ene dag kan dat de Voorleestoer zijn, met lezingen voor zes klassen middelbare scholieren, de volgende dag mijn wasmand vol strijk.

Ik bewoon het idee ‘vrij zijn’ nog steeds niet helemaal. Dat komt misschien omdat ik maar al te goed besef dat het leven van een volwassen vrouw nu eenmaal een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Anderzijds weet ik ook dat het leven de meest wonderbaarlijke trip kan zijn voor wie van de klif durft stappen in vol vertrouwen dat de thermiek haar draagt. Daar heb ik in mijn eigen leven meer dan genoeg bewijs van, en ik weet precies hoe dat werkt.

Dus, mooie grote hemel… hier zijn we dan. En hier kom ik.

(c) Inaya photography

Plots pakte hij mijn hand

(c) Inaya photography

In dezelfde straat als het kantoor waar ik de afgelopen zes jaar heb gewerkt, is een klein sushi-huisje gevestigd. Het is het levenswerk van een Aziatisch koppel, man en vrouw. Ze zijn minzaam, bescheiden en beleefd. Wat ze bereiden, is lekker en toch niet te prijzig, en eens ze je herkennen als vaste klant ontdooit hun strakke beleefdheid en blijken ze warm en gastvrij. Hun leeftijd is moeilijk te schatten, maar volgens mij kunnen ze intussen best grootouders zijn. Hun piepkleine zaak heeft één smalle, hoge eettafel aan het raam, met zicht op de drukke Troonstraat. Er is zitplaats voor drie, naast elkaar. Maar de meeste van hun klanten nemen hun eten mee. Dat deed ik ook, op gezette tijden, in de loop van de jaren.

Al vanaf de eerste keer dat ik er binnenstapte, werd het duidelijk dat betalen of zelfs maar je klantenkaart laten afstempelen er een heus klein ritueel was. Ik ben niet bepaald vertrouwd met de Oosterse gebruiken, maar uit de manier waarop zowel meneer als mevrouw het geld in ontvangst namen of het kleine gevouwen klantenkaartje behandelden en vervolgens teruggaven, maakte ik op dat het een vorm van respect was om ervoor te zorgen dat onze vingers elkaar nooit raakten.

Ik had nooit eerder stilgestaan bij hoe ik geld overhandigde of wisselgeld terugkreeg. Plots oogde mijn eigen manier om zoiets af te handelen in vergelijking wel bijzonder nonchalant. Want eens je erop begint te letten, blijkt het knap lastig om die hele handeling op zo’n manier tot een goed einde te brengen dat je beiden alleen het geld aanraakt, zonder dat het valt of er een minimale vorm van huidcontact is.

Als gevolg hiervan vond er bij elke ontmoeting een delicaat vingerballet plaats, een kort, gracieus moment waarop voorzichtigheid geboden was voor beide partijen. Stilaan ging ik dat ritueel respecteren, en het oprecht waarderen.

Vandaag liep ik er voor het laatst langs tijdens mijn lunchpauze. We voerden het kleine geldritueel uit, zoals gewoonlijk, zachtjes, voorzichtig. We wisselden een glimlach (hun Engels is pover en slecht verstaanbaar), maar toen de man me bedankte en mij een prettig weekend wenste, zoals hij al vaker had gedaan, vertelde ik hem dat ik eigenlijk ook afscheid kwam nemen, want heel binnenkort zou ik niet langer naar Brussel komen om er te werken.

Met één kort woord riep hij zijn vrouw uit de keuken, en voor ik het goed en wel besefte, schudde eerst hij, en daarna zij, mij de hand.
Zijn greep was vol en warm. Hij had een grote, zachte hand. Die van haar was benig en sterk.

Allebei bedankten ze mij voor zoveel fijne jaren. Hun dankbaarheid was oprecht en hartverwarmend. Ze vroegen me naar mijn werk. Ik vertelde dat ik schrijver was, en ze wensten me veel succes. We glimlachten breed naar elkaar, we bogen, en voor het laatste deden ze de deur voor mij open toen ik naar buiten ging.

Eenmaal buiten op het trottoir bleef ik een ogenblik staan, en liet wat er zojuist gebeurd was tot me doordringen.
Terwijl ik terugliep naar mijn kantoor blies de plotse, koude aprilwind me fel in het gezicht. Mijn ogen gingen er een beetje van tranen.

(c) Inaya photography

ZAAILING #54 – Licht genoeg

(c) Jurgen Walschot


Ze zeggen dat vogels holle botten hebben
zodat ze licht genoeg zijn om te vliegen

Ik geloof dat het komt omdat wat hol is
zich vanzelf leent tot loslaten

Wat is dat anders dan de wereld uitwuiven
zonder omkijken wegvliegen en verdwijnen

Ik bewoon de plek waar ik groeide steeds minder
Gestaag gaapt ze groter, de holte in mij

De wind mag komen, nog even
en mijn botten zijn licht genoeg

om mij te dragen





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Verblindend, maar helder

(c) Inaya photography


Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.

Dat niet-weten heeft iets bijzonders, zo’n beetje als lentelicht: helder en verblindend. Ik voel de warmte en de onrust die er vanaf straalt even fel. Ik ben pril, zegt het, ik ben nog maar pas begonnen. Maar ik ben sterk, voel je hoe sterk ik ben, en hoe ongeduldig.

Er doorheen proberen te kijken, is onbegonnen werk. Ik heb er maar op te vertrouwen dat de bron van waaruit het schijnt de essentiële dingen zal verlichten op het juiste moment, terwijl het andere juist aan het zicht onttrekt.

Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.
Ik voel de roep van het Grotere. Ik voel hoe mijn ziel antwoordt.

Dit is de plek om de onzekerheid te omhelzen, en mijn hele leven te laten bestaan in het huidige moment. Het is een fijne plek.
Verblindend, maar helder.

(c) Inaya photography

Langzaam afscheid

Iedereen die ooit aan een ziekbed heeft gezeten, weet hoe het voelt: langzaam afscheid nemen. Niet willen dat het voorbij is. Bidden dat het eindelijk mag eindigen.
In de tegenstrijdigheid en de intensiteit van beide gevoelens ligt een bijzonder spanningsveld. Pijnlijk. Kostbaar. Levend, zoals alleen leven in het moment dat kan zijn.

Mijn leven is goddank geen ziekbed, het mijne noch dat van iemand die ik graag zie. Maar ik herken het spanningsveld wel. Mijn professionele opzegtermijn is aan het korten. De weken (eigenlijk dagen) om afscheid te nemen van wat eens was en nu stopt, om bewust los te laten en mijn blik te richten op andere horizonten, worden steeds krapper.

Ik heb het ‘aftellen’ lang op afstand kunnen houden. Ik doe het nu eigenlijk nog altijd niet. Maar ik voel de tijd bewuster dan ooit aan het werk.

Als iets op een abrupte wijze uit je leven verdwijnt, noemen ze dat ‘de korte pijn’. Vaak komt die nadien meer dan eens weer opzetten om verwerkt te worden, dus zo kort zou ik hem nu ook niet noemen. Dan liever dit langzaam afscheid, bitterzoet, langgerekt. Met tijd voor weemoed, spijt bijna, en toch weten dat het juist is. Met ruimte om door vertrouwde gangen te lopen en te denken: toeme toch, ik was hier graag. Maar ook: het is tijd dat dit stopt.

Elke omhelzing verstikt als ze te lang duurt, schreef ik in STROOM. En dat is nog altijd even waar.
Dus maak ik mij nu los. Zachtjes. Langzaam.

(c) Inaya photography

Een decennium

Dat de wereld verandert.
En hoe.

Ze zeggen dat je liefde voelt voor je kinderen. Dat is ook zo.
Maar de emotie is maar het topje van de ijsberg.

We noemen het liefde omdat het ons hart meesleurt, en omdat we het niet gewend zijn over onszelf te denken in termen van dierlijk instinct. Nochtans is dat wat ik het eerste voelde, kort na de geboorte al.
Mijn emoties zaten nog achter slot en grendel, op het achterplan gedrongen door het trauma van een bevalling die niet bepaald in de top tien van mijn levensgebeurtenissen prijkt. Ik had in de weken die volgden niet echt baby blues, maar van een roze wolk was totaal geen sprake.

Wat er wel was, was dat instinct. Ik herkende het, en ik moest denken aan onze kater. Ik herinnerde me hoe die vechtersbaas, die geen enkele andere kat in zijn buurt toeliet, zijn eigen jongen voor het eerst besnuffelde en vervolgens minzaam aanvaardde. Hij voelde dat ze van hem waren.

Nu begrijp ik hoe dat werkt, dacht ik. Want ik voelde het ook. Een oerstroom, een verbondenheid die ging tot in het bloed. Een energetische verbondenheid ook, waar dat kleine wezentje zich in nestelde, zijn aura binnen de mijne, veilig, omhuld.

Hij doet het nog altijd: bij mij op schoot komen zitten en zich warmen binnen mijn energieveld. Op momenten dat hij nood heeft aan bevestiging, of een knuffel, of nabijheid. Ik geniet ervan tot in de diepste vezel van mijn lichaam.

En dan springt hij op en is hij weer weg, in zijn eigen ruimte, blij met zijn plek in de wereld, klaar om die te veroveren. Met enthousiasme. Met bedachtzaamheid. Met humor.

Tien jaar.
Ja, de wereld is veranderd. En hoe.

Middeleeuws riddergevecht aanmoedigen (c) KV 2012


Een leeg glas

Een roep om te beantwoorden

(c) KV

De herfst is eindelijk gearriveerd, en dat voelde als een oproep waarnaar ik moest luisteren. Van yang naar yin, van actief naar passief, van doorduwen naar loslaten.

Het was nogal een ommezwaai. En zodra ik mijn innerlijke versnellingen lager schakelde en het tempo dat heel mijn zomer aangedreven had begon te vertragen, knalde ik zowat tegen een muur.
Om maar te zeggen dat het een bruuske overgang was.

Nu voel ik me helemaal op mijn gemak waar ik me bevind.
Ik sta niet langer drankjes uit te schenken. Ik ben ze ook niet meer aan het drinken. In plaats daarvan kijk ik naar het lege glas.
Maar mijn buik is verzadigd en mijn ziel voelt licht, en in de weerspiegelingen van al wat gekomen en geweest is wachten nieuwe lagen van inzicht om te doorgronden.

Als iemand mij nodig heeft: ik ben even in hogere luchtlagen.
Zielspul aan het verzamelen.

(c) KV