Wat wil je betekenen?


We stellen kinderen de verkeerde vraag.

(c) Inaya photography


“Wat wil je later worden?”
Aan een vijfjarige vragen we het met vertedering, aan een twaalfjarige met mogelijke schoolkeuzes in het achterhoofd. In het geval van een adolescent stellen we de vraag met oprechte interesse en in de hoop op een interessant antwoord.

We bedoelen het goed, maar eigenlijk zetten we kinderen van in het begin op het verkeerde been. We weten zelf niet beter, natuurlijk. We willen hen het gevoel geven dat ze vrij zijn om te doen wat ze willen en niet verplicht zijn, om wat voor reden dan ook, in de voetsporen van hun ouders te treden.

Maar de vraag heeft ook iets van een valstrik. Ze lokt zelden meer uit dan wensdromen (prinses, brandweerman) of door de samenleving naar voren geschoven streefdoelen (rijk zijn, beroemd worden). Tegen dat de vraag de adolescentie bereikt, wordt ze bijna altijd beantwoord met ofwel een beredeneerde keuze waarvan de jongere vermoedt dat ze hem professioneel vooruit zal helpen ofwel, steeds vaker, met niets meer dan een geërgerde, schouderophalende zucht (‘weet ik veel’).

Ik ben met mijn gezin in het noordoosten van de VS, waar we familie bezoeken. Onze eerste stop is het Amerikaanse gastgezin waar mijn man op zijn achttiende een heel jaar woonde. Mom en Dad zijn nog altijd écht moeder en vader. We zijn er (schoon)kind aan huis. Dad leert Sobran papieren vliegtuigjes plooien en gaat met zoon en kleinzoon op fietstocht, Mom zorgt voor ons als haar eigen kroost.


Het is een gesprek over dat tweede antwoord (‘weet ik veel’), in een stampvol restaurantje met uitzicht over de oceaan, met fantastisch eten voor onze neus en het gekletter van borden en de commando’s van het personeel op de achtergrond, dat mij plotseling een inzicht brengt.
Want we klagen wat af over onze jongeren, de jeugd ‘van tegenwoordig’, van wie we zeggen dat ze niks meer kunnen, zich nergens meer voor willen inzetten. We maken ons zorgen om hen, als we zien hoeveel uren ze aan een of ander scherm gekluisterd zitten en weinig meer doen dan spelen en chatten, en geen oog lijken hebben voor de noden of geneugten van het echte leven.
Ze weten niet wat ze met hun leven aanmoeten, zucht Mom.

Eigenlijk is het niet echt eerlijk van ons om van onze kinderen een zinnig antwoord te verwachten. Hoe moet een puber die dagelijks om de oren geslagen wordt met overvloed, quick wins, consumptiecultuur en the survival of the sexiest nu in godsnaam weten wat hij zou willen gaan doen, écht zou willen gaan doen, met zijn leven?

Daar heb je een gevoel van motivatie voor nodig, om te beginnen. De verwezenlijkingen van de voorgaande generaties zijn in dat opzicht vaak geen cadeau voor onze kinderen. Als zelfs de sterren al binnen handbereik liggen, waar kunnen zij dan in ’s hemelsnaam nog naar streven? Het zou ons niet mogen verbazen dat onze jongeren zich terugplooien op comfort of genot, en al helemaal niet omdat we hen geen beter alternatief weten te bieden.

Net zoals we kinderen stap voor stap moeten leren om op een sociaal wenselijke manier om te gaan met andere mensen, is het onze taak als ouder om hen te begeleiden in de ontdekkingstocht naar zichzelf en wat hun diepere zingeving in het leven kan zijn. Want in tegenstelling tot wat we, eens zelf volwassen, lijken te denken, kom je daar als kind echt niet zomaar achter. Zonder die ene grootouder, ouderfiguur, leerkracht, die in ons geloofde en op het juiste moment de juiste dingen zei, waren ook wij waarschijnlijk niet geworden wie we nu zijn.

En dat is in het beste geval. Want laten we eerlijk zijn, velen van ons weten tot op vandaag eigenlijk óók nog niet wat we eigenlijk willen of gewild hadden. We hebben het ons redelijk goed naar de zin gemaakt in het leven dat we hebben, een beetje zoals een kind zich verschanst in een speelgoedkasteel, en doet alsof de zandgebakjes echt voedsel zijn.

Home @ Dartmouth, USA


De bezorgdheid om onze jongeren kan ons zelf ook een stevige spiegel voorhouden. Want de diepere zingeving van iemands leven ligt lang niet altijd in de job die we uitoefenen – wat we ‘geworden’ zijn, dus. Integendeel, meer dan ooit zijn volwassenen in de westerse wereld zelf op zoek naar betekenis in hun leven. We beginnen steeds meer te beseffen dat we onszelf hebben vastgereden in het najagen van puur materieel comfort.

Waar we behoefte aan hebben, is werkelijke, diepere zingeving, zoals die te vinden is in menselijke verbondenheid, of in en het gevoel iets voor de wereld te kunnen betekenen, op een fundamenteel niveau, hoe klein ook. Want er bestaat een punt waarop wat ons hart verlangt en wat de wereld nodig heeft elkaar vinden, een van de ontelbare snijpunten van de kaleidoskoop die het leven is.

Ook al worstelen we als volwassene zelf misschien nog met de antwoorden, wat mij betreft is dat wel het pad waarop we onze kinderen moeten helpen om de eerste stappen te zetten.
Vragen aan het kind wat het wil worden, leidt niet tot een beter zelfinzicht. Het creëert zowel bij ouder als kind alleen verwachtingen, wensdromen of schuldgevoel, hoe sympathiek verpakt ook.

Een juistere vraag om te stellen, zodra een kind rijp genoeg is om daarover na te denken (of misschien beter zelfs: erover te voelen), is: wat wil jij graag betekenen in de wereld? Wat is het unieke talent waarmee je in de wereld een verschil kan maken?

Dat hoeft niets groots te zijn, en het antwoord kan op het eerste zicht schijnbaar onbeduidend lijken. Het vraagt ook van ons als volwassenen een mentale ommezwaai: je kunt niet meteen een carrière bedenken die voortvloeit uit ‘voor mijn hondje zorgen’, ‘met mijn vriendjes spelen’ of ‘een mooie tekening maken’. Maar eigenlijk is dat precies waar alles wél begint. Want in die onschuldige antwoorden liggen veel diepere waarden verscholen, die wijzen op talenten of bijzondere gaven: zorgzaamheid, sociale vaardigheid, artistieke of esthetische creativiteit.

Als we kinderen durven vragen naar wat zij zelf aanvoelen als bijzondere gave die ze aan de wereld kunnen schenken, en op wat voor manier zij, gewoon door zichzelf te zijn, misschien wel een verschil kunnen maken, dan helpen we hen vooruit op meer dan één manier.
We helpen hen in contact komen met zichzelf, en met de dingen waar ze goed in zijn. We helpen hen begrijpen dat iedereen een eigen unieke plaats heeft, waarin elk talent een verschil kan maken. En vooral: we vragen hen niet om een rol in te vullen die wij als ouders of samenleving voor hen voorgekauwd hebben. We geven hen de opening om te luisteren naar de stem van hun hart en ziel. Ze hoeven helemaal niemand te ‘worden’, behalve wie ze diep vanbinnen al lang zijn.

En wie weet weet, als wij hen durven vragen wie zij zijn, kunnen we in de spiegel die zij ons voorhouden ook een stukje zien van wie wij al die tijd al waren – ongeacht wat we denken geworden te zijn.

Inaya photography
Advertenties

Mensen zonder fantasie zijn enge wezens

Een antwoord aan Peter Buwalda

Bekroond kinderboekenschrijver Ted van Lieshout citeerde Buwalda’s uitspraak in zijn blog, en ik dacht: wablieft?
De column van Buwalda ging over het oprichten van Bookaroo, een alternatieve praktijk van online boekenverkoop waar boekhandels wél van profiteren en een initiatief dat ik toejuich. Maar hij nam eerst een onverwachte en inhoudelijk weinig terzake doende bocht om een sneer uit te delen aan de jeugdliteratuur. Dit was de bewuste uitspraak die Van Lieshout met verwondering citeerde:

“Ik lees nooit kinderboeken, ik hoef hopelijk niet uit te leggen waarom, en ik wantrouw volwassenen die wel kinderboeken lezen.”

Jawel, schreef van Lieshout, leg het me alsjeblieft uit, want ik heb geen flauw idee wat je bedoelt. Hij presenteerde een mooie lijst van mensen (ouders, grootouders, docenten, bibliothecarissen, kinderboekenschrijvers zelf) die kinderboeken lezen uit liefde of uit professionaliteit.

Maar Van Lieshout bleef nog beleefd, minzaam zelfs, door de tweede schofferende uitspraak van Buwalda links te laten liggen. Die ging immers nog een stapje verder, een alinea lager:

“Ik ben zelfs van mening dat kinderboeken geschreven moeten worden door kinderen. Mensen als Roald Dahl en Bart Moeyaert spelen vals — dat vind ik ervan. Wat is er mooier dan een trotse kleuter met een Gouden Griffel? Niets toch?”

Dat was het moment waarop ik naar mijn computer stapte met mijn eerste kop ochtendkoffie. Het ontbijt moest maar even wachten, de andere punten op mijn lange takenlijst ook. Dit is wat ik Peter Buwalda wil antwoorden:

Beste meneer Buwalda,

U leest nooit kinderboeken. Dat is uw goed recht. U zegt er in één adem bij dat u volwassenen die dat wel doen wantrouwt, en u weigert erbij te zeggen waarom.
Dat is grof. Of misschien bedoelt u het grappig, dat kan ook. Maar ik beken dat ik uw schrijfstijl niet goed genoeg ken om dat te kunnen beoordelen. Ik las uw boeken (nog) niet. Ik ken u als schrijver wel van naam, maar ik ben niet vertrouwd met uw werk.
Dat kunt u mij aanwrijven, maar er is in deze wereld zoveel moois en interessants te lezen dat een mens onmogelijk het werk van elke auteur goed kan kennen. Na uw uitspraken van 27 juni weet ik ook niet of ik nog veel zin heb in dat van u.

Ik ben een van die volwassenen die nog kinderboeken lezen. Met veel liefde en plezier. En zelfs een die ze – oh huiver! – schrijft. Maar dat is niet waarom ik deze reactie naar u neerpen bij mijn ochtendkoffie. Ik ben niet, mocht u dat soms denken, op mijn persoonlijk tenen getrapt. Mijn huid is veel dikker dan dat, geloof me.

Wat maakt dat ik reageer, is dat u met uw uitspraken een heel segment collega’s en een enorme basis aan lezers behandelt met dedain dat doet denken aan dat van Donald Trump als hij gedegen journalistiek weg wimpelt als fake news.

Het is een straffe vergelijking, ik weet het. Niet elk kinderboek kan de vergelijking met onderzoeksjournalistiek doorstaan (daarover zo meteen meer). En u bent vast veel intelligenter dan Donald Trump. Of dat mag ik toch hopen. Maar daarom is het des te schrijnender om u zo’n ongefundeerde uitspraken te horen doen.

Ik merk twee dingen op uit de voorbeelden die u aanhaalt om kinderboeken en hun makers te schofferen: u pikt er een aantal grote namen uit, met werk dat heel goed verdiend (heeft) (J.K. Rowling, Roald Dahl), of iemand die onlangs heel erg in de belangstelling mocht staan (Bart Moeyaert). Dat ruikt naar jaloezie. Maar ik geef u het voordeel van de twijfel, en ik wil inhoudelijk antwoorden op wat u uit uw nek kletst.

Ik ga beginnen met u voor een stukje tegemoet te komen. Niet elk kinderboek is een literair pareltje. Maar dat is ook niet nodig, en daarin verschillen kinderboeken niet van boeken voor volwassenen. Een goede en gezonde mix komt elk ecosysteem ten goede. Wie beweert alleen maar in vier-sterrenrestaurants te dineren, vind ik bepaald niet sympathieker of betrouwbaarder dan wie toegeeft dat hij ook al eens een frietje gaat steken om de hoek. Integendeel.

Dat gezegd zijnde, de kinder- en jeugdliteratuur kan een aantal sublieme boeken voorleggen, parels van het woord (en vaak ook het beeld!) die het verdienen om door mensen van alle leeftijden gelezen te worden, en te blijven gelezen worden. Echt goede literatuur heeft wat mij betreft een ondergrens, maar geen bovengrens. De beste boeken voor kinderen bieden ook volwassenen nog altijd inhoudelijk en esthetisch plezier en ontroering, omdat ze zo verdomd goed geschreven zijn en op zo’n subtiele manier zoveel meer tussen cover en achterplat steken dan alleen maar een makkelijk verhaaltje.

Uit de paar namen die u noemt, leid ik ook een zekere huiver van fantasie af. U maakt ze in een paar zinnen belachelijk, voornamelijk door te spotten met namen van personages (dat lijkt nogal op kinderen pesten om hun uiterlijk, maar dat terzijde).
In tegenstelling tot wat u lijkt te denken, is fantasie een van de belangrijkste dingen die we kinderen kunnen bieden. In fantasie zit creativiteit, hoop, warmte, en het geloof dat we dingen kunnen veranderen als we er de moed voor hebben… Allemaal eigenschappen waarvan de zogenaamde volwassenen in de wereld van vandaag niet bepaald te veel hebben. En fantasie hoeft lang niet altijd te komen in de sprookjesachtige vorm van tovenaars of reuzen. Het is subtiliteit en fijngevoeligheid, een open blik op de wereld, het omgekeerde van cynisme. Mensen zonder fantasie zijn enge wezens.

Uw sneer naar vals spelende schrijvers van kinderboeken is in het licht van de recente ALMA zacht gezegd opmerkelijk te noemen, en uw uitspraak dat kinderboeken moeten geschreven worden door kinderen, zou hilarisch zijn als ze niet zo intriest was.
We blijven even bij de culinaire metafoor: boeken leren lezen is niet zo verschillend van goed en gezond leren eten. Verschillende smaken leren kennen, proeven van onbekende dingen, goesting krijgen voor het leven, letterlijk. Als we uw redenering volgen, moeten we kinderen in de keuken zetten om voor hun leeftijdsgenoten te koken. De stompzinnigheid daarvan is meteen duidelijk. Zelfs kinderen het menu laten bepalen (voor zichzelf of voor andere kinderen) zou leiden tot scenario’s met alleen maar spaghetti of friet of snoep op het menu.

Nee, meneer Buwalda, kinderboeken moeten geschreven worden door volwassenen die weten wat er nog meer in de wereld te vinden is dan friet en snoep, door schrijvers die geen minachting hebben voor jonge, groeiende mensen en hun leerprocessen, schrijvers die ervan genieten om de grenzeloze schoonheid van geuren, kleuren en smaken te delen en zo hele werelden te laten opengaan in de hoofden en harten van kinderen. Want kinderen worden ook volwassen, en helpen als volwassenen onze wereld mee bouwen. Op wat voor dieet zou u ze graag zien groot worden?

Kinderboeken maken is een lastige stiel, ondergewaardeerd en onderbetaald. We doen het met hart en ziel, en iedereen die er ook maar een heel klein beetje van af weet – waaronder al die volwassenen voor wie u uw neus optrekt – beseft hoe waardevol ons werk is. Blijkbaar vergeten sommige mensen, zelfs schrijvers zoals u, dat zodra ze volwassen worden.

Of bent u het misschien eens met juffrouw Bulstronk, die beweerde dat zij nooit een kind geweest was? We weten wat voor sympathieke figuur dát was. Tenminste, als we onze kinderboekenklassiekers kennen.

Een decennium

Dat de wereld verandert.
En hoe.

Ze zeggen dat je liefde voelt voor je kinderen. Dat is ook zo.
Maar de emotie is maar het topje van de ijsberg.

We noemen het liefde omdat het ons hart meesleurt, en omdat we het niet gewend zijn over onszelf te denken in termen van dierlijk instinct. Nochtans is dat wat ik het eerste voelde, kort na de geboorte al.
Mijn emoties zaten nog achter slot en grendel, op het achterplan gedrongen door het trauma van een bevalling die niet bepaald in de top tien van mijn levensgebeurtenissen prijkt. Ik had in de weken die volgden niet echt baby blues, maar van een roze wolk was totaal geen sprake.

Wat er wel was, was dat instinct. Ik herkende het, en ik moest denken aan onze kater. Ik herinnerde me hoe die vechtersbaas, die geen enkele andere kat in zijn buurt toeliet, zijn eigen jongen voor het eerst besnuffelde en vervolgens minzaam aanvaardde. Hij voelde dat ze van hem waren.

Nu begrijp ik hoe dat werkt, dacht ik. Want ik voelde het ook. Een oerstroom, een verbondenheid die ging tot in het bloed. Een energetische verbondenheid ook, waar dat kleine wezentje zich in nestelde, zijn aura binnen de mijne, veilig, omhuld.

Hij doet het nog altijd: bij mij op schoot komen zitten en zich warmen binnen mijn energieveld. Op momenten dat hij nood heeft aan bevestiging, of een knuffel, of nabijheid. Ik geniet ervan tot in de diepste vezel van mijn lichaam.

En dan springt hij op en is hij weer weg, in zijn eigen ruimte, blij met zijn plek in de wereld, klaar om die te veroveren. Met enthousiasme. Met bedachtzaamheid. Met humor.

Tien jaar.
Ja, de wereld is veranderd. En hoe.

Middeleeuws riddergevecht aanmoedigen (c) KV 2012


Tussen donker en licht: Marit Törnqvist

Voor de literaire podcast Boeken Toe mocht ik als gastredacteur op pad voor een bijzondere opdracht: een diepte-interview met een boekenmaker van mijn keuze.

Die keuze was snel gemaakt.
Op een gure februaridag spoorde ik naar Amsterdam voor een gesprek met Marit Törnqvist. Over dertig jaar kinderboeken maken, over Astrid Lindgren, Nederland en Zweden. En over de bijzondere betrokkenheid bij kinderen hier én van de andere kant van de planeet, over het lot van uitgeprocedeerde vluchtelingen en over je plek vinden in de wereld.

Openbarsten

Net zoals de gezwollen knop uiteindelijk barst onder de almaar toenemende druk van wat hij de hele winter heeft beschermd, zo splijt mijn leven zichzelf open.

Ik heb mijn job opgezegd op de redactie waar ik al meer dan vijf jaar werk. De structuur die mij lange tijd als gegoten had gezeten, voelde steeds beknelder aan. Was hij gekrompen? Was ik gegroeid?
Beide.

(c) KV

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik helemaal ‘voor mezelf’ ga rijden. Dat ik met open armen de deur uit stap en het leven zeg: ‘laat maar komen, ik ben er klaar voor’.

Of nee, eigenlijk is dat niet de eerste keer. Ik heb best al wat ervaring met vertrouwen en springen, blind zelfs. Mijn allereerste job is zelfs zonder solliciteren letterlijk aan de deur komen aanbellen – een smakelijk verhaal dat ik nog altijd met plezier vertel.
Het is wél zo dat ik altijd nog een vorm van vangnet achter de hand had, als niet materieel dan toch psychologisch. Of dat ik zo snel mogelijk van één vorm van vangnet naar een andere toe wilde. Dit keer niet. Het zou goed kunnen dat ik nooit meer in vaste loondienst treed, denk ik nu.

(Behalve dan wat mijn lessen op de academie betreft, die uiteraard doorlopen en waar ik heel goed op mijn plek ben. Om een of andere reden voelen die helemaal niet beknellend aan, juist vrij en creatief. Bij deze is ook mijn directeur, die zich bij het lezen van bovenstaande misschien even in zijn koffie verslikte, hopelijk gerustgesteld.)

Maar wat een groeiproces, voor iemand die zich nog maar een jaar of drie geleden niet kon voorstellen dat er mensen waren die de onzekerheid van een zelfstandig bestaan verkozen boven de veiligheid van een vaste baan. Ik sta zelf een beetje verbaasd te bekijken.

Het voelt nog wat rillerig, zoals naar buiten gaan zonder jas. Er staat een frisse bries. Maar de zon breekt door de wolken, en ik heb er goesting in.

(c) KV

P.S. Mijn leven is niet het enige wat openbarst. Terwijl ik dit schrijf, is mijn zusje aan het bevallen: haar buik opent zich om twee rijpe vruchtjes op de wereld te zetten. Voor ons allebei is vandaag het begin van een nieuw hoofdstuk. En wat voor één.

ZAAILING #45 – Reflectie


(c) Jurgen Walschot


‘Weet je nog hoe…’ Verder komt hij niet.
Ze knikt. De lucht heeft precies dezelfde kleur als op de dag die hij bedoelt.

Je moet nadenken over het leven, wordt gezegd. De dingen op een rijtje zetten voor het te laat is.
En ze weten best dat ze ouder worden. Daarvoor hoeven ze niet te kijken naar hun gemarmerde handen, waar aders en vlekken steeds nadrukkelijker de tijd uittekenen. Ze voelen het in elke stap, en in hoe de seizoenen elk jaar zwaarder wegen.

Je moet met verdriet leren leven, wordt gezegd. Het een plaats geven.
Maar het enige wat ze geleerd hebben, is dat verdriet op geen enkele plaats thuis is, hoe vaak je de meubels ook herschikt. Dus dragen ze het mee, dan struikelen ze er tenminste niet onverhoeds over.

Je moet blij zijn met wat je hebt, wordt gezegd. Je zegeningen tellen.
En dat proberen ze, ook al is hun leven een uitgewoond paleis met leeg echoënde zalen, veel te groot voor hun twee. De herinnering aan kinderstemmen is het enige wat hen warm houdt.

‘Weet je nog dat hij…’ Verder komt hij niet.
Ze knikt.
Ook dat weet ze nog.





ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden,hij tekent bij de tekst.

Een bronervaring

FILE1187 ed klein
(c) KV

“I remember one morning getting up at dawn. There was such a sense of possibility. You know, that feeling. And I… I remember thinking to myself: So this is the beginning of happiness, this is where it starts. And of course there will always be more… never occurred to me it wasn’t the beginning. It was happiness. It was the moment, right then.”

Aan het woord is Clarissa Dalloway, in Michael Cunninghams boek The hours (De uren). Het boek maakte een grote indruk op mij toen ik het las, de fraaie verfilming een paar jaar later deed wat mij betreft het werk eer aan. En bij deze bewuste passage, toen ik ze uitgesproken zag door Meryl Streep, dacht ik: die fout ga ik niet maken.

Geluk is een moment, kortstondig, sprankelend en diep. We hebben vaak meer van die momenten dan we beseffen. Het enige wat we moeten doen, is er ons bewust van zijn. Dan kun je het ogenblik opzuigen als nectar, je erin onderdompelen als zonlicht, jezelf er helemaal mee verbinden. Te vaak jagen we geluk na dat er nooit zal zijn, omdat we het ons voorstellen als een droom die nooit ophoudt, een eeuwige zaligheid.
Maar zo werkt het helemaal niet. Sinds ik dat begreep, heb ik geprobeerd om op elk moment van oprecht geluk te herkennen wat ik beleefde, en er dankbaar voor te zijn.

FILE1209 ed klein
(c) KV

Natuurlijk ken ik uitdagingen, en slechte dagen. Maar ik zie mijn leven toch vooral als een aaneenschakeling van kleine geluksmomenten, oplichtende stippen op een soms somber pad, die mij de weg wijzen, en die mij, als ik terugkijk, heel duidelijk tonen waar ik vandaan kom en welke weg ik heb gevolgd om hier te geraken. En elke nieuwe oplichtende stip herken ik als een moment van diep geluk.

Zonlicht dat door bladerdek breekt.
Hartelijk lachen met mijn man, om een grapje dat alleen wij twee begrijpen.
Een Zaailing schrijven waarbij alles moeiteloos op zijn plaats valt.
Een kop koffie met een dierbare vriendin.
De zonsopgang op de trein naar Brussel.

Geluksmomenten. Bronervaringen.

Dat tweede concept, de bronervaring, is bijzonder. Het woord komt uit de psychodynamica, en het betekent zoveel als: een ervaring die zo weldadig en voedend is en zo diep aansluit bij je diepste wezen dat je er voor altijd uit kunt blijven putten. Je eigen persoonlijke oplaadbatterijtje, je meest oprechte geluksmoment en een bron van diepe, authentieke kracht.

Geluksmomenten zijn redelijk frequent, als je ze leert herkennen. Echte bronervaringen zijn zeldzaam.

FILE1223 ed klein
(c) KV

Ik beschouw mezelf als bijzonder bevoorrecht dat ik in mijn leven een paar zulke bronervaringen kan benoemen. Ik aarzel om ze hier te beschrijven, ze zijn té persoonlijk, en ik kan ze met woorden eigenlijk geen recht aandoen. Ze zouden dan alleen maar gaan klinken als zweverige prietpraat, of als mooie toevalstreffers waarvan de diepere betekenis niet zomaar te vatten is. Wel is het zo, dat ze mij diep voeden. En dat ik, net als bij de geluksmomenten die ik pluk wanneer ze zich voordoen, of dat nu op mijn pendeltrein is of aan mijn keukentafel, besef wat ik meemaak op het moment dat het gebeurt.

Eén poging waag ik hier toch.
Hoe mijn zoon zich op mijn schoot nestelt – na het eten, bij het voorlezen, tijdens een mooie film. Niet dát hij zich, negen jaar oud, nog altijd op mijn schoot nestelt, maar hóe.
Opgekruld, als een klein beestje, als een bolletje kind dat volledig in mijn lichaam of mijn energieveld wil opgaan. Hij komt helemaal in mijn persoonlijke ruimte zitten en versmelt ermee. Ik ben eventjes, met lijf en ledematen en emoties en energetische ruimte, het bad waarin hij zich komt onderdompelen, zoals hij ooit negen maanden lang heel diep in mij was ondergedompeld.

Misschien hebben we op dat moment een gesprek. Misschien maken we een grapje. Misschien leg ik hem uit waarom iets wat hij deed niet zo fijn was, of waarom ik kwaad werd en me wil verontschuldigen. Wat er aan de oppervlakte gebeurt, maakt niet zoveel uit. Maar wat er daaronder stroomt, is van een kracht die mij nog altijd verrast.

Ik houd hem niet krampachtig vast. Ik doe geen enkele poging om hem bij me te houden, langer dan goed voelt voor een van ons beiden. Ik voel alleen een diepe rust en immense liefde, en ik weet: ik ben op dit moment de fysieke plek op aarde waarbinnen hij zich veilig voelt en gekoesterd weet. Ik ben zijn bronervaring. En precies daarom is hij ook de mijne, want zo’n innige verbondenheid, voorbij woorden of rationeel verstand, kruipt dieper dan wat dan ook.

FILE1224 ed klein
(c) KV

 

Ik hou van Clarissa Dalloway omdat ze zo’n mooi en tragisch literair personage is. Maar ik ben haar niet, ik zal haar nooit zijn. Ik zal niet terugkijken op mijn leven en denken: dat, daar, toen, was geluk – alleen zag ik het niet.

Met open armen en wijdopen hart omarm ik elk geluksmoment dat zich aandient op mijn pad. En ik ken mijn bronnen. Ik bemin ze en laaf mij eraan, en ik weet mij gezegend.

Het enige wat ik kan doen om hen te bedanken zoals ze verdienen, is de kracht en de schoonheid die ik dankzij hen ervaar naar buiten te brengen en in de wereld te zetten. En op een onverwacht moment iemand anders’ bron te zijn, misschien.

ZAAILING #40 – Vleugelverhaaltjes

Björköby residentie — Blog #4

image.php
(c) Vetlanda Posten

 

Toen de illustratoren die deelnamen aan het SmåBUS-festival de vraag kregen om een beeld te maken bij Astrid Lindgrens boek De kinderen van Bolderburen, ging ook Jurgen nadenken over een tekening. Maar al snel groeide het idee om Zaailinggewijs weer eens lekker buiten de lijntjes te kleuren, en méér in te leveren dan alleen maar een beeld. Dus het werd een Zaailing, tekening én tekst, een eerbetoon aan de verbeelding en aan Astrid Lindgren.

Jurgens prent hangt tentoon in Astrid Lindgrens Näs, geflankeerd door de beelden van zijn collega-illustratoren. De Zaailingtekst hangt er niet bij, maar dat geeft niet. De Zweedse pers heeft niet alleen ruim aandacht geschonken aan het SmåBUS-festival, maar ook sterk ingezoomd op het duo schrijver-illustrator in residentie… Het werd een leuk gesprek met de journaliste, met een toch wel bijzondere primeur er bovenop: de integrale Zaailing staat in de krant.

Een betere manier om onze veertigste eigenwijze creatieve scheut te vieren, op de herfstequinox nog wel, is er niet.

 

 

__

 

ZAAILING #40
Vleugelverhaaltjes

bolderburen klein.jpg
(c) Jurgen Walschot

Als ik je nu een verhaaltje vertel, gaan we dan naar buiten?

Een verhaaltje over hoe drie huizen de hele wereld leken en zes kinderen die wereld bewoonden alsof er geen andere was. Een verhaaltje over klimmen in bomen, slapen in schuren, hutten bouwen en de watergeest bespieden.
Want soms moet je doen alsof eventjes alles alleen maar goed is, alsof er geen oorlogen of gevangenissen of volwassenen met monden vol leugens bestaan. Soms moet je kijken naar de kleine dingen, alleen maar naar de kleine dingen, van zo dichtbij dat je niets anders meer ziet. En blij zijn, heel blij zijn, zolang dat lukt.

Soms mag je ook verdwaald zijn. Een beetje als een vogel die geboren wordt in het verkeerde nest, en niet helemaal snapt wat ze daar doet. Ook daar dient een goed verhaal voor. Maak je geen zorgen: als je het te eng of te vreemd vindt, vist de vertelster je wel weer op uit de boom waar ze je stak, en zet je veilig met je beide pootjes terug op de grond. Oef!

Maar vergis je niet. Nadien blijf je stiekem toch ook een beetje verlangen naar die hoge takken van het verhaal, het nest van waaruit je de wereld plots zo anders zag, omdat van op een hoogte alles nu eenmaal duidelijker lijkt. Je zal vanaf dat moment een beetje zweven, soms zelfs een heel klein stukje vliegen. Omdat je nu weet hoe dat moet.
Want daar dienen verhalen voor: ze geven je vleugels, ook al gebeurde dat zonder dat je er iets van merkte.

Als ik je nu een verhaaltje vertel, gaan we dan naar buiten?
In bomen klimmen, op zoek naar een nest?

 


 

ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde
en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden,
hij tekent bij de tekst.

stempel_negatief

Sommige werkwoorden zijn niet onschuldig

Mijn vorige blog liet een beetje stof opwaaien. Want lang niet iedereen was het eens met wat ik poneerde in “Wat ben je lelijk, nu”.

De meest gehoorde reacties waren:

*Die grootouder bedoelt het vast goed.
*Die uitdrukking wil alleen zeggen dat het kind moet stoppen met zich aan te stellen.
*Dit wordt niet alleen tegen meisjes gezegd, maar ook tegen jongens.

Even voor de duidelijkheid:

*Ik ben er zeker van dat de grootouders waarover het ging hun kleinkinderen graag zien en het goed bedoelen. Ik heb ook nooit anders beweerd.
*Ik weet ook hoe die bewuste uitspraak bedoeld is.
*En dat laatste punt had ik zelf ook al aangegeven in het originele stuk, of beter: dat het me niet kon schelen tegen wie het gezegd werd – hoewel het voor meisjes op dit moment in onze samenleving nog altijd een hardere noot is om te kraken als ze ‘lelijk’ genoemd worden.

Het was niet mijn bedoeling om iemand aan de schandpaal te nagelen. Mijn man wees me er wel fijntjes op dat ik misschien een ietsiepietsie te veroordelend klonk… 😉 Oké, schuldig. Ik heb alleen nogal de natuurlijke neiging van op grote hoogte (lees: systeem- en samenlevingsniveau) te kijken naar patronen die zich voordoen. En ik ontwaar een onbewust patroon. Onbewuste patronen zijn altijd de gevaarlijkste, want we weten niet dat we ze hebben en hoe ze ons leven beheersen.

 

Zomerlijnen BXL_057 ed klein
(c) KV

 

Behalve een aantal protesten heb ik ook reacties gekregen van mensen die me met een vermoeide of bedroefde zucht zeiden: ‘Als je eens wist hoe vaak mijn ouders dat tegen mij gezegd hebben, vroeger…’ Voor hen was het beslist geen neutrale herinnering, zoveel was duidelijk.

Want hoe we het ook draaien of keren, ‘lelijk’ is en blijft een waardeoordeel. Niemand wil lelijk zijn (of genoemd worden), want het zegt sowieso iets negatiefs over je, en in deze op uiterlijk gefocuste samenleving staat het zo ongeveer gelijk met paria zijn.

Een dergelijke uitspraak, uit de mond van een zorgfiguur die het vertrouwt, kan wel impact hebben op het kind, zeker als het een terugkerend argument is. Hoe moet het kind het verschil maken tussen andere terugkerende mantra’s als ‘Eerlijk duurt het langst’ of ‘Met twee woorden spreken’ en ‘Je bent lelijk als je huilt’? Onbewuste conclusies over hoe relaties werken, worden ingeslepen op heel jonge leeftijd.

Natuurlijk is hier nood aan nuance. Niet elke straffe of ongepaste uitspraak leidt tot een trauma. We hoeven ouders geen angst aan te praten voor die ene, fataal foute opmerking die het hele verdere leven van een kind zal gaan bepalen. Kinderen beschikken doorgaans ook over een behoorlijke portie veerkracht, goddank.

 

Zomerlijnen BXL_007 ed cut klein
(c) KV

 

Ik ben zeker geen voorstander van anti-autoritaire opvoeding. Ik geloof in grenzen, verantwoordelijkheidszin en omkadering van kinderen. Gedrag moet ten allen tijde bijgestuurd kunnen worden. Een huilbui kan oprecht zijn, maar net zo goed aanstellerij. Het is aan de opvoeder met kennis van zaken om dat verschil te maken. In het ene geval is troost aan de orde, in het andere kordaatheid. Maar in geen van beide gevallen is het kind erbij gebaat dat zijn gedrag wordt gelijkgesteld met een waardeoordeel over hem/haar als persoon.

Want over patronen gesproken: we staan nog veel te weinig bij stil dat ons gebruik van het werkwoord ‘zijn’ niet zo onschuldig is. Het lijkt van geen tel, maar er is eigenlijk een bijzonder groot verschil tussen een kind terechtwijzen met ‘Je bent stout’ of ‘Wat je doet, is stout.’

Hebben ouders de bedoeling om de diepste essentie van hun kind te veroordelen als ze zeggen: ‘Je bent stout’? Natuurlijk niet. Ze willen gewoon dat het gedrag stopt. Maar in wat ze zeggen, klinkt een andere boodschap door, die al dan niet door het kind zal worden opgepikt. En ik maak me sterk dat het toch anders aankomt als een kind te horen krijgen dat zijn gedrag niet aanvaardbaar is, dan wel hijzelf.

 

Zomerlijnen BXL_062 ed klein.jpg
(c) KV

 

Woorden zijn bijzonder krachtig.
Uitspraken van ouders, leraars, gezagsfiguren of zelfs toevallige voorbijgangers kunnen iets in gang zetten diep vanbinnen in ons en soms herinneren we ze ons jaren later nog altijd. Iedereen heeft vast wel een kinderherinnering aan iets wat iemand ooit tegen ons zei wat een enorme verschil maakte in hoe we naar de wereld (of onszelf) keken.

Laat het onnodige schuldgevoel maar varen, we hoeven niet perfect te zijn – dat lukt ons toch niet. Maar we kunnen wel bewust en bedachtzaam proberen te zijn. En nu en dan eens stilstaan bij en nadenken over onbewuste patronen kan nooit kwaad, me dunkt.

 

 

 

 

“Wat ben je lelijk, nu”

 

Zomerlijnen BXL_052 klein
(c) KV

 

Kun je je voorstellen dat iemand die woorden in je gezicht zegt?
Zou jij ze ooit durven uitspreken?

Tenzij ze horen bij een hartelijke giechel- en proestbui tussen beste vriendinnen, kunen ze moeilijk als onschadelijk beschouwd worden. Wat mij betreft, beledig je mensen gewoon niet op die manier, wie je ook denkt te zijn en wat je ook denkt te weten.

Maar onlangs vertelde een vriendin me dat haar schoonvader exact dit had gezegd tegen haar vierjarig dochtertje, zijn kleinkind, toen ze een huilbui had.
En gisteren hoorde ik iemand in een van de naburige tuinen precies hetzelfde nog een keer zeggen, alweer tegen een jengelende peuter, die een lastig moment had en huilend lucht gaf aan haar frustratie.

Mijn haren gingen ervan overeind staan. Ik kon gewoon niet geloven wat ik hoorde.

Wat voor boodschap geven we in hemelsnaam aan kinderen (van welk geslacht dan ook, maar zeker aan meisjes) als we ze zeggen dat ze lelijk zijn wanneer ze hun gevoelens uiten?

 

Zomerlijnen BXL_042 ed klein
(c) KV

 

Natuurlijk kunnen kinderen overreageren, en niet elke huilbui is verantwoord. Vermoeide peuters huilen om alles en niks, elke ouder kan je dat vertellen. Maar er zijn andere manieren om dat huilen te laten ophouden. Dit was niets meer of minder dan een rondje goeie ouwe misogynie die meisjes inprent dat mooi zijn belangrijker is dan oprecht zijn, en dat je je diepere zelf maar beter verbergt om de goedkeuring van anderen te krijgen.

Het feit dat de stem uit de buurtuin niet eens boos klonk, maakte het nog erger. Dit was geen uitval van een uitgeputte zorgfiguur die even de controle over de eigen emoties verloor. Het werd gesteld als een valabel argument.
(Ik kan me trouwens niet meer herinneren of het de opa dan wel de oma van de peuter was die ik hoorde spreken. Ze waren samen bezig met het kind. De andere partij sprak de partner alvast niet tegen.)

Het wenende meisje werd in bed gestopt (prima beslissing), maar toen de stilte neerdaalde over de tuinen kon ik me alleen maar droef en boos voelen. Staan we werkelijk nog altijd niet verder dan dít?

 

Zomerlijnen BXL_054 ed cut klein
(c) KV

 

Toch wel, gelukkig. Maar dit kleine incident toont wel aan dat het een voortdurende, dagelijkse strijd is tegen onwetendheid en ongezonde, oubollige maar zeer diep ingesleten denkbeelden.
Mijn vriendin, een taaie voorvechtster van vrouwenrechten, vertelde dat ze er achteraf een hartig woordje over had gesproken met haar schoonvader (waarbij haar man, zijn zoon, vierkant achter haar stond). Ik kan me voorstellen dat die grootvader zijn schoondochter best een moeilijke vrouw vindt. Maar hij zal waarschijnlijk ook wel twee keer nadenken voor hij weer zoiets tegen zijn kleinkind zegt.

Ik hoop dat het kleine meisje bij de buren, en zoveel anderen net als zij, hier in dit land waar we zo graag luidkeels verkondigen met hoe ernstig wij de gelijkwaardigheid tussen de seksen wel niet vinden, ook mensen in haar leven heeft die haar vertellen dat ze wél mag huilen, en dat ze niet de hele tijd haar sterkste, mooiste, best opgeblonken zelf moet zijn. Ik hoop dat ze te horen krijgt dat eerlijk zijn over wat ze voelt belangrijker is, en dat ze er niet minder graag om zal worden gezien.

Ik hoop het echt.

 

Zomerlijnen BXL_044 ed klein
(c) KV