Een verhaal, verteld of op zijn minst vermoed

Een kennismaking met stadsfotografie

Bxl city_060b
(c) KV – Pool is cool

Vroeger vroeg ik me wel eens af waarom zoveel fotografen graag de stad fotograferen.

Steden verstikken mij. Mijn zintuigen vinden ze een harde, onaangename omgeving. Te veel geluiden, te veel geuren. Te veel lelijkheid, vooral. Draden en afval en stof en vermoeide, verbleekte façades.

Als ik omringd ben door niets dan straten en gebouwen zoeken mijn ogen automatisch naar het dichtstbijzijnde sprietje groen. Ik voel me maar echt op mijn gemak als ik genoeg levende, organische dingen om me heen heb.
Maar in de meeste steden en dichtbevolkte gebieden, dichtgepleisterd met beton en gestructureerd volgens rechte lijnen en strakke afmetingen, is er weinig organisch houvast, en voel ik hoe mijn reservoirs van ademruimte en optimisme langzaam leeglopen.
Je leert je voeden met kruimels in de stad: een paar bloemen op een balkon, een regiment bomen in het gelid langs de straatkant, soms niet meer dan een overwoekerde border. De stad helpt mij zelden aan een beter humeur.

Maar vandaag was het anders.
Ik nam mijn camera mee naar het werk, met een heel bewuste bedoeling. De dag voordien was ik getuige van een scène op weg naar het station, en die wilde ik nu proberen vast te leggen. Een stadsscène – dat op zich is al ongewoon voor mij.

In de ongebruikte verkeersvrije ruimte tussen BOZAR en een grote bouwwerf is een recreatieve ruimte verschenen, compleet met bar, strandstoelen, parcours voor skateboarders en een blauw geschilderde container die dienst doet als het enige openluchtzwembad in Brussel. Het concept op zich was al kleurrijk, maar nu waren allerhande kunstenaars ook nog eens begonnen om de aanpalende houten wanden te beschilderen, én het straatoppervlak. Het was bizar en mooi.

Bxl city_132
(c) KV – Pool is cool

Ik vertrok na het werk op kantoor met mijn cameratas in mijn rugzak gepropt en de camera om mijn nek, voornamelijk omdat ik geen zin had om dat hele eind met twee weinig compatibele tassen te moeten jongleren. Maar met een camera klaar voor gebruik binnen handbereik, ga ik bijna automatisch in foto-modus. En dan kijk ik helemaal anders naar een plek.

Plots leek de lelijkheid van de stad naar de achtergrond te verdwijnen. Kleuren, contrasten en composities verschenen, en een overvloed aan vormen, weerspiegelingen en vervreemdende abstracties.

De mensen veranderden ook. Meestal probeer ik de massa’s vreemden die ik op straat kruis te negeren. Inzoomen op elk van hen afzonderlijk maakt me duizelig en gedeprimeerd door een overdosis emotionele ruis. Maar nu, terwijl ik focuste op een bepaalde plaats, werden mensen plots interessante personages die een scène bevolkten, en de kijker het gevoel gaven dat er een verhaal verteld werd, of op zijn minst vermoed.

Bxl city_152 zw ed cut
(c) KV – Ravensteingalerij

Het is geloof ik makkelijker om een interessante foto te maken in de stad – hoewel ik absoluut niet wil beweren dat goeie foto’s maken makkelijk is. Maar er zijn gewoon zoveel contrasterende elementen dat, als je weet hoe je moet kijken, sommige beelden zichzelf wel lijken te schieten. Gebouwen en straten zorgen haast op natuurlijke wijze – sorry, flauwe woordspeling – voor een aanzet tot compositie. En de lelijkheid, het ruwe en onpersoonlijke van een plek, is het decor waarin plots allerlei dingen beginnen gebeuren.

Ik krijg het gevoel dat ik niet eens zo’n slechte stadsfotograaf zou zijn. En ik denk dat ik vanaf nu mijn camera wat vaker meeneem naar het werk…

Bxl city_051
(c) KV – Pool is cool

 

Advertenties

Transitie, in alle maten en kleuren

Het is goed dat ze van zich laat horen, denk ik als ik in De Standaard het stuk van Aheda Zanetti lees, de Australische moslima die de boerkini ontwierp. Het is goed dat ze haar stem verheft, en dat ze oprecht is. Ik zal haar, en het recht van moslimvrouwen om boerkini’s te dragen – het recht van elke vrouw om wat dan ook te dragen, punt – altijd blijven verdedigen. En er zijn veel redenen om je als vrouw te bedekken, dat schreef ik al.

Maar als ik lees wat ze zegt, bloedt mijn hart toch.

Ze ontwierp de boerkini omdat haar nichtje zich kapot zweette in de dikke kleren die ze droeg om zich te bedekken tijdens het sporten. Dat is eerbaar, en haar ontwerp bracht vrouwen een vrijheid die ze voordien niet hadden.
Alleen – en dat is waarom ik het er toch nog altijd lastig mee heb – wat voor vrijheid? De vrijheid om je in het openbaar te begeven?
Als je anders helemáál de deur niet uit mag, kan ik me voorstellen dat zo’n pak inderdaad vrijheid belichaamt. Maar het is een vrijheid die de echte ongelijkwaardigheid in een gemeenschap ongemoeid laat. Ze geeft geen kritiek op de diepgewortelde opvatting dat vrouwen zich moeten bedekken, ze omzeilt ze.

Quondam_043.JPG

Aheda Zanetti lijkt geen moeite te hebben met de traditionele denkbeelden uit haar omgeving dat mannen en vrouwen fundamenteel andere rechten en plichten hebben, zoveel kunnen we opmaken uit de rest van haar stuk. Ongelijkheden worden in stand gehouden door beide partijen in een cultuur. Mannen mogen dan veel meer vrijheden hebben dan vrouwen, ze dwingen die niet altijd af met bruut fysiek geweld. Hele gemeenschappen werken daar actief aan mee. Door zich te schikken, door opruiende stemmen het zwijgen op te leggen, door de regels te omzeilen maar niet openlijk aan te vechten.
Vrouwenbesnijdenissen – om het even heel confronterend te zeggen – worden ook niet per toeval uitgevoerd door vrouwen.

En ach, ik besef het maar al te goed, vrouwenemancipatie is van zeer lange adem. Het is een proces dat zich op verschillende plaatsen ter wereld op heel andere snelheden in  diverse fases van ontluiking bevindt. Zoals de Amerikaanse coach Tara Mohr het zo heerlijk zegt: we are the transition team. Vrouwen van onze generatie(s) timmeren aan de overgang van het oude patriarchale systeem naar iets beters en evenwichtigers.
En de weg is veelkleurig en lang. Ook hier in het westen krijgen vrouwen nog altijd geen deftig bestaansrecht in de katholieke kerk. Het glazen plafond wordt ook in de rijkste westerse landen nog steeds gelapt door vrouwen. We mogen ondertussen al naar buiten zonder een chaperone, maar ook ons uiterlijk wordt – op een heel andere manier – onafgebroken onder de loep genomen. Wij protesteren daar wel tegen, velen van ons zelfs heel ostentatief, maar dat wil niet zeggen dat al die zaken in een klap opgelost zijn.

Ik wil deze inventieve, oprechte Australische dan ook niet afvallen of ontmoedigen. Maar ik ben het wel grondig met haar oneens dat de boerkini symbool staat voor vrijheid. Of toch voor het soort vrijheid dat ik in gedachten heb, namelijk de evenwaardigheid tussen man en vrouw. Als een man wil dat zijn vrouw zich bedekt, dat hij dan zelf alsjeblieft ook zo’n surfpak aantrekt, denk ik in een moment van frustratie. En dat hij anders zijn ogen dicht doet.

Er is een hemelsbreed verschil tussen je vrij voelen door de regels te omzeilen en werkelijke emancipatie. Anderzijds: is niet alle emancipatie zo begonnen? Met het omzeilen van regels, tot het voor iedereen duidelijk werd dat die eigenlijk oneerlijk en onwenselijk zijn?
Laten we de boerkini toejuichen omdat hij vrouwen een eerste smaakje van vrijheid geeft. En laten we precies daardoor tonen dat hij eigenlijk helemaal niet nodig is.

Een glibberig symbool

De pro-en-contra discussies over de hoofddoek en – bij uitbreiding – de boerkini, ik krijg het ervan.
Hoe eenzijdig kunnen meningen zijn? Dit is een veelkantige kwestie, een netelig onderwerp waar géén makkelijke en eenduidige antwoorden voor bestaan.

Dat komt omdat de ‘bedekking’ (laten we eens een neutrale term gebruiken die de lading helemaal, euhm, dekt) van moslima’s en vrouwen in de Arabische wereld ook helemaal niet zo eenduidig is als ze lijkt. Die bedekking is met alle vuur te verdedigen én te verwerpen, en alles hangt af van de context. Drie snelle schetsen (maar er zijn nog ettelijke varianten mogelijk).

Quondam_042.JPG

Context 1. Een jonge, moderne, zelfbewuste vrouw zoekt naar een vorm van spiritueel bewust leven. Ze heeft een geloof, en ze wil dat niet alleen tonen door de manier waarop ze leeft maar ook door de kleren of de attributen die ze draagt. Dit zijn nonnen, in India of Vlaanderen. Dit zijn moslima’s in Bangladesh, en Native American grandmothers in Arizona. Dit zijn vrouwen die uit volle overtuiging en in alle waardigheid een uiting geven aan een goed dat in deze neokapitalitische wereld bepaald niet enthousiast onthaald wordt: een bezielde manier van bewust leven, in contact met iets wat dieper gaat dan het tumult van alledag.

Context 2. Een jonge vrouw die opgroeit in een cultuur of een regime dat vrouwen ongeveer op dezelfde hoogte acht als huisdieren, en dat hen alle privileges ontneemt. Bedekking is een plicht, en de straf voor ongehoorzaamheid is uitstoting, of erger. Ze weet niet beter (of ze weet het wel), maar ze aanvaardt de omstandigheden uit noodzaak, want er is geen alternatief.
Ze leeft in door IS bezet gebied, en in landen waar leiders zelfs de vrouwen van andere staatshoofden weigeren de hand te schudden.

Context 3. Een jonge moslima, geboren in het seculiere westen, maar dochter van ouders die nog stammen uit het traditionele patriarchaat dat er maar niet in slaagt een evenwicht te vinden in de moderne Westerse context. Het brengt jonge, gefrustreerde hengsten voort die met hun seksualiteit geen blijf weten, maar eist tegelijk nog altijd van meisjes dat ze kuis en respectabel zijn. Deze jonge vrouwen willen deelnemen aan het alledaagse leven op het continent waar ze zijn opgegroeid zonder van hun familie te vervreemden. Als ze hun hoofddoek afleggen, noemen hun broers ze hoeren. Als ze ze ophouden, zijn ze voor ons niet welkom in het openbaar.

In het westen gruwen we van context 2. Het is ook de meest laakbare van de drie. Alleen: deze praktijken vinden plaats op plekken waar wij vanuit onze fauteuils in Europa nauwelijks vat op hebben. Tenzij we stoppen met zo olieafhankelijk te zijn, klinkt onze morele verontwaardiging goedkoop. Momenteel ligt zelfs eisen dat de echtgenotes van onze politieke leiders met evenveel respect behandeld worden als zijzelf al te gevoelig.

Maar de vrouwen van context 1 en 3 hebben niets te winnen bij een veroordeling van hun klederdracht. Of die bedekking nu een uiting is van een bewuste en doorleefde keuze, dan wel van een ongemakkelijk compromis in een cultuurclash die nog volop gaande is, met een verbod zullen we niemand helpen.

Als de vrouw in kwestie een moslima is, dan zullen we haar – een paar hoopvolle idealisten niet te nagesproken – zelden spontaan in context 1 situeren. Zelfs context 3 is voor velen al te moeilijk. Bij het zien van een hoofddoek springen de conclusies maar al te graag naar context 2. En dat hier in het vrije, Westerse Europa! Dat moeten we verbieden!

We sloegen zelden de  bal zo hard mis. En hij gaat als een boemerang in ons gezicht terugkeren.

 

Voor wie het na het volgen van deze blog nog niet wist: ik ben feministe. Ik houd de waardigheid, gelijkwaardigheid en vrijheid van vrouwen hoog in mijn vaandel. Ik kan woest worden van de verhalen over aangerande vrouwen, over vrouwen die uitgemaakt worden voor ‘hoer!’ omdat ze niet bedekt zijn, over vrouwen van wie vier Olympische medailles vergeten worden maar een man die er twee wint gefeliciteerd wordt.

Maar ik word even woest van een stelletje agenten die een vrouw verplichten zich uit te kleden in het openbaar. In elke andere context noemen we dat aanranding. Maar omdat ze moslima is, en omdat we snel in een wet gegoten hebben dat een hele bevolkingsgroep zich anders moet gaan kleden dan ze voorheen deden, verdient ze het?
Tropische temperaturen of niet, vanmorgen kreeg ik het ijskoud bij zien van de beelden.

De jaren dertig zijn inderdaad terug van weggeweest.

 

“Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd”

“Niemand wordt als extremist geboren. Je wordt als mens geboren. Maar je moet je ook willen ontwikkelen.” Aan het woord is Montasser AlDe’emeh. De Palestijnse Belg is stilaan niet meer uit de media weg te branden. Weken voor de aanslagen in Parijs en Beiroet de wereld schokten, hadden wij al een lang gesprek met de bijna-jihadi die transformeerde tot bruggenbouwer.

Je zou het levensverhaal van Montasser AlDe’emeh kunnen samenvatten in één surrealistische frase: van jonge geradicaliseerde moslim tot gerespecteerd jihad-expert. Amper zevenentwintig is hij, maar de man heeft al een indrukwekkend parcours achter de rug.
AlDe’emeh werd geboren in een Jordaans vluchtelingenkamp, als jongste kind van een uit Palestina verdreven gezin. Hij groeide op in Vlaanderen en had jarenlang het gevoel tussen twee culturen te vallen, gesteund in zijn haat- en wraakgevoelens door zijn verbitterde vader, niet begrepen door een samenleving die moslims na 9/11 dwong om kant te kiezen maar hen tegelijk bleef uitspuwen. Als adolescent dweepte hij met Bin Laden, luisterde naar toespraken van haatpredikers en stond op zeker moment letterlijk klaar om te vertrekken naar Palestina en de wapens op te nemen. Maar hij slaagde erin een bocht te maken. Een begripvolle schooldirectie en een reis naar Auschwitz zetten de deur naar empathie en inzicht op een kier. Universitaire studies brachten hem kennis over de geschiedenis en de achtergronden van de islam en Israël. Hij trok zichzelf aan de haren uit het moeras van de haat, vastbesloten om open te staan voor nieuwe vormen van kennis, en om anderen niet langer als vijanden te verwerpen maar als medemensen tegemoet te treden.

AlDe’emehs verhaal van wat hij zijn spirituele transformatie noemt, staat opgetekend in De Jihadkaravaan, het boek dat hij samen met journalist Pieter Stockmans schreef. Het is een absolute must-read voor wie de innerlijke beweegredenen van jonge geradicaliseerde moslims wil begrijpen en tegelijk een degelijk inzicht wil krijgen in de lappendeken van strijdende facties in het Midden-Oosten. Sommige passages zijn confronterend, zoals die over zijn verblijf bij Belgische strijders in Syrië (in het kader van zijn onderzoek naar radicaliserende jongeren). AlDe’emeh houdt tot op de dag van vandaag contact met jihadi’s aan het front en met anderen die terugkeerden naar België en probeert hen een pad naar meer kennis en kritisch inzicht te tonen.

Primaire bronnen
“Er is niet één reden waarom jongeren terugkeren uit Syrië”, weet AlDe’emeh. “Sommigen dachten daar hun idealen en hun identiteit te vinden en dat bleek niet zo te zijn. Sommigen wilden vechten tegen Assad en belandden in conflicten tussen soennitische groepen onderling. Voor anderen is het moeilijk om te overleven in oorlogsgebied op een blikje tonijn en een stuk brood per dag. Sommigen missen hun families, of zijn te gehecht aan de Belgische samenleving, iets wat ze eigenlijk nooit beseften.
Je kan oordelen over hun daden en zeggen: wij vinden het niet correct als je gaat vechten bij een militie die de mensenrechten schendt. Maar het komt er volgens mij wel op aan om te willen begrijpen wat hen tot hun beslissing gedreven heeft, en samen tot een oplossing trachten te komen. Voor alle duidelijkheid: de jongeren die ik begeleid, zijn geen jongeren die vastzitten of met niemand contact mogen hebben. Als ik hen begeleid, doe ik dat omdat ik denk dat ze met frustraties zitten, daar verschrikkelijke dingen hebben gezien en iemand nodig hebben die naar hen luistert zonder te oordelen. Ik probeer hen kennis aan te reiken, zodat ze wat genuanceerder naar het leven kijken. Ik zeg niet: ‘Je bent fout’. Ik zeg: ‘Lees dit. Deze bronnen zijn primair en geloofwaardig. In de boeken waarop jij je beroept staat wat anders.’ Wie religieuze argumenten gebruikt om zijn vertrek naar Syrië te verantwoorden, moet met andere religieuze kennis worden bereikt. Nu gebeurt dat vaak niet. We behandelen hen als psychopaten.”
(nvdr: ondertussen heeft AlDe’emeh wel besloten om jongeren die na de aanslagen in Parijs nog naar Syrië vertrekken, niet meer te begeleiden. “Wie nu nog vertrekt, weet heel goed bij wat voor soort organisatie hij zich aansluit en mag niet meer binnengelaten worden. Het gevaar voor aanslagen is te groot.”)

Een liefdevolle militaire leider
Recent merkte terrorisme-expert en professor internationale politiek Rik Coolsaet (UGent) op dat het begeleiden van teruggekeerde Syriëstrijders sterk individueel zou moeten aangepakt worden, en dat de eenheidsworst van de overheid om die reden faalt. Bovendien is repressie vaak niet het beste antwoord op de vertwijfeling en frustratie die hen tot het extreem gedrag aanzette.
AlDe’emeh: “De grote meerderheid van de Syriëstrijders is tussen de zestien en zesentwintig jaar. Jongeren zijn vatbaar voor radicalisme. Ze zijn in volle ontwikkeling, begeleiding is dus heel belangrijk. Daar loopt het op verschillende fronten fout, zowel thuis, in de moslimgemeenschap als in de bredere samenleving. Bovendien speelt ook het feit mee dat jongeren niet weten wanneer ze geaccepteerd zullen worden. Ze vallen letterlijk in de kloof tussen twee culturen die verschillende dingen van hen eisen en verlangen.”

12080179_1506715322959843_7558119080876752318_o.jpg
Montasser AlDe’emeh (c) Artur Eranosian

“De deradicaliseringsambtenaren zouden moeten inzien dat ‘deradicaliseren’ jongeren eigenlijk bij voorbaat veroordeelt. Er moet dringend op een zorgvuldige manier omgegaan worden met de woordenschat die we gebruiken. Als je zoals sommige burgemeesters zegt: ‘we gaan die radicale zotten opkuisen’, zorg je er alleen maar voor dat die jongeren zich nog meer isoleren.”
Maar ook de moslimwereld laat steken vallen, vindt AlDe’emeh. “Momenteel houden veel imams nog altijd vol dat strijders bij IS, Al-Qaeda of Al-Nusra geen moslims zijn. Ik vind het absurd om zoiets te beweren. Alsof alle moslims heiligen zijn. Zolang geestelijke moslimleiders IS-strijders excommuniceren, geven we niet toe dat er radicale interpretaties zijn van bepaalde religieuze concepten. Die zijn er wel degelijk, en jongeren kunnen daar vatbaar voor zijn. Ze beroepen zich daarvoor op de Koran. In plaats van het kader te schetsen van die verzen, die uit hun context worden gerukt, zwaaien we met absurde argumenten als: ‘De jihad is niet toegestaan in de islam’. Als zo’n jongere tegen mij zegt dat jihad legitiem is volgens de koran, antwoord ik: ‘Dat klopt. Maar in het oorlogsrecht dat we in Europa allemaal erkennen, is het ook legitiem om jezelf te verdedigen. En er zijn voorwaarden voor het voeren van de gewapende jihad.’ Waarna we die gaan opzoeken. In plaats van historisch te duiden wanneer de profeet geweld gebruikte, zeggen onze imams: ‘De profeet was een liefdevolle, vreedzame man.’ Er zijn inderdaad heel mooie verhalen over Mohammeds verdraagzaamheid, maar hij was ook een militaire leider…”

Het soort tunnelvisie dat veel moslims vandaag nog altijd hebben met betrekking tot hun geloof kan erg problematisch zijn, en de onwetendheid zit diep. “Een godsdienstwetenschapper als Karen Armstrong heeft op haar eentje misschien meer onderzoek verricht naar de islam dan alle islamologen in het Midden-Oosten samen. De islamitische cultuur is sinds de late Middeleeuwen vanuit een gevoel van superioriteit gaan stagneren en in verval geraakt. En momenteel is het het Westen dat meent superieur te zijn. Dat kan op lange termijn gevolgen hebben, want dan komen de intellectuele ontwikkeling en het kritisch denken op de helling te staan. Arrogantie is niet goed. Je moet altijd open blijven staan voor verandering.”

“Moslims moeten zichzelf bevrijden
van wat er binnen hun eigen
gemeenschap fout loopt. Niet om het
Westen te plezieren of acceptabel
over te komen, maar omdat ze er zelf
beter van worden”

“Het is mijns inziens dus ook niet de taak van het Westen om moslims op andere gedachten te brengen. Het is aan moslims die in het westen in aanraking zijn gekomen met waardevolle kennis om hun verantwoordelijkheid op te nemen binnen hun eigen gemeenschappen. Dat is ook een spirituele gedachte. In de Koran staat: ‘God verandert niets in een volk tot ze gaan veranderen wat zich in henzelf bevindt.’ Dat wil zeggen dat moslims zichzelf moeten bevrijden van wat er binnen hun eigen gemeenschap fout loopt. Niet om het Westen te plezieren of acceptabel over te komen, maar omdat ze er zelf beter van worden.”

Pijnlijke bagage
We zoemen in op de gezinnen van jonge jihadi’s.
“Ouders spelen een belangrijke rol in het leven van hun kinderen”, geeft AlDe’emeh toe. “Het lijkt me heel belangrijk dat als je als ouder probeert om niet te veel pijnlijke bagage uit je eigen verleden door te geven aan je kinderen. Ik heb zelf de haat meegemaakt die mijn vader met zich meedroeg en die hij met mij deelde. Hij trok mij daar onbewust in mee omdat hij ook zichzelf er niet van kon redden. Het heeft niets opgelost, alleen maar gemaakt dat hij zich steeds meer is gaan isoleren in zijn denkwereld. Veel ouders van Syriëstrijders zijn zelf helemaal niet gewelddadig of radicaal religieus. Ik denk dat je hen dus niet rechtstreeks verantwoordelijk kunt houden voor de keuzes van hun kinderen. Maar ze hebben geen voeling met de identiteitscrisis die jongeren doormaken en te weinig intellectuele bagage om hen op andere gedachten te brengen. In plaats van hun kinderen te veroordelen voor hun radicale gedachtegoed – soms worden ze er zelfs het huis voor uit gegooid – zouden ouders met hen in gesprek moeten gaan.”

Ook in ons onderwijs loopt er volgens AlDe’emeh een en ander verkeerd, zodat jongeren te snel afzakken naar ‘zwakke’ richtingen of helemaal door de mazen van het net vallen. Maar stenen blijven gooien naar elkaar heeft weinig zin. “Ik vind het goed dat we kritisch kijken, maar we moeten mensen ook niet opzadelen met een nodeloos schuldgevoel. Want je ziet ook jongeren vertrekken die wél opgeleid zijn, kansen hebben gekregen en gegrepen. We moeten net zo goed ons buitenlands beleid onder de loep durven nemen, en toegeven dat er op dat vlak fouten zijn gemaakt.”

Twee keer geboren
In De Jihadkaravaan pleiten AlDe’emeh en Stockmans voor ‘radicale verzoening’ op grote schaal. Bruggen kunnen maar gebouwd worden als mensen (maar net zo goed wereldmachten of politieke structuren) zichzelf door middel van kennis echt leren kennen, hun fouten toegeven en proberen om met respect voor ieders visie een dialoog te bereiken.
“Waarom doden we of veroordelen we de ander? Omdat we vergeten dat hij ook een mens is, met een eigen verhaal, een slachtoffer van zijn eigen omstandigheden. Op een bepaald moment heb ik beslist mijn identiteit niet meer te bouwen op wraakgevoelens, haat, afgunst en rancune ten aanzien van joden. Ik wilde niet meer blind de religieuze regels volgen zonder te weten wat hun achterliggende betekenis was. Ik ontdeed me van mijn vooroordelen en de bronnen die ik gebruikte om die te bevestigen. Toen bleef gewoon de naakte mens over. Ik voelde mij eenzaam, maar vooral bevrijd.

Ik had niemand die mij daarin steunde. Sommige Belgische activisten die van de Palestijnse zaak hun ideaal hadden gemaakt, zeiden zelfs dat ik eigenlijk geen ‘echte’ Palestijn was. Vooraanstaande stemmen binnen de moslimgemeenschap verketterden mij in het openbaar, omdat ik stelde dat de joden die vandaag worden geboren in Tel-Aviv daar niet voor hebben gekozen. De moslimjongeren die worstelen met onze westerse samenleving zeggen: ‘Ik ben derde generatie allochtoon, het was niet mijn keuze om hier geboren te worden, accepteer mij als gelijke!’ Maar ten aanzien van de joden hebben wij het lef niet om te zeggen dat het niet hun keuze was om daar te zijn, maar die van hun grootouders generaties geleden. Door de omstandigheden in Europa gingen zij ooit geloven in een eigen thuisland. Vandaag geloven de moslims in een eigen thuisland in het Midden-Oosten. Waarom trekken we de lijn die we voor onszelf hanteren niet door naar onze medemensen? Als ik dat zeg, word ik verweten een collaborateur te zijn. Maar ik sta nog altijd achter de vrijheid van alle mensen in de wereld, of het nu Koerden, Palestijnen of Belgen zijn.”

“Aristoteles zegt: ‘De ware overwinning is de overwinning op jezelf’. En Jezus zegt: ‘Niemand zal het koninkrijk Gods zien die niet voor de tweede keer geboren wordt’. De islam spreekt over fitra, de zuivere aard van de mens, de terugkeer naar de bron. Ik denk dat iedereen voor de tweede keer geboren moet worden. Op een spirituele manier. Met kennis.”

 

• De Jihadkaravaan, Pieter Stockmans & Montasser AlDe’emeh, Lannoo, 24,99 euro
• Meer journalistiek werk van Pieter Stockmans over het Midden-Oosten en de vluchtelingencrisis vind je op www.facebook.com/tussenvrijheidengeluk

Dit artikel verscheen in De Bond van 18 december

Vlees op een stokje

Een reclame zoals een andere, zou je misschien denken.
Niet echt.

Ik las er een paar maanden geleden over in een Knack-artikel en ze bleef me bij. Deze prent werd een aantal jaren geleden in Egypte gebruikt tijdens een internetcampagne om vrouwen aan te sporen tot zediger kledingdracht. De lolly met de wikkel er omheen wordt ongemoeid gelaten door ongedierte, die zonder wikkel is een trekpleister voor vliegen. Bijschrift : ‘Je kunt ze niet tegenhouden. Maar je kunt jezelf wel beschermen. Je schepper weet wat goed voor je is’.

tumblr_inline_n77rikIs001sqex6a
bron: jihadwatch.org

De eerste reactie van veel vrouwen hierbij is waarschijnlijk afschuw. Hoeveel decennia van protest en sensibilisering hebben we er nu al op zitten om duidelijk te maken dat vrouwenlichamen misschien wel aantrekkelijk zijn (dank je wel, Moeder Natuur), maar daarom nog geen openbaar snoepkraam, en dat mannen die daar niet van kunnen afblijven eerst eens goed naar zichzelf moeten kijken in plaats van de verantwoordelijkheid te leggen bij de aan- of afwezigheid van hoofddoeken, de lengte van rokken of de diepte van decolletés?

De tweede reactie is waarschijnlijk een etnisch-cultureel getinte, iets over de discriminatie van vrouwen in de moslimwereld. Dat is misschien niet helemaal onjuist, maar veel te kort door de bocht en ook veel te gemakkelijk. De campagne met de lolly was niet overheidsgestuurd, en riep ook in Egypte zelf fel protest op. Het Egyptian Center for Women’s Rights toonde in 2008 aan de hand van onderzoek aan dat ook en soms zelfs vooral gesluierde vrouwen in Egypte nageroepen en aangerand worden – iets wat we in het westen maar moeilijk kunnen geloven. De argumentatie van mannen die gevraagd werden naar hun beweegredenen gingen van ‘ik verveelde me’ tot ‘als ze zich helemaal bedekt, moet ze wel iets heel moois te verbergen hebben’. Het rekensommetje bedekt=gerespecteerd en veilig gaat niet op, net zo min als Arabisch/moslim=vrouwenonderdrukkend. We mogen ons niet laten verleiden tot foute stereotypen.

De bredere waarheid is gewoon nog triester. Vrouwen worden elke dag en over de hele aardbol door mannen van hun eigen cultuur en nationaliteit behandeld als bezit, koopwaar en seksueel vee, ook nog onverkwikkelijk vaak in het ‘verlichte’ Westen, waar de vrouwenemancipatie nochtans al behoorlijk veel successen op haar conto kan schrijven.
Dat het hier in Europa vaak om ‘mildere’ vormen gaat en dat er in totale aantallen minder verkrachtingen en aanrandingen zijn dan in pakweg India, wil niet zeggen dat er geen vuiltje meer aan de lucht is. Dat kan elke vrouw die al betast, aangerand of verkracht is beamen. Het zal haar worst wezen dat het hier minder gebeurt dan aan de andere kant van de wereld. Het is zojuist gebeurd. Met haar. De oude onderstromen van misogynie en machisme zijn allesbehalve verdwenen maar de Westerse seksistische praktijken tegenover vrouwen – van loonkloof tot fysiek aanklampen of erger – blijven doorgaans weggelachen als ‘overdreven’ of ‘onschuldig’.

 

Onzichtbaar

Dit is een onderwerp dat mij al decennia na aan het hart gaat. Ik ben ze tegengekomen, de jonge hengsten die geen ‘nee’ verstonden, de oudere mannen die vonden dat een mooi achterwerk diende om in te knijpen of met de vlakke hand op te slaan, de vrouwen in mijn omgeving die slachtoffers werden van aanranding en verkrachting. Ik ben niet van plan om dit weg te lachen of te minimaliseren. Ik zou mijzelf en de helft van de wereldbevolking geweld aan doen.

Maar ik ga wel – en dat is misschien ook best gewaagd – een beetje tegendraads schrijven, en wat oude lijken uit de kast halen. Want geweld tegen vrouwen zoals recent in Keulen oogt misschien als een klassiek geval van bronstige macho’s tegen onschuldige vrouwen, of als de prelude van een culturele oorlog tussen het vrije Westen en het barbaarse Oosten, maar het totale plaatje is nooit zo simpel als het lijkt. Dit is één aspect van een veel diepere en bredere malaise. En niet alleen vrouwen worden daar het slachtoffer van.

Ja, ik wil ook een lans breken voor mannen. Terug naar dat vreselijke reclamebeeld van zonet. Als je er wat langer bij stilstaat, is deze campagne zo mogelijk nog beledigender voor mannen dan voor vrouwen. Even nadenken, wat zou jij het liefste zijn? De aantrekkelijke lolly, of het hersenloze ongedierte? Geef toe, da’s een moeilijke.

We kunnen er lollig over doen, maar eigenlijk onthult dat beeld veel. Angst voor seksualiteit, bijvoorbeeld. Freud had het bij het rechte eind dat seksualiteit een oerdrift is, heftig en beangstigend. En hoe harder je iets onderdrukt, hoe meer greep het op je krijgt. De angst voor seksualiteit werd in de loop van de geschiedenis vaak op vrouwen geprojecteerd. Zij werden het symbool van die vaak beangstigende begeerte. Hier vindt ook het verachtelijke blaming the victim zijn oorsprong.

collector-bernard-yslaire-L-1
(c) Yslaire

De Arabische cultuur heeft hier beslist geen monopolie op. Europa is wat dat betreft eeuwenlang in hetzelfde bedje ziek geweest, en we zijn er nog niet van verlost. En ook in Azië vielen er vorig jaar afschuwelijke meningen op te tekenen uit de monden van verkrachters die vonden dat de enige goede soort vrouw zich rein en onzichtbaar hield, en dat elk meisje dat zich daar niet naar schikte een open uitnodiging stuurde om eens met geweld over haar heen te gaan.

Ik vergeet nooit de angst in de ogen van Anna (niet haar echte naam), de buitenlandse non-profit werkster die een jaar in Brussel werkte en een weekend bij ons couchsurfte. Ze vertelde hoe ze na een avondje stappen met vriendinnen in de hoofdstad werd aangeklampt. Ze was zwanger en alleen, en een helder ‘nee’ volstond niet. De mannen in kwestie gedroegen zich als de vliegen op de affiche. In haar woorden: ‘I was meat on a stick.’

 

Doe niet zo flauw

Vrouwen als ik zijn opgegroeid in een regio van de wereld waar we zoveel kansen en rechten hebben als maar denkbaar. We zijn ongelooflijk bevoordeeld. Maar Anna verwoordt de werkelijke grond van ons onbehagen: onze opleiding en onze rechten beschermen ons niet als het er echt op aankomt. Niet tegen Arabische mannen, niet tegen blanke, Aziatische of Afrikaanse mannen. Als we de pech hebben een kerel van welke achtergrond dan ook tegen het lijf lopen die vindt wij er om god weet welke reden om vragen, zijn we fysiek niet bij machte om hem van ons af te slaan.

Je rechten zijn maar zo veel waard als je mogelijkheden om ze af te dwingen. In het geval van met geweld verkrachte vrouwen betekent dat: niets.

 

Toen de ‘Wij overdrijven niet’-storm losbarstte, zag je alle kleuren van het discussiespectrum passeren in onze media, ook de minst fraaie. Er zullen wel wat meisjes met lange tenen tussen hebben gezeten, maar een aantal verhalen waren meer dan schrijnend. Inderdaad, ze overdreven niet. En toch was een veelgehoorde opmerking: ‘Ach, je moet dat zo niet opvatten. Dat is niet kwaad bedoeld. Mannen zijn nu eenmaal zo.’ Het waren meestal mannen die het schreven, en de toon was steevast betuttelend. Arm wicht, vind je elke vent een boze wolf? Tuttut… Een man kijkt nu eenmaal graag naar schoon vlees.
Zo lijkt de Egyptische affiche andermaal gewoon gelijk te krijgen.

We zouden het eens moeten omdraaien, denk ik dan. Als een man zich nu even voorstelt (voor zover dat mogelijk is, maar alsjeblieft, doe je best) dat een persoon die groter en fysiek sterker is dan hij – man of vrouw, maakt in deze niet uit – op hem afstapt, al dan niet dreigend, al dan niet met een glimlach, en hem recht in zijn kruis tast. Omstanders grijpen niet in. Er wordt misschien zelfs gefloten, toegejuicht. Als hij erover vertelt, wordt het weggelachen. Moet hij dan, net als vrouwen, genoegen nemen met ‘het was als compliment bedoeld’ en ‘je moet niet zo flauw doen’? En elke dag opnieuw de straat opgaan voor meer van hetzelfde? Ik dacht het niet. Dergelijke handelingen tasten de fysieke integriteit van een individu aan, en degraderen een persoon tot een object in de handen van een sterkere tegenspeler.

Of het slachtoffer nu een man of een vrouw is, maakt niet uit. De ander is geen vlees op een stokje waarvan je je mag bedienen omdat je daar zin in hebt.

 

Dubbele signalen en geraffineerde machtsspelletjes

Dit is een onderwerp met meer weerhaken dan rechte lijnen. Deze long-read schrijven (ik zit aan de vierde versie in evenveel maanden) voelt als laveren door een sociaal en emotioneel mijnenveld.

Maar we gaan door.

78d7ebda3b4d5335db698c8c2419d0ac
Magnum commercial

Laten we dus eerlijk zijn: de menselijke (dier)soort geeft nogal wat dubbele signalen. Zo hebben we al een hele tijd de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen (of ‘alle mensen’) en hun rechten omarmd, in een officieel verdrag nog wel, maar weten we ons nog altijd geen blijf met gezonde en openhartige seksualiteit. We stuiteren borderlinegewijs over en weer tussen preutsheid en porno. Op vlak van reclameboodschappen is ethiek vaak ver te zoeken. In het Westen zijn we zijn de grens van het aanvaardbare allang voorbij.
En jammer, maar ook mannen en vrouwen op zich zijn niet zo eenduidig te ‘begrijpen’ als we graag beweren.

Voor de oude feministische kreet dat alle mannen zwijnen en onderdrukkers zijn, ben ik nooit gevallen, om verschillende redenen. Ten eerste: er zijn altijd twee partijen. De historische maar tot op vandaag volgehouden onderdrukking van vrouwen is een collectief proces waarbij mannen beslist een actieve rol spelen maar vrouwen ook eeuwenlang (te) stil zijn gebleven.

Anderzijds onderschatten we schromelijk de onbewuste macht die vrouwen altijd over mannen hadden en nog altijd hebben, van de tempelpriesteres die haar gunsten naar eigen goeddunken uitdeelde aan de mannelijke smekeling met zijn offergaven tot de echtgenote die aanspraak maakt op de bankkaart van meneer.
Van dominatrix tot huisslavin, de rollen van vrouwen beslaan een heel spectrum, en het is niet altijd de man die boven ligt. De Oedipusmythe is niet per toeval zo bekend. De band van jongens met hun moeders is complex en ingrijpend, en die machtsverhouding bepaalt veel sterker hun latere relatie tot vrouwen dan we soms durven toegeven. Electra-scenario’s (meisjes die dwepen met hun vader) zijn veel zeldzamer. Het ziet er naar uit dat vrouwen, alle fysieke en economische discriminatie ten spijt, op een of andere manier soms ook gewoon een overwicht hebben.

dangerous1.png
Glenn Close en John Malkovitch in hun iconische vertolking van ‘Les Liaisons Dangereuses’

Vrouwen hebben hun virtuositeit in het verleidingsspel (dat hen, getransponeerd naar vandaag, misschien grote tactische politieke denkers zou maken) in de loop van de geschiedenis vaak moeten inzetten als pure overlevingstechniek in een door mannen gedomineerde wereld. De Marquise de Merteuil komt voor de geest, het amorele personage uit Choderlos de Laclos’ fantastische Les liaisons dangereuses. Vrouwen als zij degraderen zelfs de meest gehaaide en gesofisticeerde macho tot een kind. Hier is sprake van een geraffineerd machtsspel, maar – eerlijk is eerlijk – wel een geboren uit een context van materiële en politieke ongelijkheid. De Merteuil is zonder twijfel Valmonts tactische meerdere, omdat ze minder hart en meer berekening toont dan hij, maar ook zij wordt uiteindelijk door de samenleving afgerekend en uitgespuwd op basis van haar eer. Het heeft iets van een double bind, de manier waarbij vrouwen eeuwenlang onderhuids aan de touwtjes trokken en mannen hen tegelijk in een financiële en fysieke wurggreep hielden.

Dit is niet het enige scenario, natuurlijk. De Laclos’ brievenroman leest als een zeer mooie archetypenstudie: van het kneusje tot de niets ontziende verkrachter, in alle mogelijke gradaties, en van toepassing op beide geslachten.

 

Boven of onder – of niet

We kunnen er voor kiezen om vrouwen te bedekken onder doeken, onder hele tapijten zelfs, om hen te ‘beschermen’ tegen de woestelingen die we mannen beweren te zijn. Enter de lolly en vliegen.

We kunnen er ook voor kiezen om vrouwen de macht te geven over alle beslissingen omtrent seksualiteit, onder het mom van respect.

In feite zijn dat twee helften van dezelfde medaille, uitgaand van de cynische biologische premisse dat de mens een roofdier is en dat in menselijke relaties de wet van de jungle geldt: eten of gegeten worden. Je ligt boven of onder. Je hebt de macht (om te nemen of te weigeren) of je bent het slachtoffer (dat genomen wordt en niet kan weigeren).

Vanuit deze enge visie ‘beschermen’ we tot op de dag van vandaag vrouwen door hen al hun vrijheden af te nemen, of ‘responsabiliseren’ we mannen door de immense impact die vrouwen op hen kunnen hebben te ontkennen.

Beide redeneringen schieten tekort. Dit is een emancipatieproces dat van twee kanten moet komen.

Geweld van sommige mannen tegenover vrouwen mag nooit geminimaliseerd worden. Maar als we werkelijk willen gaan voor gelijkwaardigheid en wederzijds respect mag de macht van sommige vrouwen over mannen ook niet doodgezwegen worden. Dan ondergraven we onze eigen geloofwaardigheid.

 

yin-yang-5
bron: 4.hobby

Ik ben er oprecht van overtuigd dat we de stemmen nodig hebben van mannen én vrouwen die in wederzijds respect opkomen voor elkaar én zichzelf. Die moeite doen om elkaar uit te leggen wat er voor hen belangrijk is, en waarom. Het recht op integriteit en beslissingsrecht over je eigen lijf is géén luxe-privilege. Maar seksuele drang is ook geen kleinigheid die je zomaar even afleert, vooral niet in een sociale context van broeierige ontkenning en onderdrukking. Dit is geen of/of verhaal, het is een en/en verhaal. Mannen én vrouwen moeten elkaar kunnen ontmoeten in respect, in liefde, en met begrip voor het hele genuanceerde scala aan noden en uitingsvormen die hen kenmerken, als gender en als individu.

De ander onderdrukken om zelf boven te liggen kan nooit het enig mogelijke of wenselijke scenario zijn. Niemand, man noch vrouw, is hersenloos ongedierte of vlees op een stokje.

Wat verstaanbaar is, is vermijdbaar

Jihadisme bekeken vanuit ontwikkelingspsychologische hoek

 

Spring@Maja's_024

 

Niemand wordt als terrorist geboren, zei Montasser AlDe’emeh. Ik vroeg hem hoe dan wel. Zijn antwoord was zo eenvoudig dat het me even stil liet vallen. ‘Als mens.’

Maar mensen moeten zich wel willen ontwikkelen, ging hij door. Dat wil zeggen dat ze openstaan voor kennis en buiten de nauwe grenzen van hun vooroordelen durven treden. En daar wringt het schoentje. Velen van ons willen – durven – kunnen dat niet.

Ik ben ons interview aan het uitschrijven, ik lees en hoor over de barbarij in Parijs en terreurdreiging en ik moet voortdurend aan Montasser denken, en aan hoe er in die ene uitspraak zoveel kernachtige waarheid vervat zit. Maar tussen de eenzame boreling en het haatdragend lid van een georganiseerde bende ligt een lange, bochtige weg. Het is uiteraard makkelijker om te zeggen: ‘Het zijn allemaal smeerlappen. Jaag ze het land uit. Duw ze terug de zee in. Roei ze uit.’ Alsof het om ongedierte gaat. Ik vind dergelijke uitspraken niet alleen mensonterend, maar net zo goed getuigen van een stuitende veralgemeningsdrang en een funest gebrek aan inzicht.

 Niemand wordt als terrorist geboren, zei Montasser AlDe’emeh.
Ik vroeg hem hoe dan wel. ‘Als mens.’

De mens is een ajuin met veel rokken. Onder gedrag liggen gevoelens. Onder gevoelens liggen overtuigingen. Onder overtuigingen liggen conditionering, genetica en omgevingsfactoren. De dingen die ons voortstuwen zijn zelden rationele gedachten en beslissingen, maar we klampen ons vast aan de notie dat we bewuste keuzes maken en derhalve meester zijn van ons lot – een illusie, als je het mij vraagt, die we volhouden om ons wat minder machteloos te voelen. We vinden dus ook van anderen dat ze verantwoordelijk zijn voor alles wat ze doen, ze hebben er immers bewust voor gekozen. Dat geeft ons dan weer het recht om hen te veroordelen en hen weg te zetten als on-mensen.

Het is zo kort door de bocht als alleen een karikatuur kan zijn. Ja, natuurlijk hebben de mannen die zichzelf opbliezen in Parijs bewust beslist om dat te doen. Maar denken we werkelijk dat er niets anders speelde dan rationele beslissingen?

Ik wil een poging doen om uit te leggen wat ik bedoel. Jihadisme bekeken vanuit ontwikkelingspsychologische hoek.

Als een eik in vruchtbare grond

Een noodzakelijke kaderschets om te beginnen.

Er zijn verschillende mensbeelden in omloop, die gebruikt worden in evenveel verschillende psychologische benaderingen. Hetwelk je kiest als filter bepaalt dus veel. Persoonlijk ben ik het meest gewonnen voor de ZelfDeterminatieTheorie. De ZDT gaat ervan uit dat een kind een individu is met eigen mogelijkheden (en beperkingen) en een aangeboren drang om zich te ontwikkelen. Net als een eikel die op de grond valt, wortel schiet en amper een paar maanden later al een scheut met blaadjes is, kan de mens er niet voor kiezen niét te groeien. Maar hoe goed dat groeien lukt, is afhankelijk van veel factoren. In het geval van het eikje: of de bodem wel rijk genoeg is. Hoeveel zonlicht het krijgt. Of er geen dieren passeren die het afgrazen of vertrappelen. Of het geen aangeboren zwakheden heeft meegekregen van zijn boomouder. De omstandigheden helpen het vooruit, of werken het tegen.

 

Spring@Maja's_030

 

De ZDT stelt dat de mens drie grote basisbehoeften heeft. Hoe een kind zich ontwikkelt, wordt beïnvloed door de mate waarin die basisbehoeften vervuld dan wel tegengewerkt worden. Zij zijn het equivalent van de bodem, het zonlicht en de omgeving voor de eik. Heel kort gezegd (meer informatie vind je hier) hebben mensen nood aan autonomie (zichzelf mogen zijn, als een individu met een eigen identiteit erkend en gerespecteerd worden), verbondenheid (veilige, liefdevolle relaties met anderen) en competentie (ergens goed in zijn, je kunnen geapprecieerd weten). De mate waarin ouders, opvoeders en omgevingsfactoren kinderen hierin stimuleren dan wel afremmen, zorgt ervoor of het kind de hoogte in schiet als een evenwichtig en stevig geworteld individu, dan wel geknakt en vervormd blijft worstelen op arme bodem.

 De mens kan er niet voor kiezen niét te groeien
maar hoe goed dat groeien lukt,
is afhankelijk van veel factoren

Wil dat zeggen dat mensen geen enkele zeg hebben over hun daden of beslissingen? Natuurlijk niet. En je vindt altijd uitzonderingen die opgroeiden op erg ‘arme’ grond maar erin slaagden zich daar op eigen kracht aan te ontworstelen (hier houdt de boom-mens-metafoor op, een boom kan zichzelf niet verplaatsen). Maar al denken we het graag anders, ook onder mensen zijn die voorbeelden schaars. De grote meerderheid van ons herhaalt de patronen die we meekregen van thuis of van de samenleving. Het is dit principe dat aan de basis ligt van het overbekende – maar correcte – cliché: the rich get rich, the poor stay poor.

Niet aanvaardbaar, wel verstaanbaar

Het is te makkelijk om te zeggen dat mensen alle kansen moeten grijpen die ze krijgen. Probeer maar eens mooi rechtop te groeien als je de pech hebt om op een rotswand te vallen waar tien maanden per jaar een strakke en ijselijke wind waait en er voortdurend aan je twijgen geknabbeld wordt door berggeiten. Die grote eik midden op de wei in het dal beneden heeft mooi praten. De grootste onnozelaar kan zien dat kansen niet dezelfde zijn voor een anderstalig kind uit een gezin van zeven in een achterstandswijk of een kind uit een villawijk met zwembad. Opgroeien in weelde of schaarste is geen keuze die je als kind zelf maakt.

Het is niet alleen een kwestie van geld, natuurlijk. De lijst van factoren die inwerken op een kind is lang, erg lang. Ze gaat van financiële middelen over taal en ontwikkelingsniveau naar sociale status en persoonlijke relatie met ouders, opvoeders en de ruimere samenleving.

Er leeft een diep gevoel van uitzichtloosheid en frustratie bij veel moslimjongeren in Europa. Ze voelen zich, om het met de ZDT te zeggen, gefrustreerd in hun meest wezenlijke basisbehoeften. Hun identiteit bevindt zich in een vacuüm. Ze vinden geen aansluiting bij de wereld van hun ouders, voor wie ze te westers zijn, maar ervaren dat ze evengoed van ons zichzelf niet mogen zijn omdat hun anders-zijn ons te veel stoort. Ze voelen geen verbondenheid met een samenleving die hen bekijkt met argwaan en zoeken houvast bij gelijkgestemden die sociale warmte geven en een helder (simplistisch) verhaal van superioriteit bieden. Dat is in feite een proces van alle tijden en alle continenten. Maar dat ze zich aangetrokken voelen door de kliek die exclusivistisch en religieus fanatiek is en het uitroeien van ‘ongelovigen’ predikt, heeft het Westen onder meer aan zijn eigen hypocriete buitenlandpolitiek te danken.

 Opgroeien in weelde of schaarste
is geen keuze die je als kind zelf maakt

Ik wil niet beweren dat de manieren waarop jongeren in dat identeitsvacuüm hun machteloosheid afreageren (van etters die de leerkracht pesten over hangjongeren die vrouwen lastigvallen tot terroristen die zichzelf opblazen) aanvaardbaar zijn. Ik maak me wel sterk dat ze verstaanbaar zijn, als uitingen van diepe frustratie en het gevoel geen andere kant meer op te kunnen. De al te schrale voedingsbodem van armoede, onbegrip en emotioneel isolement is simpelweg een feit. Het Westen heeft in deze boter op het hoofd, en geen klein beetje. Extremistische jongeren (en moslims in het algemeen, wat een makkelijke generalisatie) veroordelen voor hun gedrag zonder zelf in de spiegel te kijken, is zoiets als het misbruikte kind dat in een moment van wanhopige razernij zijn vader aanvalt veroordelen voor slagen en verwondingen en de misbruiker troosten.

 

Spring@Maja's_038

 

‘De’ bestaat niet

Als we niet willen dat jongeren in onze samenleving gewelddadig gedrag stellen, moeten we niet alleen hun geweld veroordelen, maar óók willen meewerken om iets te doen aan de voedingsbodem ervan. Wat verstaanbaar is, is vermijdbaar. Het vraagt moed, van alle partijen, om de wederzijdse vooroordelen te slopen en in respect te overleggen hoe problemen kunnen aangepakt worden.

Het zal alvast niet lukken door ons in onze bolwerken van het eigen gelijk te blijven verschansen. Zoals Montasser zei: we moeten kennis durven zoeken. Dat wil zeggen: de straat op, met elkaar praten, elkaar ontmoeten en kijken voorbij de (vaak onjuiste) beeldvorming. Er valt veel recht te zetten.

Het Westen heeft heel lang de heilige onschuld gespeeld in zijn houding omtrent het Midden-Oosten en naar de moslimgemeenschap in eigen land toe. Extreem-rechts heeft de boel vervolgens grondig verziekt. Oprechte excuses zijn wat dat betreft aan de orde. Anderzijds blijft een problematisch groot deel van de moslimgemeenschap zich verschuilen achter religieuze dogma’s, oude stammengebruiken en een gebrek aan opleiding om het Westen te verketteren en zichzelf binnen de Westerse gemeenschap te isoleren. Geesten moeten opengebroken worden. Als ik dit schrijf, veralgemeen ik eigenlijk ook veel te veel, want ‘de’ moslim en ‘de’ westerling bestaan immers niet, net zo min als ‘de’ terrorist.

Mensen zijn we, individueel beïnvloed en gekneed door de omstandigheden waarin we (over)leven, en dat zouden we beter van elkaar beginnen aanvaarden. Dat is de eerste stap van vele naar een vorm van begrip en vreedzaam samenleven.

 

“Ik wil wiskunde geven, ik ga niet beginnen praten over godsdienst!”

Drie Turkse Vlamingen over de kansen en verborgen struikelblokken voor migrantenkinderen in het onderwijs vroeger en vandaag

“Mijn vader was zestien toen zijn vader overleed en hij het gezin moest onderhouden”, vertelt Selda, intercultureel medewerkster bij een Vrij Centrum Leerlingenbegeleiding (VCLB). “Toen hij twintig was, leerde hij mijn moeder kennen. Haar ouders woonden al in België. De armoede heeft mijn vader getekend. Hij heeft ons altijd gezegd: ‘Jullie krijgen zoveel kansen en rechten, maak er gebruik van!’”
Lerarenkoppel Mustafa en Nihal geven wiskunde, wetenschappen en technische vakken. Mustafa’s grootvader was een herder die amper kon lezen en schrijven. “Voor hem was emigreren een dubbele stap. Mijn vader is hier naar school geweest en werkt als arbeider. Ik ben hier geboren.” Nihals vader studeerde aan de universiteit van Ankara, maar vluchtte voor de politieke situatie in Turkije. “Hij heeft hier in de mijn gewerkt, tegen de zin van mijn opa. Die had andere dromen voor zijn zoon.”

Selda en Mustafa komen uit Oost-Vlaanderen. Nihal groeide op in Diest en vindt dat er verschillen zijn. Haar echtgenoot bevestigt dat. “Na de coup in Turkije zijn er in de jaren tachtig veel intellectuelen gevlucht, en in België vestigden die zich vooral in Limburg. Dat kan een impact hebben op de ontwikkeling van een gemeenschap.”
Nihal: “Ik ken daar meer jongeren die belang hechten aan onderwijs. Veel vrienden van me hebben verder gestudeerd. Toen ik in dit dorp aankwam, was dat toch wel wennen. Hier kun je mensen met een hogere opleiding op twee handen tellen.”
Maar hoe divers de Turkse gemeenschappen verspreid over Vlaanderen ook zijn, wat eruit springt, is de sociale warmte. “Turken zijn gastvrij”, vindt Selda. “Het familieaspect leeft heel sterk bij ons. En ook al kennen mensen je niet, als je een afspraak met ze maakt, zullen ze doorvragen wiens dochter je bent, uit welke streek je grootouders komen… Mijn Belgische collega’s begrijpen niet altijd waarom dat nodig is. Ik probeer uit te leggen dat dat bij ‘turksheid’ hoort.”
“Als je in moeilijkheden zit, kun je terugvallen op de gemeenschap”, knikt Mustafa. “Maar het klopt wel dat er ook sociale controle is. Als ik een meisje uit ons dorp van de bus zie stappen met haar vriend, zeg ik daar niets van. Anders weet de helft van het dorp het. Dikwijls zijn het de ouderen van de gemeenschap die de jongeren terechtwijzen voor hun gedrag.”
“Ik noem mezelf altijd eerst moslima, en ik ben getrouwd met een Marokkaan,” vertelt Selda. “Maar veel mensen uit de Koerdische of Berberse gemeenschappen vinden mij toch te los, te mondig. Belgische vrienden die mij een vrijgevochten vrouw vinden, geloven dan weer nauwelijks dat ik vijf keer per dag bid.”
Mustafa: “Ik heb ooit het verwijt gekregen dat ik té geïntegreerd was omdat we thuis een microgolfoven hadden. En dat kwam van iemand van mijn leeftijd, die net als ik hier opgegroeid was. Ik zei dat ik de soep ging opwarmen. Een magnetron, zei hij, dat is niets voor Turken. Dat is voor Vlamingen die allebei gaan werken en meer fastfood eten…”

Nihal, Mustafa en hun zoontje (c) Kristof Ghyselinck
Nihal, Mustafa en hun zoontje (c) Kristof Ghyselinck

Sociaal kapitaal

In de vergelijkingen met Vlamingen komen Turkse gezinnen er telkens zwak uit, maar misschien meten we op de verkeerde manier. “Socioloog Piet Van Havermaet zegt: als je een vergelijking wilt maken tussen Turkse en Vlaamse gezinnen, moet je enerzijds hoogopgeleide gezinnen vergelijken, en anderzijds de lager opgeleide gezinnen. Anders zijn de verschillen niet realistisch,” weet Mustafa. Wie lager opgeleid is, heeft ook minder toegang tot voorzieningen. “Veel ouders weten niet dat ze recht hebben op een logopedist, of hoe je de terugbetaling moet regelen”, knikt Selda. “Ik help daarbij, maar ik sta soms ook nog voor verrassingen. Turkse gezinnen weten vaak niet wat het VCLB allemaal voor ze kan doen. We leggen altijd uit dat we ook opvoedingsondersteuning en vormingen bieden, huisbezoeken doen… Ouders zijn daar vaak erg dankbaar om.”

Selda: “Armoede gaat
niet alleen over status,
geld of opleiding.
Armoede is ook: dat we
al jaren samenleven en
elkaar niet kennen.”

Ook Nederlands blijkt voor velen een struikelblok. Selda: “Een Turkse jongen die hier geboren is, trouwt meestal met een meisje uit Turkije. Zij wordt huisvrouw. Ze volgt cursussen maar wordt de taal nooit echt machtig. In kleine dorpen zie dat je meer dan in de stad. De laatste jaren hoor ik wel steeds vaker over nichtjes of vriendinnen die verliefd worden op een Turkse jongen die hier geboren is.”
Nihal is er alvast tegen dat jonge Turkse Belgen hun huwelijkspartner uit het buitenland halen. “Dat moet gedaan zijn”, zegt ze ferm. “Er leven hier ondertussen genoeg Turken om uit te kiezen.”
Mustafa is het daar niet mee eens. “In deze geglobaliseerde wereld kun je mensen toch niet verplichten om te trouwen met iemand uit een bepaalde regio? En een Vlaming die met een Viëtnamees trouwt, mag die ook naar hier halen.”
Nihal: “Wij zijn hier allebei geboren, dus ons kind zal hopelijk geen taalproblemen hebben. Maar als ik uit Turkije kwam, had ik mijn kind niet kunnen helpen met Nederlands, of ik moest er zelf voor naar school gaan… In mijn klas was ik vroeger meestal de enige van Turkse origine. Ik had veel Vlaamse vriendinnen. Maar ik beweer niet dat ik beide talen perfect ken. Mijn gevoelens druk ik beter uit in het Turks. Gaat het over school, dan is Nederlands makkelijker.”
Mustafa had ook taalproblemen. “De laatste jaren van het middelbaar heb ik hard moeten werken om bij te benen. Ik mag blij zijn dat ik heb kunnen voortstuderen, want ik zie jonge mensen van mijn leeftijd dezelfde jobs doen als hun vaders. Maar stilaan komen er rolmodellen: een Turkse ingenieur, advocate… Toen we hier vertelden dat Nihal leerkracht wiskunde is, zeiden veel mensen: ‘Ze heeft een beter diploma dan jij!’” (lacht)
Nihal: “En: ‘Ze is een beetje slimmer dan jij!’” (hilariteit) “Het probleem van veel Turkse jongeren is de taal, niet de leerstof. Ik druk het ouders op het hart: hun kinderen moeten Nederlandse boeken lezen, tv kijken, naar een vereniging gaan… Dat is de schaduwzijde van de warme Turkse gemeenschap: er is geen harde noodzaak om die dingen te doen. En sommigen denken: we vragen gewoon aan Mustafa om dat formulier in te vullen.”

Mustafa: “Ik heb nog van
leerkrachten gehoord
dat hogeschool voor mij
tijdverlies zou zijn en dat
gaan werken bij Volvo een
haalbaarder kaart was”

Dat herkent Selda. “Als je kunt helpen, zijn het vertrouwen en de dankbaarheid zeer groot. Maar mensen maken er soms ook wat misbruik van. Als gezinnen hulp vragen met administratie, vertaal ik dus telkens de opgave. Ik neem een kopie voor thuis, en de volgende keer laat ik het ze zelf proberen. Van de dertig gezinnen die ik zo begeleid heb, zijn er zeker twintig opgetogen omdat ze het gevoel hebben dat ze het vanaf nu alleen zullen kunnen. En ik wil het altijd nog eens nalezen.”

Naam veranderen

Selda vertelt hoe dankbaar ze is dat ze van haar directeur alle kansen kreeg om zich te ontplooien, maar niet alle ervaringen zijn even rooskleurig. Mensen van een andere origine hebben het vaak moeilijker op de werkvloer.
“Ik ben goed ontvangen op de scholen waar ik lesgaf, maar ik voelde wel dat ik extra gecontroleerd werd”, vertelt Nihal. “Mijn diploma’s en de positieve verslagen van de pedagogisch begeleider volstonden niet. Ik heb ook de vraag gekregen of ik het als moslima zag zitten om les te geven in een katholieke school. Wat doet dat er nu toe? De school heeft regels, en ik ga ervoor zorgen dat de leerlingen die naleven. (windt zich op) Ik wil wiskunde geven, ik ga niet beginnen praten over godsdienst! Ik zou graag hervatten in september, maar het is frustrerend: weer al die scholen afdweilen waar je mensen voelt denken: ‘We zullen toch maar iemand nemen met een Nederlandse naam…’”
“Je zal je naam moeten veranderen, schat”, glimlacht Mustafa. Ook hij kreeg vragen over zijn geloof. “Mijn antwoord was: ‘Ik kom technische vakken geven en mij houden aan het leerplan.’ Ik was nog geen twee maand in dienst of een pedagogisch adviseur kwam mijn cursussen en jaarplannen controleren. Hij observeerde twee uur lang mijn les. Ik kreeg een zeer positief verslag en ben ondertussen vast benoemd, maar ik heb me dubbel zo hard moeten bewijzen als Joris of Jan. Een jaar later kwam er een nieuwe collega, een Vlaamse jongen van dezelfde hogeschool met dezelfde diploma’s als ik. Hij heeft nooit de pedagogisch adviseur over de vloer gehad.”
Veel van die ongelijkheid wordt versterkt door het onderwijs, vindt Mustafa. “Ons systeem biedt mensen die het nodig hebben te weinig kansen om zich te ontwikkelen. Eigenlijk zou elke klas een weerspiegeling van de maatschappij moeten zijn, en dat is echt niet zo.”
In de Latijn-Wiskunde was Nihal een uitzondering, maar nu ziet ze evolutie: “Op het Atheneum van Diest zaten er een paar jaar geleden vijftien Turkse leerlingen in 3ASO. Mijn broer zit aan de universiteit van Hasselt en heeft er veel Turkse vrienden. Dan denk ik: waarom hier niet?”
Mustafa: “Onderschat de vooroordelen niet. Ik heb zelf van leerkrachten gehoord dat hogeschool voor mij tijdverlies zou zijn en dat gaan werken bij Volvo een haalbaarder kaart was. Sommige scholen verwijzen een allochtone leerling veel te snel door. Iemand met een Vlaamse achtergrond komt er vanaf met de waarschuwing dat hij beter zijn best moet doen.”
“Bij het VCLB proberen we zoveel mogelijk ouders en leerlingen te ondersteunen”, vertelt Selda. “Natuurlijk heeft niet iedereen de capaciteiten voor bepaalde studies, maar soms heb ik het gevoel dat ik een verschil heb gemaakt, en dat doet deugd. Maar door de voorbeelden van mensen die met een hoger diploma niet aan werk raken, hoor je ouders soms zeggen: ‘Belgen hebben ons niet graag voor zo’n job. Waarom zou mijn kind verder studeren? Laat het maar grondwerk doen of kuisvrouw worden.’ Gelukkig zijn er andere gevallen waarin het wel goed loopt.”

“Het is belangrijk dat jongeren meer moslimleerkrachten zien”, vindt Mustafa. “In conflictsituaties bieden wij ook een meerwaarde. Als ik tegen zo’n jongere zeg: ‘Nu ben je aan het zwanzen, we weten allebei dat jij thuis ook naar je moeder luistert’, aanvaardt die dat. Een Vlaamse leerkracht wordt misschien ‘racist’ genoemd.”
Nihal: “Dat woord wordt soms echt ten onrechte gebruikt.”
“Maar racisme is wel aanwezig in de Vlaamse maatschappij”, zucht Mustafa. “We ondervinden het elke dag in kleine dingen. De recente gebeurtenissen en de media doen daar ook geen goed aan. Wat hoop geeft, is dat de jongste generatie het toch wat anders ziet.”
Die generatie is aan het groeien, bevestigt Selda. “Positief is dat ze bewuster zelf kunnen kiezen. Maar naar mijn aanvoelen hebben meisjes vaak ook problemen met de dubbele identiteit, vooral als ze minder vrij gelaten worden dan hun Belgische klasgenoten. Maar ik heb hier al vaders in tranen gehad, die me uitlegden dat het enige wat zij wilden was dat hun dochter hun goede naam niet door het slijk zou halen. Het verhaal heeft altijd twee kanten. Weet je, ooit volgde ik een opleiding over armoede. De lector vroeg de dertig aanwezigen om hun gsm erbij te halen en de vreemde namen in hun contactenlijst te tellen. Op mij en één andere persoon na had niemand er, zelfs mensen met allochtone collega’s niet. De lector zei: ‘Armoede gaat niet alleen over status, geld of opleiding. Armoede is ook: dat we al jaren samenleven en elkaar niet kennen.’ Het wordt tijd dat we daar verandering in brengen.”

Dit artikel verscheen in De Bond van 17 april 2015

“Nee, dit is niét alleen een zaak onder moslims”

Durre Ahmed is moslima en feministe. Ze doceerde ruim dertig jaar psychologie aan het Pakistaanse National College of Arts en ze is een internationaal erkend expert op het gebied van gender en islam. Haar doorleefde visie op religie en vrouwelijkheid biedt zowel moslims als westerlingen waardevolle en confronterende inzichten.
Durre Ahmed kent België goed, ze komt hier al jaren lezingen geven. Naar aanleiding van haar recentste bezoek konden we een lang gesprek met haar hebben.

“Mijn ouders hebben ons altijd gestimuleerd om te leren. Niet alleen door diploma’s te behalen, maar ook door oprecht nieuwsgierig naar de wereld te kijken. Mijn moeder had een bachelordiploma in een tijd toen vrouwen ook in het westen niet werden aangemoedigd om te studeren. Ze kreeg vijf kinderen, ging terug naar de universiteit, behaalde drie masterdiploma’s en gaf er les tot haar pensioen. Mijn vader had haar twee voorwaarden gesteld: hij onderhield het gezin en wij als kinderen mochten aan zorg of aandacht niets tekort komen. Maar toen ze een beurs kreeg om een jaar naar Amerika te gaan, heeft hij wel voor ons gezorgd.
Wat ik ook heb meegekregen, is geloof in God. Wij werden daar niet toe verplicht, we zagen gewoon hoe onze ouders hun verbondenheid met het onzichtbare beleefden. Godsdienst is als een moedertaal: je kent de regels niet, maar toch spreek je ze. Je kunt niet bewust uitleggen waarom je doet wat je doet.
Mijn ouders waren sterke persoonlijkheden, elk met een heel andere stijl en andere ideeën over spiritualiteit. Mijn vader was oogarts, een erg rationele man. Voor hem moest godsdienst een logische betekenis hebben. Mijn moeder was veel emotioneler, haar spiritualiteit was mystieker. Godsdienst gaat niet over man of vrouw maar over wie we zijn als mens, en dat beseften zij allebei heel goed.”

“Ik leefde jarenlang in New York, en het had nooit uitgemaakt dat ik moslima was. Ik droeg altijd de traditionele klederdracht die alle vrouwen in Zuid-Azië dragen. Maar toen de Balkanoorlog uitbrak, begon er iets te veranderen en na de aanslagen op de Twin Towers werd er plots anders over mij gepraat. ’Vrouwen in de islam worden onderdrukt’, kopten de media. Hoe moest ik hiermee omgaan? Ik was feministe, én moslima, én er werd vreemd naar ons gekeken. Dus ik beet me erin vast.”

Verlies van evenwicht

“Door mijn studie kende ik de westerse psychologie. Ik apprecieer Carl Gustav Jung, die godsdienst belangrijk vond. Een van de grote tragedies van het westen was volgens hem het verlies van spiritueel bewustzijn, en in het bijzonder het vrouwelijke element. Let wel: we hebben het over psychologische kwaliteiten. Het zachtere, meer empathische deel van de persoonlijkheid heet ‘vrouwelijk’, vergeleken met de hardere, ‘mannelijke’ kant. Beide zijn even belangrijk voor een evenwichtig leven.
Het verlies van dat evenwicht zie je in de geschiedenis van de westerse godsdiensten. In de eerste christelijke gemeenschappen heerste gelijkwaardigheid. Vrouwen mochten voorgaan in de eredienst, ze mochten dopen. De officiële institutionalisering van de kerk zette daar een punt achter. En belichaamde de figuur van Maria in het katholieke geloof nog de vrouwelijke kant van spiritualiteit, het protestantisme schoof ook haar opzij.
Dit soort ontwikkeling heeft gevolgen. Geen enkele andere godsdienst ter wereld kent het equivalent van de Inquisitie. De heksenvervolgingen waren vooral gericht tegen vrouwen en waar zij voor stonden: een andere verbondenheid met het goddelijke dan hoe een ‘mannelijke’ instelling het wilde hebben.’

“Alle innerlijke diversiteit, religieus of niet, is in het Westen stelselmatig geweerd, en wordt steeds vaker bestempeld als een ziektebeeld. Wereldwijd lijden vandaag meer vrouwen aan depressie dan mannen, en ze krijgen doorgaans dubbel zoveel medicijnen voorgeschreven. De farma-industrie draait jaarlijks vijf miljard dollar omzet om ons ’normaal’ te houden. Dat is de schaduwzijde van hoogtechnologische beschavingen: de torenhoge zelfmoordcijfers, vooral onder jonge mensen. België zit op dat vlak bij de wereldtop, in negatieve zin.”

Beha’s en wasmachines

“Voor mij is en blijft het feminisme een zeer belangrijke evolutie in het westers denken. Zelfs vandaag is het zo bedreigend dat het in de marge wordt geduwd en verdacht gemaakt. Je weet wel: beelden van vrouwen die beha’s verbranden en zo. De feministische kritiek op onze denkbeelden gaat terug op Descartes’ beroemde ‘ik denk, dus ik ben’. Die stelling beschouwt alles behalve de ratio als dood. En in het Westen wordt niet alleen gedacht zoals een man, maar dan nog als een jonge man, een adolescent die bezig is met actie, wedijver en geweld.
De natuur is altijd gezien als vrouwelijk: Moeder Natuur. En de Moeder is een krachtig symbool. We worden uit haar geboren en ze zorgt voor ons, maar ze is meer dan zonneschijn en mooie bloemetjes. Ze is ook tsunami’s en aardbevingen. Dat is nu allemaal herleid tot: koop je moeder voor Moederdag een wasmachine en gebruik voor de rest je verstand. Het is een manier van denken die ook vrouwen hebben overgenomen. Vanuit het standpunt van de ’denker’ zijn vrouwelijke kwaliteiten zwak. Het vrouwelijke deel van onze psyche lijdt, en dat is iets wat óók mannen raakt. De ratio is een goede manier om de materiële wereld te begrijpen, maar niet de ziel.
Het voelt wat vreemd om het hier in het Westen over de ziel te hebben, dat geef ik toe. Maar in de islam heb je de negenennegentig namen van God. Er zijn namen van macht en grootsheid en kracht, maar ook namen van mededogen, schoonheid en tederheid. Die nuances vind je zelfs in de Bijbel, hoewel niet in de officiële versie.
De ecofeministen leggen nu de link dat de manier waarop we vrouwen en hun lichaam behandelen, overeenkomt met hoe we de natuur behandelen. Die is ook ‘dood’, want niet rationeel, en daar mag je dus mee doen wat je wilt: gebruiken, misbruiken.”

Zoals je grootmoeder

Het is gevaarlijk om zomaar te stellen dat niet-westerse vrouwen niet vrij zijn. En de hele discussie ophangen aan één element zoals de hoofddoek, is onzinnig. De hoofddoek is een symbool. De westerse wereld denkt niet alleen mannelijk maar ook seculier. Daaruit volgt dat mensen symbolen niet meer begrijpen. Levende symbolen hebben een grote kracht. Ze kunnen nooit helemaal verklaard worden. Kun je mij drie afbeeldingen tonen van de maagd Maria zonder een hoofddoek? En dat er middeleeuwse schilderijen zijn waarop het niet zo is, is erg interessant, want daar zitten we nog in de periode vóór de Inquisitie.
Ik draag geen hoofddoek, maar als ik een kerk binnenga, bedek ik altijd mijn hoofd uit respect voor een heilige plaats. Ik stelde jarenlang mijn studenten de vraag wat de hoofddoek voor hen betekende. En zoals dat met symbolen gaat, gaven ze allerlei subjectieve antwoorden, nooit alleen maar een religieuze uitleg. Heel waarschijnlijk droeg Maria een hoofddoek omwille van het klimaat. Van de hoofddoek dus het stereotype beeld van vrouwenonderdrukking maken, is absurd.”

“Er zijn vandaag zorgwekkender tendensen. De islam is verstrengeld geraakt met de internationale politiek, en ik zie twee dingen die mij beangstigen. Ten eerste de groeiende eenzijdigheid van de hoofddoek, die je steeds vaker in de moslimwereld ziet opduiken. Mijn moeder verliet nooit het huis zonder dat haar hoofd bedekt was. Maar zij droeg haar zijden sjaals als een mooi en erg vrouwelijk aspect van haar klederdracht. De strikte uniformiteit die nu komt overgewaaid uit Saoedi-Arabië, met hoofddoeken strak als helmen, die is beangstigend. Ik zeg moslima’s vaak: ‘Als je de hoofddoek wilt dragen, doe het dan zoals je grootmoeder het deed. Maar neem geen gewoonten over van een continent aan de andere kant van de wereld.’
Wat velen niet inzien, is dat de Saoedi-Arabische versie van de islam – één versie uit de duizenden die er bestaan, en zeker niet de mooiste of rijkste – alle andere aan het verdringen is. En de druk komt van twee kanten. Want de gemiddelde westerling kijkt door de christelijke bril en vraagt: welke centrale autoriteit spreekt voor de moslims? Er is helemaal geen centrale autoriteit in de islam, net zomin als in het boeddhisme of het hindoeïsme. Er zijn anderhalf miljard moslims in de wereld en 85 procent van hen heeft niets te maken met de Arabische cultuur. Maar geld en macht spelen een rol. En het Westen is zo invloedrijk dat ook moslims in die termen beginnen te denken. De islam is zichzelf aan het vernauwen, ongeveer zoals het christendom ooit. Dat is mijn grootste angst. Ik hoor in het Westen wel eens: de islam heeft nood aan een reformatie. En dan denk ik: de Inquisitie is niet ver meer af.”

“Een paar jaar terug toonde een vriend mij een advertentie in een grote Vlaamse krant voor een gratis exemplaar van de Koran. Ik was heel benieuwd naar die vertaling. Er bestaat namelijk geen officiële versie van de koran, er zijn alleen ontelbare interpretaties. De boeken die uitgedeeld werden, waren gesponsord door Saoedi-Arabië. Ik heb vijftig verschillende koranvertalingen thuis, maar dit was ik nog niet eerder tegengekomen. In een van de verklarende voetnoten staat letterlijk: ‘de mensen die Gods woede opwekken, zijn de joden en de christenen’. Ik heb nog nooit zo’n lelijke, bevooroordeelde interpretatie van de tekst gezien, en het zijn de westerlingen zelf die helpen om ze te verspreiden…”

Het gewicht van kennis

“Er is een heel mooie passage in de Koran, waarin God zegt: ‘We maakten jullie in verschillende stammen en landen, zodat jullie elkaar zouden leren kennen.’ Ik vind dat een heel diepe gedachte. Er zijn fantastische dingen in het Westen die moslims niet altijd beseffen of naar waarde schatten. Vergeleken met bijvoorbeeld Pakistan zijn ze hier veel vrijer om hun godsdienst te beoefenen, in alle diversiteit. Europa is het grote laboratorium, elke vorm van islam is hier aanwezig. De nabije toekomst ziet er lelijk uit, en de clash wordt steeds erger, maar ik denk dat beide partijen erbij kunnen winnen. Mensen hebben het nu al over de Europese islam, en dat is goed. Het moet van hieruit komen. Maar daarvoor moeten moslims ook contact willen aangaan met niet-moslims. We hebben meer kennis nodig over elkaar, van beide kanten.”

“Ik vind het verbieden van alle religieuze symbolen een beetje absurd. In Zwitserland voelt men zich bedreigd door de vorm van een gebouw: hoe zwak is een beschaving die doodsbang is voor een minaret? Hoeveel vrouwen in heel Frankrijk willen er een burka dragen? Dertig misschien? Ik begrijp dat het Westen de radicale islam niet wil steunen, maar zelf zou ik tegen die vrouwen zeggen: ‘Je snapt toch dat je nu een werktuig van Saoedi-Arabië bent, nietwaar? Voor je het weet, mag je het huis niet meer uit.’ Maar het kan moeilijk zijn om mensen te bereiken. Als ik hier met moslimvrouwen praat, merk ik dat ze erg beïnvloed worden door imams op de televisie en in de moskee. Als ik vraag waarom ze zomaar accepteren wat ze te horen krijgen, antwoorden ze: ‘De imams zeggen ons: kijk naar wat er met het christendom is gebeurd. Zij stelden te veel vragen, en daarom zijn hun kerken nu leeg.’ Dat is gewoon niet wáár: het was de hiërarchie van de patriarchale structuur waartegen mensen hier in opstand kwamen. En ik zou mijn ziel moeten toevertrouwen aan een of andere twintigjarige imam? Nonsens.”

“We moeten vrouwen hiervan bewust maken. En nee, dat is niét alleen een zaak onder moslims. De tijd waarin het westen kon aarzelen ‘wie zijn wij om er iets van te zeggen?’ is voorbij. Kennis brengt verantwoordelijkheid met zich mee. De overgrote meerderheid van moslims die naar het Westen komen, zijn arbeiders. En het duurt minstens twee of drie generaties voor geesten veranderen onder invloed van onderwijs en samenleving. In die zin valt de verantwoordelijkheid dus bij mensen die wél een opleiding en hoger onderwijs hebben gehad. Ik heb het gevoel dat dat de enige weg vooruit is: geschoolde westerlingen die moslims het beste van hun eigen geloof leren kennen. Maar daarvoor moet het westen zijn eigen spiritualiteit ook weer omarmen. Dat is de uitdaging die moslims het Westen brengen. Zij vertegenwoordigen de gedachte: dit is zo belangrijk dat we ervoor willen sterven. En dat zeggen ze tegen een cultuur die vindt dat niets het meer waard is om voor te sterven.”

Roekeloos

“Het Westen is bang, en wil dat niet toegeven. Angst zelf wordt ook niet meer geaccepteerd. Roosevelt zei: ‘Het enige waarvoor je bang moet zijn, is de angst zelf.’ Dat is nonsens: angst heeft een waardevolle functie. We zijn terug bij de mannelijke adolescent, die zijn grenzen wil testen. Maar je kunt een kind niet leren dat het zijn vingers niet in het stopcontact mag steken door het dat maar te laten uitproberen. Je ziet dat ook in de roekeloze manier waarop we omgaan met het milieu. De monotheïstische godsdiensten onderwijzen angst. Zeven van de tien geboden gaan over dingen die je niet mag doen. Het is belangrijk om te beseffen dat je grenzen niet kunt blijven overschrijden zonder dat dat gevolgen heeft.
Angst heeft dus een plaats. Mensen erkennen dat niet, met als gevolg dat iedereen nu bang is om de verkeerde redenen. Maar wat je onderdrukt, komt altijd naar je terug. Twintig jaar geleden zei ik hier al: demoniseer de islam niet zo, want je kinderen zullen ze nog veel aantrekkelijker gaan vinden. Dat ligt in immers de aard van kinderen. En nu zie je jongeren naar Syrië trekken… Zoiets is gewoon de menselijke natuur, en dat begon al met ‘van die boom mag je niet eten.” (lacht)

Er verschuift veel in de wereld en niet alles stemt mij hoopvol. Maar ik zie dat meer en meer vrouwen, ook in het Westen, hun spiritualiteit willen ontdekken. Het is mijn droom dat de uiteindelijke verandering van vrouwen zal komen, zowel van binnen de islam als daarbuiten.”

Gepubliceerd in De Bond op 20 december 2013