Wat dacht je daarvan?

Angst, pathologisch puberen en blanke suprematie

So you found a girl who thinks really deep thoughts
What’s so amazing about really deep thoughts?
Boy, you best pray that I bleed real soon
How’s that thought for you?

(Je valt dus op een meisje dat heel diep nadenkt
Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken?
Gast, je hoopt maar beter dat mijn maandstonden snel beginnen
Wat dacht je daarvan?)

 

Ze zingt het al meer dan een week in mijn hoofd, Tori Amos. Ik hou al jaren van haar werk, en Silent All These Years is natuurlijk een klassieker. Maar als een fragment van een liedje onverwacht opduikt in mijn gedachten, zonder dat ik het nummer hoorde, dan wil dat meestal zeggen dat ik eens goed naar de tekst moet kijken omdat er een onbewuste boodschap aan mezelf achter zit.

Behalve mijn bewondering voor Amos’ meesterschap dat ze erin slaagt een compleet plot mét uitgewerkte personages te schetsen in amper vier regels, is wat mij het meeste treft aan dit stukje de gefrustreerde maturiteit van de vrouwelijke stem.

Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken? Als je een hart in je borstkas hebt en hersens in je kop, waarom zou je dan niet heel diep nadenken?
Ja, waarom niet? Als puber had ik nooit zo’n grote mond, maar ik herken wel dit gevoel.

Dagje Gent_023 zw ed
(c) KV

Ik oordeel niet, het is eerder een soort eenzaamheid, zoals die van een woudloper die een hoge bergpas oversteekt, en met iets van verlangen omkijkt naar de lichtjes in het dorp, veilig beschut in het dal. Zij die daar wonen, hebben geen idee van hoe het er hierboven uitziet, en ze kunnen of willen de tocht niet maken, en hij weet dat zijn thuis niet daar beneden ligt.

Er zijn maar weinig reizigers op dit bewuste pad, dus ja, het wordt wel eens eenzaam. Pas veel later leer je dat je alvast niet de enige bent, en dat er mensen zijn met wie je je verwant voelt, die de lucht op grote hoogte misschien niet op precies dezelfde manier inademen als jij, maar die weten hoe ze de hoge passen veilig kunnen oversteken, en die je binnenhalen als familie.

Dus nee, er is niets bijzonders aan heel diep nadenken. Het vraagt wel een specifiek soort inspanning (of moet ik zeggen: groeiproces?) om dat punt te bereiken, en sinds zoveel mensen het gevoel hebben dat die weg niets voor hen is (of ontmoedigd worden om eraan te beginnen) worden zij die er wel voor kiezen nogal eens bekeken met – in het gunstigste geval – verbazing en – in het slechtste – vijandigheid.

Waarom heb ik het hierover?
Ah, daar is die goeie ouwe Bill Plotkin weer.

Een confronterende uitspraak van deze dieptepsycholoog en wildernisgids is dat de westerse beschaving in zijn geheel de grootste moeite heeft om op te groeien voorbij het stadium van de adolescent. Adolescent in de betekenis van: de neiging hebben om te streven naar aanvaarding binnen de eigen kring, om helden en veroveringen te vereren, en om een onverzadigbare honger voor materieel comfort, erkenning en succes te stimuleren voorbij enige redelijk grens. Ik ben eerlijk gezegd geneigd hem gelijk te geven.

 

Net als zoveel anderen over de hele wereld was ik geschokt door wat er gebeurde in Charlottesville. Maar terwijl ik zat te kijken naar de Vice-reportage over de alt-right leidersfiguur Chris Cantwell had ik het gevoel dat ik Bill Plotkins stelling voor mijn ogen geïllustreerd zag.

1503067513518-Screen-Shot-2017-08-18-at-105506-AM.pngChris-Cantwell17-christopher-cantwell.nocrop.w710.h2147483647

Ik val niet voor clichés, zoveel moge ondertussen duidelijk zijn. En ik weet maar al te goed hoe kwaadheid in feite altijd een vermomming is voor iets wat veel dieper zit, en doorgaans kwetsbaar, bang en triest is. Maar toch dacht ik dat extreem gewelddadig of fascistisch denken een gezicht zou dragen dat leek op een kruising van Rocky en Darth Vader: macho, donker, sterk en totaal overtuigd van het geweld waarvan het doordrenkt was.

Maar de man die getoond werd in de documentaire was niets meer dan een puber. Niet qua leeftijd, uiteraard, en ik wil ook geen seconde suggereren dat hij onschuldig of ongevaarlijk is. Maar luister even niet naar alle vreselijks wat hij zegt, en zoom in op zijn non-verbale taal: de grimmige blikken, de grote mond, de triomfantelijke pose, het vermijden van oogcontact als hij een werkelijk confronterende vraag moet beantwoorden, het gezwaai met wapens… Ik heb precies dit soort gedrag (behalve de wapendracht, goddank!) gezien bij mijn stiefzonen, en bij de honderden leerlingen die ik in mijn jaren als leerkracht in de klas had. Dit is geen volwassen maar wel adolescent gedrag. Alles aan deze man roept: ik ben doodsbang, ik moet mezelf bewijzen en laten respecteren, en ik ga dat op zo’n luide manier doen dat ik er ook mijn eigen angst mee overschreeuw.
Zijn stoere façade verbrokkelde maar al te snel toen hij, als gevolg van de Vice-reportage, doodsbedreigingen ontving. Er zijn beelden waar je hem in tranen ziet, terwijl hij snottert hoe onschuldig hij wel niet is. Alweer: iedereen die een puber in huis heeft, zal dit tafereel al te herkenbaar vinden.

Maar goed, zelfs als veel haat eigenlijk puberale of kinderlijke angst in een agressief jasje is, wat dan nog?
Het houdt hier niet op, jammer genoeg.

In 2008 schreef Bill Plotkin in Nature and the Human Soul, in een passage waarbij hij het heeft over de ‘mannelijke’ (yang) kernkwaliteiten van sommige adolescenten, of dat nu jongens of meisjes zijn (hij heeft het later ook over hun ‘vrouwelijke’ (yin) tegenhangers, maar dat terzijde):

‘Tienerjongens en -meisjes met mannelijke kernen moeten slagen als puberheld. Tijdens het proces waarbij ze een authentieke manier proberen te ontwikkelen om sociaal aanvaard te worden, moeten ze zichzelf bewijzen door de wereld in te stormen, draken te doden en de verdrukten te redden. Of ze nu winnen of verliezen, hun oprechtheid of karakter worden gevormd in het heetst van de ‘strijd’. In posities van leiderschap of onderhandelingen zullen ze eerder de neiging hebben om met grote stelligheid posities in te nemen dan vragen te stellen.
Dat alles is normaal voor jongens en meisjes met mannelijke kernen, maar in een zielsgeoriënteerde omgeving is dit soort puberale heroïek uitgewerkt tegen de tijd dat de jongere een jaar of vijftien is. En zo hoort het ook. Als een man (of vrouw) van dertig jaar of ouder nog altijd bezig is zichzelf te bewijzen door zich te manifesteren als drakendoder, kan hij een ernstig gevaar betekenen voor zichzelf en anderen. Als hij aan het hoofd van een serieus leger of een groot bedrijf staat, kan hij enorm veel schade berokkenen. Als hij de opperbevelhebber is van een nucleaire supermacht kan hij de wereld zoals wij die kennen vernietigen.’

Van vooruitziendheid gesproken.

Ik ben beslist niet de eerste die schrijft dat er op dit eigenste moment een groot verwend kind het Witte Huis op stelten zet met zijn zoveelste woede-uitbarsting. De man die vandaag de controle heeft over de Amerikaanse kernkoppen is het levende bewijs van zowel Plotkins diagnose als zijn ergste nachtmerries.

Wat kunnen we hier in godsnaam tegenover stellen?

Maturiteit.
Diep nadenken.

Dagje Gent_012 cut
(c) KV

Het is een uitdaging die we moeten aangaan als samenleving, als wereldburgers. Dit gaat over onderdrukte groepen hun rechtmatige plaats laten innemen en voorheen gepriviligeerde groepen in contact brengen met hun gevoelens.
Dit gaat over opgroeien tot volwassenen, door onze angsten onder ogen te zien, ze te leren verwoorden en de verantwoordelijkheid te nemen voor alle ballast die we meesleuren van vorige generaties, omdat die ons inzicht nogal eens vervormt.

Dit gaat over volwassen worden en anderen helpen dat ook te doen.

Plotkin, nog een laatste keer:

‘Hoewel vrouwen minstens vijfduizend jaar lang ernstig onderdrukt zijn, en het vrouwelijke aspect voor minstens even lang onderdrukt is (in het bijzonder in mannen), is het probleem niet mannelijkheid maar veeleer immaturiteit. De oplossing is niet om het vrouwelijke belangrijker te maken dan het mannelijke, maar om een zielsgeoriënteerde samenleving te bouwen met meer volwassen mannen en vrouwen dan levenslange adolescenten.

Wat dacht je daarvan?

Advertenties

Een zachte bevalling

Ik droom nooit over baby’s of bevallen.

Dat heeft misschien te maken met het feit dat geen van beide voor mij de zalige ervaring waren die ze voor veel andere moeders wel zijn. Het waren eerder gebieden waar ik een intense trip maakte van het soort dat je leven verandert, maar waarnaar ik liever niet nog een keer op reis ga als ik het kan helpen.

Behalve dan dat ik vorige nacht droomde dat ik aan het bevallen was.

(c) KV

 

In mijn droom legde een vroedvrouwachtige figuur, een wijze, rustige vrouw, mij een soort van oefenschema uit. En toen ze me liet neerhurken voor een oefening die een makkelijke bevalling moest bevorderen, werd ik me ervan bewust dat ik leven in mijn buik had, en dat dat bovendien op het punt stond ter wereld te komen.

Ik ging mee in het proces. Het was zacht, makkelijk en pijnloos.
Met gemak perste ik een kind de wereld in. Het gleed tussen mijn benen naar beneden, en ik ving het op met mijn eigen handen, en terwijl het neerkwam, dacht ik: opletten met dat hoofdje!

Dan ging ik achterover liggen en de vroedvrouw legde het kleine meisje, een gezonde pasgeborene die nog onder het bloed en slijm zat, precies zoals die kleintjes komen, op mijn buik en borst, zodat ze zich kon verbinden met haar mama — ik.

Ik voelde hoe ze zich tegen mij aan nestelde. Ik verwelkomde haar en voelde een diepe tederheid. Ik wist dat alles goed was. We waren allebei precies waar we moesten zijn.

(c) KV

Je moet weten: ik ben niet de meest zorgzame moeder.

Ik ben thuisgekomen van mijn werk, te moe om me aan kyudo te wijden vanavond, en de lasagna uit de supermart staat in de oven. Ik zit dit blogje te schrijven, maar het is mijn man die onze zoon ondertussen in bed steekt. Van boterhammendozen tot verhaaltjes voor het slapengaan — hij is veel beter in die zorgende taken dan ik.

Ja, soms voel ik me daar best schuldig over.

Tot er een bult in het parcours is die te maken heeft met gevoelens, met sociale of innerlijke strubbelingen, en mijn zoon zich als een bolletje komt opkrullen op mijn schoot — een nogal volumineus achtjarig bolletje ondertussen, met lange ledematen en een snelle geest — en ik wikkel mezelf om hem heen als een schelp die hem beschut.

Ik voel zijn onrust wegzakken, gewoon door lichamelijk dicht bij mij te zijn, veilig en gekoesterd zoals hij in mijn schoot ook was. Zachtjes brengen we naar boven wat hem dwars zit, benoemen we zijn angsten en gevoelens. Ik leg hem uit wat er aan de hand is en help hem om te gaan met wat er zich van binnen in hem afspeelt, terwijl ik zo weinig mogelijk probeer te oordelen.

(Het is makkelijker om begrip te tonen voor een gekwetst kind dan voor een dat gemene dingen heeft gedaan — maar naar mijn aanvoelen is het steeds even belangrijk, als je als ouder tenminste wil dat hij leert omgaan met die gevoelens, en ze niet voor je begint te verbergen uit angst voor veroordeling.)

Alles bij elkaar denk ik dat ik het er dus nog niet zo slecht vanaf breng. En binnen de combinatie van mijn mans zorgende vaardigheden en mijn emotionele fine-tuning voeden we een gezond, gelukkig kind op. So far, so good.

(c) KV – Pimpelmeesjong, te klein nog voor het typische blauw-en-zwarte verenkleed (maar piept de hele tuin bij elkaar!)

Ik denk niet dat het toeval is dat ik in de droom beviel van een meisje. Er komt op dit moment veel vrouwelijke kracht en kwetsbaarheid in de wereld  — onder meer via mij.

Het kan een zacht, pijnloos proces zijn, is wat ik afgelopen nacht leerde. Er zal liefde zijn, en een diep, teder gevoel van thuiskomen.

Wat het ook is waarvan ik het voorrecht mag hebben om het op de wereld te brengen en het op mijn huid te koesteren — kind, droom, visioen, kunstwerk — ik weet dat het iets van schoonheid en gevoeligheid zal zijn.

Ik ben klaar om het te ontvangen en ervoor te zorgen.

Engel_004
(c) KV

De roep beantwoorden

Zelfportret_045 zw ed
(c) KV

Als ze je onverwacht aankijkt, van op een plek die je niet helemaal kunt vatten — als een oudere zus of een geest uit een vorig leven.

Ze lijkt meer over jou te weten dan jijzelf, en hoewel je haar niet begrijpt, vind je haar aardig, vreemd genoeg.

Je weet dat je zal luisteren als ze tegen je praat — zachtjes, buiten het bereik van vreemde oren. Haar woorden hebben de weerklank van bergen die geboren worden.

Haar kompas staat op oprechtheid, en ze zal jou uitdagen tevoorschijn te komen.

En jij — dat weet je — zal haar roep beantwoorden.

Echte mannen huilen wél

Nog lang niet alle glazen plafonds zijn doorbroken, maar vrouwen zijn in de westerse samenleving aan een gestage opmars bezig. Tegelijk zien we dat mannen oververtegenwoordigd zijn in de statistieken van misdaad, zelfmoord, dakloosheid en hartkwalen. Bij het diagnosticeren van depressies blijven ze verontrustend laag onder de radar.

Het lijkt op het eerste zicht misschien wat vreemd om ons zorgen te maken over het welzijn van mannen, nu vrouwen eindelijk goed bezig zijn na eeuwen van tweederangsburgerschap een even­waardige plaats in te nemen. Hebben mannen het gewoon niet wat moeilijk met opschuiven en een stukje prijsgeven van het terrein dat hen van ouds­her toekwam om geen andere reden dan dat ze mannen waren?

Die redenering mag goed klinken, maar ze is te sim­plistisch. Er wordt aan de alarmbel getrokken door sociologen, psychologen én door mannen zelf – als die zichzelf dat toestaan. En het is niet verstandig om deze noodsignalen schouderophalend naast ons neer te leggen.

Schoolfeest Sobran 305.JPG

In de prullenbak

Onze samenleving is in de laatste honderdvijftig jaar ingrijpender veranderd dan in alle eeuwen sinds de uitvinding van de landbouw bij elkaar, schrijft BBC-documentairemaker Tim Samuels in Waar is mijn speer. En een aantal van die verande­ringen zetten de behoeften van steeds meer man­nen zwaar onder druk. Samuels mocht in het kader van zijn werk al een blik werpen op plekken die voor veel gewone stervelingen minder evident zijn. (Wij waren alvast nog niet op een workshop ‘vrou­wen aanspreken’ of achter de schermen van een commerciële pornofilmset geweest.) Op andere momenten spreekt Samuels dan weer uit eigen er­varing, en toont zich daarbij opvallend kwetsbaar. Alles bij elkaar biedt zijn boek een verrijkende in­kijk in het hoofd (en de buik) van ‘de man’ – al is het ten allen tijde opletten geblazen met stereotypen, want niet alles gaat in gelijke mate op voor iedereen.

Hebben mannen het gewoon
niet wat moeilijk
met het prijsgeven van een stukje terrein?

De ‘oude’ mannelijke waarden van superioriteit, dominantie en maatschappelijk succes als belo­ning voor hard werk zijn in de westerse samenle­ving naar de prullenbak verwezen. Mannen weten zich verdreven van hun plek bovenaan de voedsel­piramide, en daar blijft het niet bij. Van alle kanten wordt volgens Samuels aan het mentale en fysieke evenwicht van mannen geknaagd. Een partner vin­den waar je tevreden mee bent en een gezin mee wilt stichten, komt hem met de eindeloze stroom mogelijke keuzes via datingsites op het internet voor als een zoektocht naar een speld in een hooi­berg, met torenhoge en verlammende twijfels er bovenop (is er toch niet nóg iemand beter, als ik nog wat langer wacht?). De geest- en emotiedodende routine van het onpersoonlijke kantoorland­schap en het schrijnend tekort aan gezonde fysieke uitlaatkleppen zet­ten veel mannen verder onder druk. De groeiende werkloosheid knaagt aan de zelfwaarde van wie nog altijd te horen krijgen dat hij moet kunnen instaan voor zijn gezin. De misse­lijkmakende bandeloosheid van de moderne porno-industrie ontwricht het gezonde seksuele evenwicht van een hele generatie.

Voor de duidelijkheid – een punt dat ook Samuels meermaals beklem­toont: de problemen van mannen belichten en bespreekbaar maken, is geen kruistocht tegen vrouwen of hun rechten. De vervrouwelijking van een aantal aspecten van de sa­menleving staat niet ter discussie. Wel is het zo dat de opkomst van steeds meer sterke, mondige vrou­wen, ook in leidinggevende functies, een extra facet is dat sommige man­nen verder uit hun evenwicht brengt. De oplossing hiervoor is uiteraard niet vrouwen terug naar de haard te sturen. Maar het betekent wel dat er ándere antwoorden gegeven moeten worden op hoe mannen vandaag hun ambities en behoeften kunnen bevredigen. En die antwoorden zijn er op dit moment vaak niet. Ge­vangen tussen steeds knellender maatschappelijke maatstaven enerzijds en oneindige keuzes ander­zijds, raken mannen het spoor bijster, stelt Samuels. De desastreuze resultaten daarvan zien we steeds duidelijker.

Schokgolf

‘Onderdrukte masculiniteit kan op individueel ni­veau leiden tot mannelijk zelfdestructief gedrag als overmatig drankgebruik, van school getrapt wor­den en het weigeren van psychologische hulp, maar ik durf te suggereren dat ook de huidige opkomst van IS er deels op terug te voeren is. Op een gruwe­lijk toxisch mengsel van mannelijke vervreemding en een bastaardvorm van religieus extremisme,’ schrijft Samuels. ‘De jongeman in Portsmouth die zijn Primark-uniform verruilt voor een legeruni­form in Syrië, zijn saaie kantoorbestaan (en onge­twijfeld ook zijn seksuele frustraties) in een buiten­wijk achter zich laat om samen met zijn broeders de wapens op te nemen, jaagt zeker ook een illu­sie van mannelijkheid na. In alle Europese landen waar mannen niet de economische middelen heb­ben om zichzelf als man te bewijzen, groeien de extremistische partijen.’

Een vrij gelijklopend profiel – dat uiteraard ver­schilt al naar gelang de precieze context – zien we bij het Britse kiespubliek dat voor de Brexit stemde, en bij de verarmde en verbitterde Amerikaanse aanhangers van de volgende president van de VS, Donald Trump. Die laatste lijkt bij momenten wel een soort uithangbord van het oude, patriarchale wereldbeeld met de blanke man als dominant en superieur centrum van het universum. Hij valt daardoor niet alleen in de smaak bij groeperingen als de Ku Klux Clan; een aantal van zijn uitspraken wekken ook de indruk dat hij het zacht gezegd niet erg nauw neemt met de rechten van vrouwen.

Trumps verkiezing zond een schokgolf van ontzet­ting door de Westerse wereld, en niet alleen om wie hij is en hoe hij zich gedraagt. Het feit dat de helft van de Amerikaanse kiezers geen punt maakt van zijn racistische en misogyne uitlatingen is min­stens even verontrustend.

Waar is mijn speer verscheen ruim voor de Ameri­kaanse verkiezingen, maar Samuels woorden klin­ken profetisch: ‘Mislukking, of het idee dat je mis­lukt ben, leidt niet alleen tot een innerlijke ‘crisis’, er komt ook een naar buiten gerichte energie bij vrij: woede. En deze woede is momenteel bijzonder actueel onder blanke mannen, die er altijd van zijn uitgegaan dat de maatschappij en het succes hen toebehoort. Een woede die de schuld aan anderen geeft, vaak aan hen die als obstakels of rivalen voor het eigen beroepsmatig succes worden beschouwd – immigranten, vrouwen, de scherpslijpers van de politieke correctheid – een woede die zich vaak tot extremistische politiek aangetrokken voelt.’

‘Verman je!’

De patriarchale hiërarchie, waarvan iemand als Trump bij momenten de belichaming lijkt, is niet alleen schadelijk voor de vrouwen en minderhe­den – die het doelwit worden van de ‘boze blanke man’ die zijn dominantie wil laten gelden – maar ook voor mannen zelf.

IMG_9911.JPG

Wetenschappers hebben het daarbij over toxic masculinity. Die ‘giftige mannelijkheid’ houdt niet alleen verband met de clichématige ideaalbeel­den die we tot op vandaag ophangen over mannen (stoer, onafhankelijk, kostwinner, overwinnaar), maar ook met de manier waarop we, meestal zon­der het zelf te beseffen, jongens vaak nog altijd con­sequent anders benaderen dan meisjes. Zo verwijst de Amerikaanse psycholoog en gezinstherapeut Terry Real naar onderzoek dat aantoont hoe ouders de neiging hebben om identiek hetzelfde gedrag anders te interpreteren, al naar gelang het geslacht van het kind. Als ze een huilende baby te zien kre­gen waarvan gezegd werd dat het een meisje was, omschreven proefpersonen het kind als ‘bang’. Als ze te horen kregen dat het een jongen was, beoor­deelden ze het gehuil als ‘boos’. Een bang kind ga je sneller troosten dan een boos kind. Van de aller­prilste leeftijd krijgen jongens dus vaak, onbewust en onbedoeld, minder koesterende en empathische signalen van ouders en opvoeders, wat hun emotionele en sociale ontwikkeling mee bepaalt.

Als daar dan ook nog conditionering bij komt met terechtwijzingen als ‘verman je’ of ‘jongens hui­len niet’, ontstaat een situatie waarin alles wat doorgaat voor ‘vrouwelijke’ kenmerken, zoals in contact staan met je emoties, uiten wat je voelt en erover durven praten (Real noemt dat menselijke kenmerken) voor jongens taboe wordt. Zodra er afgeweken wordt van het stereotiepe beeld, komt de mannelijkheid in het gedrang, en tot op vandaag wordt veel jongens van kleins af aangeleerd dat ze een fundamenteel stuk van zichzelf moeten onder­drukken.

De enige emotie die mannen in een genderstereo­tiepe opvoeding of samenleving wél mogen tonen, is woede of agressie. Het mag dan ook niet verras­sen dat mannen vaak veel agressiever uit de hoek komen dan vrouwen. Real maakt zich sterk dat een deel van de gewelddadigheid van mannen als een sociologische groep in feite een acting-out is van onderliggende depressieve gevoelens waar ze geen andere uitlaatklep voor hebben, gevoelens waar ze door de jarenlange sociale conditionering vaak niet eens meer bewust contact mee kunnen maken.

Veel jongens wordt van kleins af
aangeleerd dat ze een
fundamenteel stuk van zichzelf
moeten onderdrukken

De Amerikaanse auteur en opvoeder Tony Porter, die zich inzet voor de rechten van vrouwen en minderheden, beschreef in een beklemmende TED Talk hoe hij zelf als zwarte jongen ‘gesocialiseerd’ werd door de macho-cultuur van de achterstands­wijk waar hij opgroeide. Hij betrapte zichzelf erop dat hij zijn zoon en zijn dochter anders behandelde, en dat hij bezig was een aantal van dezelfde onge­zonde stereotypen die hem zo getekend hadden aan zijn zoon door te geven, en gooide zijn benade­ring om. Giftige mannelijkheid houdt ons voor, ver­telt Porter, ‘dat mannen het voor het zeggen heb­ben, en vrouwen dus niet; dat mannen de leiding nemen en dat je dus maar gewoon moet gehoorza­men en doen wat ze zeggen; dat mannen superieur zijn en vrouwen minderwaardig.’ Andere kenmer­ken zijn het aanmoedigen van geweld (wat je in zijn extreemste vorm vaak aantreft bij straatben­des), het taboe op zwakte tonen en hulp zoeken, het demoniseren van alles wat beschouwd wordt als ‘vrouwelijke’ kenmerken, en de minachting voor iedereen die die tentoonspreidt. Deze houding ver­klaart voor een belangrijk stuk de diepgewortelde en steeds terugkerende problematiek van zowel homofobie als verkrachting, waar zoveel mensen in onze samenleving nog dagelijks het slachtoffer van worden. Giftige mannelijkheid is dus schade­lijk voor álle partijen: jongens worden er emotio­neel door ontmenselijkt, vrouwen en minderheden komen erdoor in gevaar.

Wat kunnen we daar als samenleving tegenover stellen? Tim Samuels breekt een lans (of moeten we zeggen: een speer?) voor dingen die mannen op een positieve manier in hun waardigheid laten, én hen tot gezonde rolmodellen maken voor hun kinderen. Denken we maar aan: jongens de ruimte laten om in contact te komen met hun gevoelens, vaders sociaal of financieel niet discrimineren in hun kansen om voor hun kinderen te zorgen, jon­gens en mannen de kans geven om ‘onder vrienden’ gezonde broederschapsbanden te ontwikkelen en hun nood aan meer fysieke uitlaatkleppen te kana­liseren in sport, contact met de natuur of nuttige fysieke activiteiten.

Dat zijn dingen waar mannen zich bewust van moeten zijn, maar waar ook vrouwen (als moeders en partners) een belangrijke rol kunnen spelen. Als we het serieus menen met het gevecht voor een sa­menleving van gelijke rechten en gelijke kansen, is meewerken aan het neerhalen van de giftige ste­reotypering rond mannen wellicht een van de be­langrijkste dingen die we kunnen doen.

Schoolfeest Sobran 312.JPG

 

 

Dit stuk verschijnt in De Bond van 2 december 2016

Geen andere manier

Herfstaltaar_085.JPG

Hoe doe je dat, reageren op wat je de meest schokkende en gevaarlijkste politieke verschuiving van de afgelopen eeuw vindt? Maar dan wel: zonder al die mensen die op een gevaarlijke fascistische gek hebben gestemd nog verder in de drek te duwen.

Want ik begrijp ze wel.

Wat een vreselijke tegenstellingen hebben we de laatste week weer over en weer horen vliegen. Over extreem-, populistisch en fascistisch rechts, dat het stemvee naar de mond praat om er zelf beter van te worden (wat volgens mij klopt). Over links, dat geen antwoorden had, problemen toedekte of alles bij het oude wilde houden om de elite waar het ondertussen zelf toe behoorde veilig te stellen (wat volgens mij gedeeltelijk klopt, maar zeker niet voor de hele linkerflank).

Ik begrijp dat mensen boos zijn, zich gepluimd voelen door het systeem, zich – terecht – het slachtoffer weten van een globalisering die hen totaal heeft uitgespuwd. Maar wat een ironie dat hun woede zich keert tegen diegenen die net als zij dreigen door het systeem vermalen te worden, precies omdat ze er tegen in opstand komen – immigranten, vrouwen, kritische stemmen – en dat ze in plaats daarvan hun vertrouwen schenken aan de gewetenloze narcisten die deze hele ellende in de eerste plaats gecreëerd hebben.

De woede en de wanhoop van de massa zijn te manipuleren. Dat weten we al eeuwen. Maar in plaats van er een antwoord op te bieden, hebben we ze laten woekeren. En hebben we vanuit het beleid geen menselijke antwoorden kunnen formuleren op de groeiende ellende. De neoliberale elitepraat van nog meer economie, nog meer flexibiliteit, nog meer vrije markt, nog meer geld boven de mens, maakt mij al woest, en ik ben een begoed en opgeleid intellectueel. Wat moet het dan zijn voor iemand die het gevoel heeft dat hij er alles door kwijtraakt?

herfstaltaar_087

Ja, er zit een stuk gefrustreerde mannelijkheid achter de overwinning van de Trol die nu het Witte Huis mag bevolken met zijn Orks.

Ja, er zit een stuk hunker naar oude, veilige tijden (die misschien nooit bestaan hebben maar waar vanuit nostalgie altijd verlangd wordt).

Ja, er zijn ongetwijfeld nog veel vrouwen die vallen voor een alfamannetje dat hen domineert, hoe afstotelijk veel andere, doorgaans meer vrijgevochten of kritische, vrouwen dat ook vinden.

Ja, Johnny en Marina, slecht geïnformeerd als ze zijn maar hun armoede en de uitzichtloosheid meer dan zat, hebben zich laten verleiden tot geloof in deze volksmenner.

Ja, er zijn zelfs hoogopgeleide mensen die het systeem zo spuugzat zijn dat ze bereid zijn te geloven dat de Trol hen een betere toekomst zal brengen.

 

Het enige antwoord is meer menselijkheid. Economie op mensenmaat. Begrip en empathie. Ontmoeting. Kleine initiatieven. Inclusie.
De wereld opbouwen van bij de wortels, uit de klei waar we allemaal vandaan komen.
Onze stem voor een betere wereld en voor meer begrip laten horen.

Protest.

Herfstaltaar_096.JPG

Hoe donker het ook wordt, het is beter om één kaars aan te steken dan te schelden op het duister, zoals Confucius ooit zei.

Laten we de dingen die we zien benoemen voor wat ze zijn. Maar laten we ook mildheid tonen voor wie tot over zijn nek in de ellende zit. Laten we samen proberen hieruit te komen.

Er is geen andere manier.

 

 

 

De stem van de boer

In jou leeft een stukje van alle generaties die voor jou kwamen, stelt de Amerikaanse manueel therapeute Tami Lynn Kent. Je genetische en emotionele erfenis – van vaders- en moederkant – komt op onverwachte momenten in jou tot uiting. Leer je voorouders en hun geschiedenis kennen, en je leert ook iets over jezelf.

Kent heeft het haar levensmissie gemaakt om vrouwen te helpen beter thuis te komen in hun bekkenbodem, en zichzelf. Daarvoor gebruikt ze een medische geschoolde benadering, maar ook haar vermogen om ‘energiestromen’ in het menselijk lichaam te observeren en te beïnvloeden. Haar boek Wild Feminine leest als een bizarre maar bijzonder krachtige mix van hands-on fysieke therapie (vaginale massage, iemand?) en diep psychologisch en spiritueel inzicht, en is zonder twijfelen een van interessantste boeken die ik dit jaar onder ogen kreeg.

Watermolen_007.JPG

Ik heb mij altijd meer verbonden gevoeld met de familie van mijn moeder. Dat klinkt mooi, maar eigenlijk bedoel ik daar alleen mijn grootouders langs moederskant mee, de mensen bij wie ik opgroeide, en die als een koppel schaduwouders achter mijn eigen ouders stonden, met alle voor- en nadelen van dien voor een kind dat vier opvoeders heeft. Maar het is dus niet gek dat ik een veel hechtere band had met hen dan met de ouders van mijn vader, een weinig hartelijk koppel zelfstandigen die zich hadden laten bedriegen door een familielid en straatarm eindigden op een piepklein appartement, bitter en uitgeblust vóór hun tijd, en op latere leeftijd allebei dement.

Vaderskant was evenwel rijk aan neven en nichten, oudooms, -tantes en aangetrouwden die na het bijleggen van een jarenlange familievete (de protagonisten van de vorige generatie eenmaal overleden) van elke begrafenis een bonte en hartelijke gelegenheid maakten. Ik vond al die mensen aardig, maar ik stond er doorgaans bij als een krampachtig glimlachende buitenstaander. Thuiskomen? Dat gebeurde pas als ik van zo’n feestje weer naar huis kon.

Mijn vader en ik delen een liefde voor fotografie en het geschreven, raak gekozen woord. Maar zijn sympathie voor stambomen heb ik niet geërfd. Van op de zijlijn liet ik dus de nieuwtjes over me heen gaan van hoever een of andere neef ondertussen gevorderd was in het familiale stamboomonderzoek. Tot een eind in de zeventiende eeuw of zo – niet slecht. Maar al bij al weinig opwindend: generatie na generatie cultivateur in de streek rond Geraardsbergen. Een stamboom vol boeren, tja. Kun je in Vlaanderen iets anders verwachten? Van vader op zoon zwoegen op het land, en met kromgetrokken rug en kapotte gewrichten sterven in bescheidenheid, zo niet armoede, in de schaduw van alsmaar dezelfde kerktoren. Was dit een embleem om trots op te zijn?

Van de kant van mijn fijnbesnaarde grootmoeder langs moederskant kreeg ik mijn liefde voor muziek en kunst mee. Haar man, mijn grootvader, leverde het onderwijzersbloed en het beruchte temperament van de Bruylanden, dat in mij afgezwakt is tot geen blad voor de mond nemen en rechttoe-rechtaan zeggen waar het op staat. Ik heb lang gedacht dat dat de enige familie-erfenis was die ik nodig had. Het was ook de enige waar ik voeling mee had.

Nu denk ik daar anders over.

Hemel_060 ed.jpg

Ik heb mezelf er al vaker op betrapt. Bij het luisteren naar commentaren van economen over ‘marktwaarde’ van producten, bij het lezen over de digitale ratrace, het volgen van debatten over de voordelen van mondialisering. Ik voel hoe een diepe argwaan de kop opsteekt. Er zit een oude landbouwer in mij, die zijn hoofd schudt en zegt: kom van die wolk en kijk naar de grond onder je voeten. Hij zegt: iets is in essentie precies zoveel waard als het werk dat je erin hebt gestoken om het te maken, of de tijd die het nodig heeft gehad om te groeien, en niet wat de mensen ervan vinden. Luister naar je lichaam, luister naar de seizoenen. Dát zijn de ritmes die ertoe doen, de hartslag van de wereld. Al het andere is een zeepbel van hoogmoed.

Het zijn gevoelens die ik al langer hoog houd. Ze vormen mijn kompas in een stormachtige wereld van alsmaar meer, sneller, beter, mooier, en zorgen ervoor dat ik sommige vereisten van me af kan schudden als de illusies die ze in feite zijn.

Ik ben een kind van mijn tijd, en ja, ik vind het fijn dat de wereld een dorp is, en dat steeds meer dingen mogelijk worden. Ik wil de planeet binnenlaten in al haar kleuren en geuren, en opstaan voor zoveel mogelijk nieuwe indrukken.

Maar iets in mij zegt regelmatig: stop. Steek je wortels in de grond. Blijf bij jezelf. Adem diep in en uit, en weet dat jouw lichaam, en jouw leven op deze precieze plaats, uiteindelijk nog altijd de enige concrete ankerpunten zijn die je hebt.

Het is de stem van die oude landbouwer die ik hoor, van die hele afstamming van boeren met gezond verstand, die wisten wat het was om met hun lijf – en met het land – precies die dingen tot stand te brengen die ze nodig hadden om te overleven.

Het is herfst, oogsttijd. En misschien dus ook het moment om een kleine hulde te brengen aan de voorouders die daar het meest van afwisten.

Watermolen_200.JPG

Transitie, in alle maten en kleuren

Het is goed dat ze van zich laat horen, denk ik als ik in De Standaard het stuk van Aheda Zanetti lees, de Australische moslima die de boerkini ontwierp. Het is goed dat ze haar stem verheft, en dat ze oprecht is. Ik zal haar, en het recht van moslimvrouwen om boerkini’s te dragen – het recht van elke vrouw om wat dan ook te dragen, punt – altijd blijven verdedigen. En er zijn veel redenen om je als vrouw te bedekken, dat schreef ik al.

Maar als ik lees wat ze zegt, bloedt mijn hart toch.

Ze ontwierp de boerkini omdat haar nichtje zich kapot zweette in de dikke kleren die ze droeg om zich te bedekken tijdens het sporten. Dat is eerbaar, en haar ontwerp bracht vrouwen een vrijheid die ze voordien niet hadden.
Alleen – en dat is waarom ik het er toch nog altijd lastig mee heb – wat voor vrijheid? De vrijheid om je in het openbaar te begeven?
Als je anders helemáál de deur niet uit mag, kan ik me voorstellen dat zo’n pak inderdaad vrijheid belichaamt. Maar het is een vrijheid die de echte ongelijkwaardigheid in een gemeenschap ongemoeid laat. Ze geeft geen kritiek op de diepgewortelde opvatting dat vrouwen zich moeten bedekken, ze omzeilt ze.

Quondam_043.JPG

Aheda Zanetti lijkt geen moeite te hebben met de traditionele denkbeelden uit haar omgeving dat mannen en vrouwen fundamenteel andere rechten en plichten hebben, zoveel kunnen we opmaken uit de rest van haar stuk. Ongelijkheden worden in stand gehouden door beide partijen in een cultuur. Mannen mogen dan veel meer vrijheden hebben dan vrouwen, ze dwingen die niet altijd af met bruut fysiek geweld. Hele gemeenschappen werken daar actief aan mee. Door zich te schikken, door opruiende stemmen het zwijgen op te leggen, door de regels te omzeilen maar niet openlijk aan te vechten.
Vrouwenbesnijdenissen – om het even heel confronterend te zeggen – worden ook niet per toeval uitgevoerd door vrouwen.

En ach, ik besef het maar al te goed, vrouwenemancipatie is van zeer lange adem. Het is een proces dat zich op verschillende plaatsen ter wereld op heel andere snelheden in  diverse fases van ontluiking bevindt. Zoals de Amerikaanse coach Tara Mohr het zo heerlijk zegt: we are the transition team. Vrouwen van onze generatie(s) timmeren aan de overgang van het oude patriarchale systeem naar iets beters en evenwichtigers.
En de weg is veelkleurig en lang. Ook hier in het westen krijgen vrouwen nog altijd geen deftig bestaansrecht in de katholieke kerk. Het glazen plafond wordt ook in de rijkste westerse landen nog steeds gelapt door vrouwen. We mogen ondertussen al naar buiten zonder een chaperone, maar ook ons uiterlijk wordt – op een heel andere manier – onafgebroken onder de loep genomen. Wij protesteren daar wel tegen, velen van ons zelfs heel ostentatief, maar dat wil niet zeggen dat al die zaken in een klap opgelost zijn.

Ik wil deze inventieve, oprechte Australische dan ook niet afvallen of ontmoedigen. Maar ik ben het wel grondig met haar oneens dat de boerkini symbool staat voor vrijheid. Of toch voor het soort vrijheid dat ik in gedachten heb, namelijk de evenwaardigheid tussen man en vrouw. Als een man wil dat zijn vrouw zich bedekt, dat hij dan zelf alsjeblieft ook zo’n surfpak aantrekt, denk ik in een moment van frustratie. En dat hij anders zijn ogen dicht doet.

Er is een hemelsbreed verschil tussen je vrij voelen door de regels te omzeilen en werkelijke emancipatie. Anderzijds: is niet alle emancipatie zo begonnen? Met het omzeilen van regels, tot het voor iedereen duidelijk werd dat die eigenlijk oneerlijk en onwenselijk zijn?
Laten we de boerkini toejuichen omdat hij vrouwen een eerste smaakje van vrijheid geeft. En laten we precies daardoor tonen dat hij eigenlijk helemaal niet nodig is.

Een glibberig symbool

De pro-en-contra discussies over de hoofddoek en – bij uitbreiding – de boerkini, ik krijg het ervan.
Hoe eenzijdig kunnen meningen zijn? Dit is een veelkantige kwestie, een netelig onderwerp waar géén makkelijke en eenduidige antwoorden voor bestaan.

Dat komt omdat de ‘bedekking’ (laten we eens een neutrale term gebruiken die de lading helemaal, euhm, dekt) van moslima’s en vrouwen in de Arabische wereld ook helemaal niet zo eenduidig is als ze lijkt. Die bedekking is met alle vuur te verdedigen én te verwerpen, en alles hangt af van de context. Drie snelle schetsen (maar er zijn nog ettelijke varianten mogelijk).

Quondam_042.JPG

Context 1. Een jonge, moderne, zelfbewuste vrouw zoekt naar een vorm van spiritueel bewust leven. Ze heeft een geloof, en ze wil dat niet alleen tonen door de manier waarop ze leeft maar ook door de kleren of de attributen die ze draagt. Dit zijn nonnen, in India of Vlaanderen. Dit zijn moslima’s in Bangladesh, en Native American grandmothers in Arizona. Dit zijn vrouwen die uit volle overtuiging en in alle waardigheid een uiting geven aan een goed dat in deze neokapitalitische wereld bepaald niet enthousiast onthaald wordt: een bezielde manier van bewust leven, in contact met iets wat dieper gaat dan het tumult van alledag.

Context 2. Een jonge vrouw die opgroeit in een cultuur of een regime dat vrouwen ongeveer op dezelfde hoogte acht als huisdieren, en dat hen alle privileges ontneemt. Bedekking is een plicht, en de straf voor ongehoorzaamheid is uitstoting, of erger. Ze weet niet beter (of ze weet het wel), maar ze aanvaardt de omstandigheden uit noodzaak, want er is geen alternatief.
Ze leeft in door IS bezet gebied, en in landen waar leiders zelfs de vrouwen van andere staatshoofden weigeren de hand te schudden.

Context 3. Een jonge moslima, geboren in het seculiere westen, maar dochter van ouders die nog stammen uit het traditionele patriarchaat dat er maar niet in slaagt een evenwicht te vinden in de moderne Westerse context. Het brengt jonge, gefrustreerde hengsten voort die met hun seksualiteit geen blijf weten, maar eist tegelijk nog altijd van meisjes dat ze kuis en respectabel zijn. Deze jonge vrouwen willen deelnemen aan het alledaagse leven op het continent waar ze zijn opgegroeid zonder van hun familie te vervreemden. Als ze hun hoofddoek afleggen, noemen hun broers ze hoeren. Als ze ze ophouden, zijn ze voor ons niet welkom in het openbaar.

In het westen gruwen we van context 2. Het is ook de meest laakbare van de drie. Alleen: deze praktijken vinden plaats op plekken waar wij vanuit onze fauteuils in Europa nauwelijks vat op hebben. Tenzij we stoppen met zo olieafhankelijk te zijn, klinkt onze morele verontwaardiging goedkoop. Momenteel ligt zelfs eisen dat de echtgenotes van onze politieke leiders met evenveel respect behandeld worden als zijzelf al te gevoelig.

Maar de vrouwen van context 1 en 3 hebben niets te winnen bij een veroordeling van hun klederdracht. Of die bedekking nu een uiting is van een bewuste en doorleefde keuze, dan wel van een ongemakkelijk compromis in een cultuurclash die nog volop gaande is, met een verbod zullen we niemand helpen.

Als de vrouw in kwestie een moslima is, dan zullen we haar – een paar hoopvolle idealisten niet te nagesproken – zelden spontaan in context 1 situeren. Zelfs context 3 is voor velen al te moeilijk. Bij het zien van een hoofddoek springen de conclusies maar al te graag naar context 2. En dat hier in het vrije, Westerse Europa! Dat moeten we verbieden!

We sloegen zelden de  bal zo hard mis. En hij gaat als een boemerang in ons gezicht terugkeren.

 

Voor wie het na het volgen van deze blog nog niet wist: ik ben feministe. Ik houd de waardigheid, gelijkwaardigheid en vrijheid van vrouwen hoog in mijn vaandel. Ik kan woest worden van de verhalen over aangerande vrouwen, over vrouwen die uitgemaakt worden voor ‘hoer!’ omdat ze niet bedekt zijn, over vrouwen van wie vier Olympische medailles vergeten worden maar een man die er twee wint gefeliciteerd wordt.

Maar ik word even woest van een stelletje agenten die een vrouw verplichten zich uit te kleden in het openbaar. In elke andere context noemen we dat aanranding. Maar omdat ze moslima is, en omdat we snel in een wet gegoten hebben dat een hele bevolkingsgroep zich anders moet gaan kleden dan ze voorheen deden, verdient ze het?
Tropische temperaturen of niet, vanmorgen kreeg ik het ijskoud bij zien van de beelden.

De jaren dertig zijn inderdaad terug van weggeweest.

 

Spiegels en scherven

If you bring forth what is within you, what you bring forth will save you.
If you do not bring forth what is within you, what you do not bring forth will destroy you.

Lichtkristal_020

Ik hoorde dit citaat uit het Evangelie van Thomas voor het eerst uit de mond van Elaine Pagels, autoriteit op het vlak van de Nag-Hammadi geschriften en apocriefe, gnostische evangeliën. Een dame die weet waar ze over praat, kortom.
Wat een waarheid, wat een krachtig beeld. De woorden zijn duizenden jaren oud, maar ze roepen Jung op, Jeckyll en Hyde, en nog zoveel meer.

Laten stromen wat er zich in ons bevindt, is vaak ronduit beangstigend. We tonen ons naakt en kwetsbaar als we dat doen. En het gaat niet alleen over wat velen ‘mooie’ kwaliteiten vinden; ook pijn, verdriet of andere aspecten van onszelf waar we doorgaans liever niet te lang naar kijken, moeten vrij kunnen stromen op het moment dat ze zich aandienen. In de verlossing die dat meebrengt, worden eerlijkheid en waardigheid geboren.

Maar doe het niet, krop het op, steek het weg, en het gaat gisten in het duister. We bezondigen ons daar op zeker moment allemaal aan. We krijgen het vaak zelfs aangeleerd als kind: ‘Zo mag je je niet voelen!’ ‘Dat mag je niet denken!’ Iets wordt als ongewenst veroordeeld en omdat we streven naar de liefde en de goedkeuring van onze omgeving, verdwijnt dat ongewenste in het diepe duister van een rugzak die we ons voornemen nooit meer open te doen.

We hebben de naïeve hoop dat wat we wegbergen uit het zicht gewoon vanzelf verdwijnt. Maar dat doet het niet. Het wordt alleen maar sterker, als een stuwmeer dat langzaam tot de rand gevuld raakt omdat er nooit water uit weg mag. Aan de andere kant van de dam leven we alsof er niets aan de hand is. Tot de dam breekt – en dat doet hij uiteindelijk altijd – en de gevolgen desastreus en vernietigend zijn, voor onszelf en vaak in een moeite door voor onze omgeving of onze relatie daarmee.

Al te vaak zijn we ons niet bewust van de dingen die we onderdrukken en achter de dam hebben weggestopt. Daar dient hij immers voor: om te ontkennen en te vergeten. En op het moment dat hij breekt, zijn we vaak even geschrokken als onze omgeving.
De enige oplossing om te vermijden dat ‘wat je niet naar buiten brengt, je vernietigt’, is je ervan bewust worden. Als je beseft dat je kwaad bent, kun je die kwaadheid een plaats geven, in plaats van ze op te kroppen tot je uiteindelijk agressief wordt. Maar hoe doe je dat? En vooral: hoe word je je bewust van de dingen waarvan je je lang juist niet bewust wilde zijn? Want wie kwaadheid ooit in zijn rugzak stopte als een ongewenste emotie, wil daar uit oprechte angst doorgaans niet aan herinnerd worden.

Die vraag heeft honderd antwoorden, maar er is er één optie die ik hier graag wil aanstippen, omdat ze zo direct toepasbaar is, en ons honderd keer per dag wordt aangereikt: let op wat je voelt bij wat anderen doen. Want wat we voelen als we de daden van iemand anders gadeslaan, heeft weinig of niets te maken met de ander, en alles met onszelf.

Lichtkristal_019.JPG

Of het nu om een verwerpelijke daad gaat of een gebaar van warmte en schoonheid, de mate waarop je daar emotioneel op reageert, is een graadmeter van hoe je zelf in elkaar zit. En doorgaans luidt de regel: wat resoneert met iets in jou, zal je harder raken dan wat niet resoneert met iets in jou.

Het is een van de meest waardevolle lessen die ik ooit leerde: als je kwaad wordt op een ander, kijk naar jezelf. Wat precies in zijn of haar gedrag strijkt je zo tegen de haren in? Bijna altijd moest ik dan, met het schaamrood op de wangen, toegeven dat wat mij de balken in joeg gedrag was dat ik eigenlijk zelf ook stelde (of wilde stellen), maar dat ik van mezelf niet goedkeurde en dan maar in mijn rugzak of achter mijn dam had geparkeerd. Als anderen dat naar mij toe spiegelden, door dingen te doen die mij daaraan herinnerden, werd ik kwaad op hen. Anderen de schuld geven is toch zo veel makkelijker dan toegeven dat je zelf in de knoop zit en daar vervolgens wat aan doen.

 

Aan dit alles moet ik denken nu er geruchten circuleren dat de schutter in Orlando al drie jaar de homoclub frequenteerde waar hij vijftig mensen doodschoot, en een profiel had op een sociaal-netwerksite voor homo’s. Het is nog te vroeg om te weten of die geruchten kloppen, maar het zou mij echt niet verbazen als het zo was. Rabiate homohaters blijken wel vaker zelf homo te zijn maar niet om te kunnen met dat feit. De spiegel die hen voorgehouden wordt, kunnen ze niet verdragen, en eerder dan aan oprechte soul searching te doen, verketteren ze degene die hem voorhoudt.

If you do not bring forth what is within you, what you do not bring forth will destroy you.  En anderen erbij…

Het internet stroomt na Orlando weer over van boodschappen als ‘de liefde moet overwinnen’. Ik heb eigenlijk zin om te antwoorden: als je wil dat de liefde overwint, ga dan voor de spiegel staan en begin met te houden van wat je dáár ziet. Als we dat oprecht proberen, zullen we minder nood hebben om spiegels in te slaan en onschuldigen te verwonden met de scherven.

Lichtkristal_002.JPG

“Waarom bent u maar leerkracht geworden, meneer?”

We hanteren dubbele standaarden over mannen en vrouwen in werk en gezin, stelt feministe Anne-Marie Slaughter. We beschouwen zorg nog altijd als iets ‘vrouwelijks’ en werk als ‘mannelijk’. Bovendien parkeren we zorg aan de zijlijn als minderwaardig aan werk. Onterecht.

De Amerikaanse decaan internationaal recht Anne-Marie Slaughter had een topfunctie onder toenmalig Secretary of State Hillary Clinton. Maar voor die job was ze telkens een hele week van huis. Haar echtgenoot was een toegewijde vader maar hun zoons zaten in een woelige puberteit, en Slaughter voelde dat er twee ouders nodig waren. Bovendien wilde ze de laatste jaren van haar jongens thuis niet zomaar missen. Dus sloeg ze het promotieaanbod voor nog twee jaar Washington af en keerde terug naar haar full-time baan als professor. Ze schreef columns over buitenlandpolitiek, gaf bijna wekelijks lezingen en werkte aan een nieuw boek. “Het enige wat ik gedaan had, was een heel drukke baan met onflexibele uren ruilen voor een heel drukke baan waarin ik zelf mijn uren beter kon bepalen, zodat ik wat meer tijd met mijn gezin kon doorbrengen”, schrijft ze in haar boek Unfinished business. “Maar plotseling werd er over mij gepraat met termen die we gewoonlijk gebruiken voor studenten die niet slagen voor hun examens.” In de wandelgangen en op publieke fora vielen frases als ‘het niet aankunnen’ en ‘jammer dat je die job moest opgeven voor je kinderen’.

IMG_0353

Slaughter, een feministe die altijd aan haar studenten had verkondigd dat vrouwen net als mannen ‘alles konden hebben’ als ze maar hard genoeg werkten, kwam rijker uit de confronterende ervaring en ging nadenken over de dubbele standaarden die we hanteren over mannen en vrouwen, werk en gezin. Ze is een begoede en ambitieuze carrièrevrouw en dus niet meteen de doorsnee werkende moeder. Ook de Amerikaanse waardenschaal is (goddank) de Europese niet. Ondanks dat alles biedt Unfinished business veel stof tot nadenken.

Tweederangswerk

Honderd jaar feminisme ten spijt bepaalt het diep ingesleten denkbeeld dat zorg een vrouwenzaak is onbewust nog vaak onze opvattingen en beslissingen. Aan jonge mannen vragen we zelden hoe het staat met hun kinderwens. Vrouwen worden stelselmatig benadeeld bij promoties of sollicitaties. Als een van beide partners in een gezin halftijds gaat werken, is dat bijna in regel de vrouw. Vrouwen die wel voltijds werken, staan daarnaast in veel gevallen ook nog in voor het leeuwendeel van het huishouden en de opvoeding. Er is genoeg onderzoek naar gebeurd, we kennen de feiten. De vraag is waarom het zo moeilijk blijft om daar verandering in te brengen.

Een van de mogelijke verklaringen heeft te maken met de misvatting dat zorg op een of andere manier minder waard is dan betaald werk. Vrouwen waren eeuwenlang tweederangsburgers. Hun arbeid was per definitie tweederangswerk of werd niet eens als werk beschouwd. De 18e-eeuwse econoom Adam Smith vond het zelfs het vernoemen niet waard in zijn Wealth of Nations, het boek dat de grondslag zou vormen voor de moderne opvattingen over economie. Zorg was er gewoon, binnenskamers en van geen tel. Buitenshuis stampten mannen de échte economie wel uit de grond.

Mannen die willen thuisblijven
voor de kinderen worden vaak
bijna even scheef bekeken als de
vrouwen die destijds voor het eerst
‘mannenjobs’ gingen doen

In haar scherpe pamflet Je houdt het niet voor mogelijk ontmaskert Katrine Marçal het ideaalbeeld van de ‘economische mens’ als een fabeltje. Niemand, man noch vrouw, staat immers los van elke context, neemt alleen maar rationele beslissingen en is op elk moment louter uit op eigenbelang. Nochtans is dat wat veel economen beweren en tot op de dag van vandaag proberen we het echte leven tevergeefs in dat model te wringen. En laten de waarden die voor de ‘economische mens’ ballast zijn (liefde, verbondenheid, zorg, altruïsme) nu juist het stempel ‘vrouwelijk’ – en dus tweederangs – gekregen hebben…

We vinden die mentaliteit ook terug in de systematische onderwaardering van zorgende beroepen. Uitspraken als ‘Waarom bent u maar leerkracht geworden, meneer?’ illustreren dat we als samenleving zorg en opleiding minder hoog achten dan een carrière waarin harde economische targets gehaald worden. We onderschatten daarbij niet alleen hoe intensief zorgen voor anderen is en hoeveel competenties het vereist (vraag dat aan elke ouder, leerkracht of verpleegkundige), we miskennen ook het fundamentele belang van menselijke relaties.

Tegeltjeswijsheid

De misvatting dat zorg minder waard is dan werk vergiftigt niet alleen het evenwicht tussen werk en gezin en tussen zorgende en competitieve jobs, het zadelt ons ook op met een fundamenteel fout beeld van mens en samenleving. In tegenstelling tot wat er op menig hoofdkwartier of kabinet gepredikt wordt, zijn zorg voor en verbondenheid met andere mensen minstens zo belangrijk als een succesvolle en goed betaalde job in een ‘harde’ sector, voor onszelf én voor de samenleving.

De misvatting dat zorg minder
waard is dan werk zadelt ons op
met een fout beeld van
mens en samenleving

Een studie die al 75(!) jaar de levensloop van een grote groep Amerikanen opvolgt, kwam tot de heldere conclusie dat wie veilige, hechte relaties kon opbouwen met familie, vrienden en leefgemeenschap, zich gelukkiger voelde en langer fysiek en mentaal gezond bleef. Geen enkele andere factor had diezelfde beslissende invloed.
Zonder mensen die instaan voor liefdevolle en kwalitatieve opvoeding en opleiding, komt er bovendien geen nieuwe generatie beslagen volwassenen die een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan arbeidsmarkt en samenleving. Een maatschappij die het belang van zorg en opvoeding ontkent, zaagt dus zo’n beetje de tak af waarop ze zit.

IMG_0347

En eigenlijk wéten we dat allemaal wel. ‘Geld maakt niet gelukkig’ is meer dan tegeltjeswijsheid, en mensen die op het einde van hun leven het gevoel hebben dat ze kansen misten, hebben meestal spijt dat ze te veel werkten en te weinig tijd met hun geliefden doorbrachten, en niet andersom. Maar investeren in levenslange relaties is een langzaam en grillig proces. Opvoeding en zorg werpen soms pas veel later vruchten af, in tegenstelling tot de concrete en meetbare uitkomsten van een afgerond project of een gehaalde deadline.

Papa doet het anders

De conclusie van Slaughter dat we als samenleving zorg en zorgende beroepen beter moeten waarderen, leidde bij haar ook tot het inzicht dat we niet alleen vrouwen op een gelijkwaardige manier toegang moeten geven tot de arbeidsmarkt, maar ook mannen tot de zorg. Dat lukt alleen als het stigma verdwijnt. Mannen die een zorgberoep willen uitoefenen of willen thuisblijven voor de kinderen worden nu immers nog vaak bijna even scheef bekeken als de vrouwen die destijds voor het eerst ‘mannenjobs’ gingen doen.
En vrouwen, vervolgt Slaughter fijntjes, moeten ook hun controle over dat domein wat willen lossen. We moeten er tegen kunnen dat papa’s aanpak van het huishouden verschilt van die van mama. Als vrouwen het ‘expertschap’ van zorg en huishouden naar zich toe blijven trekken, ongeveer zoals mannen eeuwenlang het alleenrecht op een carrière naar zich hebben toegetrokken, verandert er uiteindelijk weinig.

Gelijk oversteken dus, in dialoog en wederzijds respect voor elkaars persoonlijke sterktes en zwaktes. Bouwen aan een warme ‘samen-leving’ is per definitie een werk van iedereen.

 

Dit artikel verscheen in De Bond van 1 april 2016