Zelf een Zaailing opsturen?

Dat kan!

Dat het tijd werd voor een nieuw creatief opstootje, dacht het Zaailing-duo zo…

Dus terwijl we samen aan het ontwerp zaten van de vijftien posters voor BXL Dorado en Mokafé, maakten we in één moeite door werk van iets waar mensen ons al maanden om vroegen: een reeks Zaailing-postkaarten.

 

Zaailing kaart_004 ed cut

 

En al zeggen we het zelf: ze zijn MOOI.

Met het beeld op de buitenkant, en de bijhorende tekst binnenin. Om rustig te lezen en lang naar te blijven kijken. Om eens iets poëtischers te kunnen opsturen aan mensen die je graag ziet dan ‘word snel beter’, ‘innige deelneming’ of ‘ik zie je graag’.

 

Zaailing kaart_038 ed cut klein

 

Standaard postkaartformaat, stevige kwaliteit, matglanzend

Prijs

2 euro per individuele kaart
9 euro voor de reeks van vijf (2 liggend, 3 rechtopstaand)

Bestellen

Doe je per mail.
Woon je in de buurt, dan kan je ze komen ophalen. Mits een kleine portkost sturen we ze op.

Meer informatie

Of op zoek naar ideeën of verzoekjes? Alle tot nu toe losgelaten Zaailingen vind je hier.

 

Zaailing kaart_024 ed cut klein

 

 


 

ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde
en tekenaar Jurgen Walschot.

Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden,
hij tekent bij de tekst.

stempel_negatief

Advertenties

Het schisma van Boekenland

Zelfs als journalist dacht ik: wat een lelijke titel. Als schrijver gingen mijn tenen er helemaal van krullen.

De Win For Life Boekenclub, kopte Het Nieuwsblad boven een stuk over de subsidies die het Vlaams Fonds voor de Letteren – volgens sommigen – onterecht aan een reeks telkens terugkerende namen in het boekenvak uitkeert. De schrijvers die volgens de commissies op basis van hoogstaand kwalitatief werk in aanmerking komen voor een duwtje in de rug worden in dit ‘dossier’ te kijk gezet als zakkenvullers en profiteurs. Niet met zoveel woorden, maar de ondertoon van het stuk is duidelijk.

 

Roularta_359 klein
(c) KV

 

Ik durf met mijn achtergrond van tien jaar VAV-bestuur zeggen: het Vlaams Fonds voor de Letteren levert goed en transparant werk. Het is hun job om het soort literatuur dat het op de commerciële markt zeer moeilijk heeft maar wel kwalitatief bijzonder waardevol is, een duwtje in de rug te geven, omdat er anders veel kans is dat het er gewoon niet zou zijn. De commissies werken transparant, wie daarin zetelt wordt regelmatig vervangen, alle verslagen zijn in te kijken, een beroepsprocedure is mogelijk.

Het moet wel gezegd: op dat vlak is er ook wel een en ander veranderd in vergelijking met de beginjaren van het Fonds, toen die commissies en hun beoordelingen vaak minder transparant waren. In die periode zijn auteurs soms op behoorlijk botte wijze wandelen gestuurd, en niet altijd om duidelijke redenen. Die tijden zijn gelukkig voorbij. Het was een van de speerpunten tijdens de beginjaren van VAV om die Fonds-commissies evenwichtiger samengesteld te krijgen, met ook telkens een auteur erin (niet in het genre dat hij jureert), en de verslagen transparanter. Het Fonds heeft zich daarin zeer bereidwillig getoond, en een aantal dingen zijn ten goede veranderd.

Het klopt dat de Pieter Aspes van deze wereld niet hoeven te proberen subsidies aan te vragen, nog los van de vraag naar literaire kwaliteit boert hun werk zo al meer dan goed genoeg. Want een subsidie is een financieel duwtje in de rug voor wie anders gewoon kopje onder gaat. En schrijvers die meer verdienden dan het vooraf vastgelegde plafond van een goeie 40.000 euro per jaar, komen simpelweg niet in aanmerking.
40.000 euro mag dan klinken als veel in één hap, en het worden nog veel grotere bedragen als je een aantal jaren bij elkaar optelt. Lekker veel stemmingmakerij, zoiets. Maar een werkbeurs is geen maandloon, laat staan een riant inkomen. Wie alleen daarvan moet rondkomen, en geen andere opdrachten aanneemt, flirt met de armoedegrens. En in die 40.000 euro inkomsten per jaar zijn zowel beurs, als boekverkoop, als opbrengsten van lezingen gerekend.

Er zijn stemmen in het debat die zeggen dat subsidies een curieus systeem zijn en dat schrijvers naast hun schrijven gewoon ander werk moeten nemen om genoeg geld te verdienen. Sommige schrijvers lukt dat wellicht, maar velen veroordeel je op die manier tot eeuwig zwijgen. Want vaak vraagt schrijven een zekere vorm van rust en ruimte. Om je research grondig te doen. Om je gedachten helder te kunnen ordenen. Om die vervolgens in een secure opbouw te kunnen gieten. Dat lukt veel schrijvers niet als ze daarnaast te pas en te onpas dat proces op pauze moeten zetten om hun energie te gaan steken in ander werk, op tijdstippen waarover niet te onderhandelen valt, voor werkgevers of klanten die óók van hen verlangen dat ze maximaal presteren. En dan hebben we het nog niet over een gezin, kinderen, familiale zorgen, maatschappelijke verplichtingen. Een mens heeft maar zoveel fysieke en mentale bandbreedte op een dag. Er zullen uitzonderingen zijn, akkoord, maar moet dit werkelijk een survival of the fittest worden waarin alleen de mentaal en fysiek ijzersterke kunstenaars werk mogen produceren (en dat overleven)?

(Ja, natuurlijk hebben ook niet-schrijvers met een reguliere job te kampen met dat laatste rijtje besognes en energievreters, maar mijn punt was, om het met een metafoor te zeggen: als een pottenbakker die om den brode ander werk moet doen nooit genoeg tijd heeft om met de klei te werken terwijl die vochtig is, of de uren krijgt die nodig zijn om hem af te bakken, dan komt er géén kunstwerk. Je kunt die oven niet even halverwege uitzetten en na je andere job weer aan. Creatie vraagt ruimte. Subsidie kan die in een aantal gevallen creëren.)

 

Roularta_344 klein
(c) KV

 

De stemmingmakerij van het stuk, dat schrijvers die subsidies krijgen zonder veel woorden omhult met een sfeer van profitariaat, is minstens even kwalijk. Alsof we met die subsidies op vakantie zouden gaan, zoals Tom Naegels op Facebook riposteerde… In zijn eigen woorden hier:

“Ik krijg momenteel zelf een subsidie, voor dat migratieboek, dus het steekt ook persoonlijk. Ik was tijdens het lezen aan het denken: gvd Pieter, heb jij ooit al eens een boek geschreven? Heb je enig fucking idee hoe hard ik aan het werken ben, veel harder dan ik als journalist ooit gedaan heb, en dan moet ik nog voortdurend op zoek naar extra opdrachten omdat de subsidie – wat ik perfect normaal vind – geen voltijds loon is. Ik krijg dat geld omdat mijn overheid democratisch heeft beslist dat ik dat mag aanvragen en een procedure heeft opgezet om ervoor te zorgen dat die toekenning fair verloopt. Ik krijg dat geld omdat ik een goed dossier heb ingediend. Ik verdien veel minder dan leeftijdsgenoten met een gelijkaardige opleiding. Mijn pensioen suckt, mijn ziekteverzekering moet ik zelf betalen, als ik een ongeval heb dat me maanden buiten strijd zou stellen dan zit ik dik in de shit. Dat is niet erg, want daar heb ik allemaal zelf voor gekozen. Maar kom me niet vertellen dat ik een Win for Life heb gewonnen. Alsof ik die duizend euro in de maand gewoon krijg, om mee op vakantie te gaan. Ik lever er iets voor in de plaats. Iets dat jij misschien niet apprecieert, maar de samenleving in zijn geheel blijkbaar wel.”

Maar met dat laatste woordje, samenleving, raakt hij een ander punt waar een heleboel mensen op hun achterste poten gaan staan. Want wat is dat, ‘de samenleving’? Wie bepaalt wat waardevol is? En waarom?

Als we terugkijken doorheen de geschiedenis, zien we de Grote Klassieken die de tand des tijds overleefd hebben. Shakespeare, Milton, Proust, Dostojevski, Homerus. Sommige van hen waren populair in hun tijd, andere niet. Net als vandaag. Maar dat is wel waar het schoentje voor veel schrijvers wringt, en dat begrijp ik heel goed: de definitie van ‘literaire kwaliteit’. Want het is op basis van die literaire kwaliteit, vastgesteld door een beoordelingscommissie, dat een schrijver van het Fonds al dan niet subsidies ontvangt. Kort door de bocht gesteld: wie die tegemoetkoming krijgt, schrijft volgens de commissie ‘goed genoeg’, de anderen niet.

Dat is pijnlijk. Iedere schrijver vindt van zichzelf dat hij goed werk levert. Als zijn boeken goed verkopen, ziet hij dat graag als een bevestiging. Maar het is natuurlijk niet omdat een boek populair is, dat het literair een meerwaarde biedt. Dat kan natuurlijk wel, sommige grote schrijvers of winnaars van literaire prijzen zijn bijna verzekerd van een goede verkoop. Anderen zijn dat echter veel minder. Mensen stellen zich enorme bedragen voor bij wat schrijvers verdienen, maar als je boek op 1.000 exemplaren wordt gedrukt, mag je al blij zijn. En als het 15 euro kost in de winkel, verdien jij daar als schrijver 1,5 euro aan. Je kunt zelf uitrekenen hoe rijk we daar van worden…

Het budget van het Vlaams Fonds voor de Letteren is een schijntje in vergelijking met het totale cultuurbudget (dat op zijn beurt ook weer peanuts is in vergelijking met de subsidies voor bijvoorbeeld de autosector of kernenergie). Met die beperkte middelen moet het Fonds keuzes maken. En de keuze die ze maakt, is om de commercieel meest kwetsbare en artistiek interessantste werken te steunen. Marktcorrigerend dus. En dat soort werk wordt door niet zo heel veel auteurs geschreven.

Voor iemand het vraagt: nee, ik krijg zelf geen werkbeurzen. En ik heb er ook nog nooit een aangevraagd, wegens altijd vast werk, waarvan lange tijd met een inkomen dat mij in het geval van zo’n beurs boven dat financieel plafond had laten uitkomen, en bovendien omdat ik vrij zeker ben dat mijn aanvraag ook om andere redenen geweigerd zou worden. Ik geloof niet dat wat ik schrijf de lat van de Hoge Literatuur zou passeren zoals de commissies van het Fonds die leggen. Ik heb daar jarenlang mee geworsteld. Soms doe ik dat nog. Maar ik maak werk waar ik blij van word, en dat volstaat.

Daarom begrijp ik dus wel de frustratie van collega’s die nooit in aanmerking kwamen voor een beurs. Want wie zijn die mensen wel, die zetelen in die commissies, en die zomaar mogen beslissen over hun lot en de kwaliteit van hun werk? Op basis waarvan?

Ook al zetelen er professionals in die commissies, en is er geen sprake van wat voor vriendjespolitiek dan ook, elke selectieprocedure is en blijft een selectieprocedure. En ook schrijvers die geen Hoge Literatuur produceren, willen op hun eigen manier naar waarde geschat worden. Voor hun engagement, hun liefde voor hun vak, hun verhalen, hun vaak financieel óók niet zo gemakkelijke situatie. Alleen horen zij keer op keer: jouw werk is niet voor de Canon, dus jij krijgt geen geld. Dat handvol ‘echte’ auteurs wel.

 

Roularta_341 klein
(c) KV

 

Dit is veel meer een emotionele kwestie dan een financiële, en bovendien een schisma dat het boekenland in tweeën splijt. En dat is bijzonder jammer, want we hebben elkaar allemaal nodig.

Want literaire auteurs, die moeten krabben om rond te komen en nauwelijks werk verkopen, kijken vaak met iets van afgunst naar collega’s die het wel goed doen op de commerciële markt. Als hun werk maar eens door zoveel mensen gelezen werd… Auteurs die het veel beter doen in de verkoopcijfers (hoewel ‘veel beter’ in het boekenvak nog altijd zeer relatief is, zie de cijfers hierboven), voelen dan weer het onrecht van weggezet te worden als schrijvers van tweederangsboeken.

Aan het gebrek aan budget kan het Vlaamse Fonds niet veel veranderen. De keuzes die het maakt met dat budget, vind ik persoonlijk ook de juiste. Maar aan het emotionele luik van de discussie kan het Fonds wél nog een belangrijke bijdrage leveren.

In een antwoord aan een misnoegde collega-schrijver, die het artikel uit het Nieuwsblad deelde op sociale media (en voor wiens frustraties ik ook echt begrip heb), schreef ik onder meer: “Het Fonds zou schrijvers die ze niet subsidiëren misschien op andere manieren de hand kunnen reiken. Dat zou een mooi gebaar zijn, een teken van erkenning (dat nodig is!) en iets wat ik heel hard zou toejuichen. Want je hebt álles nodig in een gezond ecosysteem: van onkruid tot beukenbomen. Het is niet omdat je alleen de beukenbomen kunt en wilt subsidiëren dat je moet doen alsof de rest van het bos niet bestaat.”

Dat van dat ecosysteem, dat is een geliefde metafoor van mij, en ik vind die ook zeer correct. Maar een tijdje later bedacht ik plots: eigenlijk is er wél al een facet van het boekenvak waar het Fonds precies doet wat ik hier aanhaalde (alle auteurs democratisch ondersteunen en vooruit helpen), namelijk de gesubsidieerde auteurslezingen. Bij de toekenning daarvan wordt op geen enkele manier de literaire waarde van een werk gewogen. Daar gaat het om leesbevordering, om zoveel mogelijk schrijvers, van álle pluimage, het wat makkelijker te maken een publiek te bereiken door de financiële drempel van een lezing voor scholen, bibliotheken, organisaties en leesclubs wat te verlagen.

Ook dat is ooit anders geweest. In de tijd van Stichting Lezen was het hemeltergend ontransparant wie er op die lezingenlijst mocht staan en wie niet. Ook daar was literaire kwaliteit het argument, en niet leesbevordering (wat voor auteurslezingen een bijzonder vreemde redenering was). Het Fonds heeft daar kordaat het stuur omgegooid toen het het lezingensysteem overnam van SL, en we zijn er allemaal beter van geworden.
Ik geloof ook niet dat er één schrijver is die wil dat er aan dat lezingenbudget zou geknabbeld worden om zo meer werkbeurzen uit te keren…

Het Fonds kan wat mij betreft wel meer proberen te doen dan alleen het subsidiëren van lezingen om ook de schrijvers die ze geen werkbeurs willen of kunnen toekennen het gevoel te geven dat ze voor vol worden aanzien en naar waarde worden geschat. Niet onder de vorm van geld, want dat is er niet. Maar een aantal ontmoetingsmomenten of netwerkgelegenheden zouden bijvoorbeeld niet slecht zijn. Want die zijn er voor schrijvers vaak veel te weinig.
Precies daarom ontstaat voor de buitenwereld ook het beeld van een ‘clubje’ dat altijd voorgetrokken wordt. Die ‘Fonds-schrijvers’ kennen elkaar ook allemaal beter, precies omdat ze elkaar vaak tegen het lijf lopen op evenementen die het Fonds organiseert waarvoor zij wel en alle anderen niet uitgenodigd worden. Dat verstevigt alleen maar de percepties, verdiept de kloof, en verhardt het debat.

 

Roularta_386 klein
(c) KV

 

Ik hoop oprecht dat het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Auteursvereniging hier bruggen kunnen helpen bouwen tussen alle actoren van het literaire landschap, ook onder auteurs zelf. Ook schrijvers kunnen daar elk voor zich een steentje aan bijdragen, door uit onze bolwerken van misnoegdheid en ons grote gelijk te komen. We moeten samen de diversiteit van ons literair ecosysteem koesteren, versterken en waarderen. Want het is prachtig, en het ligt in deze weinig evidente tijden almaar harder onder vuur.

Who cares wie er uiteindelijk de geschiedenis ingaat? We hebben elkaar gewoon allemaal nodig. Want zonder de kruid- en struiklaag zouden er ook geen beukenbomen zijn.

 

 

Oude angst op de rand van een nieuw avontuur

Stroomversnellingen, deel #2

(Deel #1 lees je hier.)

Ik sta op de rand van een avontuur. Of juister: Jurgen en ik staan op de rand van een avontuur.
Want de kogel is door de kerk: dit najaar verschijnt Stroom.

Deze graphic novel groeide spontaan uit een van onze vroege Zaailingen met dezelfde titel. Of misschien is de term graphic novelle beter op zijn plaats: het kleinood telt amper vijftig pagina’s. Zoals altijd verkennen we de schemerzone tussen genres. In een wereld van duidelijk gecategoriseerde boekenplanken en uitgevers die koortsachtig mikken op het snelle succes van platgetreden paden, zijn kruispunten de plekken waar wij ons steevast het meest thuis voelen.

 

Page18 klein
Alle beelden in deze blog komen uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

 

Waar zouden we terechtkomen met Stroom, vroeg ik me maanden geleden af, toen we het manuscript een rondje uitgevers lieten doen: in de A-klasse van de literaire wereld, of bij de B-ploeg van de verbeten idealisten die hun werk zelf uitbrengen op een handvol exemplaren omdat ze het uit commerciële redenen telkens weer afgewimpeld zagen? Blijkt dat er ook tussen die twee parcours snijvlakken bestaan, en dus: kruispunten.

De kleine uitgeverij van de Stripgilde, waar Stroom met open armen ontvangen is, kan strikt gesproken niet volledig tot de A-klasse gerekend worden, maar de B-ploeg zijn we bij deze mijlenver voorbij. Kwalitatieve druk, professionele verdeling naar winkels en bibliotheken in Vlaanderen en Nederland, aanwezigheid op beurzen en evenementen, deftige promotie en administratieve omkadering. Alles wat een professionele uitgeverij moet bieden. Alleen: de auteur staat zelf in voor de drukkosten.

Ik weet dankzij mijn jaren aan de bestuurstafel van de Vlaamse Auteursvereniging genoeg over de ‘cowboys’ van het uitgeefvak die in dezelfde schemerzone opereren en goedgelovige schrijvers nogal eens opzadelen met contracten waar ze op termijn veel nadeel bij hebben. Maar de werkwijze van de Stripgilde pleit voor hun ethiek en correctheid in het voordeel van de auteur, en op een aantal vlakken is deze manier van uitgeven voor ons een soort combinatie van het beste van twee werelden. We hebben de vrijheid om helemaal onze zin te doen, op voorwaarde dat we geen dwaze risico’s nemen (maar projecten waarmee een auteur zichzelf zo goed als zeker een financiële kater bezorgt, weigert de Stripgilde sowieso pertinent), we krijgen professionele omkadering en het boek wordt verdeeld op veel meer verkoopplekken dan we met een uitgave in eigen beheer zelf ooit zouden kunnen bereiken.

Stroom is een project waar ik met hart en ziel in geloof. Ik heb het zien rijpen, en nu is het klaar om de wereld in te gaan en uit te vliegen. Dus dit voelt echt wel als een tweede rondje stroomversnellingen… !

Tot een paar dagen geleden, toen de offerte van de drukker kwam. Die was ongeveer wat ons op voorhand voorspeld was. Het bedrag was billijk, en goed betaalbaar. En toch blokkeerde ik.

Het was een oude, moeilijk te benoemen angst, met diepe wortels in de geschiedenis van mijn familie.
Maar er was ook de ongerustheid om Jurgen mee te slepen in dit onzekere avontuur (zelfs al was dit van bij het prille begin een 50/50-onderneming, en hadden de bedragen hem geen seconde laten steigeren).

Er was gewoon geen reden om nu plots zo bang te zijn. Maar toch zat ik vast, en ik voelde de oude echo’s van eerdere, eindeloze vormen van investeren (manuscripten rondsturen, herschrijven, proberen te behagen, hopen op een wonder) en er niets voor terugkrijgen. Of, beter: er een karrenvracht teleurstelling en weigering voor terugkrijgen.

Heel het afgelopen jaar, en bij uitstek de laatste maanden, had ik gesurft op een flow van vertrouwen en positieve vooruitzichten. Ik was gevoed door de diepe creatieve verbondenheid. Ik stond meer in mijn kracht dan ik ooit van mijn leven gedaan had. Maar nu had de angst mij plots ingehaald.

Wat als?

Wat als het boek via de officiële distributiekanalen niet verkocht zoals het hoorde? Wat als het te buitenissig was? Kruispunten zijn interessante plekken, maar niemand wil er echt wonen, of wel?
Wat als wij, van onze kant, het aantal exemplaren dat we aan vrienden en familie konden verkopen overschatten?
Kortom: wat als we hier onze broek aan scheurden?
Wat als we binnen twee jaar nog opgescheept zaten met een stapel dozen vol boekjes die niemand wilde kopen?

Het waren niet allemaal mijn angsten, hierboven. Zo gauw ik Jurgen er iets van zei, gooide hij de zijne erbij. Ik heb het al vaker gezegd: we zijn een sterk team… 😉

Gelukkig zijn we niet ongerust over dezelfde dingen. In die zin compenseren we elkaar en helpen we elkaar helderder te zien. Want eigenlijk zijn deze oprispingen van oude angsten heel interessant. Het was een waardevolle ervaring om herinnerd te worden aan een paar van die oude pijnpunten, toen ze hun lelijke kopjes vertoonden. Maar we mogen ons in geen geval door ze laten tegenhouden.

 

Page3 cut1 N klein

 

Het gevoel dat nu bij mij overheerst, is: ik wil niet meer bang zijn.

Ik heb de afgelopen twee jaar zóveel bijgeleerd . Over scheppend bezig zijn. Over verbondenheid. Over wat ervoor zorgt dat ik me goed voel en dat dingen vooruit gaan, en wat niet.

Door zo nauw samen te werken met iemand die mij creatief telkens weer aanvult en voortstuwt, heb ik geleerd wat het is om op de ‘juiste plaats’ te zijn: de plek waar je echt wil zijn, omdat het er zo goed voelt. Door die samenwerking, die connectie en de kracht die daaruit voortkomt, merk ik zelfs dat ik een betere versie van mijzelf word. Ik durf meer. Ik kom op voor onze belangen en ons gezamenlijk werk op een manier waar ik nooit in slaagde voor mijn eigen projecten. Ik begin te geloven dat het effectief voldoende is om mezelf te zijn, en dat ik er mag zijn, gewoon zoals ik ben – ongeacht reacties.

Stroom is prachtig. Het is zo mooi dat het bijna onwerelds is. Of de wereld er klaar voor is, daar hebben we het raden naar. Maar dat doet er in feite niet toe. We gaan het laten geboren worden. Om wat het is, om zichzelf.

Dat gevoel is sterk, en het is juist.

 

Stroom cover 1 voor klein

 

Wat precies aan die offerte een oud angstpatroon wakker riep bij mij, weet ik niet. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat de dingen nu wel heel concreet worden, en dat betekent ook: met concrete financiële impact.

Ik mag mij gelukkig prijzen dat geld geen kwestie is waar ik ’s nachts van wakker lig, en in praktische zin was die offerte van de drukker dan ook geen enkel probleem. Maar geld is wel een fantastische metafoor.

Het staat voor mij zowel voor veilig zijn, het comfortabel hebben en het waard zijn om daarvan te mogen genieten. Dat zijn geen lukrake gevoelens. In mijn familie zijn financiën al generaties lang een stresserende kwestie. Er is veel geld verdiend, maar ook veel (onrechtvaardig) verloren, er was verspilzucht, zuinigheid en angst voor tekort. Een stuk daarvan echoot voort in mij. Ik tel zeker niet elke cent, maar ik ga ook niet zo relaxed om met geld als ik zou willen. Het voelt bijna alsof ik vind dat ik het niet verdien om het te hebben. Dat zegt, de metafoor indachtig, wel wat over mijn eigenwaarde…

En daar was mama, met haar Oude Wijsheid.
Laat die angst geen greep op je krijgen, zei ze. Zet de nodige stappen om ze onder ogen te zien en weg te werken. En vooral: zoek houvast bij een ander gevoel. Focus op het gevoel van overvloed dat je hebt in deze samenwerking. Die flow is zo krachtig en voedend, daar is geen sprake van tekort of iets niet waard zijn. Daar is alleen verbondenheid en creativiteit. En kracht.
Ze heeft overschot van gelijk. En dat gevoel is binnen handbereik, een gloeiend baken vanbinnen. Vanuit dát gevoel moet ik mijn beslissingen nemen. Met dát gevoel als brandstof moet ik mensen benaderen als ik het over ons werk wil hebben. En dat heb ik tot nu toe eigenlijk altijd gedaan. Vanuit precies dat gevoel heb ik de sollicitatiebrief voor Zweden geschreven…

 

Page19 cut 1 N klein

 

Ik wil niet meer bang zijn, schreef ik Jurgen in een mail waarop een groot deel van deze blog gebaseerd is. Ik wil dit avontuur voortzetten zoals we het begonnen zijn: vanuit vertrouwen, in onszelf, in elkaar, en in de thermiek die ons draagt.

Ik kan ons zien staan, samen, bovenop een of andere klif, zoals op een cover die hij ooit ontwierp. Ik kan ons naar elkaar zien glimlachen met een blik vol verstandhouding en vertrouwen. En ik zie ons springen.

Dan is er alleen nog het gevoel van brede vleugels, die opengaan…

Rug aan rug

De kleur van de Janusdagen

 

J&A SGR_062 klein
(c) KV

 

De feestdagen zijn al even voorbij, en vanavond is de schoolvakantie dat ook. Terug naar het dagelijks leven, back to normal, met een heel jaar dat zich lang en breed voor ons uitstrekt.

Ik heb wel het gevoel dat ik het oude jaar nog niet helemaal heb afgelegd. Het beeld dat ik heb van de afgelopen weken (de laatste twee voor Nieuwjaar, de eerste twee erna) is dat van Janus, de god met de twee gezichten die waakt over bruggen en doorgangen. Een van zijn gezichten kijkt vooruit, het andere kijkt achterom.

De jaren staan rug aan rug, en wij bevinden ons pal in het midden, op de spil tussen de twee.

Er is een excentrieke astroloog die zich Kaypacha noemt, een gekke oude hippie-vogel naar wiens praatje ik graag luister omdat hij vaak wijze dingen te vertellen heeft. 2017 noemde hij ‘het jaar van het Einde van Illusies’. Oude patronen, zowel op persoonlijk vlak als in de samenleving, kwamen duidelijker dan ooit aan de oppervlakte. Oude wonden en gewoonten vielen niet meer te verbergen… Sommige daarvan hebben we aan den lijve ervaren, andere speelden zich verder van ons eigen bed af. Maar de verschuivingen op geopolitiek en ecologisch vlak zorgden alvast voor een heleboel opwaaiend stof, en sommige stemmen die er al veel te lang het zwijgen toe hadden gedaan (#Metoo, iemand?), lieten luid en duidelijk van zich horen, en zijn niet van plan om zich nog te laten muilkorven.
Tezelfdertijd werden onze innerlijke kracht en onze persoonlijke waarheden ook naar de openbaarheid gedreven, zodat wij zelf noch de wereld ze nog langer konden negeren, of we daar nu echt klaar voor waren of niet. We kregen een aantal onzachte confrontaties en schokken te verwerken, met onszelf en met onze omgeving. Maar we ontdekten ook, soms heel onverwacht, kracht en schoonheid die klaar waren om uit volle borst te zingen of het luchtruim te kiezen.

 

J&A SGR_045 ed klein
(c) KV

 

En wat heeft mijn astologische vogel te zeggen over 2018? Hou je vast: hij noemt het ‘het jaar van Alchemische Transformatie’, waarin alles wat we het voorgaande jaar in de steigers hebben gezet een concreter, duidelijker vorm aanneemt en op tastbare manieren in de materie wil worden gebracht. Zoals alle transformaties kan dat intens en soms zelfs beangstigend zijn, omdat een en ander werkelijkheid wordt. Misschien is het zelfs wat explosief nu en dan (ik krijg zo’n beeld van een stripfiguur die uit zijn laboratorium komt gezwalkt met een zwartgeblakerde tronie en zijn haar rechtop), maar het kan net zo goed enorm veel voldoening geven.

In mijn eigen leven zie ik daar behoorlijk veel van aan het werk. 2017 was inderdaad een jaar waarin ik een aantal diepgewortelde, oude angsten en patronen onder ogen moest zien, maar het was ook het jaar waarin ik op allerlei vlakken stopte mij te verbergen.
En voor 2018 zijn er al een aantal zeer concrete stappen gezet, of ze staan in de steigers.

Op de redactie waar ik werk, is het publicatieritme verlegd van tweewekelijks naar maandelijks, en de stukken die we schrijven, vragen een andere insteek (meer schermgericht en lezersgericht, minder diepgravend journalistiek). Dat is een omschakeling van formaat, en het is geen eenvoudige. Ik ben nog altijd bezig de concrete gevolgen ervan te verteren. Daarnaast is mijn werktijd, die tijdelijk was uitgebreid tot 3/5, opnieuw teruggebracht tot halftijds sinds begin dit jaar. Maar met de werkdagen op een slimme manier gegroepeerd levert dit mij een werkschema op dat me zowel duidelijke focus op het werk toestaat als goed omlijnde creatieve tijd thuis.

 

J&A SGR_046 ed klein.jpg
(c) KV

 

Ook op spiritueel, creatief en mijn-stem-laten-horen vlak zijn de dingen aan het bewegen. Later deze maand mag ik een heel fijne lezing geven over een van mijn boeken (in Nederland nog wel), we spelen een concert met de MooiE ManneN in februari, en ik plan vier SeizoensKringen in de loop van het jaar.

Jurgen en ik hebben het over concrete projecten, en we plannen zowel een reeks postkaarten als een eerste jaargang van Zaailingen in boekvorm. We werken ook al een tijdje parallel aan Zaailingen gebaseerd op foto’s in plaats van prenten of tekeningen, en we verkennen manieren om die in een uitgegeven vorm te gieten. We naderen een Nederlandstalige publicatie van de kleine graphic novel Stroom (voor een voorproefje, zie de beelden in deze blog). Er zit een samenwerking rond de installatie van een bevriende kunstenares in de pijplijn, er is een taverne die interesse heeft om ons werk aan de muur te hangen, er wordt luidop nagedacht over een webshop…

Ja, 2018 kondigt zichzelf aan als een jaar van praktisch werk, en in de meeste gevallen voelt dat beslist prima!

(Anderzijds is er natuurlijk ook de hal die dringend geschilderd moet, tuinwerk dat heel erg nodig wordt, het herinrichten van de kinderkamers, de strijk die zich in bergketens blijft opstapelen en nog veel meer van dat door en door praktisch werk waar ik niet bepaald dol op ben. Maar een mens kan niet alles hebben…)

Dus geniet ik van de kleur van deze laatste Janusdagen, ingeklemd tussen het oude jaar en het nieuwe. Ik blik terug op alles wat ik heb geleerd en ontdekt. En ik kijk uit naar alles wat op het punt staat uit te botten, open te bloeien en alchemisch te transformeren tot iets tastbaars en echts.

En als er iets is wat riskeert om spontaan te gaan ontbranden, zal ik ook wel even waarschuwen. 😉

 

J&A SGR_063 klein.JPG
(c) KV

Licht

De ogen van de bedelaarster aan de ingang van het station

Barcelona_029 ed cut
(c) KV – licht stroomt door de glasramen in de Sagrada Familia, Barcelona

Licht is altijd een bron van inspiratie voor mij.
Nee, schrap dat.

Licht is een fysieke ervaring, een zintuiglijk hoogtepunt dat me vervult met iets wat ik niet echt kan benoemen, en wat achteraf altijd weer geuit wil worden, de wereld in. Doorheen woorden, een lied, een emotie.
Gewoonlijk maakt licht mij gelukkig op de fijnste manier.
Soms, echter, stemt het mij droef.

Als ik naar het werk pendel, moet ik overstappen in Brussel-Noord. Mijn eindstation is wat de kinderen het station van dinomuseum noemen. Volwassenen kennen het als een van de stations het dichtst bij het Europees Parlement. Het dichtstbijzijnde metrostation, Maalbeek, was het doelwit van de terroristische aanslag vorig jaar.

Er wordt gewerkt aan dat specifieke spoor. Treinen naar Namen of Luik worden omgeleid op de lange afstand. Daarom stap ik al twee weken af in Brussel-Centraal, om vandaar te voet naar mijn kantoor te lopen, een wandeling van twintig minuten.
Dat is niet echt ver, maar (1) wel bergop, (2) mijn astmalongen zijn niet in topvorm en (3) de luchtkwaliteit van onze hoofdstad is de slechtste van het land. Maar ik vind overvolle bussen en metrostellen nog erger dan uitlaatgassen, dus loop ik toch.

Aan de uitgang waarlangs ik het station verlaat, zit een vrouw. Ze moet een jaar of vijftig zijn. Ze ziet er moe, verwaaid en triest uit. Ze bezet een hoek en houdt een beker vast. Elke voorbijganger begroet ze met dezelfde ‘Bonjour. Merci.’, een zielig, onophoudelijk deuntje terwijl de pendelaars langs haar heen stromen.
Ik werp met plezier een muntje in de openstaande vioolkist van een straatmuzikant, maar met bedelaars weet ik me geen raad. Het wordt moeilijk, na een tijd, om alle menselijke ellende die je ziet in de straten van de hoofdstad nog te verteren. Mijn hart is verscheurd, mijn verstand vertelt me dat ik onmogelijk al die mensen te eten kan geven, en soms deins ik gewoon terug voor hun miserie of hun vijandigheid. Ik voel me een lafaard, en ik ben er waarschijnlijk een, zoals ik me langs hen haast, en probeer hen niet aan te kijken.

Iets aan de vrouw bij de uitgang van Brussel-Centraal was anders. Of misschien was ik die ochtend anders. De roltrap bracht me naar boven en voor een moment waren we op dezelfde ooghoogte. Terwijl ik van de roltrap stapte en naar de uitgang liep, zei ze, zoals tegen iedereen: ‘Bonjour’. Ik glimlachte. ‘Bonjour.’

Het licht in haar ogen.

Ik geloof dat ze gelukkiger was met mijn simpele antwoord dan met wat voor som ik haar ook had toegestopt.
Voor een ogenblik waren we gewoon twee zielen die een oprechte ontmoeting hadden.

Ik heb haar sindsdien nog een aantal keer gezien, zittend op haar plekje waar ik de dag in stap.
Ze herkent me. We glimlachen en groeten elkaar.

Ik geef haar geen geld, maar wel iets anders, geloof ik.
Als de onderhoudswerken aan mijn treinverbinding achter de rug zijn en mijn pendelroutine zich hervat als vanouds, zal ik haar missen.

Bxl city_251 cut
(c) KV – Brussel, Europese wijk

De onhoudbare spagaat tussen wet en werkelijkheid

Twee maanden geleden regende het over de hele wereld bittere verontwaardiging naar aanleiding van de Panama Papers. Er waren al eerder schandalen waarbij klokkenluiders grote risico’s namen om oneerbare praktijken, vaak van financiële aard, aan het licht te brengen. Maar banken, advocatenkantoren en bedrijven hebben alleen verantwoording af te leggen aan de wet. En wat als die in hun voordeel speelt?

Anthony 19 _153.JPG

In populaire actiefilms is de slechterik vaak niet alleen machtig en megalomaan, maar ook moreel een groteske figuur. De held(in), opboksend vanuit een underdogpositie met het gelijk én de sympathie van het publiek aan zijn of haar kant, moet de booswicht ten val brengen en het recht laten zegevieren. Daarbij deert het niet dat er in the heat of the moment een auto gestolen wordt, zwijgplicht doorbroken, een uiterst geheime bedrijfscode gekraakt. We zitten nagelbijtend op het puntje van onze bioscoopstoel, vurig hopend dat de held(in) erin slaagt.

Als het licht in de cinema weer aan gaat, keren we terug naar de echte wereld. Ook daar heersen hebzucht en onrechtvaardigheid, en ook die willen veel mensen opgelost weten. Alleen gaat het er in de realiteit vaak heel anders aan toe dan in de film. Er zijn weinig Grote Slechteriken, om maar iets te zeggen. Het ‘kwaad’ in de wereld heeft vandaag veel meer te maken met de manier waarop complexe structuren functioneren op wereldschaal dan met de snode plannen van enkelingen.

 

Er mag wettelijk veel
meer dan we denken

 

Binnen deze grote, vaak internationale structuren (bedrijven, banken, lobbygroepen) werken dagelijks duizenden gewone mensen. Meestal is hun doel: zoveel mogelijk winst maken, binnen de wettelijk toegestane grenzen. Of de uitkomst van al die praktijken samen ethisch of rechtvaardig is, heeft vooral te maken met de wettelijke ruimte waarbinnen ze mogen opereren. En die is groot. Er mag wettelijk veel meer dan we denken.

 

Paradijselijk

‘Offshorebedrijf’ is in de publieke opinie zowat synoniem geworden voor ‘sjoemelbedrijf’, maar het is een perfect legale constructie, mits ze aan een aantal voorwaarden voldoet. Het geld dat je erin investeert, moet ‘wit’ zijn, de vennootschap die je opricht moet in de praktijk ook werkelijk functioneren en bestuurd worden in het buitenland, en de oprichter of belanghebbende moet alle inkomsten die het hem rechtstreeks oplevert aangeven aan de fiscus, zodat hij er in zijn thuisland belastingen op kan betalen. Maar zelfs als dat allemaal correct verloopt, blijft dé reden om geld te investeren in een offshorebedrijf dat zo’n onderneming belastingen moet betalen in het land waar het gevestigd is. En met hun tarieven doen belastingparadijzen hun paradijselijke naam alle eer aan. Die keuze van locatie is dus echt geen toeval.

In geval van de Panama Papers zal dossier per dossier moeten worden bekeken of de gefinancierde constructies bonafide zijn en de bedrijven échte bedrijven, dan wel lege dozen met stromannen die gebruikt worden voor belastingontduiking. Of daar ooit juridisch gevolg aan wordt gegeven, hangt af van veel factoren. Verjaring, bijvoorbeeld. Landen als het Centraal-Amerikaanse Panama houden de lippen stijf op elkaar als het aankomt op samenwerken met justitie. Binnen de termijn aan al het nodige juridische bewijsmateriaal komen, is vaak een hindernissenparcours. De fraudeur heeft ondertussen rustig de tijd om de bewuste offshore op te doeken, zijn sporen te wissen en in een ander belastingparadijs een nieuwe constructie op te zetten.

Op internationaal vlak raakt het geduld met belastingparadijzen evenwel op. In 2009 werd op een top van de twintig rijkste landen beslist om maatregelen te nemen. In tijden van terrorismebestrijding is het bankgeheim een hinderlijk obstakel voor het volgen van geldstromen en het opsporen van criminelen. Landen die vasthouden aan het bankgeheim worden sindsdien een na een gedwongen om toch werk te maken van transparantie (bijvoorbeeld door publiekelijk aan de schandpaal genageld te worden, zoals Panama nu).

Maar echt doorslaggevend is het allemaal nog niet. Terreurorganisatie IS kan tot op vandaag probleemloos haar oliegeld parkeren in belastingparadijzen. Ook dichter bij huis hebben we een slechte leerling. Luxemburg lijkt, zelfs na het LuxLeaksschandaal dat de grootschalige belastingdeals voor multinationals blootlegde, het geweer niet van schouder te willen veranderen. Integendeel, op dit moment is het wachten op de uitspraak in een proces tegen de klokkenluiders en de onderzoeksjournalist die de informatie hielp verspreiden. De klokkenluiders hangen celstraffen boven het hoofd, de onderzoeksjournalist riskeert een boete. Op 29 juni zullen we weten of zij veroordeeld worden.

 

Voetje lichten

Niet alleen het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten (ICIJ) is niet te spreken over deze gang van zaken, zelfs Margarathe Vestager, de Europees commissaris voor mededinging, betreurt de beslissing van Luxemburg om een dergelijk proces in te spannen. En het is ook moeilijk te geloven, laat staan uit te leggen aan verontwaardigde burgers: waar de uitwassen van de amorele graaicultuur van de financiële wereld – exorbitante bonussen, offshorebedrijven, belastingdeals voor de allerrijksten – vaak niet bestraft (kunnen) worden omdat ze wettelijk in orde zijn, hebben klokkenluiders en onderzoeksjournalisten door ‘vertrouwelijke bedrijfsinformatie’ hierover aan het licht te brengen wél strafbare feiten gepleegd. Alweer ziet het er dus naar uit dat de wet de ethiek een voetje licht.

 

Europa keurde pas een wetswijziging
goed die het nóg makkelijker
maakt om klokkenluiders en
onderzoeksjournalisten te vervolgen

 

En er lijkt niet snel beterschap op komst. De Europese Commissie keurde pas een wetswijziging goed die het nóg makkelijker zal maken om klokkenluiders en onderzoeksjournalisten te vervolgen. Geheime bedrijfsinformatie aan het licht brengen was al een strafbaar feit, nu wordt ook die informatie in je bezit hebben (zelfs als je er niet mee naar buiten komt) strafbaar. En het bedrijf kan zelf bepalen wat ‘vertrouwelijk’ is…

Het is naïef (en onjuist) om te denken dat alles opgelost is als we grote vermogens kaalplukken. Zoals de Leuvense emeritus hoogleraar fiscaal recht Frans Vanistendael onlangs stelde in een Vlaamse krant, vragen diepgaande besparingen en financiële hervormingen inspanningen van álle lagen van de bevolking. En de gewone man is daar volgens hem ook toe bereid, maar niet als de elite onder het mom van wettelijkheid ondertussen de dans ontspringt. Vanistendael pleit dan ook voor bewustwording hierover bij de grote vermogens. Hij spoort hen aan om niet te wachten tot de wet (of de volkswoede) hen ertoe verplicht om meer te gaan bijdragen, maar uit moreel principe zelf de eerste stap te zetten. Op die manier tonen ze dat de sterkste schouders oprecht bereid zijn de samenleving mee te helpen schragen.

Dát zou nog eens een happy end zijn.

Anthony 19 _164.JPG

Dit artikel verscheen in De Bond van 10 juni 2016