Goede voornemens

Een domme nieuwjaarsmop, oude pijn, en een les in zwemmen – of was het verzuipen?

 

Lascheid_077 klein
(c) KV – Verdampende sneeuw

 

Mijn kleine familie (ik, echtgenoot, zoon, zus, schoonbroer) trokken ons terug in een  huisje in de Oostkantons voor de oudejaarsperiode. De woning lag ingegraven tegen een helling, met een inkom die tegelijk traphal, keuken en voorraadkast was, een kleine eetkamer waar twee tegen de zijmuren geparkeerde sofa’s aangaven dat het meteen ook de woonkamer was, een badkamer die naar diesel rook en slaapkamers met papieren muren die elke kuch glashelder doorlieten. Maar dat gaf niet, we wisten op voorhand dat we geen driesterren-spa hadden geboekt. We waren er om te wandelen, uit te rusten, samen te eten en te drinken, en de verjaardag van mijn zusje te vieren eens het oude jaar het nieuwe werd.

Ik had beloofd dat ik zou schrijven over waarom mensen patronen herhaalden die hen pijn hebben gedaan, en daarbij soms zelf de nieuwe generatie daders werden. Ik begon aan deze blog in de laatste dagen van het oude jaar maar vroeg me af of dat wel een goed moment was. Zou ik het niet beter hebben over feestvieren en lange boswandelingen, in plaats van andermaal door de innerlijke modderpoel van mensen te gaan waden?

Maar misschien was dit wel het perfecte moment. Want bij het nieuwe jaar horen onvermijdelijk de goede voornemens, de beloftes van verbetering. En hoeveel daarvan slagen we er welbeschouwd in te houden?

Er is een domme feestdagenmop die als volgt gaat: ‘Je komt geen gewicht bij van al wat je eet tussen Kerstmis en Nieuwjaar. Je komt alleen gewicht bij van wat je eet tussen Nieuwjaar en Kerstmis.’

Haha. Maar dat is wel precies hoe het ook zit met goede voornemens. We zijn ervan overtuigd dat we ons lesje geleerd hebben en dat we het in de toekomst beter zullen doen. Maar voor we het weten, is er weer een jaar voorbij en wat hebben we daar nu eigenlijk van gemaakt? Er was zoveel dat we graag (niet meer) wilden doen, maar op een of andere manier hadden we toch maar weer eens niet genoeg karakter.

In tegenstelling tot wat we graag geloven, volstaan goede voornemens, wilskracht en zelfs intellectueel inzicht niet om ons werkelijk te laten veranderen. Er is iets anders wat op één lijn moet staan met de veranderingen die we zouden willen, een diepere vorm van eerlijkheid over wat we proberen te bereiken. Want als dat diepere stuk van ons niet mee in het bad zit, ondermijnen we onbewust alles wat we proberen te verwezenlijken.

Lascheid_076 klein
(c) KV

 

In een eerdere blog heb ik uitgelegd hoe ons innerlijk geloofssysteem werkt. De overtuigingen die we hebben, stammen uit onze vroegste ervaringen met het leven en de mensen daarin, alles wat een blijvende indruk naliet op ons jonge, onbewuste en volkomen absorberende geest en hart. Want kinderen zijn sponsen. Ze pikken de subtielste signalen uit hun omgeving op, zonder te begrijpen wat die betekenen, en reageren erop. (Is het je ooit al opgevallen dat je kinderen twee keer zo hard jengelen en ruziemaken als jij zelf moe en gespannen bent? Er is een verband tussen de beide, en vaak kan je de sfeer in huis totaal veranderen door je eigen ‘frequentie’ te veranderen.)

Jonge kinderen zijn volkomen afhankelijk van de volwassenen en de sterke figuren in hun leven om te overleven. Dus zullen ze zich aanpassen aan hun omgeving, de mensen die daarin aanwezig zijn proberen te behagen, en hun eigen veiligheid zoveel mogelijk proberen te garanderen, voor zover ze daartoe in staat zijn met de beperkte middelen die ze tot hun beschikking hebben.
In een situatie van werkelijk gevaar of dreiging (zoals misbruik, geweld, een ouder die hen verlaat of sterft) zal het kind doen wat het moet om te overleven. Dit kan betekenen: de misbruiker gehoorzamen, zich niet verweren, meer verantwoordelijkheid opnemen dan het in feite aankan, maar ook: zich emotioneel afsluiten, omdat het trauma te zwaar is om op dat moment volledig doorvoeld te worden. Zo garandeert het kind zijn eigen veiligheid – het is niet ongehavend, verre van, maar het leeft tenminste nog.

Een aantal innerlijke overtuigingen over het leven ontstaan op dergelijke momenten (en in mindere mate op momenten waarbij er sprake is van minder zwaar trauma, maar van een volgehouden negatieve bekrachtiging).

Ik moet doen wat anderen zeggen als ik me veilig wil voelen

mijn diepste innerlijk mag ik niet tonen, en als ik dat wel doe, word ik gestraft/is het levensgevaarlijk…

ik ben niets waard, want mama/papa heeft het gezegd

ik ben niets waard, want waarom zou ik anders zo hard gestraft worden?

het is niet veilig om mijn gevoelens te tonen

ik moet mij in alle omstandigheden en tegen elke prijs sterk houden

ik ben er verantwoordelijk voor om mama/papa zich goed te laten voelen (bv. in het geval van kinderen die opgroeien bij een gewelddadige of niet-functionele ouder)

ik moet voor mezelf zorgen, want niemand anders zal dat doen

ik kan nooit echt rekenen op andere mensen

je kunt niemand vertrouwen

Er zijn ontelbare conclusies die kinderen trekken door op te groeien in omstandigheden die emotioneel onveilig of fysiek bedreigend zijn. En zelfs in liefdevolle en ‘veilige’ families rapen we nog wel wat van die negatieve overtuigingen op. Van denken dat het egoïstisch is om voor je eigen noden op te komen tot bang zijn voor het oordeel van de ander als je je ware kleuren toont, of vinden dat de noden van de ander altijd voorgaan op de jouwe… We hebben er allemaal wel ervaring mee, en niet zelden zijn we het gaan beschouwen als de Hele Waarheid Over Het Leven. Natuurlijk zal elke overtuiging die maar vaak genoeg bevestigd wordt zich diep in onze psyche verankeren. Een kind dat keer op keer te horen krijgt wat een mislukking het wel niet is, zal dat negatieve zelfbeeld veel sneller overnemen dan een kind van wie een ouder één keer zijn geduld verliest over een slecht gemaakt huiswerk.

We trekken méér aan van datgene wat we al geloven, schreef ik eerder. Dat is een van de redenen waarom sommige mensen een punt zetten achter een dysfunctionele relatie, om vervolgens verliefd te worden op een partner die eigenlijk heel hard lijkt op de vorige. Als we er diep vanbinnen van overtuigd zijn dat we geen liefde waard zijn, dan zullen we onbewust de signalen van mensen die ons echt graag zien niet vertrouwen, en eerder afgaan op wie het beeld dat we al hadden over onszelf nog eens bevestigt.

Er zijn honderden manieren waarop we onbewust onze eigen successen boycotten of ondermijnen. We vergeten ons boek van algebra tijdens de examens, zodat we dat examen van wiskunde al zeker niet halen. We staan op de uitkijk voor de kleinste hint van afkeuring, om onze overtuiging dat we nooit écht geapprecieerd worden te kunnen bevestigen. We reageren ons slechte humeur af op onze geliefde omdat we niet werkelijk geloven dat ze bij ons zal blijven als ze erachter komt hoe we echt in elkaar zitten.

Niets hiervan gebeurt bewust. De dissociaties en onderbewuste verdedigingsmechanismen die al eerder hun nut bewezen door ons te beschermen in vroegere fases van ons leven, zijn immer op hun hoede om hun ‘nuttige’ werk verder te zetten. Het maakt niet uit dat de situatie intussen veranderd is, dat we niet langer in een fysiek onveilige thuis of een emotionele hel leven, dat we niet langer dat jonge kind zijn dat niet voor zichzelf kon zorgen of kon opkomen voor haar eigen rechten en meningen. Ons onderbewuste gaat ermee door ons te beschermen, zoals het altijd heeft gedaan.

En soms drijft dit ons tot daden die anderen verwonden.

 

Lascheid_167 klein
(c) KV – Leisteenmijn

 

Ongetwijfeld vinden velen van ons het makkelijker om te begrijpen waarom mensen er niet in slagen zich te ontdoen van gewoontes die ongezond of schadelijk zijn voor henzelf (in die zin kan er heel weinig verschil zijn tussen zweren dat je zult stoppen met roken of zweren dat je volgende keer een betere partner wil), dan waarom mensen die zwaar gekwetst zijn op een of andere manier de volgende generatie worden die anderen beschadigen.

Als je weet hoeveel pijn je zelf gehad hebt, dan wil je dat toch zeker niet aandoen aan anderen?

Er is meer dan één probleem met die vraag.

Ten eerste beseffen mensen die als kind getraumatiseerd werden vaak niet hoe diep ze verwond zijn. De werkelijke ernst van hun pijn zit ergens heel diep weggeborgen, en daarbij in de buurt komen, laat staan ze vrij laten stromen, voelt oprecht levensbedreigend. Het is te vergelijken met de levenslang opgebouwde watermassa van een stuwmeer. We willen niet dat die in één klap over ons heen komt gespoeld, dus we blijven die dam ten allen prijze verder verstevigen. (Dat zachtjes en voorzichtig ventileren, op een gecontroleerde manier, ook een mogelijkheid is, weten we vaak niet, of willen we niet weten.)

Het volgende probleem zit hem in de dynamiek die ontstaat uit de pijn die we meemaakten, de overtuigingen die we er rond hebben opgetrokken, en de manier waarop we de ‘oplossingen’ in ons dagelijks leven zijn gaan toepassen.

Laten we het fictieve voorbeeld nemen van een jongen die van heel jonge leeftijd moet zorgen voor een aantal kleinere broertjes en zusjes, omdat zijn vader vertrokken is en zijn moeder lange werkdagen klopt om haar gezin te onderhouden. Ze komt laat thuis en is vaak te moe om echt voor hen te zorgen. De verantwoordelijkheid dat zijn broertjes en zusjes eten, zich aankleden, naar school of naar bed gaan, is veel te zwaar voor zo’n jong kind. Maar hij neemt ze toch op, omdat er gewoon niemand anders is die ze van hem kan overnemen. Het enorme gewicht van deze opdracht vermengt zich met wat hij voelt tegenover zijn ouders. Hij haat zijn vader omdat die vertrok, maar hij benijdt hem ook, want hij lijkt de beste keuze te hebben gemaakt. Hij houdt van zijn moeder en bewondert haar, maar als ze doodmoe thuiskomt, schreeuwt ze tegen hem en eist dat hij nog meer op zich neemt dan hij al doet. Ze is in geen enkel opzicht de fysieke of emotionele steun waarnaar hij hunkert. Er zijn momenten waarop hij haar haat, omdat ze er niet in geslaagd is zijn vader te laten blijven, om de toestand waarin ze hem verplicht te leven, om haar onredelijke eisen. Op een gelijkaardige manier houdt hij van zijn broers en zussen en haat hij hen ook. Zij zijn het dichtste wat hij heeft bij lotgenoten, maar voor hen moeten zorgen, voelt als een straf. Soms, als het hem allemaal te veel wordt, schreeuwt hij tegen ze (of erger), al was het maar dat ze zich dan eventjes gedroegen. Zijn gevoel van overspoeld te worden door de omstandigheden loopt over en uit zich in een moment van emotioneel of fysiek geweld tegenover diegenen die van hem afhankelijk zijn.

Hij uit dat niet tegen zijn moeder – die in alle opzichten nog altijd sterker is dan hij. Dat zou zijn situatie alleen maar verslechteren. De enige weg die de overstromende gevoelens hebben, net als water, is stroomafwaarts, naar lager gelegen gebieden – wezens die zwakker zijn dan hij.

Het bovenstaande is natuurlijk maar een mogelijk scenario. Er zijn ontelbare variaties op telkens hetzelfde basisprincipe: we trekken meer aan van datgene waaraan we gewend zijn (omdat het alles is wat we kennen, en het vertrouwde voelt veiliger dan het onbekende), en als we te maken kregen met misbruik, verwaarlozing of diepe emotionele pijn, dan bouwen de spanningen rond dit trauma zich onvermijdelijk op tot het punt waarop ze geventileerd moeten worden, op wat voor manier dan ook.

Hoe bewuster we zijn van onze emotionele bagage, hoe beter we beseffen wat er speelt, hoe we het kunnen neutraliseren en anderen niet nodeloos kwetsen. Maar hoe dieper de wonden, hoe sterker de beschermingsmechanismen, en hoe minder we doorgaans beseffen wat er nu eigenlijk aan de hand is en hoe we dit proces fundamenteel kunnen veranderen.

 

Lascheid_158 klein
(c) KV – Leisteenmijn

 

De plek waar zo’n eventuele ontploffing of evacuatie van spanning plaatsvindt, is vaker wel dan niet onze thuisbasis. De mensen met wie we samenleven – partner, kinderen, anderen – zijn de schietschijf van een leven aan gevoelens en innerlijke conflicten die vaak niet eens een naam of een gezicht hebben. En zolang als we de wortel van de pijn niet kunnen vatten, zal ze ons blijven beheersen. Natuurlijk willen we de mensen die we graag zien niet kwetsen, maar de situatie waarin we ons bevinden, raakt al onze oude pijnpunten, en wat zich heeft opgebouwd moet eruit, of het maakt ons vanbinnen uit kapot.

Ik ben niet bepaald fier om het toe te geven, maar ik had op de laatste dag van het jaar zelf zo’n oprisping van oude pijn. En ik haalde uit naar mijn geliefden.

Het stond niet gepland toen ik aan deze blog begon, maar we bezochten een leisteenmijn op ons tripje. Is er een betere plaats te bedenken wanneer je schrijft over oude, begraven lagen van trauma en emotie dan een mijn? Bedankt, universum.

In de piepkleine souvenirwinkel waar we ook de toegangstickets kochten, zag ik een steen, een sneeuwvlokobsidiaan, die tegen mij ‘sprak’. Stenen hebben een bijzondere betekenis voor mij, en deze trok aan me met een zeker soort dwingendheid. Ik vond echter dat ik die niet kon kopen voor we de mijn bezocht hadden, en zeker omdat mijn zoon al aan mijn mouw trok voor een souvenirtje. Dus zei ik dat het iets was voor wanneer we weer boven waren.

Maar toen ons mijnbezoek afgelopen was, bleek de kleine ontvangstkamer plots vol met mensen. Er was een groep toeristen aangekomen die allemaal hun toegangsticket wilden betalen. We waren even van slag: te veel geluiden en prikkels ineens. Het was overdonderderd. Al wat mijn man wilde, was zo snel mogelijk naar buiten. Hij was er zich niet bewust van dat ik graag een steen had gekocht, en ik kreeg het gevoel dat als ik mijn verlangen zou doorzetten het een hele discussie zou betekenen in een ruimte waar geen van ons tweeën eigenlijk helder kon denken omwille van de drukte en het lawaai.

Geconfronteerd met dit dilemma, schakelde een van mijn eigen oude beschermingsmechanismen in: ik trok me terug. Ik slikte zowel mijn voorkeur als mijn behoefte in, ik liet ook iemand anders (in dit geval mijn man) de leiding nemen en ons terug naar de wagen dirigeren. Ik probeerde wel uit te leggen wat ik eigenlijk had gewild, maar ik deed het slecht, en dus begreep hij niet hoe belangrijk het op dat moment voor mij was, en deed er nogal schamper over.

In mij borrelde een immense woede naar de oppervlakte. Ik had niet alleen iets wat in mijn aanvoelen belangrijk was opzij gezet, ik stond bovendien oog in oog met een partner (of een tegenstander) die dat blijkbaar niet serieus wilde nemen. Of zo voelde het in ieder geval. Op een rationeel niveau weet ik (en wist ik toen ook wel) dat we het hier niet hadden over het einde van de wereld. Maar toch raakte dit een heleboel oude pijn, een diepe wonde die terug te voeren was op mijn eigen vroege kindertijd, toen ik mij uit angst voor veroordeling al snel op de achtergrond hield en mijn stem en mijn mening inslikte, of zelfs nog verder terug dan dat, naar de gedeelde pijn van ontelbare vrouwenlevens doorgebracht in ondergeschiktheid en onderdrukking, een diepe, collectieve bron van onrechtvaardigheid…

 

Lascheid_126 klein.JPG
(c) KV – Leisteenmijn

 

Het was weinig meer dan een onbeduidende anekdote over iets wat nauwelijks belang had, als daar niet die oude, diepe pijn was wakker geworden. En voor een keer – redelijk ongewoon voor mij – had ik geen middelen om ze constructief te uiten. Toen startte meteen het ‘waarom kan hij niet…’-scenario. Waarom kon mijn man niet voelen wat er met me aan de hand was? Waarom kon hij niet attenter zijn? Waarom moest ik ‘vechten’ voor wat ik wilde?

Het voelde alsof mij iets ontnomen was zonder dat ik voor mezelf had kunnen opkomen. Ik was kwaad op mijn man omdat hij alleen maar op zijn eigen golflengte leek te zitten en zich geen vragen stelde over de mijne, kwaad op mezelf omdat ik mijn punt niet harder verdedigd had, kwaad dat ik het om te beginnen al moest verdedigen in plaats van het gewoon gerespecteerd te zien, enzovoort, enzoverder.

Dus haalde ik uit. Ik toonde mijn man overduidelijk dat de gang van zaken me niet aanstond, ik had geen greintje geduld met zijn suggesties op de terugweg, en ik was behoorlijk onaangenaam gezelschap voor het grootste stuk van de middag die volgde.

Er waren vast betere manieren om het oude jaar te beëindigen. Net als er betere manieren moeten zijn om met oude pijn om te gaan. Maar als je vastzit in het oog van de storm, dan zie je niet zo makkelijk een uitweg. De emotie is te intens, de verdedigingsmechanismes zijn te goed geolied, en je verstand heeft nauwelijks iets te zeggen.

Goddank zijn er liefhebbende gezinsleden, die je kennen, en je onmogelijke gedrag verdragen tot je wat tot rust komt, verstaat wat er nu eigenlijk precies gebeurd is en je verontschuldigt voor je al te heftige reactie – maar niet voor wat je wilde.

Ik had een andere manier moeten vinden om mijn nood op dat ene specifieke moment te respecteren, zelfs als dat had betekend dat de rest van ons gezelschap een wandelingetje door het dorp was gaan maken terwijl ik in de rij stond en wachtte tot die luidruchtige troep hun tickets hadden gekocht en verdwenen waren vooraleer ik mijn steen kon kopen. De nood zelf was niet het probleem, dat is die zelden. Wat de dingen bemoeilijkt, is het feit dat we geleerd hebben om onze behoeften te negeren, ze dwingen te buigen of te zwijgen, en in hun wanhoop halen ze uit en kwetsen anderen, in een laatste, gefrustreerde, hulpeloze, poging om gehoord te worden.

Als ik beter naar mijzelf had kunnen luisteren, daar op dat moment, en te respecteren wat ik wilde en voelde, dan had ik misschien wat organisatorische chaos gecreëerd. Maar dat was niets geweest vergeleken met de emotionele storm waar ik mezelf en mijn geliefden nu op had getrakteerd, omdat ik ervan uit ging dat mijn behoeften niet belangrijk genoeg waren en probeerde te onderdrukken wat ik voelde.

Het water achter de dam houden tot die uiteindelijk barst, of het toestaan om beetje bij beetje te stromen… – hoe het ook zij, op een gegeven ogenblik moeten we allemaal leren zwemmen.

Misschien kunnen we proberen om alleen zelf een nat pak te krijgen, en de mensen die we graag zien niet mee kopje onder te laten gaan.

 

Lascheid_174 klein
(c) KV

Advertenties

Mama kronen

Een reis naar de wortels van Oude Wijsheid

Kingley Vale_359
(c) KV – De toegang tot Kingley Vale

Na de diepe, vervullende fases van een leven in dienst van de ziel, zegt ecopsycholoog Bill Plotkin, bereikt de persoon die de roep van de ziel hoorde als Zwerver, die haar leven er als Leerling ten van dienste stelde en die de wereld het beste van haar talenten schonk in de hoedanigheid van Meester, het punt waarop ze overgaat naar het stadium van Oude Wijsheid.

Op dat moment begint het leven minder te draaien om Doen en maken, en meer om Zijn, voeden en inspireren.
Wanneer de jongvolwassene zich, geraakt door de roep van haar ziel, terugtrekt in een metaforische cocon en oversteekt naar de spirituele helft van het leven, dan gaat ze in Plotkins woorden door een proces van Zielsinitiatie. Ze voelt een verhaal, een krachtig beeld, de aantrekkingskracht van iets wat sterker is en dieper gaat dan haar ego of persoonlijkheid alleen, en ze voelt zich geroepen om zich ten dienste te stellen daarvan. Zielsinitiatie markeert het begin van de magische helft van het leven.

Een gelijkaardige monumentale overgang vindt plaats wanneer de bezielde volwassene de fase van Oude Wijze bereikt. Plotkin noemt dit de ‘Crowning’, een prachtige samentrekking van de Engelse woorden ‘crone’ (oude vrouw) and ‘crown’ (kroon), en verbindt zo meteen de charmes van hoge leeftijd en het waardige, bijna koninklijke van vergevorderde geestelijke evolutie.

Mijn moeder vierde afgelopen december haar zeventigste verjaardag. Mijn zus en ik wilden iets speciaals en symbolisch doen met haar, dus we besloten haar mee te nemen op een verrassingsreisje naar Engeland. We wilden niet alleen haar verjaardag vieren, maar ook haar overgang naar de status van Oude Wijze.

Onze moeder is een mooie, wijze en grappige vrouw met een hart groot genoeg om de hele planeet en iedereen erop te omarmen. En op sommige momenten in haar leven is dat ook precies wat ze gedaan heeft. Ons huis was altijd een haven voor mensen om te landen: voor het avondeten, voor een nacht, voor een paar jaar. Haar regenboogkinderen, noemden we ze. Sommigen waren zo oud als wij, een paar waren ouder, de meesten jonger. Ze hield van ze en vertroetelde ze en hielp ze hun leven weer op de rails krijgen als dat was wat ze nodig hadden.

Haar dagen van oeverloze zorg zijn nu enigszins voorbij. Te veel artrose en andere (godzijdank goedaardige) ouderdomskwaaltjes hebben een halt toegeroepen aan haar onafgebroken rondrennen en verzorgen – hoewel ze er soms nog wel eens in vervalt en de fysieke gevolgen achteraf voor lief neemt.

Maar tegelijkertijd is ze wijzer geworden. We hebben dezelfde opleidingen gevolgd en veel ervaringen gedeeld in de loop van de jaren, en zij is de eerste om aan iedereen te vertellen wat voor sterke vrouwen haar dochters geworden zijn, maar wij weten dat dat maar de helft van het verhaal is. Mama kan je aankijken, peilen tot diep in je ziel en naar boven komen met informatie waar je heel stil van wordt omdat ze zo ontzettend juist is. Ik heb er niets mee te maken, zegt ze, ik geef maar door wat ze mij ‘daarboven’ vertellen. Dat is geen valse bescheidenheid. Maar bescheiden zijn betekent soms ook dat je jezelf onterecht niet voldoende waardeert. Dus wilden we mama’s wijsheid vieren, haar diepe ervaring, en natuurlijk ook gewoon het feit dat ze onze moeder is.

Mama is een makkelijke persoon om te verrassen. Ze laat zich meevoeren op de stroom en vraagt zich niet te veel af. Ze is opgetogen als blijkt dat ze iets niet zag aankomen, en verwelkomt alles wat haar kant op komt – behalve misschien de tegenliggers in een land waar mensen links rijden. Omdat we reisden met onze eigen wagen, was de passagier vooraan degene die al het aankomend verkeer op zich zag afkomen. Na twee uur op de Engelse wegen ruilde mams haar plek met plezier voor eentje op de achterbank.

Kingley Vale_081
(c) KV – Storm bij The Seven Sisters

Onze eerste stop was Beachy Head, waar we uitkeken over The Seven Sisters, de adembenemende krijtkliffen van de Engelse zuidkust. Het weer was stormachtig en subliem.

Het was de perfect plek om je verbonden te weten met de elementen. We zaten met ons drieën ongestoord op een bank, en stemden ons af op wat de wind en de zee ons wilden vertellen. We luisterden naar wat gezegd werd: over onszelf, voor de ander. We deelden de boodschappen. Toen lieten we al het oude dat mocht losgelaten worden gaan, in de wind, of met de golven.

We reden door tot in West-Sussex naar the Hamblin Trust, het domein waar we twee nachten zouden verblijven in een van hun knusse chalets. Ik dwaalde door de tuin in het schemerlicht van de vallende avond, en de volgende ochtend.

Na het ontbijt hadden we maar tien minuutjes nodig tot aan de plek die de eigenlijke bestemming van deze hele trip was: Kingley Vale, waar in een bosje-in-een-bos The Watchers staan, de oudste taxusbomen ter wereld. Een aantal van deze knoestige reuzen zijn tweeduizend jaar oud. Waar konden we mama’s Crowning beter vieren?

Maar het bleek toch een beetje een uitdaging. Bij de eerste oude taxus die mama zag toen we wat dieper het bos in gingen, maakte ze bijna rechtsomkeert. Hij zag er dreigend uit, vond ze, en er hing iets donkers en gevaarlijks omheen.

Grappig genoeg was dit een boom die mij heel erg aansprak. Ik liep er naartoe om hem aan te raken, en voelde onmiddellijk hoe een diepe warmte door mijn buik ging. Mams keek huiverend toe van op een afstandje.

Toegegeven, taxussen zien er op het eerste gezicht niet erg knuffelbaar uit. In hun jeugd zijn ze op hun best elegant, maar met hun donkere stammen en naalden van een donkergroen dat soms meer wegheeft van zwart, zijn ze nogal sombere verschijningen. Hun felrode bessen fleuren het geheel misschien wat op, maar gezien het feit dat zowat elk onderdeel van de taxus dodelijk giftig is voor de mens, is dat toch maar een karig soelaas. Zoals elke zeer oude boom wordt een oude taxus knoestig, bobbelig en verwrongen, met takken die alle kanten op gaan en dode stompen die nog uitsteken. We stonden dus niet meteen oog in oog met een grote lieve omaboom, maar eerder met iets wat leek op een kruising tussen een norse oude olifant en een tentakelig monster uit een of andere horrorfilm.

Tot je ze aanraakt.

Kingley Vale_399.JPG
(c) KV

Taxussen voelen zacht onder je handen, en als je een beetje gevoelig bent voor bomen, dan is een ontmoeting met oude reuzen als deze echt wel bijzonder.

Het vroeg wat overredingskracht, maar uiteindelijk wilde mama er wel een aanraken.

Vanaf dan begon het makkelijker te gaan, hoewel het nog even duurde vooraleer mama een boom gevonden had waar ze echt een band mee voelde. Pas toen lukte het beter om de diepe, krachtige schoonheid van de ouderdom te voelen doorheen de donkere, sombere verschijning. De zon maakte nu en dan haar opwachting – dat hielp ook. (Het Engelse weer deed al wat het kon om zijn wispelturigheid te bewijzen: we schakelden op twee uur tijd drie keer van dreigende wolken naar stortbuien naar stralende blauwe hemel. Het gezegde ‘if you don’t like the weather, wait five minutes’ bleek een stevig feit.)

Na een uur van wandelen, zitten, aanraken en voelen, keerden we terug naar de ingang van het bos. Daar vonden we ‘mijn’ boom terug.
Mama was verbaasd dat ze hem eerder zo eng had gevonden. Ik van mijn kant begreep precies waarom hij voor mij zo goed werkte: oud genoeg om indrukwekkend te zijn, met een massieve stam en kroon, maar nog niet zo verweerd als zijn stokoude verwanten. En zijn plek: aan de rand, als een wachtpost op de grens tussen werelden.

Dat past bij mij.

In de namiddag na die wandeling hadden we voor mama een aromatherapie-massage geboekt bij een lieve dame waarnaar ze later verwees als haar ‘petemoei’.
We aten heerlijke Indische curry in een nabijgelegen restaurant, en namen de volgende ochtend afscheid van the Hamblin Trust.

We stopten nog bij het haventje van Bosham voor een paar cadeautjes en souvenirs uit het Arts and Crafts center (ik kocht een heerlijke cape voor alledaags gebruik, en ik kreeg een andere die ik voor het eerst zal aantrekken op de Soul Circle als geschenk van mijn zus). We lunchten in het Breeze Cafe, met een mooi zicht op de zee-inham waar het opkomend tij niet alleen naar goede gewoonte de promenade onder water zette, maar ook het busje van een nietsvermoedende kayakker, die bij zijn terugkeer duidelijk niet gerekend had op zo’n maritiem enthousiasme.

Kingley Vale_618.JPG
(c) KV – Bosham bij hoog water

Je onderschat de kracht van het vrouwelijke element maar beter niet, denk ik zo…

Onze drie moeder-en-dochter dagen hebben ons zacht gezegd een hap magie gegeven om op terug te kijken.

Wat dacht je daarvan?

Angst, pathologisch puberen en blanke suprematie

So you found a girl who thinks really deep thoughts
What’s so amazing about really deep thoughts?
Boy, you best pray that I bleed real soon
How’s that thought for you?

(Je valt dus op een meisje dat heel diep nadenkt
Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken?
Gast, je hoopt maar beter dat mijn maandstonden snel beginnen
Wat dacht je daarvan?)

 

Ze zingt het al meer dan een week in mijn hoofd, Tori Amos. Ik hou al jaren van haar werk, en Silent All These Years is natuurlijk een klassieker. Maar als een fragment van een liedje onverwacht opduikt in mijn gedachten, zonder dat ik het nummer hoorde, dan wil dat meestal zeggen dat ik eens goed naar de tekst moet kijken omdat er een onbewuste boodschap aan mezelf achter zit.

Behalve mijn bewondering voor Amos’ meesterschap dat ze erin slaagt een compleet plot mét uitgewerkte personages te schetsen in amper vier regels, is wat mij het meeste treft aan dit stukje de gefrustreerde maturiteit van de vrouwelijke stem.

Wat is er zo bijzonder aan heel diep nadenken? Als je een hart in je borstkas hebt en hersens in je kop, waarom zou je dan niet heel diep nadenken?
Ja, waarom niet? Als puber had ik nooit zo’n grote mond, maar ik herken wel dit gevoel.

Dagje Gent_023 zw ed
(c) KV

Ik oordeel niet, het is eerder een soort eenzaamheid, zoals die van een woudloper die een hoge bergpas oversteekt, en met iets van verlangen omkijkt naar de lichtjes in het dorp, veilig beschut in het dal. Zij die daar wonen, hebben geen idee van hoe het er hierboven uitziet, en ze kunnen of willen de tocht niet maken, en hij weet dat zijn thuis niet daar beneden ligt.

Er zijn maar weinig reizigers op dit bewuste pad, dus ja, het wordt wel eens eenzaam. Pas veel later leer je dat je alvast niet de enige bent, en dat er mensen zijn met wie je je verwant voelt, die de lucht op grote hoogte misschien niet op precies dezelfde manier inademen als jij, maar die weten hoe ze de hoge passen veilig kunnen oversteken, en die je binnenhalen als familie.

Dus nee, er is niets bijzonders aan heel diep nadenken. Het vraagt wel een specifiek soort inspanning (of moet ik zeggen: groeiproces?) om dat punt te bereiken, en sinds zoveel mensen het gevoel hebben dat die weg niets voor hen is (of ontmoedigd worden om eraan te beginnen) worden zij die er wel voor kiezen nogal eens bekeken met – in het gunstigste geval – verbazing en – in het slechtste – vijandigheid.

Waarom heb ik het hierover?
Ah, daar is die goeie ouwe Bill Plotkin weer.

Een confronterende uitspraak van deze dieptepsycholoog en wildernisgids is dat de westerse beschaving in zijn geheel de grootste moeite heeft om op te groeien voorbij het stadium van de adolescent. Adolescent in de betekenis van: de neiging hebben om te streven naar aanvaarding binnen de eigen kring, om helden en veroveringen te vereren, en om een onverzadigbare honger voor materieel comfort, erkenning en succes te stimuleren voorbij enige redelijk grens. Ik ben eerlijk gezegd geneigd hem gelijk te geven.

 

Net als zoveel anderen over de hele wereld was ik geschokt door wat er gebeurde in Charlottesville. Maar terwijl ik zat te kijken naar de Vice-reportage over de alt-right leidersfiguur Chris Cantwell had ik het gevoel dat ik Bill Plotkins stelling voor mijn ogen geïllustreerd zag.

1503067513518-Screen-Shot-2017-08-18-at-105506-AM.pngChris-Cantwell17-christopher-cantwell.nocrop.w710.h2147483647

Ik val niet voor clichés, zoveel moge ondertussen duidelijk zijn. En ik weet maar al te goed hoe kwaadheid in feite altijd een vermomming is voor iets wat veel dieper zit, en doorgaans kwetsbaar, bang en triest is. Maar toch dacht ik dat extreem gewelddadig of fascistisch denken een gezicht zou dragen dat leek op een kruising van Rocky en Darth Vader: macho, donker, sterk en totaal overtuigd van het geweld waarvan het doordrenkt was.

Maar de man die getoond werd in de documentaire was niets meer dan een puber. Niet qua leeftijd, uiteraard, en ik wil ook geen seconde suggereren dat hij onschuldig of ongevaarlijk is. Maar luister even niet naar alle vreselijks wat hij zegt, en zoom in op zijn non-verbale taal: de grimmige blikken, de grote mond, de triomfantelijke pose, het vermijden van oogcontact als hij een werkelijk confronterende vraag moet beantwoorden, het gezwaai met wapens… Ik heb precies dit soort gedrag (behalve de wapendracht, goddank!) gezien bij mijn stiefzonen, en bij de honderden leerlingen die ik in mijn jaren als leerkracht in de klas had. Dit is geen volwassen maar wel adolescent gedrag. Alles aan deze man roept: ik ben doodsbang, ik moet mezelf bewijzen en laten respecteren, en ik ga dat op zo’n luide manier doen dat ik er ook mijn eigen angst mee overschreeuw.
Zijn stoere façade verbrokkelde maar al te snel toen hij, als gevolg van de Vice-reportage, doodsbedreigingen ontving. Er zijn beelden waar je hem in tranen ziet, terwijl hij snottert hoe onschuldig hij wel niet is. Alweer: iedereen die een puber in huis heeft, zal dit tafereel al te herkenbaar vinden.

Maar goed, zelfs als veel haat eigenlijk puberale of kinderlijke angst in een agressief jasje is, wat dan nog?
Het houdt hier niet op, jammer genoeg.

In 2008 schreef Bill Plotkin in Nature and the Human Soul, in een passage waarbij hij het heeft over de ‘mannelijke’ (yang) kernkwaliteiten van sommige adolescenten, of dat nu jongens of meisjes zijn (hij heeft het later ook over hun ‘vrouwelijke’ (yin) tegenhangers, maar dat terzijde):

‘Tienerjongens en -meisjes met mannelijke kernen moeten slagen als puberheld. Tijdens het proces waarbij ze een authentieke manier proberen te ontwikkelen om sociaal aanvaard te worden, moeten ze zichzelf bewijzen door de wereld in te stormen, draken te doden en de verdrukten te redden. Of ze nu winnen of verliezen, hun oprechtheid of karakter worden gevormd in het heetst van de ‘strijd’. In posities van leiderschap of onderhandelingen zullen ze eerder de neiging hebben om met grote stelligheid posities in te nemen dan vragen te stellen.
Dat alles is normaal voor jongens en meisjes met mannelijke kernen, maar in een zielsgeoriënteerde omgeving is dit soort puberale heroïek uitgewerkt tegen de tijd dat de jongere een jaar of vijftien is. En zo hoort het ook. Als een man (of vrouw) van dertig jaar of ouder nog altijd bezig is zichzelf te bewijzen door zich te manifesteren als drakendoder, kan hij een ernstig gevaar betekenen voor zichzelf en anderen. Als hij aan het hoofd van een serieus leger of een groot bedrijf staat, kan hij enorm veel schade berokkenen. Als hij de opperbevelhebber is van een nucleaire supermacht kan hij de wereld zoals wij die kennen vernietigen.’

Van vooruitziendheid gesproken.

Ik ben beslist niet de eerste die schrijft dat er op dit eigenste moment een groot verwend kind het Witte Huis op stelten zet met zijn zoveelste woede-uitbarsting. De man die vandaag de controle heeft over de Amerikaanse kernkoppen is het levende bewijs van zowel Plotkins diagnose als zijn ergste nachtmerries.

Wat kunnen we hier in godsnaam tegenover stellen?

Maturiteit.
Diep nadenken.

Dagje Gent_012 cut
(c) KV

Het is een uitdaging die we moeten aangaan als samenleving, als wereldburgers. Dit gaat over onderdrukte groepen hun rechtmatige plaats laten innemen en voorheen gepriviligeerde groepen in contact brengen met hun gevoelens.
Dit gaat over opgroeien tot volwassenen, door onze angsten onder ogen te zien, ze te leren verwoorden en de verantwoordelijkheid te nemen voor alle ballast die we meesleuren van vorige generaties, omdat die ons inzicht nogal eens vervormt.

Dit gaat over volwassen worden en anderen helpen dat ook te doen.

Plotkin, nog een laatste keer:

‘Hoewel vrouwen minstens vijfduizend jaar lang ernstig onderdrukt zijn, en het vrouwelijke aspect voor minstens even lang onderdrukt is (in het bijzonder in mannen), is het probleem niet mannelijkheid maar veeleer immaturiteit. De oplossing is niet om het vrouwelijke belangrijker te maken dan het mannelijke, maar om een zielsgeoriënteerde samenleving te bouwen met meer volwassen mannen en vrouwen dan levenslange adolescenten.

Wat dacht je daarvan?

Een zachte bevalling

Ik droom nooit over baby’s of bevallen.

Dat heeft misschien te maken met het feit dat geen van beide voor mij de zalige ervaring waren die ze voor veel andere moeders wel zijn. Het waren eerder gebieden waar ik een intense trip maakte van het soort dat je leven verandert, maar waarnaar ik liever niet nog een keer op reis ga als ik het kan helpen.

Behalve dan dat ik vorige nacht droomde dat ik aan het bevallen was.

(c) KV

 

In mijn droom legde een vroedvrouwachtige figuur, een wijze, rustige vrouw, mij een soort van oefenschema uit. En toen ze me liet neerhurken voor een oefening die een makkelijke bevalling moest bevorderen, werd ik me ervan bewust dat ik leven in mijn buik had, en dat dat bovendien op het punt stond ter wereld te komen.

Ik ging mee in het proces. Het was zacht, makkelijk en pijnloos.
Met gemak perste ik een kind de wereld in. Het gleed tussen mijn benen naar beneden, en ik ving het op met mijn eigen handen, en terwijl het neerkwam, dacht ik: opletten met dat hoofdje!

Dan ging ik achterover liggen en de vroedvrouw legde het kleine meisje, een gezonde pasgeborene die nog onder het bloed en slijm zat, precies zoals die kleintjes komen, op mijn buik en borst, zodat ze zich kon verbinden met haar mama — ik.

Ik voelde hoe ze zich tegen mij aan nestelde. Ik verwelkomde haar en voelde een diepe tederheid. Ik wist dat alles goed was. We waren allebei precies waar we moesten zijn.

(c) KV

Je moet weten: ik ben niet de meest zorgzame moeder.

Ik ben thuisgekomen van mijn werk, te moe om me aan kyudo te wijden vanavond, en de lasagna uit de supermart staat in de oven. Ik zit dit blogje te schrijven, maar het is mijn man die onze zoon ondertussen in bed steekt. Van boterhammendozen tot verhaaltjes voor het slapengaan — hij is veel beter in die zorgende taken dan ik.

Ja, soms voel ik me daar best schuldig over.

Tot er een bult in het parcours is die te maken heeft met gevoelens, met sociale of innerlijke strubbelingen, en mijn zoon zich als een bolletje komt opkrullen op mijn schoot — een nogal volumineus achtjarig bolletje ondertussen, met lange ledematen en een snelle geest — en ik wikkel mezelf om hem heen als een schelp die hem beschut.

Ik voel zijn onrust wegzakken, gewoon door lichamelijk dicht bij mij te zijn, veilig en gekoesterd zoals hij in mijn schoot ook was. Zachtjes brengen we naar boven wat hem dwars zit, benoemen we zijn angsten en gevoelens. Ik leg hem uit wat er aan de hand is en help hem om te gaan met wat er zich van binnen in hem afspeelt, terwijl ik zo weinig mogelijk probeer te oordelen.

(Het is makkelijker om begrip te tonen voor een gekwetst kind dan voor een dat gemene dingen heeft gedaan — maar naar mijn aanvoelen is het steeds even belangrijk, als je als ouder tenminste wil dat hij leert omgaan met die gevoelens, en ze niet voor je begint te verbergen uit angst voor veroordeling.)

Alles bij elkaar denk ik dat ik het er dus nog niet zo slecht vanaf breng. En binnen de combinatie van mijn mans zorgende vaardigheden en mijn emotionele fine-tuning voeden we een gezond, gelukkig kind op. So far, so good.

(c) KV – Pimpelmeesjong, te klein nog voor het typische blauw-en-zwarte verenkleed (maar piept de hele tuin bij elkaar!)

Ik denk niet dat het toeval is dat ik in de droom beviel van een meisje. Er komt op dit moment veel vrouwelijke kracht en kwetsbaarheid in de wereld  — onder meer via mij.

Het kan een zacht, pijnloos proces zijn, is wat ik afgelopen nacht leerde. Er zal liefde zijn, en een diep, teder gevoel van thuiskomen.

Wat het ook is waarvan ik het voorrecht mag hebben om het op de wereld te brengen en het op mijn huid te koesteren — kind, droom, visioen, kunstwerk — ik weet dat het iets van schoonheid en gevoeligheid zal zijn.

Ik ben klaar om het te ontvangen en ervoor te zorgen.

Engel_004
(c) KV

De roep beantwoorden

Zelfportret_045 zw ed
(c) KV

Als ze je onverwacht aankijkt, van op een plek die je niet helemaal kunt vatten — als een oudere zus of een geest uit een vorig leven.

Ze lijkt meer over jou te weten dan jijzelf, en hoewel je haar niet begrijpt, vind je haar aardig, vreemd genoeg.

Je weet dat je zal luisteren als ze tegen je praat — zachtjes, buiten het bereik van vreemde oren. Haar woorden hebben de weerklank van bergen die geboren worden.

Haar kompas staat op oprechtheid, en ze zal jou uitdagen tevoorschijn te komen.

En jij — dat weet je — zal haar roep beantwoorden.

Alles geven – een ode aan wild moederschap

Acht jaar geleden werd ik moeder.

Daarvoor was ik al bijna tien jaar plusmama, dus ik dacht dat ik wel wist wat er op me af kwam, maar hemeltje, ik had geen idee.

Jonkies voeren_014 ed
Koolmees in onze tuin

Nooit eerder had ik deze diepe, wilde drang gevoeld om mijn kind te beschermen tegen alles en iedereen. Ik kan het geen liefde noemen, zeker niet tijdens die eerste koortsachtige weken dat ik en mijn lichaam probeerden het trauma te verwerken dat de geboorte van mijn zoon (medisch gemonitord maar alles bij elkaar gelukkig min of meer natuurlijk) ons gebracht had. Er was zelfs geen ruimte voor al te veel emotie, er was alleen rauwe overleving. Maar van de allereerste dag wist ik dat zich een band gevormd had met een ander wezen die alles wat ik tot dan toe kende in de schaduw stelde.

Jonkies voeren_008 ed.jpg
Vers gevangen lunch

Ik moest denken aan onze oude kater, die woest en agressief elk indringer van zijn terrein verdreef (en de littekens had om dat te bewijzen), maar die, toen hij kennismaakte met de jongen die hij verwekt had bij een straatkat en die wij in huis gehaald hadden om te verzorgen en uit te delen, ze alleen zachtjes besnuffelde, en zich vervolgens afwendde. Ze waren zijn bloed, ze hadden zijn geur. Hij herkende iets aan hen. Ze waren van hem.

Dat was precies wat ik voelde voor mijn zoon. Hoe romantisch en Anne-Geddessachtig sentimenteel we ook worden als het aankomt op onze kinderen, de waarheid is zoveel eenvoudiger en dieper. We zijn met hen verbonden in ons bloed.

Dat is wanneer het dier in ons wakker wordt. En dat bedoel ik als een compliment. Onze diepste instincten, onze zuiverste natuur, kan ons meest betrouwbare kompas zijn.

Jonkies voeren_015 ed.jpg
Lunch afleveren

Als ik het koppel koolmezen in de weer zie om hun jongen te voeren in het nestkastje dat we voor ze gehangen hebben, word ik herinnerd aan die eerste jaren van onophoudelijk zogen, voeden, schoonmaken, zorgen. Ik moet bekennen dat die hele toestand me behoorlijk uitputte.

Jonkies voeren_011 ed cut.jpg
Deze vonden ze niet lekker…

Hoe diep ook de dierlijke drang waarmee ik van mijn zoon houd, ik ben niet het soort moeder die eerst en vooral wil voeden en verzorgen. Ik ben een creatieve ziel die ruimte nodig heeft om gelukkig te zijn, en dag in dag uit ten dienste staan van een ander wezen eiste een tol die ik niet had verwacht.

Jonkies voeren_018 ed cut.jpg
Ze hebben nóg honger, dus…
Jonkies voeren_020.JPG
… daar gaan we weer.

Ik ging er een tijdje helemaal aan onderdoor. Het heeft me ook ongelooflijk veel geleerd. Dankzij dat alles ben ik een veel beter mens. Maar ik ben ook blij dat mijn jong nu acht jaar oud is en stilaan zijn eigen boontjes kan doppen…

(Hoewel we laatst een kort stukje video-opname terugvonden van ongeveer zes jaar geleden. Jongens, wat was hij snoezig! Ik smolt ter plekke.)

Hofstade en de Donk in de lente 116.JPG
Sobran en ik in 2011 (foto van mijn papa)

Moedertype of niet, alle mama’s zijn dezelfde, vermoed ik…

Grote zus

Een overlijdensbericht bij de post. Ik denk aan de lieve kennis van wie ik weet dat ze zwaar ziek is.
Ik plooi de brief open, een zielloos, koud ontwerp. Ik zie een Engelse naam en mijn eerste vrees is: familie van mijn man uit de VS. AFS-ouders zo oud als onze eigen ouders, en dus nog te jong om nu al te verliezen.

Het blijft een paar seconden troebel, omdat de woorden niet accorderen met wat ik kan begrijpen of accepteren. Maar de betekenis dringt uiteindelijk toch tot mij door.

Het is niet de lieve kennis. Het is geen familie uit Amerika.
Ik lees mijn eigen naam.

Soms verlies je mensen uit het oog. Eerst zijn ze een tijd erg belangrijk in je leven, maar op zeker moment drijven ze stilletjes bij je vandaan. Je verstaat elkaar niet meer zo goed als vroeger. Je laat elkaar los. Je vraagt je nu en dan af hoe het met de ander gaat, maar je contacteert haar dan toch maar niet. De laatste ontmoeting was immers niet zo’n succes.

Wat een rotte manier om nu toch afscheid te moeten nemen.
Haar familie heeft mijn adres gevonden. Of heeft zij het hen bezorgd?

My dear… why didn’t you reach out?

david-newbatt
David Newbatt – Bathing in the pool. Kocht ik deze kaart voor jou? Kreeg ik ze van jou? Ze is het eerste waar ik aan denk .

Soms herken je iemand, en omarm je een vreemde als een verwant, omdat het op een of andere manier gewoon zo is.

Sherry.
Je kruiste mijn pad tijdens een opleiding die ik volgde op een heel diep en fragiel moment in mijn leven. Je ademde wijsheid. Je was een cancer survivor, puur op je eigen kracht en met een batterij aan research en alternatieve middelen, tegen alle adviezen van artsen in. Je was een sterke vrouw met een scherpe geest en een heerlijk Brits gevoel voor humor.

Sherry, wij kwamen thuis bij elkaar. Niet zo gek, want we deelden veel. Verstand, gevoeligheid, een liefde voor energiewerk, een liefde voor dagboeken en voor graven in onszelf en onze evolutie. Kwetsbaar en oersterk tegelijk. Onze paden liepen een hele tijd parallel. Bovendien hadden we – lichtjes ongelooflijk – dezelfde voornaam, én dezelfde geboortedatum. Mijn oudere tweelingzus leek je wel. We stuurden elkaar jaren wederzijdse verjaardagskaartjes. Onze dag.

Mijn naam was jouw échte voornaam. De naam waarmee iedereen je nu aansprak, legde je uit, was er gekomen omdat je Zweedse moeder in je kindertijd hertrouwde met een Brit en je toen ongevraagd met zich meenam om daar te gaan leven. Tsjisjtin (zoals onze naam in het Zweeds eigenlijk wordt uitgesproken) zou geen Engelsman over de lippen krijgen en vroeg dus om een verengelsing. Naturally.

We gingen door een heleboel interessante kronkels in onze persoonlijke ontwikkeling, en gebruikten elkaar voor een stuk als herkenningspunt. Je was bijna dertig jaar ouder dan ik, maar dat leek niet te deren.
Jij was mijn wijze klankbord, degene die me de juiste kritische vragen stelde op het juiste moment. Je geest was zo scherp, ik kon weinig of niets voor je verbergen.
Die geest was ook je vloek. Je kruisigde jezelf ermee. Je worstelde, harder en bewuster dan ik ooit enig mens heb zien worstelen, om in je emoties te kunnen afdalen, de gevoelens die daar om uitdrukking smeekten gewoon te kunnen laten zijn, je eraan over te geven zonder de angst om erdoor te worden vernietigd. Je werkte hard om tot dat punt te komen. Elke stap van dat proces leek zo zwaar voor jou. Er was zoveel weerstand te slopen.

Tegelijk kon ik zien, steeds duidelijker met het verglijden van de jaren, dat jij bleef worstelen met dezelfde oude demonen. Ik betrapte mezelf op de gedachte dat ik naar je opgekeken had, en dat ik nu op gelijke hoogte gekomen was maar jij blijkbaar niet meer evolueerde. Zo voelde jij het niet. Je had het gevoel dat je juist een aantal waardevolle inzichten aan het formuleren was, en je wilde er voor het eerst in je leven mee naar buiten komen – een heel gewaagde stap voor jou; ik herinner me dat het ooit maanden van deliberatie vroeg of je al dan niet een LinkedIn-profiel zou durven aanmaken…

Misschien heb ik je evolutie toen niet genoeg gewaardeerd. Indertijd – onze laatste e-mails dateren van 2013 – dacht ik alleen maar: Jesus, Sherry, after all this time, are you still trying to get over that part of your childhood? Een aantal van de dingen die je me presenteerde om na te lezen klonken voor mij zó evident. Ik kon me niet voorstellen dat iemand als jij, die ik altijd op een hoger niveau dan mezelf had gezien, nog altijd bezig zou zijn om dingen te ontrafelen die ik ondertussen al jaren achter me had gelaten.

Ik zal nooit weten of ik het bij het rechte eind had, of dat jij gewoon een heel fundamenteel aspect van ons mens-zijn – de conceptie van de ziel, de relatie van kinderen met hun ouders en de manier waarop hen dat vormt en in zekere zin bepaalt voor de rest van hun leven – wilde uitdiepen tot op een niveau waar het voor mij zijn relevantie verloor, omdat mijn weg nu eenmaal gewoon een andere was dan de jouwe.

Hoe het ook zij, de conversatie verstomde. De voorgestelde nieuwe afspraak kwam er niet. En de stilte trad in. Drie jaar. In diepe vriendschappen niet eens zó veel. Maar genoeg om blijkbaar opnieuw ziek te worden, af te takelen, en in stilte te sterven.

Vorige week nog vroeg ik me af of ik toch niet nog eens contact moest opnemen, kijken hoe het met je ging. Het is te lang geleden, dacht ik. Het moet ongeveer het moment geweest zijn dat jouw familie mijn adres vond in je archieven en besloot mij een bericht van je overlijden te sturen.

Je laatste verblijfplaats was een palliatief centrum, leer ik als ik de naam opzoek van de instelling die bedankt wordt in je overlijdensbericht. Is de kanker uiteindelijk toch teruggekomen? Heeft iets anders het leven uit je weggevreten?

Ik kan me alleen maar afvragen: waarom heb je me niets laten weten? Ik zou gekomen zijn. Ik zou mijn tweelingzus begeleid hebben tot waar ze moest gaan.

K's Choice_103.JPG

Sherry, ik kom je overal tegen hier in huis. De amethyst die je me gaf, straalt op het kastje op de overloop. De hopeloos onpraktische toiletrolhouder in de vorm van een engel (geen rol die daarin past, tenzij hij al half opgebruikt is) houden we koppig in dienst.

Ik weet niet eens of ik een foto van je heb. Misschien sta je ergens, in een lade vol analoge prints, op de achtergrond. Een huwelijk, een feestje? Ik zal je gezicht waarschijnlijk tegenkomen op een moment dat ik het het minst verwacht. Of misschien ook niet. Maar ik heb geen foto nodig, ik herinner me nog perfect hoe je eruit zag. Je magere, bijna uitgeteerde lijf, de pezige holte aan je keel, het blauw van je ogen en het blond van je haren. Ik herinner me je stem, hoog en een beetje gebroken. Ik herinner me de twinkeling in je ogen toen je binnenviel op de house warming van het huis in Aalst dat Christophe en ik als eerste stap in ons leven samen hadden gehuurd, en hoe je daar iedereen charmeerde, je grote rieten mand naast je stoel zette, je wollen mantel die dienst deed als jas opzij sloeg en om een glas water vroeg. Je geraakte aan de praat met deze en gene, en ik holde van hier naar daar in de drukte. Na een half uur herinnerde je me luid en duidelijk ten aanzien van de hele kamer aan wat ik je bij het binnenkomen al beloofde: ‘Kirstin, could I please have my drink?’
Hilariteit.

Dat is hoe ik me jou zal herinneren.

Farewell, big sister.
Till we meet again.