Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

De Toren en De Ster

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~8~


Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Als schrijver word ik er duchtig mee geplaagd. Als mijn lieve vriend Jurgen Walschot, de illustrator, het zegt, klinkt het ongeveer als: wie léést die teksten ooit? Waarna hij een spreekwoordelijk kussen naar zijn hoofd krijgt.

Maar het klopt wel: beelden kunnen een gelaagdheid en een diepgang presenteren die in een oogopslag te vatten is en vaak zelfs zintuiglijk binnenkomt. Ik hou van sterke beelden.

Een bijzonder systeem van beelden dat ik heel erg waardeer, is de tarot. In oorsprong Middeleeuwse kaarten met symbolische afbeeldingen, waarvan de wortels mogelijk nog veel verder teruggaan in de tijd.

De tarot is een spiegel van de menselijke persoonlijkheid in al haar facetten. Elke kaart beeldt een stuk van onze ontwikkeling uit, ons karakter, onze behoeften, gewoontes, obstakels, talenten. In weerwil van het populaire geloof heeft tarotkaarten trekken weinig te maken met wat er in de toekomst ligt, maar alles met het heden: wie we nu zijn, waar we vandaan komen, hoe we in deze positie geraakt zijn. Het is een spiegel, in gelaagde tekeningen.

Er zijn twee tarotkaarten waaraan ik de laatste weken voortdurend loop te denken: De Toren en De Ster.

De Toren stelt een bouwsel voor dat getroffen wordt door een blikseminslag. Het is een ramp, een ravage. Er vallen zelfs mensen uit die toren naar beneden, een soort middeleeuwse Twin Towers. Het bouwwerk staat symbool voor onszelf, of iets in ons leven dat we opgebouwd hadden, wat nu met grote kracht verwoest wordt.

Toch is de betekenis van de kaart niet zo negatief als op het eerste zicht lijkt. Want die hele toren was in feite een nogal gammele constructie: een geïmproviseerd bouwsel (wie weet op voorhand écht waar hij heen wil in het leven?), de mankementen die zich voordeden in de loop van de jaren werden al dan niet deftig gerepareerd, sommige delen moesten wat gestut, er werden compromissen gemaakt… Dat rommeltje, hoe graag we er ook woonden, is nu door de bliksem verwoest. En die bliksem staat symbool voor iets wat groter is dan onze persoonlijkheid, iets wat het beter weet dan de hoogmoedige bouwers die we, zelfs met goede bedoelingen, onvermijdelijk zijn.

(c) Inaya photography

Wat wel stevig en solide was aan onze toren, de funderingen, de diepe basis, een steunmuur of twee, misschien, blijven overeind. De uitnodiging is om op de fundamenten een beter bouwwerk op te trekken.

Velen van ons zagen de afgelopen weken bliksems inslaan en torens instorten. Sommige klappen kwam hard aan: economisch, financieel, persoonlijk. Hele segmenten van de samenleving liggen gevloerd na de uppercut die corona heet, of in de nasleep van de maatregelen om het in te dijken. Het stof van de instortingen is nog lang niet gezakt. In het beste geval kunnen we pas nu beginnen met puin ruimen.

Maar laten we proberen niet te diep te treuren over wat niet meer overeind staat. Laten we dromen van een beter bouwwerk, kleiner misschien maar meer solide, en dichter bij onszelf.

(c) Inaya photography

Want vanuit een breder perspectief bekeken, arriveert De Toren in de tarotcyclus ook op het typische moment dat we in een mensenleven vaak de midlife crisis noemen: de diepe fase van twijfel en zoeken naar zingeving. En de uitkomst van beide processen (de wederopbouw en de zoektocht naar zingeving) is dezelfde: een sterkere, diepere, meer waarachtige versie van onszelf.

Aan die uitkomst wijdt de tarot de kaart die op De Toren volgt: De Ster. Het is waar we uitkomen als we de gevolgen van de blikseminslag durven omarmen.

De Ster stelt een naakte vrouw in de natuur voor, die in het licht van de sterren het water uit haar kruiken over de grond en in een vijver laat stromen. Ze is puur en kwetsbaar. Ze heeft niets te verbergen, niets te beschermen. Ze is in diep contact met zichzelf, met haar omgeving, met de kosmos. Ze schenkt gul het water uit haar kruiken, en ze heeft rechtstreeks toegang tot de bron. Het is een beeld van diepe eenvoud, en enorme overvloed.

Ook ik sta op dit moment even te bekomen tussen het puin van een ingestorte toren. Het stof zakt al een beetje. Ik haal diep adem, en ik weet dat op ontelbaar veel plaatsen in de wereld op dit moment mensen hetzelfde doen.

Elk van onze verhalen is anders, maar laten we samen puin ruimen. Laten we denken aan de zachte eerlijkheid die geen bescherming nodig heeft, de kwetsbaarheid die gul kan schenken aan de wereld, vanuit verbondenheid en vertrouwen, in het licht van de sterren.




De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

Virusje spelen

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~7~

Okay, this is when the gloves come off.

Ik was een jaar of twintig toen ik in een cinemazaal Hugo Weaving tegen Lawrence Fishburne zag zeggen: ‘Human beings are a virus.’ Het was een eye-opener zoals je er maar een paar in je leven krijgt, en ik ben nog altijd van mening dat de Wachowsky brothers het toen bij het rechte eind hadden. The Matrix werd de standaard voor alle actiefilms met special effects die ooit nog zouden volgen. Maar het zijn ook hun ideeën die wortel hebben geschoten bij generaties kijkers.


Agent Smith is als personage een regelrechte creep, maar metaforisch heeft hij met zijn uitspraak gewoon gelijk. De menselijke soort gedraagt zich op het niveau van de planeet als een virus in een lichaam. We nemen in razendsnel tempo meer oppervlakte in dan goed is voor het geheel, we vervuilen en tasten elke biotoop aan waar we ons vestigen, putten de voorraden uit en geven onze gastheer niet de kans zich voldoende te herstellen.

Een lichaam zal zijn uiterste best doen om het virus te verslaan, of eraan bezwijken. In beide gevallen sterft het virus zelf ook – tenzij het een nieuwe drager vindt. Aangezien wij als menselijke soort niet meteen een planeet B hebben om te besmetten – pardon, naar te verhuizen – zouden we dus beter twee keer nadenken. Het wordt tijd dat we stoppen met het virus uit te hangen.

Eén manier om dat te doen, is de dood herwaarderen.

(c) Inaya photography

Okay, let’s rewind.

Er is niets mis met de dood.

In tijden als deze, waarin we bang gemaakt worden met sterftecijfers en er op elke straathoek wordt gezwaaid met de heiligheid van het menselijk leven, klinkt die uitspraak wellicht nogal cru. Maar we kunnen niet om de simpele natuurwet heen: de dingen groeien tot ze uitgegroeid zijn. Dan gaan ze dood, vallen ze uiteen en worden ze voeding voor al wat na hen komt. De dood is nódig, op elk niveau. Een cel die zich ongebreideld blijft uitbreiden, is een kankercel. De dingen moeten ergens eindigen, zodat nieuwe dingen kunnen groeien. De dood is de compagnon van het leven, niet de tegenstander.

Dat we dat als mensen niet zo fijn vinden, heeft vooral te maken met hoe we onszelf door middel van slimme verhalen hebben overtuigd dat we boven de natuur staan, en dat we dus ook boven de dood zouden moeten staan. Als individu én als soort. Het is precies daarom dat we zonder het te beseffen virusje zijn gaan spelen.

Maar we staan helemaal niet boven de natuur, leert corona ons. Niks van. We zijn er een piepklein, zij het eigenwijs, deeltje van. En we gaan nog altijd allemaal dood. Aan ouderdom. Aan ongelukken. Aan een virus. En dat is, hoe triestig we dat ook vinden, prima.

Let wel, de diepe eenzaamheid van zwaar zieke mensen deze dagen vind ik absoluut niet om mee te lachen. We kunnen niet tegenhouden dat we doodgaan, maar we hebben verdomd wel een hand in de manier waarop. En bij sommige middelen die we inzetten om deze pandemie aan te pakken heb ik fundamentele twijfels op vlak van verbondenheid en welbevinden.

(c) Inaya photography

Maar de dood zelf vind ik geen vijand. Ook niet als hij komt door Covid-19. Wat dit virus ons ontnomen heeft, schrijft de Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer, die van in Italië de diepste ellende van nabij meemaakt, is onze illusie van controle. Niet de controle die we hadden, maar de illusie dat we ze ooit hadden.

Uit dromen moet je wakker worden. Dus laten we de dood verwelkomen. Niet als een spook met een zeis, een vijand om tegen te vechten, maar als een vorm van balans. Als een wake-up call die ons leert dat alles grenzen heeft. We zijn aan het ontwaken, net als Neo in The Matrix, in de echte wereld. Dit is het moment om Agent Smith te bewijzen dat hij ongelijk had. En snel wat.

Okay, let’s accelerate.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Werelden verbinden

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~6~

Vandaag lees ik zoals beloofd een stukje voor uit mijn nieuwe boek, De wortels van de wereld.
Wat voor boek het precies is? Hm.

Ik hou niet van het woord kinderboek. De beste verhalen zijn leeftijd-loos. Ze hebben misschien een ondergrens (een leeftijd waaronder je te jong bent om het verhaal te begrijpen) maar ze hebben geen bovengrens. Soms kun je pas als volwassene alle lagen appreciëren die de schrijver erin stak. Dus ik noem dit boek, net als De serres van Mendel, zijn voorganger, een verhaal voor gevoelige zielen van 10 tot 110.

De wortels van de wereld is een boek over het snijpunt waar werelden elkaar ontmoeten.

In de ene wereld leeft het meisje Reya, samen met de oude Mendel, in een immens complex van koepels en serres. Er zijn meren en mangrovewouden, moerassen en oerwouden. In die enorme overkoepelde biotoop worden de werelden bewaard – letterlijk, in plantvorm: een universum aan zaden, bloemen en mogelijkheden.

In een andere laag van de werkelijkheid woont Robin, een jongen die ooit een tijdje bij Reya en Mendel in de serres verbleef en toen Reya’s beste vriend werd, maar zich daar nu niets meer van herinnert.
Hij is teruggegaan naar waar hij thuishoort en is opgegroeid zoals dat hoort: bij twee ouders, in een woestijndorp waar iedereen, ook de kinderen, aan het werk gezet worden tussen de sloopresten van een grote werf zodra ze daartoe in staat zijn.

Op het moment dat het verhaal in dit boek begint, is Robin twaalf. Hij krijgt flitsen van de serres in zijn hoofd. Wie is dat meisje – Ree heet ze, gelooft hij – dat hij tussen de planten ziet dansen? Ze praat tegen hem, valt te pas en te onpas zijn leven binnen. En wat moet hij met dat bizarre talent in zijn handen, dat hem in staat stelt dingen bijna vanzelf uit elkaar te laten vallen, en dat hij volgens sommigen maar beter verbergt?

In Reya’s wereld vindt een ramp plaats: de serres raken besmet door een ziekte. Ook Mendel zelf wordt levensgevaarlijk ziek. Reya moet haar veilige stolp verlaten om hulp te vinden. Ondertussen zoekt Robin naar een manier om terug te keren naar de plek waarnaar hij werkelijk verlangt.

Ik zou, met de column van vorige week in gedachten, een stukje over de plaag in de serres kunnen lezen: een natuurkracht die als een vloedgolf alle zekerheden van onder Reya’s voeten maait en haar dwingt haar veilige, overkoepelde wereld te verlaten. Maar dat ga ik niet doen. Van dat soort ontwrichting hebben we vandaag al meer dan genoeg. Dus ik neem jullie graag mee naar een andere lijn van het verhaal, iets wat we veel harder nodig hebben: het punt waarop Robin, afgedaald in de grot van de voorouders tot op het diepste punt waar hun tekeningen op de wanden staan, en met de stem van Ree als een constante compagnon in zijn hoofd, begint te begrijpen waar de kracht in zijn handen eigenlijk voor dient: het vertellen van zijn eigen verhaal, het verbinden van werelden.





De wortels van de wereld ~ fragment

Robin loopt naar de natuurlijke nis in de rotswand, een dieper gelegen stuk dat hij tot nu toe niet opgemerkt had. Die nis is één grote verzameling van handafdrukken, in alle formaten, in zwart en rood en oranje en grijs en alle kleuren daar tussenin. Het is bijna alsof ze naar hem zwaaien. Alsof een heel volk in het diepste punt van de grot heeft willen zeggen: wij zijn hier geweest.
Wij zijn hier geweest. En we zijn hier nog. Want jij ziet ons.
– Dat ben ik niet, fluistert Ree. Dat zijn zíj.
Hij loopt naar de nis en blijft een duimbreedte van de rotswand staan, tilt zijn hand op, aarzelt. ‘Als ik nu mijn hand op de rotswand leg, zou ik ze dan kunnen voelen?’
– Ik geloof het wel, knikt Ree.

‘De wortels van de wereld’, p.32-33



Hoe massief de wanden om hem heen ook zijn, op deze plek lijkt de rots niets meer dan een dun vlies. Aan de andere kant strekt zich net als hier een wereld uit waarin gebeurtenissen steeds verder afdrijven vanuit dit punt, zoals rimpels in het water zich verspreiden of jaarringen van een boom steeds breder groeien vanuit de kern.
Robin legt hij zijn handpalmen tegen de rotswand.
Kom, jonge wever. Voel ons en vind jezelf. Dit is waar alles herbegint. Want zolang er iemand is die de lijnen kan lezen, gaat het verhaal door.
De warme gloed zindert door Robins lichaam, dan begint die door zijn handen ook weer naar de rots terug te stromen. Hij hoeft er niets voor te doen, het is zo natuurlijk als ademen. En hij voelt hoe de grot als een levende stroom langzaam om hem heen wentelt, een stenen sterrenstelsel, een universum van rots.
Wat is steen anders dan gestolde tijd? Wat is tijd anders dan ontelbare lagen van leven, gestorven, bezonken, opeen geperst en weer aan het licht gebracht?

Een na een lichten de tekeningen op de wanden op. Hun vormen gloeien en golven, gevormd in de stroom van de rots zelf, door handen als die van hem, die wisten hoe ze dat moesten doen. Ze vertellen over werelden in het hart van zandkorrels, over beschavingen die kwamen en gingen, over de droom van één enkele bloem, over sterren die als stuifmeel uitgestrooid liggen in de nachtelijke hemel.
Sommige verhalen klinken heel zacht, oud en erg ver weg. Andere zijn helder als een bel, vers en dichtbij. Ze zijn allemaal springlevend, alleen op een andere laag van het gesteente dan die waar hij zich bevindt.
– In een andere jaarring van de boom, lacht Ree, langs een andere bocht van dezelfde spiraal. Of van een spiraal die deze kruist. Ze danst langs de wanden, van tekening naar tekening.

Robin in de grot (detail) uit ‘De Wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


En als twee spiralen van licht elkaar kruisen, kun je dan oversteken van de ene naar de andere? Kun je reizen van een laag in het gesteente naar een diepere, als waren het kleuren in een dampkring, wentelingen in een sterrenstelsel, en neerstrijken op de plek waar je hart naar hunkert?
Robin kan onmogelijk zeggen hoe ver hij gaat, of hoe lang dit ogenblik duurt. Tijd en afstand zijn niet alleen te meten in lengte, begrijpt hij, maar ook in diepte.

In zijn zak voelt hij plots zijn geboortesteen gloeien. Hij haalt hem tevoorschijn en weet wat hij gaat zien. Het warme licht in de kei is precies hetzelfde als wat door de rotswanden stroomt.
Wie jou gemaakt heeft, denkt hij, was net als zij.
Ree slaat zachtjes haar armen om hem heen.
– Net als jíj.

een knappe, langere, live versie van hetzelfde nummer als hierboven



Robin in de grot, uit ‘De wortels van de wereld’ (c) Jurgen Walschot


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

De vloedgolf en de grot

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~5~
(c) Inaya photogrpahy


Ik onthoud mijn dromen zelden. Of zelden langer dan tot aan het ontwaken. Maar er is één droom die in verschillende vormen al een aantal keer is teruggekomen.

Op een ochtend eind januari 2020 schrijf ik er het volgende over, op de eerste bladzijde van een nieuw dagboek:

Vannacht had ik een droom zoals ik er in de afgelopen jaren vaker heb gehad: vanuit mijn huis zie ik een enorme vloedgolf aankomen, een massieve muur van water. Ik sluit alles af, zoek dekking, krul me op in een hoekje. De golf arriveert. Ik voel het huis daveren maar het houdt stand.

Ik kom er ongeschonden uit, elke keer. De dromen zijn spannend maar niet beangstigend als nachtmerries. Het huis ziet er elke keer anders uit, en ik ben zelden alleen maar de anderen hebben niet altijd een naam of een gezicht. Dit keer is alles herkenbaar: het huis is een kruising van plaatsen waar ik als kind woonde of vaak kwam, en de mensen die bij mij zijn, zijn mijn gezin.

Deze keer gaat de droom uitzonderlijk ook door nadat de vloedgolf gepasseerd is. We lopen om het huis heen. In de tuin naast het huis (je weet hoe landschappen veranderen in dromen, wat eerst een gebouw met zicht op zee was, is nu een huis in een bos) is een volwassen boom geknakt, midden in de stam. Dat van die boom was te verwachten, zegt mijn man. We lopen verder door de tuin die een bos is en vervolgens ontdek ik, half ondergronds, het indrukwekkende wortelstelsel van een andere boom, die daar altijd al moet hebben gestaan maar mij nooit eerder was opgevallen. Onder zijn wortels lijkt het wel een grot, met een gewelf.

De droom met de vloedgolf, wanneer hij zich ook aandient, arriveert altijd aan de vooravond van zeer krachtige en transformerende momenten in mijn leven. Natuurlijk kan ik dat op het moment zelf niet met zekerheid zeggen. Maar omdat ik mijn dagboek al jaren bijhoud, weet ik intussen dat het echt zo is.

Soms overvalt verandering ons. Als een storm, een vloedgolf, een natuurkracht.

(c) Inaya photography


Mijn droom leert mij dat ik dat overleef. De krachten die op mij inwerken, kunnen enorm zijn, maar mijn innerlijk (het huis) houdt stand. Sommige andere dingen, hoe robuust ook, overleven dat niet, worden midden in hun groei geknakt om het nooit meer te boven te komen. Wat overbleef van de boom in de tuin van mijn droom, was een zuil van een stam die met een kroon van gesplinterde punten naar de kruinen van de andere bomen priemde.

Maar het belangrijkste element van de droom was dit keer het gewelf van wortels. De oude, diepgewortelde wijsheid die zich in het onderbewuste van de aarde zelf bevindt en zich openbaart door mij toe te laten.

En er is nog iets.

Eind januari, toen de eerste zachte ritselingen van Covid-19 opdoken in de media, was ik niet alleen begonnen in een nieuw dagboek, ik was ook volop aan het schrijven aan mijn nieuwe boek. Dat verschijnt in augustus en zal De wortels van de wereld heten. Het gaat over de kwetsbaarheid van dingen die we graag zien, en hoe een natuurkracht alles van het ene ogenblik op het andere op de helling kan zetten. Wat vertrouwd was, verandert onherroepelijk in iets wat niet langer herkend wordt. De bakens van veiligheid en zekerheid vallen weg. Maar de diepste, oudste wijsheid, in de wortels van de wereld zelf, komt in het verhaal binnen bereik van wie durft afdalen naar de grot.

Volgende week lees ik er u hier in deze column een stukje uit voor. Want ik heb het gevoel dat het, net als mijn droom, wel eens onwaarschijnlijk toepasselijk zou kunnen zijn voor waar we nu allemaal samen doorheen gaan.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Fantoompijn

De wereld wordt nooit meer zoals hij was, zeggen ze.

(c) Inaya photography


Vanuit mijn veilig holletje, in een huis met een tuin die elke dag mooier wordt, met voorraadkasten waarin ik niets tekort kom, een gezin dat ik graag zie en familieleden in binnen- en buitenland die het goed stellen, is het moeilijk mij daar een beeld van te vormen. Of nog simpeler: ik kan dat niet.

Dit zijn Schrödingerdagen – dagen waarop alles mogelijk lijkt en niets nog kan.
Dit zijn dagen waarin de toekomst gloort met de hartverwarmende hoop van een bocht richting duurzaamheid, en tegelijk elke ontsnapping uit het neoliberale virus dat de planeet sloopt een illusie lijkt geworden.

Het zijn dagen dat ik mezelf de grootste gelukzak ter wereld vind. Het zijn dagen dat ik de muren oploop.

Het zijn dagen dat ik mezelf betrap op het verlangen naar een terugkeer naar wat ‘normaal’ is. Maar eigenlijk wil ik dat ook niet. Want ‘normaal’ was een ecologische en humanitaire ramp, een droom van blinde economische machtswellust, met de mens als losgeslagen virus op een koortsig belegerde planeet.

Het zijn dagen waarin ik ongerust ben voor wat de Machten die deze wereld besturen zullen beslissen, over onze hoofden heen. Ik ben bang dat alles teruggaat naar het oude. Ik ben bang dat niets nog teruggaat naar het oude.

Mijn hele leven jeukt en schuurt.

Ik lijd aan fantoompijn, geloof ik. Alleen weet ik nog niet zeker of de ledemaat die ik voel jeuken écht geamputeerd werd, of gewoon even buiten gebruik is gesteld.

Ik weet niet welke van beide scenario’s ik verkies.

Ik zie de wereld dezelfde blijven als hij altijd al was.
Ik zie de wereld onherroepelijk veranderen, en al onze levens erbij.

Gelukkig brengt de natuur raad, zoals altijd. In wat voorbij is, schuilen altijd de zaden van een nieuw begin.

En ik koester, bij gebrek aan beter, mijn fantoompijn als een springlevende vorm van herinnering.

(c) Inaya photography

Mensen lijken op vogels

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~4~

Ik zit op het terras en ik worstel me door een taai hoofdstuk van het nieuwe boek dat ik aan het schrijven ben. Ik vraag me af wanneer ik het in mijn handen zal houden. Normaal gezien verschijnt het dit najaar, maar er is eventjes niets meer normaal of vanzelfsprekend in mijn wereld. Mijn horizon voor projecten en plannen bedraagt op dit moment welgeteld een week.

Boven mijn hoofd en langs mij heen vliegen de vinken, mezen en mussen over en weer. Van de haag naar het nestkastje, van de takken van de bomen naar het vogelvoer en weer terug. Ze verjagen elkaar, ze tolereren elkaar, ze eten en fladderen weer weg. Ik hoor het getik van scherpe bekjes, het geruis van vleugeltjes.

‘Is het jou ook opgevallen’, vraagt een vriendin uit Limburg mij, per mail uiteraard, ‘dat de vogels zoveel vrijer bewegen? De natuur neemt terug wat van haar is, nu de mensen massaal binnen blijven.’ Ik ben een natuurmens. Maar om eerlijk te zijn: nee. Ik zie het niet.


Wij wonen op een bel-étagewoning en de laagste takken van onze eiken strekken zich uit als een natuurlijke parasol op grijphoogte. De hele
winter en een groot deel van de lente hangen we daar vogelvoer. Het is soms een drukte van jewelste op ons terras. We spotten er merels, vinken, drie soorten meesjes, een winterkoninkje, een roodborstje, een boomkruiper. En sinds de buren een eind verderop in de straat hun haag vervingen door hekwerk met draad, geeft onze tuin met zijn struiken en verstopplekjes ook onderdak aan een zenuwachtige mussenfamilie. De tortels en bosduiven tellen we niet mee, noch het kauwenparlement in de populieren aan de andere kant van het veld, die zitten er altijd.

Nu en dan laat de bonte specht zich zien, die is ook niet vies van wat vogelvoer. Zelfs het koppel eksters dat hier al jaren woont en broedt, komt de laatste tijd naar beneden en kan in één enthousiaste schranspartij een kwart van een vetbol wegwerken als ze niet gestoord worden door beweging achter het raam.


Met het eerste mooie weer ben ik ook op het terras gaan zitten, om te schrijven dan. Aan dat boek, weet u wel. Eerst schrokken de vogels daarvan. Het was aandoenlijk hoe ze tussen de toen nog bijna kale takken over en weer vlogen, piepend naar elkaar dat daar plots een mens zat, een mens! zo dicht bij hun maaltijd. Die mens bewoog zich niet, weliswaar, maar ze keek niet alleen naar dat schrift of dat scherm voor haar, ze hield ook hen in de gaten. Takje na takje hupten ze dichterbij – en soms weer weg – tot de eerste dappere toch durfde te komen eten. Twee hapjes van de vervaarlijk schommelende mezenbol, en weg maar weer!

Mensen lijken op vogels. Want we wennen verbazend snel aan nieuwe omstandigheden. Na amper twee dagen fladderen de vogels vrolijk af en aan en hangen ze op amper een dikke meter van mij aan de overgebleven wintervoorraad.

Voelen die vogels het verschil, vraag ik me af, tussen ons gewoonlijke geraas en de kalmte van de wereld nu? Zelf hoeven ze zich geen vragen te stellen over waar hun toekomst naartoe gaat. Ze vangen insecten, pikken een graantje mee van ons terras, en binnenkort gaan ze zitten broeden. Dan wordt het pas hectisch voor hen. In de vroege zomer zien we hier traditioneel het mezenkoppel uit het nestkastje onafgebroken aanvliegen met mondenvol vers groen rupsenvoer voor de kleintjes, recht van tussen de eikenbladeren geplukt. Boven onze hoofden, jawel.


Want wat mijn lieve vriendin ook zegt, dit is niet het eerste jaar dat de vogels eerst een beetje van ons schrikken en vervolgens voor de rest van de lente en de zomer het terras met ons delen. Ik vermoed dat zij het nu gewoon beter opmerkt. Want dat is zeker wél een effect van deze quarantaine.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.