Het grote afscheid

Breuklijnen, een verlopen visum en een cadeautje

Ik sta al aan de auto met het pannetje als ik me bedenk. Ik keer op mijn stappen terug.

(c) Inaya photography



Ik kan het niet helpen, maar dit voelt als de zomer van het Grote Afscheid.

Het verleden is een land waar we plots niet meer naar terug kunnen. Ons visum ervoor is definitief verlopen en de enige manier waarop we het nog kunnen bezoeken, is in herinnering.

Natuurlijk staat het leven nooit echt stil. Er zijn onophoudelijk verschuivingen, er komen dingen bij en er verdwijnen andere. Maar wat ik nu voel, is dieper, breder, definitiever.

Covid-19 is een aardverschuiving die een barst in het landschap heeft laten ontstaan, zoveel is zeker. Maar er is meer aan de hand. Onderhuids voelt het alsof er een veel grotere verschuiving bezig is, waarvan het virus en al wat het meebracht slechts een zeer zichtbaar en goed herkenbaar symptoom aan de oppervlakte is.

Ik zie het overal, in grote en kleine dingen.



Ik neem afscheid van de jonge kindertijd van mijn zoon die onherroepelijk voorbij is.
Mijn relatie met (schoon) ouders bevindt zich op het kantelpunt van wie precies voor wie moet beginnen zorgen. De omslag is nog niet gemaakt, maar de robuustheid en kracht om alles te torsen die we vroeger bij hen vonden, ligt nu bij ons.
Het is duidelijk dat we voor het laatst naar de vakantieplek van mijn jeugd zijn geweest, die mij al sinds mijn kindertijd dierbaar is en waar we met onze zoon als zuigeling nog heengingen omdat het er zo weldadig rustig was. Ze is in naam van zogenaamde ‘ontwikkeling’ onder de voet gelopen door geld en vastgoed, en ik werd verscheurd door diepe heimwee naar de vroegere oase van kalmte en soberheid.

Ik mis de manier waarop we vorig jaar de boekvoorstelling van De serres van Mendel voorbereidden, en ik mis de dierbare mensen die ons begeleidden doorheen de eindredactie van dat boek. Ik mis het gevoel dat alles mogelijk was, en hoe vanzelfsprekend het toen was om een evenement te organiseren voor een kleine honderd man in een gesloten locatie.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot op de Boekenbeurs van 2019, een event dat dit jaar niet doorgaat en vorig jaar misschien voor het laatst in die vorm heeft plaatsgevonden.



Ik mis de samenleving zoals ik ze kende. Niet omdat ze perfect was, maar omdat ze vertrouwd was en het vertrouwde is altijd makkelijker dan iets nieuws, zeker als dat nieuwe gehavend aanvoelt.

En ik kan me niet van het idee ontdoen dat er heel veel mensen aan gelijkaardige processen bezig zijn. Mensen die onverwacht geliefden verloren en nu met uitstel moeten rouwen. Die plots hun werk kwijt zijn of van wie de jobsector op apegapen ligt en die een gedwongen nieuw begin moeten maken. Die van hoge tronen vallen en heel diep landen. Die plots zieke of behoeftige familieleden moeten verzorgen. Die omwille van de veiligheidsmaatregelen essentiële stukjes van hun leven nog altijd niet kunnen opnemen. Die de trauma’s van hun kindertijd onder ogen zien en de wereld en zichzelf met andere ogen bekijken.

Ik zie bewustzijn groeien, als een vlam in het duister. Ik zie een krachtige massa in opstand komen tegen de structurele onrechtvaardigheid die diepe, oude, etterende wonden heeft geslagen en verandering eisen. Ik zie hoe even diepe en oude angst en onwetendheid en onverdraagzaamheid zich steeds dieper uitzaaien als een ziekte.

Dit zijn geen kleine verschuivingen, dit zijn breuklijnen.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot



Soms hebben boeken, net als films, een tagline: een zin die een diep motief uit het verhaal blootlegt. Tijdens het schrijven van De wortels van de wereld werd het me geleidelijk duidelijk dat dit boek er niet één heeft, maar drie. En ze zijn alle drie even relevant voor ons leven vandaag.

  • Alles is met alles verbonden.
  • Sommige dingen kun je niet meten in lengte, maar in diepte.
  • Doodgaan is niet altijd slecht. Zo komt er ruimte voor iets nieuws.

De eerste is een echo van een idee dat geplant werd in De serres van Mendel en nu alleen maar pertinenter geworden is. De tweede raakte ik eerder al even aan in een eerdere blog. De derde is waarover het hier gaat.

Er komt ruimte voor iets nieuws. Of dat iets moois wordt of niet, dat weten we nog niet. We zullen het ermee moeten doen. Ik voel geen angst, en als ik al ongemak ervaar, dan is dat het gevolg van een niet-weten in verband met de toekomst.
Op dit moment voel ik alleen afscheid. Ik bezoek het land van mijn herinneringen, ik kijk naar de onverwacht afgesneden paden om mij heen. Ik zie het stof neerdalen en maak een inventaris op van wat er nog kan, of niet meer. Ik voel heimwee of verdriet of gemis, en ik laat dat toe. Dat volstaat voorlopig.

En soms komt het in de vorm van een cadeautje.

Het pannetje (c) Inaya photography



Mijn zus en haar man verhuizen van een mooi huurhuis naar een eigen woonst. Nog een fase die ten einde loopt, realiseer ik me terwijl ik ze help inpakken. Ze geven allerlei dingen weg. Potten en pannen onder andere, niet geschikt voor de inductieplaten van de keuken waar ze heen gaan.
In hun uitzet bevinden zich nog twee kleine steelpannetjes van gietijzer en twee kookpotten uit mijn moeders servies. Die wil ik graag. Ze vervolledigen het gedeelte van mama’s keukengerief dat ik zelf ooit kreeg.

Bij de pannetjes aarzel ik. Ik ben geen sausmens, ik zal ze nooit gebruiken, zeker niet in tweevoud. Maar ik wil er toch eentje. Een is wat blanker van bodem. Ik herken het donkerder patroon op de bodem van het andere, en ik sta weer als adolescent melk te warmen in dat pannetje, dat altijd op het randje van aanbrandde, en dat zwaar en heet was in mijn onervaren handen als ik de melk zonder morsen probeerde over te hevelen in een kop.

Het pannetje van mijn jeugd is een beetje gehavend, er is hier en daar wat verf weg, misschien iets wat lijkt op een roestplek. Ik kies het blankere pannetje. Als ik toch nog eens saus zou gaan maken, dan is dat misschien beter bruikbaar.

Ik sta al aan de auto als ik voel dat het niet klopt. Ik gá geen saus maken. Ik wil gewoon dat donkere bodempatroon kunnen blijven zien, omdat ik het herken, omdat het een tastbaar aandenken is van het land waarvoor ik geen visum meer heb. Ik keer op mijn passen terug en ga recht naar de keuken. Mijn zus knikt en glimlacht als ze ziet wat ik doe. ‘Ik herken het ook’, zegt ze.

Er mag ruimte komen voor iets nieuws. Dat is onvermijdelijk, en vaak ook wenselijk. Maar zelfs in een landschap van breuklijnen en versperde wegen, van ingestorte muren en neerdalend stof, wil dat niet zeggen dat er geen kleine aandenkens blijven om te koesteren.

Op de weg naar huis heb ik het pannetje op schoot. Mijn duim glijdt over een van de bekjes waarlangs je de vloeistof kunt uitgieten. De verflaag is glad. Ik aai erover, heel de weg naar huis. Ik neem afscheid.

Detail uit de live tekening van (c) Jurgen Walschot

De Diepe Stroom

(c) Inaya photography



Een adempauze. Dat is hoe dit nu voelt.

Corona heeft een loep gezet op allerlei dingen die al lang bezig waren, in de samenleving, in onszelf, in de wereld. Het beeld dat uitvergroot tevoorschijn kwam, was lang niet altijd fraai. Maar het was een spiegel waar we in moesten kijken en of we er nu iets mee doen, is aan ons.

Zelf ging ik in een soort van winterslaap, een traag kluizenaarschap. Leven in de lockdown had iets van een cocon, waarin de rups zichzelf spint om uiteen te vallen en vervolgens te herrijzen als vlinder. Ik ben vertrouwd met dat soort diepe afbraakproces, ik ging er jaren geleden al een keer doorheen, maar nu was ik blijkbaar toe aan een nieuw rondje. Minder heftig, minder verbijsterend, zachter dan de eerste keer, maar zeer, zeer diep.

Nachtelijk zelfportret (c) Inaya photography



Ik had er na het vinden van mijn vleugels en het luchtruim een paar bijzonder intense en rijke jaren op zitten. Ik ben thuisgekomen bij mezelf, bij anderen en bij mijn werk in de wereld. Ik heb mijn stem leren gebruiken en ik ben sinds ik de roep hoorde waarover ik schreef in mijn blog over het Plateau (zie link hierboven) non-stop in de weer geweest met datgene wat aan mij trekt en door mij heen stroomt.

Het is moeilijk te omschrijven wat dat precies is. Ik vind het in de immense verbondenheid met de natuur en de planeet. Ik vind het in alles wat ik schrijf en maak, in de samenwerkingen die ik aanga en hoe die altijd dieper gaan dan een puur professionele afspraak. Ik vind het in de bijzondere sfeer die ontstaat als ik voorlees aan kinderen uit Mendel en dan voel hoe er om ons heen iets begint te tintelen, te leven, te gloeien – veel meer en veel krachtiger dan ik zelf ooit voor ogen had toen ik het verhaal aan het schrijven was. Ik vind het in de intieme en kwetsbare Seizoenskringen die ik organiseer, in mijn vriendschappen, in de betekenisvolle gesprekken die ik mag hebben, in de lessen die ik geef. Maar het zit net zo goed in alle grote of kleine bezigheden van elke dag.

(c) Inaya photography



Ik kan er allerlei new-age begrippen op plakken die niet verkeerd zijn maar toch de lading niet dekken en ik heb lang gezocht naar een beter woord dan het containerbegrip ‘spiritualiteit’. Hoe vat je de ultrasone (en bij momenten infrasone) kracht die zich bevindt onder de oppervlakte van het dagelijkse in woorden, de onwaarschijnlijke zielsverbondenheden die zoveel verder en dieper reiken dan oppervlakkige sympathie en gedeelde interesses? Hoe vat je de onmetelijk complexe en subtiele synchroniciteiten die samen het web van het leven weven, en de scherpe rilling van vreugde als je merkt dat je daar even heel bewust door wordt aangeraakt?

Vandaag noem ik het de Diepe Stroom. Het is een soort ondergrondse rivier, ongezien maar aanwezig, een kracht die schijnbaar solide rotsen in vorm boetseert, die een massa aan gewicht en wijsheid bergt, die stille gronden heeft maar kan bruisen als een vrolijk bergbeekje, die wat onstabiel zit los wrikt en aan hoge snelheid kan verplaatsen, die wat dorstig is laaft vanuit de wortel.

(c) Inaya photography



Tijdens de lockdown werd de Diepe Stroom voor mij steeds prominenter aanwezig. Hij legde al mijn plannen stil, doorkruiste al mijn ambities en al mijn verwachtingen. Het begon met het gevoel van niet meer naar buiten te willen, twee weken voor de hele wereld stilviel. En vanaf dat punt ging het stelselmatig dieper. Hij nam me mee naar een meer van stilte, een cocon van duister en zacht niet-weten. Daar was alleen nog plaats voor vragen, niet voor antwoorden.

Wie wil ik zijn? Wat kom ik doen in dit leven? Wil ik iets betekenen? Wil ik de dingen waarvan ik dacht dat ik ze wilde eigenlijk wel? Of is dat niet echt zo en doe ik mezelf subtiel geweld aan door er telkens weer energie in te steken? Kan het voldoende zijn om hier te zijn, in dit huis, in deze tuin, bij deze mensen, om eten te maken, op te ruimen, te zorgen voor schoonheid en groeiende dingen en nooit meer naar buiten te gaan? Kan ik gelukkig zijn zonder de drang om gezien en goedgekeurd te worden? Waar lopen de lijnen van mijn hart, mijn engagementen, mijn zingeving? Waar is de kracht en de betekenis van dingen die mij aantrekken met een roep die steeds luider klinkt maar die ik niet altijd begrijp, zoals planten en andere wortelende dingen, wolken, dieren, versteend hout, botten, de fascinerende dynamiek tussen leven en dood, groei en verval?



Er waren veel vragen. Er waren geen antwoorden. Die zijn er op het moment dat ik dit schrijf nog altijd niet, maar dat is prima.
Ergens in de afgelopen maanden las iemand mij dit citaat van Rainer Maria Rilke voor (in het Engels, maar ik vind Rilke om eerlijk te zijn fantastisch in het Engels):

“Be patient toward all that is unsolved in your heart and try to love the questions themselves, like locked rooms and like books that are now written in a very foreign tongue. Do not now seek the answers, which cannot be given you because you would not be able to live them. And the point is, to live everything. Live the questions now. Perhaps you will then gradually, without noticing it, live along some distant day into the answer.”

(c) Inaya photography



Stilstaan bij de vragen en ze doorvoelen tot op de bodem, dat was het geschenk dat de Diepe Stroom mij bracht, gedurende heel deze lockdown. Ik heb ondervonden dat er op dat lange, vormeloze moment innerlijk veel meer gebeurt dan je zou denken, ook al doe je niets concreets. De krachten die je naar boven laat komen, gaan vanzelf met jou aan het werk, je moet ze alleen toelaten.

Intussen beginnen de dingen in de wereld stilaan weer wat te bewegen, en dat voelt als een adempauze en actieve teug frisse lucht tegelijk. Ik kom boven uit het diepe water, uit de stilte en de duisternis, en ik haal adem in lichtere tijden. Er zijn concrete projecten die weer wat aandacht en energie vragen, er waren tot heel recent lessen te geven, er fietsten een paar onverwachte en heel fijne engagementen tussen dat alles door. Het mocht allemaal. Ik heb het omarmd en dan weer losgelaten, als het ochtendlicht dat alles in de kamer in vuur en vlam zet voor een paar tijdloze ogenblikken en vervolgens weer opschuift en verdwijnt.

(c) Inaya photography



Ik heb geen idee wat de toekomst brengt. Ik heb nog altijd geen antwoord op mijn vragen. Maar ik heb ze ook niet nodig. Ik zet gewoon een stap, en dan nog een, en ik voel de Diepe Stroom die mij draagt en die door mij heen trekt. Hij weet waar ik heen ga, ik hoef niets te sturen.
En op een dag merk ik vanzelf wel dat de vragen opgelost zijn en ik hun antwoorden leef.

ZAAILING #85 – Werelden die wachten op genezing

Giant redwood @ Houtlab, Plantentuin Meise (c) Inaya photography



Een jaar geleden liepen Jurgen en ik langs de prachtige paden van Plantentuin Meise. We hadden juist een bezoek van de serres achter de rug met de mensen die hun schouders wilden zetten onder de boekvoorstelling van De serres van Mendel. Het was een zonnige zomerdag. We zaten vol goesting en inspiratie en we wilden het samen hebben over hoe een tweede verhaal er kon uitzien.

We hadden het idee voor een tweede boek al eerder uitgesproken, tegen de uitgever en onder elkaar. Zelf had ik niet meer dan een paar vage aanzetten in mijn hoofd, maar Jurgen had er echt al over nagedacht, zo bleek nu. Hij werd in zijn naast omgeving geconfronteerd met een zwaar ziek familielid en gooide een uitdagend idee op tafel: een plaag in de serres. En niet zomaar één: een ziekte die binnengebracht werd door een mens, maar die ook de planten aantastte. Hij had ook al een paar straffe ideeën over hoe dat er voor de personages en het verhaalverloop zou kunnen gaan uitzien.

We dwaalden door het park, we bezochten het Houtlab en we eindigden voor een koffie in de Tuinwinkel. Er ging een spervuur aan ideeën over en weer. Ik ken werkelijk niets wat mij diepere voldoening schenkt dan samen met iemand die ik graag zie een verhaal bedenken, brainstormen, een wereld creëren. Dat is alchemie van de allerbeste soort.

(c) Inaya photography



En nu staan we hier, een jaar verder. De wortels van de wereld verschijnt over twee maanden, eind augustus. En het is een beetje eng hoe relevant alles wat er in dit boek geslopen is, onbewust en spontaan en soms al maanden voor corona uitbrak, nu is voor de wereld zoals ze er vandaag uitziet.

Want dit is het portaal, het kantelpunt. We bevinden ons op een moment in de tijd waarop werelden veranderen.

De afgelopen maanden waren een hogedrukpan. Corona zette de samenleving stil en zette een aantal dingen op scherp. We kunnen niet meer negeren hoe de manier waarop wij leven de planeet verwoest en onszelf dus ook, hoe diep de ongelijkheden zijn, hoe immens de angst en haat. Maar ook de verbondenheid neemt toe, op soms onverwachte manieren, het bewustzijn groeit. Wie altijd al dunne wanden en fijne voelsprieten had, merkt dat ze nu niet alleen nog fijner maar ook veel verder en dieper registreren.

(c) Inaya photography



De kwesties waar we voor staan en doorheen gaan, zijn immens. Dat is bij momenten het ideale recept voor machteloosheid, want wie zijn wij, in ons kleine eentje, nu helemaal om iets te helpen veranderen of verschuiven, op wat voor manier dan ook?

Door ons eigen steentje bij te dragen, zo eenvoudig is het. En in ons geval, van Jurgen en mijzelf, komt dat zonder twijfel onder de vorm van een boek.




ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is stempel_negatief-1.jpg

De bubbel

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~11~
(c) André Vanlierde



Een van de woorden die voorgoed een andere betekenis gekregen hebben in de afgelopen drie maanden, is het woord ‘bubbel’.

De meesten van ons hebben zich er – min of meer – keurig aan gehouden, aan die bubbel. Maar het was moeilijk. Soms was het onmogelijk. Elke bubbel is een zeepbel, vroeg of laat spat die uiteen.

Met de corona-lockdown kwam er Netflix hier bij ons in huis. Gisteren bekeken mijn man en ik de laatste aflevering van Unorthodox, het verhaal over Esther Shapiro, die op negentienjarige leeftijd ontsnapt aan de knellende greep van de joods-orthodoxe gemeenschap in New York. Met een mengeling van medelijden en verbijstering volgden we de starre gebruiken van de Satmar-gemeenschap zoals ze in beeld gebracht worden in de serie. Hoe is het mogelijk, vroegen we ons af, dat je je hele leven kunt doorbrengen met zulke oude gebruiken, zulke knellende en totaal onevenwichtige man-vrouwverhoudingen? Daarmee wil ik beslist de joodse gemeenschap niet viseren, dit is in wezen een universele vraag. En eigenlijk ken ik het antwoord ook wel. Want tot welke gemeenschap we ook behoren, we leven allemaal in een bubbel.

(c) André Vanlierde



De verhalen die we onszelf vertellen, over onze cultuur, ons gezin, onze waarden, onze gewoontes, onze geschiedenis, wat is dat anders dan een bubbel? Of die nu beperkt blijft tot een familie, een godsdienst, een taal, een land of continent… We onderschrijven allemaal stukken van een verhaal dat groter is dan wij. We geloven erin en leven ernaar.

Ik vind dat geen probleem, ik vermoed dat we als mens gewoon niet zonder kunnen. Maar ik heb al vaak gedacht: laten we alsjeblieft niet vergeten dat het verhalen zijn. Want we verwarren de manieren waarop we ze hebben vormgegeven in ons hoofd en in onze samenleving, met iets als de waarheid. We worden kwaad als iemand de legitimiteit ervan in vraag stelt, onze interpretatie in twijfel trekt. Wat er op dat moment eigenlijk gebeurt, is dat onze bubbel ontmaskerd wordt voor wat hij is, en dat is erg confronterend. We zouden onze persoonlijke waarheden liever in steen gebeiteld zien, niet in zeepsop.

Het is mogelijk om je hele leven in een bubbel te spenderen en je daar verder geen vragen bij te stellen. Het is ook mogelijk om je bubbel te verlaten en grenzen te verleggen, zelfs als je niet weet of dat eigenlijk wel een goed idee is. Dat is wat er met Esty gebeurde, toen ze besloot om zich los te scheuren van haar gemeenschap en onder te duiken in Berlijn.

Daarvoor hoef je helemaal niet uit een ultra-orthodox religieus milieu te komen. Daar heeft ieder van ons die tijdens dit coronaseizoen verlangd heeft naar familie en vrienden, naar menselijke aanraking en gezelligheid, intussen persoonlijke ervaring mee.

(c) André Vanlierde



En de uitnodiging om hier bewust mee om te gaan, houdt niet op na de coronaperiode. We bewegen ons elke dag van ons leven in bubbels, daar is geen ontkomen aan.

Corona heeft ons geleerd dat we allemaal verbonden zijn, dieper dan we ooit dachten. Maar we zijn ook verschillend. De rest van de mensheid proberen te overtuigen, of te dwingen, om deel uit te maken van de Ene Ware Bubbel is wat alle enggeestige en totalitaire stromingen in de wereld beogen. Daar zaaien ze onnoemelijk veel leed mee en het werkt nooit, of hoogstens voor beperkte tijd, op beperkte schaal. Laten we niet in die val trappen. Laten we aanvaarden dat er verbondenheid is én diversiteit, dat er evenveel waarheden bestaan als er bubbels zijn, en dat dat vooral een rijkdom is.

Waarmee kan ik deze reeks columns in coronatijden beter afsluiten dan met het onsterfelijke nummer van Paul Simon, Boy in the bubble? Ik kan het niet helpen, ik word elke keer blij van de kracht en de opzwepende muzikale vrolijkheid van dat nummer. Maar de tekst is keihard, en elk woord ervan is nog even relevant als toen het Simon het lied uitbracht op Graceland, bijna 35 jaar geleden. The bomb in the baby carriage was wired to the radio… Terroristische aanslagen, armoede, droogte. De camera die ons volgt en wij die paraderen in hoop op populariteit. Sterrenstelsels die sterven, de machtigen der aarde die ongestoord hun gang gaan en kunst die een ogenblik lang verademing biedt.

Wat is dit leven van ons toch een prachtige, pijnlijke, absurde bedoening.

(c) André Vanlierde



Bedankt voor het luisteren, de afgelopen weken. Ik wens u een fijn verhaal, en mooie dromen, in uw bubbel.

De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Op wankele benen

Een been breken is pijnlijk en gedwongen rust is vaak lastig. Maar wanneer de revalidatie aanbreekt, laten de eerste stappen op dat stramme, zwakke, onzekere ledemaat ons soms terugverlangen naar de tijd wanneer alles in zijn onbeweeglijkheid helder en duidelijk was.

We zijn als samenleving aan het revalideren van de (eerste?) Covidgolf. En al heeft de dokter ons zojuist verteld dat we werk gaan maken van een heropstart, net als bij een beenbreuk vertrouwen we de draagkracht van het onderliggende systeem nog niet.

Niets aan de wereld voelt zoals het was. Dingen die ooit robuust en solide waren, zijn nu onzeker. Er is ballast opgedoken waar we die niet verwachtten, we ondervinden een innerlijke stramheid en aarzeling die ons niet vertrouwd zijn. We moeten onszelf heruitvinden op wankele benen.


Bekend en vervreemd lopen op verwarrende manieren door elkaar, deze weken. We beleven de droogste, warmste lente in 150 jaar en klimaatverandering wordt reëel – maar ze prijkt nog steeds helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van de burgerij in dit land. Tegenstellingen, ongelijkheid en politieke retoriek die op scherp gesteld worden.

We herontdekken de geneugten van lokaal wonen, werken en inkopen, en we tellen de zegeningen van de eigen woonst, tuin en familie. Maar we verlangen net zo goed naar dingen die ooit normaal waren maar zich nu onbereikbaar ver buiten de bubbel blijken te bevinden.
Toekomstplannen staan ‘on hold’ voor onbepaalde tijd, jobzekerheid in sommige gevallen ook. Gezelligheid lijkt een herinnering.

Maar de grote bananenplant krijgt het ene nieuwe blad na het andere en moet worden verpot.
De zomerbloeiers prijken in volle goesting tegen de muur. Niet alle vakjes hoeven gevuld om een gevoel van verzadiging te geven.

De processierupsen komen en gaan en de rozelaar barst uit zijn knoppen. Sommige vriendschappen voelen dichterbij, ook al zien we elkaar niet. Andere banden worden uitgerekt tot het maximum van hun draagkracht en riskeren te breken.

Droogte of niet, de tuin is een groene oase waarin ik mijn druipend wasgoed droog als de wasmachine het begeven blijkt te hebben en ik met de hand de loodzware, met zeep doordrenkte lappen textiel voldoende heb gespoeld en uitgewrongen.



We zwalken door de dagen, we zoeken een route over het gebarsten oppervlak van drijvende ijsschotsen en peilen, tevergeefs, naar vaste grond. We richten onze blik op de horizon en zien daar dan weer vanaf, want de horizon is een streep zonder betekenis, en het deinende oppervlak onder onze voeten heeft, nu alvast, meer relevantie.

Blijven we overeind, op onze zwakke, gespalkte benen?

De Toren en De Ster

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~9~


Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Als schrijver word ik er duchtig mee geplaagd. Als mijn lieve vriend Jurgen Walschot, de illustrator, het zegt, klinkt het ongeveer als: wie léést die teksten ooit? Waarna hij een spreekwoordelijk kussen naar zijn hoofd krijgt.

Maar het klopt wel: beelden kunnen een gelaagdheid en een diepgang presenteren die in een oogopslag te vatten is en vaak zelfs zintuiglijk binnenkomt. Ik hou van sterke beelden.

Een bijzonder systeem van beelden dat ik heel erg waardeer, is de tarot. In oorsprong Middeleeuwse kaarten met symbolische afbeeldingen, waarvan de wortels mogelijk nog veel verder teruggaan in de tijd.

De tarot is een spiegel van de menselijke persoonlijkheid in al haar facetten. Elke kaart beeldt een stuk van onze ontwikkeling uit, ons karakter, onze behoeften, gewoontes, obstakels, talenten. In weerwil van het populaire geloof heeft tarotkaarten trekken weinig te maken met wat er in de toekomst ligt, maar alles met het heden: wie we nu zijn, waar we vandaan komen, hoe we in deze positie geraakt zijn. Het is een spiegel, in gelaagde tekeningen.

Er zijn twee tarotkaarten waaraan ik de laatste weken voortdurend loop te denken: De Toren en De Ster.

De Toren stelt een bouwsel voor dat getroffen wordt door een blikseminslag. Het is een ramp, een ravage. Er vallen zelfs mensen uit die toren naar beneden, een soort middeleeuwse Twin Towers. Het bouwwerk staat symbool voor onszelf, of iets in ons leven dat we opgebouwd hadden, wat nu met grote kracht verwoest wordt.

Toch is de betekenis van de kaart niet zo negatief als op het eerste zicht lijkt. Want die hele toren was in feite een nogal gammele constructie: een geïmproviseerd bouwsel (wie weet op voorhand écht waar hij heen wil in het leven?), de mankementen die zich voordeden in de loop van de jaren werden al dan niet deftig gerepareerd, sommige delen moesten wat gestut, er werden compromissen gemaakt… Dat rommeltje, hoe graag we er ook woonden, is nu door de bliksem verwoest. En die bliksem staat symbool voor iets wat groter is dan onze persoonlijkheid, iets wat het beter weet dan de hoogmoedige bouwers die we, zelfs met goede bedoelingen, onvermijdelijk zijn.

(c) Inaya photography

Wat wel stevig en solide was aan onze toren, de funderingen, de diepe basis, een steunmuur of twee, misschien, blijven overeind. De uitnodiging is om op de fundamenten een beter bouwwerk op te trekken.

Velen van ons zagen de afgelopen weken bliksems inslaan en torens instorten. Sommige klappen kwam hard aan: economisch, financieel, persoonlijk. Hele segmenten van de samenleving liggen gevloerd na de uppercut die corona heet, of in de nasleep van de maatregelen om het in te dijken. Het stof van de instortingen is nog lang niet gezakt. In het beste geval kunnen we pas nu beginnen met puin ruimen.

Maar laten we proberen niet te diep te treuren over wat niet meer overeind staat. Laten we dromen van een beter bouwwerk, kleiner misschien maar meer solide, en dichter bij onszelf.

(c) Inaya photography

Want vanuit een breder perspectief bekeken, arriveert De Toren in de tarotcyclus ook op het typische moment dat we in een mensenleven vaak de midlife crisis noemen: de diepe fase van twijfel en zoeken naar zingeving. En de uitkomst van beide processen (de wederopbouw en de zoektocht naar zingeving) is dezelfde: een sterkere, diepere, meer waarachtige versie van onszelf.

Aan die uitkomst wijdt de tarot de kaart die op De Toren volgt: De Ster. Het is waar we uitkomen als we de gevolgen van de blikseminslag durven omarmen.

De Ster stelt een naakte vrouw in de natuur voor, die in het licht van de sterren het water uit haar kruiken over de grond en in een vijver laat stromen. Ze is puur en kwetsbaar. Ze heeft niets te verbergen, niets te beschermen. Ze is in diep contact met zichzelf, met haar omgeving, met de kosmos. Ze schenkt gul het water uit haar kruiken, en ze heeft rechtstreeks toegang tot de bron. Het is een beeld van diepe eenvoud, en enorme overvloed.

Ook ik sta op dit moment even te bekomen tussen het puin van een ingestorte toren. Het stof zakt al een beetje. Ik haal diep adem, en ik weet dat op ontelbaar veel plaatsen in de wereld op dit moment mensen hetzelfde doen.

Elk van onze verhalen is anders, maar laten we samen puin ruimen. Laten we denken aan de zachte eerlijkheid die geen bescherming nodig heeft, de kwetsbaarheid die gul kan schenken aan de wereld, vanuit verbondenheid en vertrouwen, in het licht van de sterren.




De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Intimiteit

Nu krijgen de introverten het zwaar.

(c) Inaya photography


De corona-maatregelen versoepelen. We mogen de deur weer uit voor iets anders dan een ommetje wandelen of fietsen, we kunnen – voorzichtig – naar de winkel en we mogen zelfs wat meer volk zien dan wie onder hetzelfde dak woont. Het zou moeten klinken als een beloning, maar het wringt mij op alle mogelijke manieren tegen.

Het is de afstand waar ik niet mee om kan.

In tegenstelling tot veel andere mensen had ik er weinig probleem mee om van de ene dag op de andere alleen nog maar thuis te zijn. Dat was namelijk al hoe een groot stuk van mijn dagen er altijd al uitzagen.
Het was wel een zoektocht naar evenwicht met de andere huisgenoten, die er nu plots óók de hele tijd waren. We leerden jongleren met tijd, aandacht, ruimte, klussen, stilte. Het had wat voeten in de aarde, maar het lukte.

Ik merk dat mijn lichaam nu zelfs ontspannener aanvoelt. Minder prikkels, minder stress, een ander tempo van leven. Er mocht minder, maar er moést ook minder.

Wie extravert en zeer sociaal is, heeft het de afgelopen weken bij momenten erg moeilijk gehad. Voor velen van hen is deze versoepeling vast een opluchting. Maar ik vermoed dat de introverten, zoals ik, het nu pas zwaar gaan krijgen.

Ik ben nooit iemand van de drukte geweest. Liever een goed gesprek met één persoon dan een massamanifestatie. Maar ook een handvol dierbaren (familie, vrienden) kun je hard missen. En naarmate de quarantaine-light langer duurde, groeide dat gevoel.

(c) Inaya photography

Dit weekend zag ik vooral blije gezichten passeren op sociale media, maar ik voelde mij om eerlijk te zijn miserabel. Ik put géén troost uit mensen mogen zien op anderhalve meter. Ik snak naar intimiteit. Een knuffel. Een aanraking. Gewoon naast elkaar kunnen zitten, bij elkaar in de buurt zijn zonder een krampachtig dansje van ‘kom zeker niet te dicht in mijn buurt!’.

Met een passant in een winkel lukt zoiets mij wel. Ik vind het niet prettig maar ik noem het een choreografie van respect en als je er iets vriendelijks bij zegt, kan het zelfs plezant worden. Volslagen onbekenden zijn nu misschien zelfs attenter voor elkaar dan vroeger, heb ik al gemerkt. Zoiets van hetzelfde schuitje en allemaal ons best doen en dat van elkaar appreciëren.

Maar wat ik in een winkel voor elkaar krijg, lukt mij voor geen meter bij mensen die ik graag zie. Op afstand moeten blijven is dan een subtiele vorm van marteling.

Ik kan mijzelf inhouden, natuurlijk kan ik dat, maar ik ben bang van die zelfbeheersing. Ze sluipt in mijn lijf, als een stil gif. Ze legt verbanden in mijn hersenen die ik niet wil. Ze haalt mijn emoties overhoop. Want ik verplicht mezelf tot iets wat mij pijn doet, iets waarvan ik tot in het diepste van mijn lijf en wezen voel dat het ongezond is.

Ik hoor sommigen op sociale media schimpen over het woord ‘huidhonger’, maar de behoefte aan intimiteit is een basisbehoefte. Ook al is niet iedereen van nature de grootste knuffelaar, we snakken als mens wel naar aanraking. Baby’s die nooit liefdevol aangeraakt worden, groeien uit tot diep gehavende kinderen.

Ik ben bang van de gevolgen op lange termijn. Want dit soort patronen raakt sneller ingeslepen in ons onderbewuste dan we beseffen, en ik kan de sluipende werking ervan aan het werk voelen in mijzelf.

Ik heb een stille hekel aan hoe webcams en telefoons de gezichten van dierbaren vervormen tot een spiegelpaleiskarikatuur van zichzelf omdat zo’n toestel het beeld nooit vanuit de juiste hoek vastlegt. Maar op dit moment verkies ik de karikatuur. Ze is eerlijker in haar weergave van afstand, en minder schadelijk voor mij dan een levensecht perspectief van diezelfde persoon, dichtbij maar onbereikbaar, terwijl ik daar sta met mijn hart vol verlangen en mijn lijf vol heimwee.

Laat mij nog maar even in mijn quarantaine. Ik kom er wel uit als intimiteit weer toegestaan is.

(c) Inaya photography

Virusje spelen

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~7~

Okay, this is when the gloves come off.

Ik was een jaar of twintig toen ik in een cinemazaal Hugo Weaving tegen Lawrence Fishburne zag zeggen: ‘Human beings are a virus.’ Het was een eye-opener zoals je er maar een paar in je leven krijgt, en ik ben nog altijd van mening dat de Wachowsky brothers het toen bij het rechte eind hadden. The Matrix werd de standaard voor alle actiefilms met special effects die ooit nog zouden volgen. Maar het zijn ook hun ideeën die wortel hebben geschoten bij generaties kijkers.


Agent Smith is als personage een regelrechte creep, maar metaforisch heeft hij met zijn uitspraak gewoon gelijk. De menselijke soort gedraagt zich op het niveau van de planeet als een virus in een lichaam. We nemen in razendsnel tempo meer oppervlakte in dan goed is voor het geheel, we vervuilen en tasten elke biotoop aan waar we ons vestigen, putten de voorraden uit en geven onze gastheer niet de kans zich voldoende te herstellen.

Een lichaam zal zijn uiterste best doen om het virus te verslaan, of eraan bezwijken. In beide gevallen sterft het virus zelf ook – tenzij het een nieuwe drager vindt. Aangezien wij als menselijke soort niet meteen een planeet B hebben om te besmetten – pardon, naar te verhuizen – zouden we dus beter twee keer nadenken. Het wordt tijd dat we stoppen met het virus uit te hangen.

Eén manier om dat te doen, is de dood herwaarderen.

(c) Inaya photography

Okay, let’s rewind.

Er is niets mis met de dood.

In tijden als deze, waarin we bang gemaakt worden met sterftecijfers en er op elke straathoek wordt gezwaaid met de heiligheid van het menselijk leven, klinkt die uitspraak wellicht nogal cru. Maar we kunnen niet om de simpele natuurwet heen: de dingen groeien tot ze uitgegroeid zijn. Dan gaan ze dood, vallen ze uiteen en worden ze voeding voor al wat na hen komt. De dood is nódig, op elk niveau. Een cel die zich ongebreideld blijft uitbreiden, is een kankercel. De dingen moeten ergens eindigen, zodat nieuwe dingen kunnen groeien. De dood is de compagnon van het leven, niet de tegenstander.

Dat we dat als mensen niet zo fijn vinden, heeft vooral te maken met hoe we onszelf door middel van slimme verhalen hebben overtuigd dat we boven de natuur staan, en dat we dus ook boven de dood zouden moeten staan. Als individu én als soort. Het is precies daarom dat we zonder het te beseffen virusje zijn gaan spelen.

Maar we staan helemaal niet boven de natuur, leert corona ons. Niks van. We zijn er een piepklein, zij het eigenwijs, deeltje van. En we gaan nog altijd allemaal dood. Aan ouderdom. Aan ongelukken. Aan een virus. En dat is, hoe triestig we dat ook vinden, prima.

Let wel, de diepe eenzaamheid van zwaar zieke mensen deze dagen vind ik absoluut niet om mee te lachen. We kunnen niet tegenhouden dat we doodgaan, maar we hebben verdomd wel een hand in de manier waarop. En bij sommige middelen die we inzetten om deze pandemie aan te pakken heb ik fundamentele twijfels op vlak van verbondenheid en welbevinden.

(c) Inaya photography

Maar de dood zelf vind ik geen vijand. Ook niet als hij komt door Covid-19. Wat dit virus ons ontnomen heeft, schrijft de Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer, die van in Italië de diepste ellende van nabij meemaakt, is onze illusie van controle. Niet de controle die we hadden, maar de illusie dat we ze ooit hadden.

Uit dromen moet je wakker worden. Dus laten we de dood verwelkomen. Niet als een spook met een zeis, een vijand om tegen te vechten, maar als een vorm van balans. Als een wake-up call die ons leert dat alles grenzen heeft. We zijn aan het ontwaken, net als Neo in The Matrix, in de echte wereld. Dit is het moment om Agent Smith te bewijzen dat hij ongelijk had. En snel wat.

Okay, let’s accelerate.



De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.