Je bent thuis

De ZijLijn ~ Radiocolumns in coronatijden

~8~

My home is my castle was de uitdrukking waarmee ik deze column begon. We hadden toen niet durven denken dat het gekroonde virus zo lang de plak zou zwaaien over ons leven. We kunnen op dit moment niet eens met zekerheid zeggen wanneer het die koninklijke houdgreep eindelijk lost. En onze huizen hebben twee maanden later nog steeds iets van versterkte burchten. Maar ieder van ons heeft onze woonst intussen een heel stuk beter leren kennen.

We hebben het zonlicht langs haar wanden zien kruipen op elk uur van de dag. We zijn tegen haar muren opgelopen. We konden niet langer doen alsof we het stof niet zagen dat zich ophoopte in de kieren waar we nooit grondig stofzuigden, noch de schaduwen die elke avond groeiden in de stilste hoeken. We zijn ontelbare keren over die ene oneffenheid in de vloer gestruikeld. We hebben de ramen gelapt om beter naar buiten te kunnen kijken naar alles wat nu even niet meer kon. Of we hebben het zo gelaten, omdat het toch geen zin had.

In dromen staat een huis doorgaans symbool voor ons innerlijk. Gebeurtenissen die plaatsvinden in een huis, spelen zich op een ander niveau af in het diepste van onszelf. We ontvangen er mensen, ontdekken verborgen kamers, proberen dingen die we liever niet meer onder ogen te komen in de kelder te verbergen.

Hebben we de afgelopen weken een warme, stille vorm van wortelen herontdekt op een plek waar we vroeger te weinig aandacht aan schonken? Of zijn de muren waarbinnen we ons ooit met plezier wilden vestigen, alleen of met geliefden, stilaan steeds meer een gevangenis geworden, een kooi?

Mijn werkruimte, mijn heiligdom – thuis (c) Inaya photography



De muren van mijn huis benauwen mij niet. Integendeel, mijn nood om naar buiten te gaan, wordt zelfs kleiner. Als kind groeide ik op in een huis waar niet alleen mijn ouders maar ook mijn grootouders langs moederskant woonden. Mijn oma kwam nooit buiten. Nooit. Tot op het terras in de tuin, misschien, om erwtjes te doppen in de ochtendzon, en in de late namiddag in een windstil hoekje op de bank te zitten breien en verstellen. Maar ze deed geen boodschappen, ze had geen vrienden. Eén keer per jaar ging ze Oudejaar vieren bij haar zoon, mijn peter. Nochtans stonden de deuren van haar huis open voor iedereen. Het is een houding die mijn moeder overnam: ik groeide op in een huis waar iedereen welkom was. Voor een middag, voor een maal, voor een nacht, voor een jaar.

Mijn oma moet hoogsensitief geweest zijn, dat kan niet anders. Toen ik klein was, zei ze tegen mijn moeder, die zich met mijn angstige, schuchtere benadering van het leven soms geen raad wist: ‘Ik begrijp dat kind.’ Ik heb haar lang niet begrepen, niet echt. Maar nu, na twee maanden huisarrest, wél. Dit bestaan bevalt mij. Mijn lichaam voelt minder verkrampt. Het bombardement aan zintuiglijke prikkels is enorm afgenomen. Er mocht veel minder, maar er moést ook minder.

Knaagt de hunker naar verdere horizonten dan niet? Soms wel een beetje.

Maar als schrijver (en lezer) heb ik een beproefde ontsnappingsroute: mijn hoofd is de plaats bij uitstek om verre reizen te maken. Als ik Paolo Cognetti of Bregje Hofstede lees, dan ben ik in de bergen. Pak ik er Sylvain Tesson bij, dan breng ik de winter door aan het Baikalmeer in Siberië. Met Robert MacFarlane daal ik af in een gletsjer in Groenland en de catacomben van Parijs. In de broekzak van Elizabeth Gilbert dwaal ik via Italië en India tot in Bali, en Helen MacDonald neemt me mee naar de velden en hemelen rond Oxford waar ze met haar havik jaagt. Met Tonke Dragt reis ik naar de vochtige, hete wouden van Venus zoals zij die ooit voor zich zag. En het hoeven niet altijd verre plekken te zijn: Evelien De Vlieger volg ik op haar innerlijke reis naar zichzelf, in de caravan in haar achtertuin.

De wereld is zo rijk en zo groot als we hem in onszelf kunnen maken. Ons innerlijke huis heeft ontelbaar veel kamers. Doe gewoon een andere deur open. Maak het jezelf gemakkelijk. Je bent thuis.



Leeslijstje van de hierboven vermelde boeken:
– Paolo Cognetti ~ De acht bergen
– Bregje Hofstede ~ Bergje
– Sylvain Tesson ~ Zes maanden in de Siberische wouden
– Robert MacFarlane ~ Underland
– Elizabeth Gilbert ~ Eat Pray Love
– Helen Macdonald ~ H is for hawk
– Tonke Dragt ~ Torenhoog en mijlenbreed
– Evelien De Vlieger ~ Caravandagen


De ZijLijn is een reeks columns geschreven voor The Saturday Night Shuffle, een radioprogramma van Jan Huib Nas. Te herbeluisteren op Radio Lede.

Hoe dunner, hoe… moeilijker

“Ik zoek een boek voor mijn dochter. Ze is twaalf en ze moet voor school een boek lezen over de Tweede Wereldoorlog. Liefst zo dun mogelijk, want ze leest niet graag.”

Zit je in een leesgroep, werk je in een bib of een boekhandel? Dan heb je dit soort uitspraken vast al tig keer gehoord. Wat een misvatting, denk ik altijd.

Waar halen we in hemelsnaam het idee vandaan dat dunne boeken makkelijker zouden zijn? Leg eens een kortfilm van Michael Roskam naast een drie uur durende blockbuster met superhelden en je hebt meteen door dat de lengte van de film niks zegt over de zwaarte ervan.
Voor boeken is het net zo.


Ik kan me natuurlijk voorstellen dat een kind met zware dyslexie, dat struikelt over elke lettergreep, het zweet voelt uitbreken bij een turf van driehonderd bladzijden. Maar ‘niet graag lezen’ heeft bijna altijd te maken met ‘niet geraakt worden door het verhaal’, en veel minder met struikelen over woorden of de lengte van een tekst.

Het is alsof je een mama hoort zeggen in het restaurant: “Mijn kind is een slechte eter. Dus liever geen kom fruitsla. Doe maar twee spruitjes, dat is minder en dus makkelijker.” Ik betwijfel heel sterk of het kind zo liever zal leren eten.

Lezen is aan de ene kant een vaardigheid (verbale geletterdheid) en aan de andere kant een heel universum toelaten in je hoofd. Als je dat tweede element voldoende cultiveert, door voor te lezen, door kinderen bloot te stellen aan elke mogelijke vorm van verhalen, dan gaan er werelden open en wordt de stap naar zelf lezen stukken kleiner. Het gaat om nieuwe smaken ontdekken. Goesting laten krijgen. Zin voor avontuur, voor informatie en voor betovering laten groeien. Het gaat om de verhalen. Lezen is een zeer verrijkende manier om daar toegang toe te krijgen (ook stukken beter ook voor de hersenen dan film).



Akkoord, we gaan niet van elk kind een veellezer maken, maar dat hoeft ook helemaal niet.

Laten we proberen te beginnen met het keurslijf van het meten en becijferen af te leggen, eens te lachen om AVI-niveaus en kinderen goede verhalen aan te bieden. Voorlezen in de klas, voor het slapengaan (óók als ze zelf al kunnen lezen, het ene versterkt het andere alleen maar), zelf in de zetel gaan zitten met een boek…

Laat kinderen gerust boeken uitproberen die ‘boven hun niveau’ zijn. Als het verhaal hen bijt, houden ze er een fantastische ervaring aan over. De beste boeken die ik las, waren die waarvoor ik net te jong was om ze echt te begrijpen.
Laat kinderen net zo goed plezier beleven aan verhalen die ze geweldig vinden, ook al zuchten wij intussen inwendig dat het weer regenboogkleurige troep is over een zekere muis met een culinaire naam. Het betere werk kan altijd later nog komen.

Schat de keuzes van je kind in op basis van zijn smaak, zijn favoriete onderwerpen, zijn mate van toewijding of koppigheid, zijn schoenmaat desnoods. Alles behalve het aantal bladzijden van een boek.

En aan alle ouders die, hoe liefdevol en goedbedoeld ook, tegen hun kind zeggen: ‘Zou je dat boek wel kiezen, het is zo dik?’, ‘Doe dat maar niet schat, dat is te moeilijk voor jou’, of die omvang nog altijd verwarren met moeilijkheidsgraad, zeg ik bij deze vriendelijk maar beslist: slik je woorden alstublieft in en laat je kind ontdekken waar het zin in heeft. Eens het de smaak van fruit geproefd heeft, eet het de hele kom leeg. Of op zijn minst veel meer dan jij in gedachten had toen je het met de allerbeste bedoelingen twee spruiten bestelde.