ZAAILING #58 – Verdwalen in lijnen

(c) Jurgen Walschot


Als ik je mijn hand geef, zullen we dan samen verdwalen op de kaart?
Dat is zoiets als verdwalen in een stad, of tussen de zinnen van een verhaal. Want elke zin leidt naar een andere maar nooit terug naar het begin.

Als ik mijn ogen sluit, zie ik het landschap waarin wij geboren worden. In de diepte van een donker dal, in het kleine huis een eind buiten het dorp met de onuitspreekbare naam. Ik zie hoe de sterren langzaam bleker worden en de boomkruinen zich grillig aftekenen tegen de oplichtende hemel. Ik hoor hoe onze moeder schreeuwt, en hoe de vroedvrouw onze vader de kamer uit jaagt, terwijl wij ter wereld komen in een spoor van bloed.

We hebben dezelfde lijnen in onze handpalmen, we passen als een puzzel. Maar het leven trekt zijn sporen op vreemde manieren. Je weet nooit waar de weg eindigt en het dwaalspoor begint. Met elke stap die we zetten, maken we keuzes die er geen zijn.

Met mijn ogen op de kaart liep ik in vol vertrouwen voorop en riep over mijn schouder tegen jou dat je me moest volgen. Maar toen ik opkeek, was het landschap veranderd van gezicht en ik was alleen. Mijn handen brandden van leegte.

Ik heb je overal gezocht. Op elke straathoek, in elk station, achter elke balie van elk kantoor. Ik ken de vouwen in de kaart intussen zo goed dat het mij soms verbaast dat de weg voor mijn voeten niet plots indeukt.

We leren leven met de onzekerheid van de reis. We genieten van het zonlicht als het er is en zoeken beschutting voor het zwaarste weer. We kloppen het stof van onze kleren en lopen door. We leren dat we niets voor altijd kunnen vasthouden.

We kennen het grondplan op de kaart zo stilaan uit het hoofd, maar sommige vormen van heimwee krijg je niet afgeschud. Hardnekkig blijven we de weg terug zoeken, als zalmen vechtend tegen de stroom, naar ruisende boomkruinen die een lied zingen dat we herkennen.

Het leven lijkt ervan te houden mensen eindeloos in rondjes te laten draaien. Of zijn wij het, die blind blijven voor de wegwijzers en stug dezelfde patronen vertrouwen in de hoop dat die ons op een dag toch ergens anders heen leiden?

Soms krijgt het grondplan medelijden, lijkt het wel. Dan laat het twee zwervende zielen, elk met hun ogen op de kaart, tegen elkaar opbotsen.

Verbijsterd blijven we staan. We lezen de lijnen in elkaars gelaat, een reisverslag van alle afgelegde trajecten. Hoe vaak hebben onze paden elkaar gekruist? Hoe vaak zijn we elkaar nét misgelopen?

Ik laat de kaart los. Ze waait weg en verkruimelt tot snippers op de wind. Ik steek mijn handen uit en jij pakt ze. Ouder, verweerder en vermoeider, maar de lijnen in onze handpalmen herkennen elkaar nog steeds.

Ik kan je niet beloven dat ik de weg dit keer wel zal weten. Maar als we nog eens verdwalen, doen we het samen.






ZAAILINGEN is een project van schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot. Zaailingen zijn creatieve scheuten. Zij schrijft bij de beelden, hij tekent bij de tekst.

Een ‘fijn projectje tussendoor’

Hoe ‘De serres van Mendel’ ontstond – deel #2


Hier lees je hoe het allemaal begon: Deel #1 – Tête bêche en carte blanche

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Zodra het eerste hoofdstuk op papier stond, was er een blokkade gesloopt. Een kortverhaal voor een leesmethode was misschien niet wat ik eerst in gedachten had gehad, maar dit verhaal over koepels en serres zou er komen, en ik was het aan het schrijven.
Tussen september 2016 en januari 2017 zette ik het in hapjes en stukjes op papier, zonder vooropgezet plan.

Nu heb ik – eerlijk is eerlijk – nooit echt een probleem gehad met blind schrijven. Je hebt auteurs die maanden broeden op een verhaal, tot ze de personages glashelder voor zich zien en de structuur van het plot helemaal in hun hoofd zit. Dan maken ze een schema, en dat schema gaan ze vervolgens uitschrijven in verhaalvorm.
Ik ben niet zo’n schrijver. Mijn schrijfproces is een wandeling door de mist, en ik zie amper een paar meter voor me. Naarmate ik vorder, wordt er telkens een nieuw stukje zichtbaar, en ik heb er maar op te vertrouwen dat het pad dat ik volg niet ineens ophoudt, of over de rand van een ravijn verdwijnt.

Maar dat doet het niet. Dat weet ik intussen. Ik schrijf al dertig jaar zo, en mijn verhalen landen altijd op hun pootjes. Vaak verrassen ze me zelfs, omdat ik óók niet weet wat er gaat komen, en het ontdek tijdens het opschrijven. Het creatieve proces neemt mij op sleeptouw, een beetje zoals een goed boek mij meeneemt als lezer. Ik vind dat heel prettig. Het is altijd nieuw, en altijd spannend.

Datzelfde proces vertrouwen als je bezig bent aan opdrachtwerk van heel beperkte omvang en met een redelijk strakke deadline is nog wat anders, natuurlijk. Maar ook dat werd een fijne ervaring: mijn innerlijk kompas wist precies waar het verhaal heen moest, tot aan een slot dat ook voor mij onverwacht kwam, en me raakte.

De serres van Mendel (detail) (c) Jurgen Walschot


Alle boeken in de Talent-reeks zouden worden geïllustreerd. Als schrijver werden we aangemoedigd om illustratoren voor te stellen van wie we dachten dat ze een goeie match konden zijn met de tekst. Of ik al iemand in gedachten had?

Sommige momenten in je leven zijn achteraf gezien onwaarschijnlijke kruispunten.

Een paar maanden daarvoor had ik op het plein voor Brussel-Noord, waar de wind de wolken langs de blauwe hemel joeg en de zon nu eens wel, dan weer niet, kon doorbreken, afgesproken met een illustrator die ik een paar jaar eerder had leren kennen en die ik sindsdien op allerlei gekke en toevallige manieren tegen het lijf was blijven lopen.
We hadden gemeenschappelijke interesses en deelden nogal wat ervaringen en twijfels over het boekenvak. We hadden een klik die we zelf niet goed konden thuisbrengen, en we waren al twee jaar bezig elkaar te ‘besnuffelen’.

Van de Zaailingen was op dat moment nog geen sprake, maar die middag in Brussel sprongen Jurgen Walschot en ik samen van de klif, zoals ik dat sindsdien ben gaan noemen. Zonder plan of garanties, maar in het volle vertrouwen dat we niet zouden vallen maar vliegen.

De vlucht (detail) (c) Jurgen Walschot

Onze samenwerking was een ontdekkingsreis, prikkelend en uitdagend, en hoe langer we er mee doorgingen, hoe krachtiger ze aanvoelde. Het was vooral bijzonder om samen iets te creëren. Om van gedachten te wisselen, beelden uit te wisselen, ideeën op mail te zetten. We werden sparring partners, klankborden, compagnons de route in woord en beeld.

Dus toen ik de vraag van Van In moest beantwoorden, ruim een half jaar later, was het wat mij betreft overduidelijk wie de illustraties voor De serres van Mendel zou gaan maken. Ik wist ook dat het onderwerp Jurgen zou aanspreken. En we waren intussen ook wel toe aan een fijn projectje ‘tussendoor’, iets om binnen afzienbare tijd af te werken en gepubliceerd te zien.

Dus zo geschiedde.
(Of hoe noemen ze dat plechtig in van die Belangrijke Verhalen?) 😉

Ik ben een woordmens, geen beelddenker. Maar ik heb wel een sterk visuele kant. En tijdens het schrijven van het kortverhaal had ik al een hele wereld in mijn hoofd.
Om Jurgen een idee te geven van wat ik zoal voor me zag, stelde ik een uitgebreide verzameling beelden samen, van bomen tot bacteriën, die wat mij betreft iets met deze overkoepelde wereld te maken hadden. ‘Je hebt mijn werk al half voor mij gedaan’, grapte hij.




Het was fijn om te zien hoe hij er vervolgens zijn gang mee ging. Ik had hem al eerder complexe prenten weten maken, maar waar hij nu mee afkwam overtrof alles. Immense koepels, volgestouwd met groen. Een wereld die overtrof wat ik in gedachten voor me had gezien, een groene wildernis om in te verdwijnen.

Tegen de paasvakantie van 2017 was ons mini-verhaal af. Iedereen was er blij mee, wij niet het minst. Maar het was nog lang wachten tot september 2019 voor de verschijning van de Talent-reeks. En tegelijk voelden we ook dat hier nog zoveel meer inzat dan we er nu hadden kunnen uithalen.

Voor Van In was het geen enkel probleem dat ik met dit verhaal in een andere, langere versie, naar een niet-educatieve uitgeverij trok. Als we dat wilden, konden we dus echt proberen om van dit korte kleinood een volwaardig jeugdboek te maken.

Intussen waren Jurgen en ik samen volop gelanceerd in het Zaailingenproject. We waren er zo tevreden van dat we van twee van onze favorieten zelfs een reeksje posters lieten drukken, in het Nederlands en het Engels. En we volgden ons gevoel over één bewuste Zaailing die STROOM heette, en die de ambitie had om een boek te worden. We hadden de hele zomer van 2017 de handen vol op wat achteraf veel weg had van een creatieve high, met bijna uitsluitend werk voor een volwassen publiek.

Maar we vergaten ons jeugdverhaal niet. En het kriebelde, het jeukte zelfs. Kon Mendel een tweede leven krijgen?

En toen verscheen er een aankondiging over een huisje in Zweden dat wachtte op een schrijver en een illustrator…




In september 2019 verschijnt bij Van Halewyck ‘De serres van Mendel’, een jeugdroman (10+) in woord en beeld, een gemeenschappelijk project van Kirstin Vanlierde en Jurgen Walschot.
In aanloop naar de publicatie verschijnt er elke maand een blog over hoe dit boek ontstond.

Hoe hanteer je vrijheid?

Of ook wel: geen paraplu’s meer

(c) Inaya photography

Hoe geef je structuur aan je leven als er nauwelijks nog vaste bakens zijn? Met andere woorden: hoe hanteer je vrijheid?

Ik heb nog niet zo lang geleden ontslag genomen uit mijn vaste job. Een paar jaar geleden had ik me niet kunnen voorstellen dat ik zou kunnen leven met het soort onzekerheid dat ik nu dagelijks ervaar in dit nieuwe stuk van mijn leven, en dat ik me daar goed bij zou voelen. Maar de waarheid is: ik was er klaar voor. Mijn vleugels hadden ruimte nodig. Iets in mij wilde niet langer binnen gehouden worden.

Tijdens het hele proces van loslaten kwam ik tot het besef dat de manier waarop ik tot nu toe altijd had gewerkt voor instanties of organisaties eigenlijk wel iets weghad van schuilen onder een paraplu: het hield een soort ‘veiligheid’ in, een beetje zoals ouderfiguren een kind zich veilig kunnen laten voelen. Mijn werk goed doen en daarvoor betaald worden, maar verder geen eindverantwoordelijkheid, en een vangnet.

Nu bevind ik me in een heel andere positie. Er zijn geen paraplu’s of vangnetten meer. Maar het kan me eerlijk gezegd niet schelen. Ik ben klaar voor alles wat de wind naar me toe blaast, maar vooral: ik ben klaar om de hemel te bewonderen.

Maar.
Ik keer terug naar mijn eerdere vraag: hoe hanteer ik deze nieuwe vrijheid? Hoe structureer ik mijn dagen en zorg ik ervoor dat ik genoeg van alles aan bod laat komen: schrijven en ander betaald werk, mails en administratie, huishoudelijke klussen? Hoe loop ik niet hopeloos uit, verdund en vormeloos als een plasje water dat nergens omvat wordt?

(c) Inaya photography

In de korte tijd die verlopen is sinds ik voor de laatste keer op kantoor was, heb ik ondervonden dat het nijdige kleine stemmetje in mijn achterhoofd mij helemaal angstig en opgedraaid kan maken, als ik het de kans geef.
Ik heb geleerd het niet zoveel speelruimte te geven. In plaats daarvan probeer ik te doen wat ik me van in het begin had voorgenomen: de hemel bewonderen, en ingaan op alles wat mijn kant op komt en interessant aanvoelt. De ene dag kan dat de Voorleestoer zijn, met lezingen voor zes klassen middelbare scholieren, de volgende dag mijn wasmand vol strijk.

Ik bewoon het idee ‘vrij zijn’ nog steeds niet helemaal. Dat komt misschien omdat ik maar al te goed besef dat het leven van een volwassen vrouw nu eenmaal een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Anderzijds weet ik ook dat het leven de meest wonderbaarlijke trip kan zijn voor wie van de klif durft stappen in vol vertrouwen dat de thermiek haar draagt. Daar heb ik in mijn eigen leven meer dan genoeg bewijs van, en ik weet precies hoe dat werkt.

Dus, mooie grote hemel… hier zijn we dan. En hier kom ik.

(c) Inaya photography

Plots pakte hij mijn hand

(c) Inaya photography

In dezelfde straat als het kantoor waar ik de afgelopen zes jaar heb gewerkt, is een klein sushi-huisje gevestigd. Het is het levenswerk van een Aziatisch koppel, man en vrouw. Ze zijn minzaam, bescheiden en beleefd. Wat ze bereiden, is lekker en toch niet te prijzig, en eens ze je herkennen als vaste klant ontdooit hun strakke beleefdheid en blijken ze warm en gastvrij. Hun leeftijd is moeilijk te schatten, maar volgens mij kunnen ze intussen best grootouders zijn. Hun piepkleine zaak heeft één smalle, hoge eettafel aan het raam, met zicht op de drukke Troonstraat. Er is zitplaats voor drie, naast elkaar. Maar de meeste van hun klanten nemen hun eten mee. Dat deed ik ook, op gezette tijden, in de loop van de jaren.

Al vanaf de eerste keer dat ik er binnenstapte, werd het duidelijk dat betalen of zelfs maar je klantenkaart laten afstempelen er een heus klein ritueel was. Ik ben niet bepaald vertrouwd met de Oosterse gebruiken, maar uit de manier waarop zowel meneer als mevrouw het geld in ontvangst namen of het kleine gevouwen klantenkaartje behandelden en vervolgens teruggaven, maakte ik op dat het een vorm van respect was om ervoor te zorgen dat onze vingers elkaar nooit raakten.

Ik had nooit eerder stilgestaan bij hoe ik geld overhandigde of wisselgeld terugkreeg. Plots oogde mijn eigen manier om zoiets af te handelen in vergelijking wel bijzonder nonchalant. Want eens je erop begint te letten, blijkt het knap lastig om die hele handeling op zo’n manier tot een goed einde te brengen dat je beiden alleen het geld aanraakt, zonder dat het valt of er een minimale vorm van huidcontact is.

Als gevolg hiervan vond er bij elke ontmoeting een delicaat vingerballet plaats, een kort, gracieus moment waarop voorzichtigheid geboden was voor beide partijen. Stilaan ging ik dat ritueel respecteren, en het oprecht waarderen.

Vandaag liep ik er voor het laatst langs tijdens mijn lunchpauze. We voerden het kleine geldritueel uit, zoals gewoonlijk, zachtjes, voorzichtig. We wisselden een glimlach (hun Engels is pover en slecht verstaanbaar), maar toen de man me bedankte en mij een prettig weekend wenste, zoals hij al vaker had gedaan, vertelde ik hem dat ik eigenlijk ook afscheid kwam nemen, want heel binnenkort zou ik niet langer naar Brussel komen om er te werken.

Met één kort woord riep hij zijn vrouw uit de keuken, en voor ik het goed en wel besefte, schudde eerst hij, en daarna zij, mij de hand.
Zijn greep was vol en warm. Hij had een grote, zachte hand. Die van haar was benig en sterk.

Allebei bedankten ze mij voor zoveel fijne jaren. Hun dankbaarheid was oprecht en hartverwarmend. Ze vroegen me naar mijn werk. Ik vertelde dat ik schrijver was, en ze wensten me veel succes. We glimlachten breed naar elkaar, we bogen, en voor het laatste deden ze de deur voor mij open toen ik naar buiten ging.

Eenmaal buiten op het trottoir bleef ik een ogenblik staan, en liet wat er zojuist gebeurd was tot me doordringen.
Terwijl ik terugliep naar mijn kantoor blies de plotse, koude aprilwind me fel in het gezicht. Mijn ogen gingen er een beetje van tranen.

(c) Inaya photography

Verblindend, maar helder

(c) Inaya photography


Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.

Dat niet-weten heeft iets bijzonders, zo’n beetje als lentelicht: helder en verblindend. Ik voel de warmte en de onrust die er vanaf straalt even fel. Ik ben pril, zegt het, ik ben nog maar pas begonnen. Maar ik ben sterk, voel je hoe sterk ik ben, en hoe ongeduldig.

Er doorheen proberen te kijken, is onbegonnen werk. Ik heb er maar op te vertrouwen dat de bron van waaruit het schijnt de essentiële dingen zal verlichten op het juiste moment, terwijl het andere juist aan het zicht onttrekt.

Ik sta op een punt in mijn leven waarop ik even niets weet, en dat is prima.
Ik voel de roep van het Grotere. Ik voel hoe mijn ziel antwoordt.

Dit is de plek om de onzekerheid te omhelzen, en mijn hele leven te laten bestaan in het huidige moment. Het is een fijne plek.
Verblindend, maar helder.

(c) Inaya photography

Langzaam afscheid

Iedereen die ooit aan een ziekbed heeft gezeten, weet hoe het voelt: langzaam afscheid nemen. Niet willen dat het voorbij is. Bidden dat het eindelijk mag eindigen.
In de tegenstrijdigheid en de intensiteit van beide gevoelens ligt een bijzonder spanningsveld. Pijnlijk. Kostbaar. Levend, zoals alleen leven in het moment dat kan zijn.

Mijn leven is goddank geen ziekbed, het mijne noch dat van iemand die ik graag zie. Maar ik herken het spanningsveld wel. Mijn professionele opzegtermijn is aan het korten. De weken (eigenlijk dagen) om afscheid te nemen van wat eens was en nu stopt, om bewust los te laten en mijn blik te richten op andere horizonten, worden steeds krapper.

Ik heb het ‘aftellen’ lang op afstand kunnen houden. Ik doe het nu eigenlijk nog altijd niet. Maar ik voel de tijd bewuster dan ooit aan het werk.

Als iets op een abrupte wijze uit je leven verdwijnt, noemen ze dat ‘de korte pijn’. Vaak komt die nadien meer dan eens weer opzetten om verwerkt te worden, dus zo kort zou ik hem nu ook niet noemen. Dan liever dit langzaam afscheid, bitterzoet, langgerekt. Met tijd voor weemoed, spijt bijna, en toch weten dat het juist is. Met ruimte om door vertrouwde gangen te lopen en te denken: toeme toch, ik was hier graag. Maar ook: het is tijd dat dit stopt.

Elke omhelzing verstikt als ze te lang duurt, schreef ik in STROOM. En dat is nog altijd even waar.
Dus maak ik mij nu los. Zachtjes. Langzaam.

(c) Inaya photography

Het scherp van de snee

(c) Inaya photography

Wat een kantelpunt.
Het scherp van de snee, de top van de bergpas waar de wind van alle kanten giert. Gewoon rechtop staan, in evenwicht blijven, is al een uitdaging.

Ik heb net een paar dagen verlof genomen en hoefde daardoor voor een iets langere periode niet naar Brussel, naar de redactie van het blad waarvoor ik nog een paar maanden werk.
Ook al zit ik nog niet eens halverwege mijn opzegtermijn, wat een rust is er al gekomen in mijn hoofd. Ik leef te midden van horizonten die zich verruimen; ademruimte voor lichaam, ziel en geest.

Morgen ga ik terug, voor een paar dagen. En volgende week weer. Enzovoort, nog een aantal weken, tot ik helemaal niet meer terug hoef. Die dagen van pendel zijn een soort blokken graniet, obstakels waar de rest van mijn leven zich noodgedwongen omheen organiseert. Ik neem ze voor lief. Het is een langzame, waardige manier van afscheid nemen.

Ondertussen kijk ik naar het nieuws en warm ik mijn hart aan de beweging van klimaatbetogers. De rust en waardigheid van jonge vrouwen als Greta Thunberg en Anuna De Wever is prachtig om te zien. Oude, wijze zielen in jonge lichamen. Wat een schoonheid en een kracht.

Maar ik maak mij ook dodelijk ongerust als ik snippers opvang van de commentaren die gedrenkt lijken in vitriool van de zogenaamde ‘realisten’. Doorgaans probeer ik mij kalm te houden – het zoveelste blok graniet om omheen te laveren, zeg maar. Maar bij momenten maak ik mij bijzonder kwaad. Het enige realisme dat hier op zijn plaats is, is dit: als we de aarde kapotmaken, gaan we zelf dood. We gedragen ons als een virus dat denkt dat zijn gastheer niet kan sterven (The Matrix, anyone?). Daar valt niet over te onderhandelen! Dat kost méér dan centen. Al wie het nu nog heeft over ‘niet betaalbaar’, heeft die goeie ouwe Cree-uitspraak niet gelezen die een kwart eeuw geleden al op een Greenpeace t-shirt stond:

Only when the last tree has been cut down
when the last river has been poisoned
when the last fish has been caught
will you find
that money cannot be eaten

Toegegeven, het klinkt als een bumpersticker. Maar het komt nog altijd binnen. En vooral omdat het bij momenten gewoon een koud feit is: de mensheid is in staat om door te gaan tot we zelfs de lucht die we moeten inademen onherstelbaar hebben vergiftigd en onszelf uitroeien.

Om eerlijk te zijn: om de planeet zelf maak ik mij geen zorgen. Gaia vindt wel een nieuw florerend ecosysteem uit. De film die daar ooit over verscheen, met de weergaloze stem van Julia Roberts als Moeder Aarde, laat niets aan de verbeelding over.


Maar de diepgewortelde natuurmens/sjamaan in mij maakt zich grote zorgen om de mens. Mijn loyauteit ligt bij de planeet, niet bij de mens an sich. Maar ik heb verdriet om alles wat we onnodig kapot maken, inclusief onszelf.




In mijn eigen kleine, persoonlijke leventje heb ik op het kantelpunt gekozen voor een weg die minder evident is, die velen verrast of angst aanjaagt, maar die voor mij het verschil betekent tussen stikken of openbloeien. Dat wil niet zeggen dat ik geen angsten of twijfels heb, geen ‘realistische’ scenario’s over risico’s, tekorten of tegenslagen. Ik heb alleen gekozen om mij daar niet door te laten leiden.

Wat zal de mensheid, op haar eigen kantelpunt gekomen, beslissen?
Waardoor zullen wij ons laten leiden?

Ik vraag mij af of het al iemand is opgevallen dat Greta Thunberg er op een zwart-witfoto en met andere kleren heel erg zou uitzien als een Indiaanse medicijnvrouw, wijs en oud voor haar jaren.

Ik kruis mijn duimen en ik hoop, ik hoop, ik hoop met heel mijn hart.

(c) Inaya photography

De naam van de oude wijze vrouw

(c) Inaya photography

Bij je geboorte krijg je een naam van je ouders. Met wat geluk is het een naam die je zelf ook mooi vindt en graag gebruikt. Maar soms heb je nood aan nóg een naam.

Ik ben boeken aan het herlezen waaraan ik ooit veel plezier gehad heb, werk dat te maken heeft met persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ik merk: ze zijn nog altijd goed. Ik merk ook: ik ben op een paar jaar tijd een heel eind opgeschoten. Wat ooit baanbrekend was en diep voedend, is nu vooral thuiskomen in iets wat ik beheers.

Soms vraagt een bijzonder interessante oefening erom om te worden herdaan. Je maakt immers nooit twee keer precies dezelfde reis.
Ik ben dus een oude vrouw gaan opzoeken. De vorige keer toen ik haar bezocht, was ze nog een stuk jonger. Ze zag er heel anders uit. Ze woonde op een andere plaats. Maar in wezen is ze nog steeds dezelfde.
Ze vertelde mij wat ik moest horen, en ik zal in de toekomst nog heel vaak bij haar op bezoek gaan. Ze zei mij ook haar naam.

(c) Inaya photography

De onverwacht vroege komst van de lente dit jaar houdt gelijke tred met mijn ontluikende gevoel van mogelijkheden. Ik heb een grote knoop doorgehakt, er liggen nieuwe horizonten open. Er zijn nog wat dingen af te ronden, in schoonheid. Er zijn nieuwe draden om op te pikken.
Alles is welkom, want vanaf nu is alles een avontuur.

Ik proef de naam van de oude, wijze vrouw op mijn tong. De klanken zingen, zachtjes.

(c) Inaya photography

Openbarsten

Net zoals de gezwollen knop uiteindelijk barst onder de almaar toenemende druk van wat hij de hele winter heeft beschermd, zo splijt mijn leven zichzelf open.

Ik heb mijn job opgezegd op de redactie waar ik al meer dan vijf jaar werk. De structuur die mij lange tijd als gegoten had gezeten, voelde steeds beknelder aan. Was hij gekrompen? Was ik gegroeid?
Beide.

(c) KV

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik helemaal ‘voor mezelf’ ga rijden. Dat ik met open armen de deur uit stap en het leven zeg: ‘laat maar komen, ik ben er klaar voor’.

Of nee, eigenlijk is dat niet de eerste keer. Ik heb best al wat ervaring met vertrouwen en springen, blind zelfs. Mijn allereerste job is zelfs zonder solliciteren letterlijk aan de deur komen aanbellen – een smakelijk verhaal dat ik nog altijd met plezier vertel.
Het is wél zo dat ik altijd nog een vorm van vangnet achter de hand had, als niet materieel dan toch psychologisch. Of dat ik zo snel mogelijk van één vorm van vangnet naar een andere toe wilde. Dit keer niet. Het zou goed kunnen dat ik nooit meer in vaste loondienst treed, denk ik nu.

(Behalve dan wat mijn lessen op de academie betreft, die uiteraard doorlopen en waar ik heel goed op mijn plek ben. Om een of andere reden voelen die helemaal niet beknellend aan, juist vrij en creatief. Bij deze is ook mijn directeur, die zich bij het lezen van bovenstaande misschien even in zijn koffie verslikte, hopelijk gerustgesteld.)

Maar wat een groeiproces, voor iemand die zich nog maar een jaar of drie geleden niet kon voorstellen dat er mensen waren die de onzekerheid van een zelfstandig bestaan verkozen boven de veiligheid van een vaste baan. Ik sta zelf een beetje verbaasd te bekijken.

Het voelt nog wat rillerig, zoals naar buiten gaan zonder jas. Er staat een frisse bries. Maar de zon breekt door de wolken, en ik heb er goesting in.

(c) KV

P.S. Mijn leven is niet het enige wat openbarst. Terwijl ik dit schrijf, is mijn zusje aan het bevallen: haar buik opent zich om twee rijpe vruchtjes op de wereld te zetten. Voor ons allebei is vandaag het begin van een nieuw hoofdstuk. En wat voor één.