Hulpeloos of krachtig?

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

Onlangs herinnerde ik me een verhaal dat ik meer dan dertig jaar geleden hoorde op het bezinningsweekend van de catechese, indertijd een verplicht nummertje voor wie zijn plechtige communie wilde doen.

Het is een verhaal dat velen prachtig zullen vinden (het werd toen ook gebruikt als een soort stichtende parabel) maar dat voor mij heel onaangenaam voelde. Ik kon er als jongere de vinger niet op leggen waarom, ik voelde gewoon dat het wrong. Maar nu, als onderdeel van mijn recente processen rond grenzen stellen, plaats innemen en nieuwe dynamieken bewonen in relatie tot anderen, begreep ik mijn onbehagen opeens wel. Of beter: het verhaal maakte, wellicht naar aanleiding van een aantal van die eerder vernoemde processen, onverwacht zijn opwachting in mijn bewuste herinnering en ik dacht: dát was het dus!

Het verhaal – zoals ik het mij herinner – gaat als volgt:

Een uitzonderlijk goed man sterft en wordt na zijn dood opgevangen door Jezus. Die neemt hem mee naar het Hiernamaals. De man wil weten wat het verschil is tussen Hemel en Hel. ‘Ik zal het je tonen’, zegt Jezus.
Eerst bezoeken ze de Hel. Het is er onverwacht gezellig. In een ruime eetzaal zitten mensen aan een lange, gedekte tafel. Het eten op de borden ziet er zeer lekker uit. Maar de mensen aan de tafel hebben stijve armen. Ze kunnen ze niet plooien, en kunnen daardoor niet bij hun bestek. Iedereen heeft honger, want niemand kan een hap eten van het lekkers dat voor zijn neus staat.
Vervolgens gaan ze naar de Hemel. Het tafereel daar ziet er op het eerste zicht verrassend gelijkaardig uit. Ook daar een grote, gezellige eetkamer, ook daar een lange tafel met mensen eraan, en heerlijk eten op de borden. En ook daar hebben de disgenoten armen die te stijf zijn om te plooien. Ze kunnen niet bij hun eigen bestek. Maar ze kunnen wel over de tafel heen reiken, naar het bestek van de tafelgenoot tegenover hen, en hem voeden. En omgekeerd: zelf worden zij gevoed door degene die tegenover hen zit en bij hun bestek en bord kan. In de Hemel is iedereen voldaan.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

De wederzijdse hulpvaardigheid die de kern van dit verhaal uitmaakt, is natuurlijk prachtig. Maar toch wringt het verhaal voor mij nog altijd even hard. Want het vertrekt van de premisse dat de mens kapot is, en niet in staat om zichzelf te voeden.
En de reden waarom het zo wringt, is dat dat idee ook vandaag nog heel vaak de manier bepaalt waarop we met elkaar omgaan, zowel in hoe we anderen tegemoet treden als hoe we door hen behandeld worden, of in wat er van ons verwacht wordt.

We kunnen grof gesteld twee manieren onderscheiden om naar onszelf en onze medemens te kijken: als een kwetsbaar wezen dat ontzien en beschermd moet worden (tegen anderen, tegen de wereld en zelfs tegen zichzelf) of als een volwaardig individu dat voor zichzelf kan zorgen en de verantwoordelijkheid kan opnemen voor zijn eigen innerlijke processen, in wisselwerking met die buitenwereld.

De werkelijkheid van het leven maakt duidelijk dat dit een en-en verhaal is. We zijn altijd en overal verbonden met anderen. We zorgen voor elkaar en we zijn, zoals elke levensvorm op deze planeet, afhankelijk van ontelbare anderen. In dat opzicht hebben religies als het christendom gewoon gelijk. Maar waar ze de bocht uit gaan, is in de hardnekkigheid dat we alleen maar dat zijn: klein, beschadigd en onmachtig, totaal afhankelijk van anderen en niet in staat tot autonomie, emotionele maturiteit of zelfs spiritueel bewustzijn.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

(Om eventjes technisch te worden: het is geen toeval dat het orthodoxe christendom predikt dat de individuele mens niet in staat is om contact te maken met God, maar daarvoor integendeel altijd een herder/priester nodig heeft om te volgen. Als – jawel – een schaap.
Niet alleen opvattingen als het boeddhisme spreken dit overtuigend tegen, de gnostische variant van het christendom deed dat indertijd ook. Maar die werd uit de canon geweerd. Dat is het moment waarop de Kerk vervelde van religieuze rebellie tot machtsbastion, en waarop gelovigen moesten veranderen van individuele zoekers naar een kudde volgzamen. Het is ook het moment waarop figuren als Maria en Maria Magdalena, die in de gnostiek hun eigen evangelie hadden, geschrapt werden als spirituele stemmen van belang en kracht.)

Het maakt niet uit of je nog actief gelovig bent of niet, maar bovenstaande denkbeelden zitten zodanig verankerd in het collectief DNA van onze cultuur dat ze onze omgangsvormen vormgeven tot op vandaag, zo krachtig zijn ze.

Wederzijds rekening houden met elkaars behoeften en gevoeligheden is prachtig en dierbaar. Met ijskoud individualisme dat voor de ander alleen een middenvinger over heeft, maken we alles van waarde kapot.
Maar we zijn niet alleen maar hulpeloos en kwetsbaar. We zijn tegelijk óók sterke individuen, unieke zielen, die elk op zichzelf een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de samenleving, als we de kans krijgen of de moed hebben om te stralen en te doen waarvoor we gekomen zijn.

En dat is geen detail.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

Welk mensbeeld je spontaan verkiest (het hulpeloze of het krachtige), maakt een verschil voor elk contact dat je hebt in het dagelijks leven. Natuurlijk is niemand ooit honderd procent hulpeloos of krachtig, het leven is geen Marvel-film. Een gezonde mix van beide is zowel streefdoel als realiteit. Maar de overtuiging die we zelf onbewust koesteren, is wel cruciaal, want in ons eigen leven kleurt ze alles.

Als die basisovertuiging hulpeloosheid is, wordt de ander gezien als iemand die niet in staat is om zijn eigen emotionele processen te beheren. Dat zorgt voor interacties waarbij we niet durven zeggen wat we nodig hebben, voelen of vinden, omdat we ervan uitgaan dat de ander dat niet aan zal kunnen. De lange tenen of innerlijke kwetsuren van de ander worden onze verantwoordelijkheid, omdat hij of zij niet bij machte is om voor zichzelf op te komen of de eigen emoties te verwerken. Van de andere kant wordt er ook tegen ons gezwegen om ons te sparen, omdat er van uit gegaan wordt dat wij dat ook niet kunnen.

Het is het mensbeeld waarmee bijna iedereen van mijn generatie, en zeker alle generaties voor ons, is opgevoed. ‘Wees beleefd.’ ‘Wees aardig.’ ‘Val anderen niet lastig met jouw problemen.’ ‘Kwets de ander niet.’ ‘Doe maar normaal.’ Maar het is niet het mensbeeld waarmee ik wil leven. Die hulpeloosheid ben ik al een hele tijd ontgroeid, en ik vind het ook geen compliment om ze in stand te houden naar anderen toe.
Ik wil de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor mijn eigen processen, emoties en kwetsuren. Anderen kunnen altijd spiegels zijn, seingevers, aangevers. Maar mijn pijn is die van mij, en ik heb er iets van te leren. Tegelijk ik wil ook graag mezelf kunnen zijn zonder voortdurend mijn adem te moeten inhouden en alle mogelijke gevoelige tenen in mijn omgeving te moeten aftasten omdat anderen niet bij machte zouden zijn om hun eigen innerlijke huishouding te managen.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

Nu is het wel zo dat een heleboel van ons dat effectief niet kunnen – om de eenvoudige reden dat we het nooit geleerd hebben. Van kindsbeen af werd ons ingeprent om voorzichtig te zijn met de gevoelens van anderen, om ons te excuseren voor elke misstap (ook als die hoorde bij een natuurlijk leerproces), om toch maar niets te zeggen of te doen wat mogelijk verkeerd zou kunnen vallen bij iemand anders. We leerden onze voelsprieten volop spitsen op de ander, maar vaak te weinig op wat wij zelf eigenlijk voelden en nodig hadden. En als we dat al wisten, gingen we er bijna automatisch van uit dat het ondergeschikt was aan de behoeften van de ander.

De meesten van ons hebben deze versie van gangbare omgangsvormen goed genoeg onder de knie gekregen om ze toe te passen zonder ons ervan bewust te zijn. Maar het werkt alleen maar als iedereen de onuitgesproken spelregels van de choreografie tot in de puntjes beheerst. En zelfs dan blijft het een energielek, want elke vorm van menselijk interactie – en bij uitstek die met de mensen bij wie je je juist veilig of gekoesterd zou moeten weten – voelt als een mijnenveld waarin niemand ooit op een ontspannen manier zichzelf kan zijn. En vooral: waarin niemand voor vol en krachtig wordt aanzien. In plaats daarvan sluipen we om elkaar heen, glimlachend en met goede bedoelingen maar tegelijk angstig voor het verkeerde woord, de confronterende opmerking, de onverhoedse fout, de ongemakkelijke stilte. Of ook wel: schuldig omdat we ons eigenlijk helemaal niet goed voelen en bang om de ander daarmee onnodig te belasten.

We leerden liefhebben van achter een pantser van voorzichtigheid en verontschuldigingen. We leerden dat er geen vangnetten bestaan voor onze pijn, want daarmee mocht je een ander niet opzadelen. Alsof die ander eigenlijk niet heel graag voor ons had gezorgd… Want was is liefde anders, als niet het zorgen voor degenen die we graag zien?
Vanuit het dogmatische idee van wederzijdse hulpeloosheid en afhankelijkheid en de mens als onvolmaakt en onmachtig, groeide binnen de groepen die dit idee hoog hielden vaak juist allerlei vormen van diepe individuele eenzaamheid. Want als niemand zijn pijn mag verwoorden, lijdt iedereen in stilte, en alleen.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

Resultaat: iedereen lijkt tevreden, maar onder het tapijt stinkt het verschrikkelijk.

Alle energie die in dit soort collectieve damage control kruipt, zou zoveel constructiever kunnen worden aangewend, als we uitgingen van de ander als soeverein en capabel individu. Het wil niet zeggen dat we niet meer gekwetst kunnen worden. Het betekent vooral dat we in staat zijn om de verantwoordelijkheid te nemen voor het stuk van de interactie dat bij ons ligt, en wat we daarmee doen.

Het is niet aan de ander om eindeloos om al onze gevoeligheden en kwetsuren heen te dansen, het is aan ons om er mee te leren leven en vrede mee te leren nemen. Dan krimpen de lange tenen weer tot hun normale omvang en doen onhandige opmerkingen vanzelf al minder pijn.

Laten we niet flauw doen: een sprookje wordt het nooit. Het leven kan een rauwe en heftige bedoening zijn. We krijgen onophoudelijk nieuwe uitdagingen en soms zeer zware processen te verwerken. Er zullen altijd kwetsuren, gevoelige plekken en lange tenen zijn. Maar in een samenleving waar iedereen spontaan durft spreken, waar waardering is voor authenticiteit en liefdevolle ruimte voor kwetsbaarheid en oprechtheid, ademen we allemaal beter.

Daniel Ost – detail (c) Inaya photography

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s