Zo fragiel als we zijn

De schoonheid van het kwetsbare

Ik had een schedel besteld, en dat liep fout af.

(c) Inaya photography

Nee, te morbide. Even terugspoelen.

Ik was aan het snuisteren op een website voor tweedehands artikelen en zag een post waarin voor een prikje een interessante combinatie van koraal, botten en hoorns van diverse dieren werd aangeboden, samen met twee schedels, meer bepaald van een vos en een edelhert. Dit voelde als een aanbieding met mijn naam erop.

Wacht, ik hoor het je zo denken. Botten? Schedels? Serieus?
Ja, toch wel. Het is een van die dingen die je mij een paar jaar geleden niet had moeten vertellen want ik had je niet geloofd. Maar bepaalde zaken zijn effectief een acquired taste, en het hangt er voor een stuk vanaf wie je ermee laat kennismaken. De afgelopen jaren is taxidermie en het bewaren van natuurlijke materialen maar liefst van drie of vier kanten tegelijk mijn richting uit gekomen, telkens van mensen die ik waardeer en graag zie. Ik heb nog wat weerstand geboden, aanvankelijk niet bepaald gecharmeerd door een praktijk waar ik vooral de clichés van kende, maar stelselmatig voelde ik dat ik overstag ging. Intussen sta ik op een punt dat voelt als een samenkomst van wegen: taxidermie, sjamanisme, spiritualiteit, ecologie, magie en eenvoudigweg schoonheid.

(c) Inaya photography

Dus, terug naar het verhaal: die bewuste zending kwam aan met de post. De inhoud was zacht gezegd slordig verpakt: alles los dooreen in een zee van piepschuim. Gelukkig waren de meeste items redelijk robuust. Het everzwijnbot leek vers van de bosgrond geraapt, allesbehalve proper, maar stevig was het wel. Een paar kleinere dingen zaten in plastic zakjes, zonder verdere bescherming, en eentje daarvan was tijdens het transport zelfs open gegaan: die met het vossenschedeltje.

Ik heb gevloekt. Stukken en brokken in je handen hebben voelt vanzelf al pijnlijk. Bovendien was het zo mooi, en zo fragiel, dat mijn hart een beetje mee in stukjes brak.

Ik pakte alles uit, inventariseerde, bedacht wat ik wou doen met een aantal dingen, of wie nog op een cadeautje zat te wachten. Mijn hart schrijnde elke keer als ik een blik wierp op het gehavende vossenschedeltje op mijn bureau, maar ik liet het nog even rusten.

Wat mij het meest trof, was hoe fragiel het was.

(c) Inaya photography

We kijken naar de wereld vanuit onze opvattingen en denkbeelden, en vaak liggen die niet in lijn met de werkelijkheid. Mensen met verstand van anatomie kunnen mij nu uitlachen om mijn onwetendheid, maar ik had me bot altijd voorgesteld als iets stevigs, iets zwaars, iets solide. Dat vogels holle botten hebben om lichter te zijn voor de vlucht, wist ik wel. Maar met de botten van landdieren kon je een mens toch gewoon holbewonersgewijs het soort klap verkopen waarmee die een week sterretjes zag?

Het everzwijnbot was effectief verrassend zwaar. Maar andere, kleinere hertenbotten waren dat totaal niet. Ze voelden alsof je er lucht doorheen kon blazen.
Omdat een aantal ervan echt nog wel een schoonmaakbeurt konden gebruiken, kookte ik ze af.
Het volgende wat mij opviel, was hoe lang ze vocht bleven vasthouden. Het duurde meer dan een dag voor ze weer helemaal uitgedroogd waren.

Ik had mij botten nooit voorgesteld als poreus.
Ik begon de dragende structuur van mijn lichaam plots in een heel ander licht te bekijken.

Het meest poreus van allemaal was wel het vossenschedeltje. Het leek op een flinterdunne versie van het koraal dat ik een week eerder cadeau gekregen had, vol barsten en luchtgaten, ook vanbinnen. Alsof het een soort uitgeharde hostie was: één keer te hard knijpen en het spatte onder je vingers uit elkaar.

Het was serieus beschadigd maar te mooi om zomaar weg te gooien. Met de lichtste vingers probeerde ik erachter te komen of de fragmenten die ik nog had ergens pasten, of er een logica te ontwaren was in de schade. Dat bleek het geval. Met de naïeve moed van de beginneling wendde ik me vervolgens tot de hobbywinkel voor een geschikt soort lijm en tot de apotheek voor het smalste pipetje dat ze hadden. En ik ging eraan zitten.

(c) Inaya photography

In de lockdown vorig jaar lijmde ik al kintsugi-gewijs een aardewerken kommetje. De trage meditatieve concentratie die dat vergde, beviel mij. Ik nam me voor dit op dezelfde manier aan te pakken: langzaam, geconcentreerd en in de volle aanvaarding dat dit misschien helemaal niet zou werken. Ik had er vrede mee. In plaats van een gegeerd kleinood was het vossenschedeltje een kans op een ervaring geworden.

Het meest kwetsbare zo vasthouden dat het niet verder barst.
Voelen waar het wil zijn, tot waar het kan gaan.
Lijm laten lopen naar plekken die je niet helemaal kunt zien, alleen voelen.
Loslaten, testen, alles voelen verschuiven, weer vasthouden. Wachten tot dingen uitharden.
Scherven op hun plaats passen. Weer weghalen. Lijm aanbrengen. Terugzetten. Hopen dat ze nu nog passen.
Overtollige lijm wegvegen. Op andere plaatsen wat extra aanbrengen.
Het geheel stukje bij beetje weer aaneen zien groeien. Niet perfect, niet helemaal sluitend. Maar oprecht.
Eén stukje over hebben, dat er met de beste wil van de wereld niet meer in gaat, omdat de randen waarbinnen het hoort nu te smal zijn en niet meer open kunnen – de randen die eerst aaneen gekleefd moesten worden omdat anders de hele schedel uit elkaar viel.
De holte bekijken. Spijt hebben. Geen spijt hebben. Het eigenlijk wel mooi vinden, zo.

(c) Inaya photography

Zo fragiel als we zijn.

Een gedachte over “Zo fragiel als we zijn

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s