Een vogel die aan de horizon verdwijnt

Oma en ik, een van zomers toen ze ons op vakantie vergezelde naar de Middellandse Zee. Later deed ze dat nooit meer. Alle foto’s met haar aan zee of op zuiderse plekken zijn genomen voor ik oud genoeg was om me ze bewust te herinneren.



Ik stond aan het bed van mijn oma toen ze stierf. De oma waarover ik hier eerder al schreef, de zachte, gevoelige, angstige vrouw bij wie ik opgroeide, die zich nooit verder buiten het huis waagde dan de tuin en die over mij zei: “Ik begrijp dat kind.”

Ik was zeventien toen ik in onze woonkamer aan het voeteinde van haar bed stond en er getuige van was hoe haar adem stopte en er vervolgens een bleekheid en vervlakking over haar gezicht kwamen, van binnenuit. In een vloeiende beweging, die snel ging maar tezelfdertijd ook heel geleidelijk, veranderde haar lichaam van een bezielde behuizing tot een levenloos omhulsel.

Ik zag hoe ze vertrok.

Ik had toen eigenlijk op een trein moeten zitten. Die avond zou de feestelijke proclamatie van mijn middelbare schoolopleiding plaatsvinden en mijn zus en ik hadden een kappersafspraak waarvoor mijn moeder ons naar het station had gebracht. In normale omstandigheden gingen we daar altijd gezellig met ons drietjes naartoe, met de wagen. Maar mijn oma was na twee jaren van zwaar ziekbed thuis (bij ons thuis, dus) een paar dagen eerder in coma gegaan en mama wilde niet meer voor lange tijd van haar zijde wijken.

We stonden al bijna op het perron toen er plots een ongelooflijk krachtig gevoel van weerstand over mij kwam. Ik kon toen niet omschrijven wat mij bezielde en ik kan het nog altijd niet. Het was geen kwaadheid, geen verdriet of angst (hoewel het misschien nog het meest léék op angst, op dat moment). Alles in mij schreeuwde gewoon dat ik niet wilde gaan.

Ik was geen lastige puber, ik was niet bang voor de trein, het ticket was al gekocht. Maar ik zette mijn hakken in het zand met een heftigheid die ook mijzelf verraste. Mijn moeder nam mij goddank serieus. Ze stelde mijn vreemde bui niet harder in vraag dan nodig, checkte met mijn jongere zus of die het zag zitten om de trip op haar eentje te maken, en reed vervolgens zonder verder gedoe met mij terug naar huis.
Toen we onze straat in draaiden, zagen we al van ver de palliatieve verpleegkundige op de uitkijk staan, in de hoop dat we nog op tijd zouden zijn voor wat zij het afgelopen kwartier plots had zien beginnen.

Sommige stervenden durven niet overgaan zonder de steun en warmte van hun naasten verzameld om hun bed. Anderen wachten juist na een doodstrijd van dagen of weken tot hun geliefden heel even de kamer uit zijn, om bijna ongemerkt – en zonder weerhouden te worden – de overtocht aan te vatten.

Ik geloof dat het voor mijn oma een beetje van de twee was. We hadden sinds ze in coma gegaan was zachtjes op haar ingepraat, haar favoriete Mariabeeldje bij haar gezet, haar hand gepakt en haar gezegd dat ze mócht gaan, dat het goed was, dat we wel het zouden redden en dat we goed voor opa zouden zorgen. We wisten dat ze worstelde met het idee van doodgaan, vooral omdat ze haar gezin niet wilde loslaten, en (dat begrijp ik nu) omdat ze vreesde wat er over mijn grootvader aan het licht zou komen eens zij weg was.

Ze nam haar laatste beslissing dus wellicht niet per toeval op het moment dat haar geliefden er even niet waren. Zonder ons in de buurt kon ze haar laatste haakjes van houvast en verzet loslaten. Ze was óp, het was tijd. Maar ze wachtte op het beslissende ogenblik wel tot mijn moeder en ik aan haar bed stonden om echt te vertrekken. Ze wou ook niet gaan zónder ons.

Het duurde toen we er eenmaal waren geen twee minuten meer. Maar ondanks de schok van het onverwachte herinner ik me van het precieze moment van haar dood vooral de diepe rust, de vredigheid. De omschrijvingen die de dood vergelijken met een kaars die geleidelijk dooft of een vogel die verdwijnt aan de wazige horizon hebben het bij het rechte eind. Het was zacht en sereen. Dat was het moment waarop ik de kracht van de dood voelde in zijn diepste vorm, en die was mooi.

(c) AV/Inaya P



Hoeveel makkelijker zou het voor velen van ons zijn, denk ik ook nu nog vaak, als we op jeugdige leeftijd van dichtbij mogen meemaken hoe een dierbare sterft. En dan bedoel ik niet alleen op bezoek gaan bij de zieke in de laatste dagen, en na het overlijden het dode lichaam nog groeten, maar de wérkelijke overgang.
Want het dode lichaam van een dierbare is niet meer dan een lege huls. Het lijkt op een buste, een afgietsel, een wassen pop – soms ook uitgemergeld tot op het onherkenbare af. Dát zien zonder dat je eerst bij de overgang aanwezig was, maakt de dood vaak alleen maar bevreemdender of zelfs enger. Toch blijven we kinderen – en als het even kan ook volwassenen – afschermen van dat levensbelangrijke moment.

Het is iets waar we in de psychologie steeds meer bewijs voor kunnen voorleggen: wat je verzwijgt, wordt erger. Wat kinderen niet verteld wordt, maken ze in hun hoofd tot iets veel groters, mogelijk van rampzalige proporties. Ze dragen het soms tot in hun volwassenheid onbewust mee. Maar ook wat we als volwassenen niet mogen of willen zien, wortelt zich alleen maar dieper in ons hoofd en in ons lijf. Er is niet zoiets als ‘als ik er niet aan denk, bestaat het niet’. Zélfs als we er niet aan denken, is het diep in onszelf aan het werk met ons.

We hebben een veilige ruimte nodig voor verdriet, en in het ervaren van de werkelijke overgang van leven naar dood bestaat die ruimte. Tegelijk is er het – misschien enigszins lastig – inzicht dat ons verdriet voor het overgrote deel te maken heeft met onszelf (WIJ missen de aanwezigheid van de dode persoon in ons leven), en niet met de overledene. Een uitzondering geldt wanneer het gaat over een kind, een jongere of (jong)volwassene die naar ieders gevoel veel te vroeg uit het leven weggerukt werd – daar spelen beelden van een toekomst die er had kunnen zijn maar nu nooit meer werkelijkheid wordt natuurlijk een heel zware rol. Het grootste verdriet betreft dan niet een leven dat voleindigd werd maar een dat nooit werd geleefd .

Maar in het geval van al die andere levens die wél geleefd werden – waar lopen we eigenlijk van weg? De vraag stellen, is ze beantwoorden: we lopen weg van onszelf. Van het besef dat wij het op een dag zullen zijn die overgaan. Dat het leven eindig is. En wij ook.

Wie een zinvol leven heeft geleid, kan spijt hebben dat er een einde aan komt, maar is er niet bang voor, een beetje zoals je na een lang en heerlijk feest wilde dat het kon blijven duren maar eigenlijk toch ook wel verlangt naar slaap. Maar hoe hard we worstelen met de zinvolheid van ons leven, blijkt uit de massale cijfers van burn-out, depressie, verslaving… Veel daarvan heeft te maken met hoe we in deze neoliberale wereld een vorm van zingeving aangepraat krijgen. Om het kort samen te vatten: consumptie en genot. Koop en geniet, en stel je voor de rest niet te veel vragen. Verdrink in het plezier van het moment. Dat is geen wérkelijk zinvolle invulling van het leven. Maar we zijn er zo door opgeslorpt dat we dat vaak niet doorhebben. Deadline op het werk, leuke serie, likes op Facebook, oudercontact van zoon of dochter, examens, familieverplichtingen, hobby’s, bijeenkomsten, vergaderingen… We hebben nauwelijks tijd, of rust, of bandbreedte, voor de verstillende en verdiepende facetten van het leven.

(c) Zonen met vaders – Open en Dicht // Geen lied past beter bij deze blog dan dit. Hoed af voor deze Vlaamse groep die muziek maakt die aan je ribben blijft plakken.




Als het hele bestaan een kermisattractie is, dient de dood zich natuurlijk aan als een spookbeeld, een angstdroom, een duistere aanwezigheid die een einde maakt aan het plezier.

Laten we zo niet leven. Of toch niet zo blijven leven.
Laten we de eindigheid van het bestaan in de ogen kijken. Een rechtstreekse ervaring met de dood kan een wereld van verschil maken in hoe we de rest van ons eigen leven tegemoet treden. Je weet pas hoeveel iets werkelijk waard is als je durft aanvaarden dat de jou bemeten tijd beperkt is.

Door mij aanwezig te laten zijn bij haar overgang – misschien zelfs: door mij ervoor terug te roepen – bood mijn grootmoeder mij een van de meest waardevolle geschenken die je als mens kunt krijgen. En hoe ouder ik word, hoe meer ik het apprecieer. Haar zien vertrekken, de verstilling mogen zien, ervaren hoe de sfeer in de kamer veranderde, het laat mij al sinds mijn zeventiende anders naar de dood kijken.

Zonder angst. Met respect. Met nieuwsgierigheid. En met de immense overtuiging dat er iets is wat onnoemelijk veel groter is dan wij, waar een deel van ons in opgaat als ons lichaam sterft. We hoeven niet te weten wat dat precies is – het lijkt me trouwens volstrekt onmogelijk om dat te kunnen bevatten. Maar dat geeft niet. Weten dát het er is, is voor mij genoeg.
En dat is wat ik ga doorgeven aan het allerliefste wat na mij komt.

(c) André Vanlierde

4 gedachtes over “Een vogel die aan de horizon verdwijnt

  1. Weer zo intiem-werkelijk gedeeld, Kirstin…
    Ik heb wat jij hier vertelt al drie keer in mijn leven mogen meemaken. Voor mij is het de meest rechtstreekse verbinding met het Mysterie van het Leven, méér nog dan de geboorte van een kind – dat er al was, zij het in de baarmoeder.
    Want dood is niet het tegengestelde van leven, het is het tegengestelde van geboorte – en IN die tegenstelling is het gelijk aan geboorte. Een prachtige en eeuwig mysterieuze paradox…

    Geliked door 1 persoon

    1. Dankjewel, Geert! Het is in de meest persoonlijke verhalen dat we onze gemeenschappelijke verhalen telkens weer terugvinden, toch? Dat is iets wat jij als geen ander weet te waarderen. Dat heb ik ook van jou geleerd.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s