Slechte verliezers

(c) Inaya photography



Het najaar is aangebroken. Ik hoop op nijdige regenvlagen en koudegolven, op grondvorst en andere signalen dat het het seizoen dit keer menens is. Maar met klimaatverandering in het achterhoofd weet ik dat ik die verwachtingen niet te scherp mag stellen. De eiken in onze tuin beginnen nu pas echt te verkleuren, ik zie nog heel veel groen.

Ter vergelijking: als je twintig jaar geleden van de herfstkleuren in het bos wilde genieten, was het in de herfstvakantie soms al te laat. Van de allereerste midweek samen met mijn lief (die nu mijn man is) heb ik stemmige foto’s in grijze bossen. De grond was bruin van al het afgevallen blad, de kruinen waren kaal. De afgelopen jaren mogen we al blij zijn als alle bomen in december hun kroon ontbloten.

Ik vraag me af of de winter net als vorig jaar een langgerekte herfst wordt waarin Kerstmis aanvoelde als een anachronisme. Het gaat snel, deze verandering. Het gaat ontzettend snel. Het maakt mij ademloos. Ik heb heimwee naar de wereld die ik ooit kende. En ik ben niet naïef: dat gaat, met de hete adem van C** in onze nek, en de manier waarop we daar als samenleving mee omgaan, niet bepaald verbeteren.

De eerste grimmige berichten over mensen die zelfmoord plegen en het niet meer kunnen bolwerken, bereiken de (sociale) media. Ik vrees dat er nog veel zullen volgen. Daar zit de duisternis voor iets tussen, maar die schuilt dit jaar niet alleen in minder uren daglicht.

(c) Inaya photography



C** is geen onschuldige kiem, maar zelfs met de nu fors stijgende ziekenhuisopnames is ze nog altijd een stuk minder dodelijk dan de perceptie die gecreëerd wordt door altijd maar weer cijfers te geven zonder context. Ook de revalidatie van weken of maanden die er voor sommigen aan te pas komt, het feit dat het virus zich ook op andere organen kan zetten en daar blijvende schade veroorzaakt… het is medisch eigenlijk niets nieuws onder de zon. Varicella (windpokken/zona), Epstein-Barr (klierkoorts) en Hepatitis doen dat óók. Alleen leven we daar al zo lang mee samen dat we dat normaal vinden, het is nooit het onderwerp voor een stuk in de krant. En omdat het oudgedienden zijn, zijn velen van ons immuun of ondervinden we relatief weinig miserie.
Ik kreeg twintig jaar geleden klierkoorts, en niemand was in paniek dat ik er al bij al een half jaar lang door geveld was. En als er een beperkt aantal van deze virusgevallen toch nog ontsporen (en dat doen ze effectief nog altijd, ook vandaag), dan gebeurt dat niet meer met 5% van de bevolking tegelijk. Dáár zit een groot stuk van het probleem nu. Maar dat is strikt gesproken eerder een illustratie van de structurele beperkingen van onze gezondheidszorg dan van de agressiviteit van dit virus. Maar ook dat krijgen we niet gekaderd.

Dit soort omgang met informatie (die puur feitelijk niet fout is, maar in onze perceptie opzwelt tot enorme omvang omdat ze niet proportioneel geschetst wordt binnen een referentiekader) zorgt voor een groeiend gevoel van onbehagen en angst. Dan kom je terecht in de aandachtsfuik van massavorming waarover professor Mattias Desmet het heeft, en iedereen die niet voor honderd procent mee is in de beeldvorming of akkoord gaat met de gehanteerde tactiek en retoriek krijgt zeer snel een vijandbeeld opgekleefd. Dat is zo jammer, vooral omdat de manier waarop we de C**-pandemie nu proberen op te lossen riskeert een vele malen groter probleem te creëren, kort door de bocht samengevat als: onleefbaarheid.

De uitgeputte zorgverleners, de failliete zelfstandigen, de kunstenaars die de onderkant van de armoedegrens kennen, de leerkrachten aan het einde van hun Latijn, de kinderen die bang worden om aangeraakt te worden, de afgesneden jongeren, de van eenzaamheid wegkwijnende en zonder overleg opgesloten ouderen, de ontwrichte gezinnen die de spanning van het zo lang zo dicht op elkaar leven niet meer bolwerken, de ontelbare mensen die niet weten welke kant ze nog uit moeten om een sprankel te vinden van iets wat hen innerlijk voedt, blij maakt, ondersteunt… De lijst is vreselijk lang. Onleefbaarheid heeft veel gezichten en ze worden steeds scherper getekend.

(c) Inaya photography



Niemand beweert dat deze toestand simpel is. Niemand wil een ander schade berokkenen en niemand wil zijn geliefden zien sterven. Maar eigenlijk ontrollen zich hier vier verschillende verhaallijnen tegelijk en door elkaar, die samengevat kunnen worden in vier cruciale vragen:

  • Willen we zoveel mogelijk mensenlevens vrijwaren van het virus?
  • Willen we ons huidig gezondheidssysteem boven water houden?
  • Willen we een leefbare samenleving?
  • Willen we het samenspel van al die factoren realistisch onder ogen zien én onze eigen rol en verantwoordelijkheid binnen het ecosysteem van de planeet erkennen?

Op de eerste drie vragen is het antwoord ja. Op de laatste is het (voor veel mensen) nee. Dat is bijzonder ironisch, want alles begint bij die laatste vraag. En de andere drie zijn allemaal nobel en verstaanbaar, maar totaal niet compatibel. We kúnnen dat niet alle drie tegelijk. Ze maken elkaar onmogelijk. Door de eerste twee na te streven, maken we de samenleving onleefbaar. Door de samenleving leefbaar te willen houden, gaan we mensen verliezen. En dat het ziekenhuissysteem is wat het is, is het gevolg van menselijke – financiële en ethische – keuzes.

Onze mogelijkheden zijn beperkt. We gaan verliezen lijden. De vraag is alleen: welke.
En precies die vraag wordt niet gesteld. We blijven hardnekkig proberen ze alle drie waar te maken. Daardoor zijn we ook goed bezig om ze – pardon my French – alle drie te verkloten.

Wanneer komt het moment dat we op de knieën zakken en toegeven dat dit geen strijd is die we moeten winnen, dat het zelfs geen strijd is die we gaan verliezen, ook al hoort er diep verdriet bij, maar dat dit gewoon de definitie is van wat het is om te leven op deze planeet?

(c) Inaya photography



Pas op, het is absoluut niet mijn bedoeling om het overlijden van dierbaren te banaliseren. Dat verdriet, de angst, de bezorgdheid, ik ken ze ook. Dat is wat ons als mensen heel erg verankert in ons eigen fysieke leven, in alles wat voor ons persoonlijk zinvol is en het leven betekenis geeft. Elke keer dat ik de telefoon neerleg met mijn 74-jarige mama in Frankrijk ben ik niet alleen zeer dankbaar voor de warme band die we delen, maar ook scherp bewust dat ons leven er over een week dramatisch anders kan uitzien.

Maar het zou een vergissing zijn om mijn persoonlijke bezorgdheid de drijfveer te maken van wat de samenleving moet doen. De grotere dynamieken van ziekte en gezondheid binnen een ecosysteem (en laten we de planeet nu even één ecosysteem noemen, want dat is ze eigenlijk ook), zijn per definitie… groter. Ze functioneren op een ander niveau. Ze zijn de kracht van een oceaangolf ten opzichte van plankton, de vulkaanuitbarsting ten opzichte van vers opgeschoten gras. We kunnen rouwen om wat verloren gaat als die kracht haar gang gaat, natuurlijk doen we dat, we hebben een hart en een lijf en dat ziet af als we gekwetst raken, of als onze dierbaren gekwetst raken. Dat verdriet mag er zijn, dat moet er zijn. Maar de kracht die groter is dan wij, is groter dan wij.

Daarom waardeer ik de filosofische manier waarop mijn ouders hiermee omgaan. Ze zijn voorzichtig, ze dragen een mondkapje waar dat moet en houden afstand, maar ze stoppen niet met leven. Ze verstoppen zich niet, ze ontsmetten niet koortsachtig, ze zorgen dat er fijne dingen hun dagelijks leven kleuren (een gezamenlijk potje Scrabble kan genoeg zijn!), ze houden contact met het thuisfront, ze gaan buiten op het terras van de buren nog een glas drinken en als mijn moeder werkelijk iemand graag ziet, dan knuffelt ze die. Dat virus, dat is vogelpik, zegt ze rustig.

Haar witte bloedcellen zijn de laatste tijd niet uitbundig en na haar klaplong een paar jaar geleden zie ik haar echt niet graag in aanraking komen met een virus dat een voorkeur heeft voor longen. Mijn vader heeft allergieën en overgewicht, ook niet zo’n super combinatie. Maar ik gun hen samen ten volle elke dag die zo normaal mogelijk verloopt, met zoveel mogelijk levenskwaliteit. Ik vind dat een veel beter idee dan hen de komende twee jaar op te sluiten en angstig en vereenzaamd te zien wegkwijnen. Ze leven bewust, en ze trekken de grenzen van hun voorzichtigheid bewust. En voor de rest vertrouwen ze dat de dingen wel zullen gaan zoals ze moeten gaan. Ik vind dat ongelooflijk sterk en mooi.

(c) Inaya photography



Ik weet dat mijn ouders niet eeuwig zullen leven. Ik aanvaard dat. Het maakt mij eigenlijk niet zoveel uit of het C** is dat daar voor iets tussenzit of niet. Als dat wel zo is, zal mijn verdriet gewoon iets vroeger komen dan het anders zou hebben gedaan. Maar ik respecteer het en ik aanvaard het. Nu al.

Een kernvraag in dit alles is daarom volgens mij: kunnen we als samenleving leven met de gedachte dat we niet alles en iedereen kunnen behoeden voor besmetting en overlijden? Kunnen we leven met het feit dat niet iedereen die naar het ziekenhuis moet het overleeft? Kunnen we aanvaarden dat wij in dit scenario niet aan de knoppen zitten, niet écht? Op dit moment is het antwoord nee. We willen en zullen iedereen er doorhalen. Dat moét. Daardoor gaan we in overdrive. We hebben het niet meer over waardig leven en zelfs niet over waardig sterven, we gaan een ‘vijand’ te lijf.

Dat idee van strijd is een probleem op zich, dat sowieso. In de natuur heerst geen strijd, er heerst een evenwicht waarbij – plat gezegd – iedereen iedereen opeet. Soms eet jij iets of iemand op, dan weer word jij iemands avondmaal. Het werkt in alle richtingen. En dat is prima.

Als mensheid hebben wij niet alleen onze omgang met de natuur herschapen tot een gevecht waarin we zelf de denkbeeldige heldenrol vervullen, de afgelopen eeuwen hebben we ook nagenoeg alleen maar gewonnen in die zelfbedachte arena. We hebben terrein veroverd ten koste van ontelbare diersoorten, van grondstoffen, van hele ecosystemen. We zijn zo succesvol geworden dat we een regelrecht gevaar zijn voor het evenwicht van de hele aarde.

Nu zitten wij – biologisch gesproken – voor het eerst sinds heel lang aan de kant waar de klappen vallen. En we zijn bar slechte verliezers. We weigeren niet alleen te beseffen dat we dit gewoon helemaal zelf hebben helpen ontstaan (hoe we de het regenwoud stelselmatig blijven vernietigen is het droomrecept voor het overgaan van virussen uit diep gestresseerde wilde dieren op de mens), we zijn ook niet van plan ons gedrag aan te passen. Toch niet op dát vlak. Dat was vraag vier hierboven, namelijk. Nee, we leggen liever een paar jaar onze hele samenleving lam, ten koste van alles en iedereen. Maar we gaan ‘winnen’ van deze vijand.

Als er ergens daarboven een figuur rondzweeft die God heet, dan verdenk ik hem op dit moment van een nogal cynisch gevoel voor humor. Of we kunnen hem misschien beter karma noemen, zoals Nick Meynen doet in zijn uitstekende boek De val van Icarus. Daarin wordt haarfijn uitgelegd hoe onze hele levensstijl rechtstreeks het bedje heeft gespreid voor dit virus, en voor nog een heleboel ergers wat op komst is.

Als we niet de rest van ons leven van viruscrisis naar viruscrisis willen manken en in de tussentijd ook nog eens de volledige ontwrichting van het klimaat op aarde willen meemaken, dan stel ik voor dat we nu stoppen met brullen, de oogkleppen afleggen en onszelf de écht moeilijke vragen stellen. Dat is wat volwassen mensen doen.


(c) Inaya photography



Het is een stralende herfstdag. De wingerd is bijna al zijn bladeren kwijt, losgerukt door de stormwind. Ik kijk naar het eerste geel in de kruin van onze eik, en door de telefoon knuffel ik mijn mama in Frankrijk, zo veraf, zo dichtbij. Elke dag kan de laatste zijn. En precies daarom is hij zo waardevol. En dat heeft niets met C** te maken, dat was altijd al zo. Alleen beseffen we het nu beter. Denk ik.

7 gedachtes over “Slechte verliezers

  1. Geweldig stuk. Tijdens het lezen kon ik alleen maar telkens “ja” en “exact” hardop uitbrengen. Zo verfrissend om dit te lezen.

    Voor een stelletje controle freaks zijn we als mensheid idd behoorlijk stom bezig. We blijven pleisters plakken en vergeten dat de wond al ontstoken is.

    Ik heb zelf chronische aandoeningen, ziekten waarvan ik anderen totaal in paniek zie raken. Natuurlijk had ik er in het begin moeite mee maar naar mate de tijd verstrijkt vind ik een soort vrede. Het is geen straf, karma of wat dan ook. Het ‘is’ gewoon en in dat te beseffen heb ik het ook geaccepteerd.
    Brengt een enorme rust mee.

    De enige onrust die ik voel is voor de natuur. Het gaat mij niet om een nalatenschap of dat de mens in de toekomst er nog wat aan moet hebben. Weer dat ego dat alles voor ons zou moeten zijn.
    Het gaat mij erom dat ik deze aarde verlaat zonder een voetdruk achter te hebben gelaten. Als bezoeker, geen consument.

    Geliked door 1 persoon

    1. Dankjewel voor je warme woorden!
      Aanvaarding is de mooiste vorm van onze plek innemen. Je mag best een voetafdruk laten, vind ik, een spreekwoordelijke steen verleggen. Dat doet elke plant, elk dier, ook. Precies zo zijn we ook allemaal met elkaar verbonden, en heeft ons bestaan betekenis. Zolang het maar binnen proportie is. En zolang de branding die na ons komt onze voetstappen ook weer mag wegwissen.
      Hartelijke groet!

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s