Welkom in de B-ploeg

 Zwemmen in de stroom waar je thuishoort

Page3 cut1 N.jpg
Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Als kind wilde ik schrijver worden. Ik schreef notitieboeken vol verhaaltjes, typte hele schoolvakanties weg. Ik kom uit een gezin waar mensen boeken verslonden als ze er de tijd voor hadden (voor mijn ouders betekende dat doorgaans: de vakanties), en waar lezen altijd en overal werd aangemoedigd. Dus ik dacht dat het wel goed zat toen ik aan de universiteit literatuur ging studeren. Maar dat klopte toch niet echt.

Tegen de tijd dat ik klaar was met het middelbaar, had ik zowat de hele kinder- en jeugdvleugel van de bibliotheek gelezen. Maar de overstap naar literatuur voor volwassenen vond ik helemaal niet zo eenvoudig. Plots waren een aantal van de dingen waarvan ik in boeken zo hield spoorloos verdwenen. Verbeelding. Hoop. Warmte.

De studie taal- en letterkunde aan de universiteit trok mijn wereld open op meer dan één manier. Ik ontdekte schrijvers en oeuvres waar ik voordien nooit van gehoord had. Mijn proffen introduceerden me ook tot de diverse literaire tradities, het werk van eigentijdse auteurs en, misschien nog het belangrijkste: de analytisch gestructureerde manier om een boek te lezen en te begrijpen.

Maar die jaren waren niet alleen een tijd van intense, nuttige opleiding. Ze waren ook het moment waarop ik ontdekte dat ik wel grootgebracht was met liefde voor boeken, maar niet met kritische zin om kwaliteit te onderscheiden. Mijn ouders, leerde ik, lazen niet meteen grote literatuur. En de academische wereld hamerde de boodschap er bij mij stevig in: er was ‘goede’ literatuur, meesterwerken die conventies hadden getrotseerd, een universele snaar beroerden en de eeuwen zouden overleven, en er was — al de rest.

Hoe ambitieus je als jonge kunstenaar ook bent, meestal heb je toch wel genoeg realisme om te begrijpen dat toegelaten worden tot de literaire canon geen evidentie is. Maar als ze zeggen dat je doorgaans het soort boeken gaat schrijven dat je zelf graag leest, wat moet je dan met de ontmoedigende ontdekking dat datgene waar jij van houdt door de experten niet bepaald bij het kwalitatief werk gerekend wordt?

Een vol jaar lang na mijn afstuderen van de Germaanse schreef ik met enorme vertwijfeling. Onbewust werkte ik met maatstaven waaraan ik onmogelijk tegemoet kon komen, omdat ze niet strookten met wie ik was. En erger: ik las niet. Ik was het moe om boeken te lezen waarvan ik geleerd had dat ze ‘goede literatuur’ waren maar die me alleen maar deprimeerden door hun onderwerp, stijl of benadering van de wereld, en ik was bang om te genieten van iets wat misschien weggezet kon worden als triviaal. Die innerlijke worsteling zette me klem in de hoek waar verstomming en verlamming elkaar treffen.

Het boek dat mijn redding werd, was The vintner’s luck van Elizabeth Knox. Daar was het ineens: geschreven in het verfijnd soort poëtisch proza dat ik niet alleen was gaan appreciëren dankzij mijn opleiding maar waarvan ik oprecht hield, en tegelijkertijd een verhaal dat zo ver als maar mogelijk af stond van het in hedendaagse Nederlandstalige fictie zo diep ingeslepen realistisch cynisme. Knox’ roman over de liefde van een Franse wijnbouwer voor een engel die hij een nacht per jaar ontmoet gedurende zijn hele leven opende voor mij een universum van verbeelding, sensualiteit en emotie, geschreven in een taal even subtiel en bedwelmend als zware wijn.

Het voelde als eindelijk aankomen op de plek waar ik thuishoorde. Dit was kwalitatief werk dat mijn hart en ziel beroerde. Dit was het soort boek waarvan ik hield. Dit was het soort werk dat ik zou gaan schrijven.

Page11 cut 1 N

Tot ik het probeerde uit te geven.

Mijn geschreven teksten botsten op een gelijkaardig oordeel als mijn leesvoorkeuren op de universiteit hadden gedaan. Nu lag dat voor een deel beslist aan gebrek aan ervaring en een onvolledig beheersen van het ambacht, zoveel mag duidelijk zijn. Het is niet omdat je mikt op kwaliteit dat je die ook kunt voorleggen. En ik had nog veel te leren. Debutanten die meesterwerken produceren bestaan, maar ze zijn zeldzaam. Maar later werden een aantal van mijn rijpere manuscripten alsnog geweigerd, soms om evenveel verschillende redenen als ik uitgevers had aangeschreven. Elementen die de ene bijzonder geapprecieerd had, waren voor de andere precies de reden om het werk onuitgeefbaar te verklaren.

Het maakte me gek van onzekerheid. Blijkbaar kon niemand me vertellen was ‘goede’ literatuur nu precies was, laat staan hoe je die schreef. Al wat ik wist, was dat ik blijkbaar iets verkeerd deed. Of misschien was dat zelfs niet eens zo, maar kon men mijn werk toch niet smaken, terwijl er stapels boeken uitgegeven werden die ik niet graag las en die ik zelf nooit zou kunnen — of willen — schrijven.

Welkom bij de B-ploeg, schreef Jurgen Walschot, in een poging me op te vrolijken met zijn gebruikelijke mix van humor, ironie en warmte, toen ik weer eens tegen mijn oude muren van perfectionisme aan was geknald en mijn wonden likte, bang dat niets van wat ik deed ooit ergens toe zou leiden. Liever de tevreden hobbyist dan de ongelukkige, gefrustreerde zogenaamde professional.

Hij had gelijk, zelfs al waren we het in feite ondertussen allebei wel, professionals. Maar op een of andere manier moet je het punt bereiken waarop je stopt met je aan te trekken wat mensen denken, of in welk vakje je werk al dan niet geklasseerd zal worden. Je moet stoppen met piekeren en het beginnen maken.

Page15 cut 1 N.jpg

Maar het blijft een glad en hellend vlak, om meer dan één reden.

Een voorwaarde voor lidmaatschap die de Vlaamse Auteursvereniging (waar ik zelf tien jaar in het bestuur zat) naar voren schuift, is dat schrijvers minstens één gepubliceerd werk bij een erkende uitgever (of een voorstel tot contract) moeten kunnen voorleggen.
Dit is het soort maatregel dat actief de bedoeling heeft om de auteurs te scheiden van de amateurs. Uitgevers worden beschouwd als de poortwachters van kwaliteit: als je voorbij hun deur geraakt, heb je het recht verdiend om serieus te worden genomen binnen je genre.

Maar wat als kwaliteit toch niet meer voorbij die uitgeversdrempel raakt?

Om een bekende uitdrukking even naar mijn hand te zetten: ik schiet niet op de uitgever — een uitzondering niet te na gesproken. Zij hebben uiteraard keuzes te maken, en velen van hen doen dat met integriteit en liefde voor de job. Maar de boekenwereld kreunt steeds meer onder de wetten van de markt, en nogal wat schitterend werk geraakt eenvoudigweg niet uitgegeven omdat gevreesd wordt voor een commerciële afgang.

Begrijpelijk? Absoluut.
Te betreuren? Die vraag zou ik redelijkerwijs zelfs niet hoeven te beantwoorden.

Dus enter de B-ploeg, en de professional die het werk maakt dat hij voelt dat hij moet maken, die de uitgevers langszij passeert en het in eigen beheer uitgeeft in een oplage van amper vijftig exemplaren die hij vervolgens verkoopt aan vrienden en familie, als de eerste de beste amateur.

Er was een tijd dat ik daar gillend voor zou zijn gevlucht. Maar toen de uitnodiging kwam, in de vorm van Jurgens uitgestoken hand, en de ervaring van gedeelde creatieve stroom die even voedend en verleidelijk was als ooit een engel in een Franse wijngaard op een beslissend moment in mijn leven, wist ik dat ik klaar was om mijn oude wereld de rug toe te keren.

Page19 cut 1 N.jpg

De afgelopen maand hebben we de laatste hand gelegd aan Stroom, een graphic poem (bij gebrek aan een beter woord) van 50 pagina’s. We hebben het opgestuurd naar een aantal uitgevers in Vlaanderen en Nederland, om de watertemperatuur te testen en de levensvatbaarheid van ons mooie, kleine project af te toetsen. We kregen al wat fijne feedback, en we wachten op een aantal definitieve antwoorden.

Tegelijkertijd verkennen we de mogelijkheden voor Engelse of Franse versies van het boek. We hebben geduld, maar ondertussen werken we door.

En we weten dat Stroom er komt. Uitgegeven in de A-klasse, of gemaakt door de B-ploeg. Hoewel de ene optie om duidelijke redenen zoveel prettiger en makkelijker zou zijn dan de andere, kan het mij in alle eerlijkheid niet meer schelen welke het wordt.

Want hoe weet je nu dat je kwaliteitsvol werk maakt? Misschien is het antwoord gewoon dat je dat niet kunt weten.

Het enige waar je op moet afgaan, is of je zwemt in de stroom waar je thuishoort.

En dat doe ik.

Alle beeldmateriaal in deze blog is afkomstig uit Stroom (c) Kirstin Vanlierde & Jurgen Walschot

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s