Doeme voesj?!

Ik werk aan een boek. Of beter: ik herwerk een manuscript dat mij zeer dierbaar is tot een (hopelijk) publiceerbaar boek.
In een proces als dit is niets zeker. Het enige baken dat je als schrijver hebt, is je liefde voor de personages, het pact dat je gesloten hebt met het verhaal en de oprechte belofte dat je zult proberen, zo goed als je kunt, om dit werk het licht te laten zien op een manier die het verdient.

Ik ken niets van schrijversbijgeloof. Brengt het ongeluk om een passage te publiceren voor je een uitgeefcontract op zak hebt? Of helpt het je gesternte juist vooruit – een soort van positieve projectie, zeg maar?

Geen idee. Het enige wat ik wél weet is dat dit, vanavond, Vastelauvond en de apotheose van het carnaval in Aalst, het enige juiste moment is om deze scène de wereld in te sturen.
Ik stel jullie voor: Eefje. Dapper, wanhopig, sterk tot voorbij het punt waarop een mens nog sterk kan zijn.

Met een warm saluut aan al mijn vrienden, kennissen, harts- en zielsverwanten daar in Aalst.

https://c1.staticflickr.com/9/8243/8471988962_f6f91251b4_z.jpg

Eefje

26 februari 19xx (vervolg)

We waren érg vroeg op de Grote Markt. Dat wil zeggen: bijna twee uur op voorhand. Kilian en Ewout wilden geen enkel risico lopen. De popverbranding trekt massa’s volk, en omwille van de brandveiligheid houden de stadsdiensten zich aan strenge regels. Wie te laat is, komt er niet meer in. En dus stonden we er op tijd, met nog wat zoetigheid of vettigheid achter de kiezen en gewapend met een flesje bier per persoon. Niet op de eerste rij, maar toch dicht genoeg bij de dranghekkens om een goed zicht te hebben op de pop van dat jaar, een stevig houten geval dat nog niet wist dat het de avond niet zou overleven.
Liesbet was er niet bij, die was al verdwenen toen Ewout en ik uit het spookslot naar buiten kwamen. Kilian had geen uitleg gegeven, en het kon ons eigenlijk ook niet schelen. Tegelijk was ik nerveus. Het was veel gemakkelijker om de verstandigste te zijn als Kilian een meisje om zijn nek had hangen.
Hij was zoals altijd: ogenschijnlijk vrolijk, niks aan de hand. Zijn kostuum zag er niet meer zo blinkend uit als twee dagen terug, maar het kon er nog aardig mee door. Niemand had erover gekotst of er bier over gemorst. Ik probeerde zo nu en dan naar zijn gezicht te kijken, zocht zijn ogen. Het was moeilijk te zien in het schemerduister van de vallende nacht en de straatverlichting, maar ik had het gevoel dat er in zijn blik iets te lezen was wat niet strookte met de feeststemming.
‘Alles goed met jou?’ kon ik het niet laten te vragen.
Hij keek me aan in opperste verbazing. ‘Natuurlijk. Waarom?’
Ik was niet overtuigd, zelfs zijn verbazing was te dik aangezet. Ik aarzelde, twijfelend tussen opgeven of doorduwen. Toen klonk het geluid van doedelzakspelers.
Een groep muzikanten in traditionele klederdracht kwam in een plechtige optocht het stadhuis uit. Rust daalde over de Grote Markt. Mensen hielden de adem in en luisterden, en ik kon de vloed van emoties voelen, als water dat begon rond kniehoogte maar al snel steeg tot aan je heupen, je borst, je keel.
Ik hou niet van overdreven gevoelens. Pathos, tranen. Aanstellerij is het, bijna altijd. Maar wat er die avond gebeurde, was beangstigend en heerlijk tegelijk.
Ik vocht ertegen, zo hard ik kon. Maar de krop in mijn keel zat er al toen Prins Carnaval iedereen met trillende stem bedankte voor de drie schitterende dagen. Ze klaarde een beetje op toen hij een van zijn feestliedjes inzette, en ik de kans kreeg mij op iets anders te concentreren. De onstuimige massa liet zich wiegen op het ritme, blij dat het finale moment nog even uitgesteld werd. Maar toen was het zover: de Prins toonde zijn brandende fakkel en gaf het symbool van Carnaval Aalst aan de vlammen.
Ik weet niet meer wat voor muziek ze toen speelden. Misschien helemaal niets, hoewel ik het niet met zekerheid durf zeggen. Ik weet alleen dat ik de grootste moeite had om mijn tranen terug te dringen. Ik keek naar boven en knipperde als een bezetene met mijn oogleden. Ik wilde niet – niet! – huilen. En toen zag ik Kilian.
Zijn ogen en zijn gezicht waren eindelijk in overeenstemming. Zijn geforceerde grijns was weg. Zijn wangen waren nat en hij huilde zonder zich te schamen.
Nu komt het eruit, wist ik. Nu komt het er eindelijk allemaal uit.
Hij keek me aan en mijn hart brak. Ik deed het enige mogelijke: ik opende mijn armen.

Ja, ik heb dus ook gehuild. Tegen zijn schouder. Stilletjes, ingehouden, zodat mijn keel er pijn van deed. Hij heeft het geloof ik niet gemerkt, zijn eigen verdriet kwam van zo diep dat zijn hele lichaam er van schokte.
We hebben elkaar niet meer gekust. Maar hij was zo dicht bij mij dat het leek alsof ik tegelijk in mijn eigen hoofd zat en in dat van hem. Ik wist wat hij dacht, ik voelde wat hij voelde, we hielden elkaar vast en we wisten dat we elkaar voor de rest van de avond niet meer zouden loslaten.
Met de strijdkreet ‘Doeme voesj?!’van Keizer Carnaval, Kamiel Sergeant, nog in de oren, en half doof van het uitzinnige ‘Joa!’ dat in antwoord over het plein galmde, trokken we de stad in, de armen om elkaar heen. Morgen was morgen, dan was er nog tijd genoeg om aan de werkelijkheid te denken, spijt te hebben en onze roes uit te slapen. Vannacht kon ons niets gebeuren. Vannacht was van ons.

Advertenties

Een reactie op “Doeme voesj?!

  1. Een zeer doordingende en, voor inwoners van de Keizerlijke Stede, begrijpelijke beschrijving van een ontlading op dat ene moment…
    Prachtig.
    Ik kijk reikhalzend uit naar het volledige verhaal…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s